Home

Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma voor het begrotingsjaar 2007

Besluit van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma voor het begrotingsjaar 2007

[Tekst geldig vanaf 23-04-2009] [Regeling ingetrokken per 01-01-2008]

26.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/33


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 23 april 2009

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma voor het begrotingsjaar 2007

(2009/633/EG, Euratom)

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (1),

gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 — Deel I (SEC(2008) 2359 — C6-0415/2008) (2),

gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend agentschap voor het volksgezondheidsprogramma betreffende het begrotingsjaar 2007 (3),

gezien de jaarverslagen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2006 (COM(2008) 629, COM(2008) 628) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 2579, SEC(2008) 2580),

gezien de mededeling van de Commissie „Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2007” (COM(2008) 338),

gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles (COM(2008) 499) evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 2361),

gezien het verslag van de Commissie „Antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2006” (COM(2008) 112),

gezien het Groenboek over een Europees transparantie-initiatief, door de Commissie aangenomen op 3 mei 2006 (COM(2006) 194),

gezien advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model „single audit” (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader) (4),

gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005) 252),

gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006) 9), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007) 86) evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2007) 311),

gezien het eerste halfjaarlijkse verslag over het scorebord betreffende de uitvoering van het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader, gepubliceerd op 19 juli 2006 (SEC(2006) 1009), in aansluiting op het verzoek van het Parlement in zijn resolutie bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2004,

gezien advies nr. 6/2007 over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de nationale verklaringen van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen (5),

gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeelde beheer van structurele acties (COM(2008) 97),

gezien de mededeling van de commissarissen Hübner en Špidla aan de Commissie met een tussentijds verslag over de uitvoering van het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeelde beheer van structurele acties (SEC(2008) 2756), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 2755),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008) 110), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 259),

gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma betreffende het begrotingsjaar 2007, vergezeld van het antwoord van het Agentschap (6),

gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag (7),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008) 866), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 3054),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2007 (5589/2009 — C6-0056/2009),

gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

gelet op de artikelen 246 en volgende van het EG-Verdrag betreffende de Rekenkamer,

gezien de internationale audit- en boekhoudnormen, met name deze die van toepassing zijn op de openbare sector,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8), en met name de artikelen 145, 146 en 147 daarvan,

gelet op Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (9), en met name artikel 14, lid 3,

gelet op Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (10), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

gelet op Besluit 2004/858/EG van de Commissie van 15 december 2004 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het „Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma”, voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad (11),

gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0168/2009),

A.

overwegende dat, overeenkomstig artikel 274 van het EG-Verdrag, de Commissie de begroting uitvoert onder eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.

verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2007;

2.

formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, afdeling III — Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.

verzoekt zijn voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, afdeling III — Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten (voordien het Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

De voorzitter

Hans-Gert PÖTTERING

De secretaris-generaal

Klaus WELLE


(1)  PB L 77 van 16.3.2007.

(2)  PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.

(3)  PB C 278 van 31.10.2008, blz. 81.

(4)  PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.

(5)  PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.

(6)  PB C 311 van 5.12.2008, blz. 86.

(7)  PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.

(8)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(9)  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(10)  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(11)  PB L 369 van 16.12.2004, blz. 73.


RESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 23 april 2009

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007, afdeling III — Commissie en uitvoerende agentschappen

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2007 (1),

gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 — Deel I (SEC(2008)2359 — C6-0415/2008) (2),

gezien de jaarverslagen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2006 (COM(2008) 629, COM(2008) 628) evenals de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 2579, SEC(2008) 2580),

gezien de mededeling van de Commissie „Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2007” (COM(2008) 338),

gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2007 uitgevoerde interne controles (COM(2008) 499) evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 2361),

gezien het verslag van de Commissie „Antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2006” (COM(2008) 112),

gezien het Groenboek over een Europees transparantie-initiatief, door de Commissie aangenomen op 3 mei 2006 (COM(2006) 194),

gezien advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer over het model „single audit” (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader) (3),

gezien de mededeling van de Commissie over een stappenplan voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2005) 252),

gezien het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2006) 9), het voortgangsverslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2007) 86) evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2007) 311),

gezien het eerste halfjaarlijkse verslag over het scorebord betreffende de uitvoering van het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader, gepubliceerd op 19 juli 2006 (SEC(2006) 1009), in aansluiting op het verzoek van het Parlement in zijn resolutie bij het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2004,

gezien advies nr. 6/2007 over de jaarlijkse overzichten van de lidstaten, de nationale verklaringen van de lidstaten en de door nationale controle-instanties verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot EU-middelen (4),

gezien het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeelde beheer van structurele acties (COM(2008) 97),

gezien de mededeling van de commissarissen Hübner en Špidla aan de Commissie met een tussentijds verslag over de uitvoering van het actieplan van de Commissie ter versterking van de toezichthoudende rol van de Commissie in het kader van het gedeelde beheer van structurele acties (SEC(2008) 2756), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 2755),

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Europese Rekenkamer over het actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd internecontrolekader (COM(2008) 110), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 259),

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2007, vergezeld van de antwoorden van de instellingen (5), evenals de speciale verslagen van de Rekenkamer,

gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag (6),

gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico (COM(2008) 866), evenals het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2008) 3054),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2007 (5587/2009 — C6-0055/2009),

gezien de aanbeveling van de Raad van 10 februari 2009 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2007 (5589/2009 — C6-0056/2009),

gelet op de artikelen 274, 275 en 276 van het EG-Verdrag en de artikelen 179 bis en 180 ter van het Euratom-Verdrag,

gelet op de artikelen 246 en volgende van het EG-Verdrag betreffende de Rekenkamer,

gezien de internationale audit- en boekhoudnormen, met name deze die van toepassing zijn op de openbare sector,

gezien de internationale peer review van de Rekenkamer,

gelet op Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (7), in het bijzonder titel V, hoofdstuk 3 betreffende pensioenen en invaliditeitsuitkeringen, en bijlage XII betreffende uitvoeringsbepalingen van artikel 83 bis van het Statuut,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8), met name de artikelen 145, 146 en 147 daarvan,

gelet op Verordening (EG, Euratom) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (9), met name artikel 14, leden 2 en 3,

gelet op artikel 70 en bijlage V van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A6-0168/2009),

A.

overwegende dat, overeenkomstig artikel 274 van het EG-Verdrag, de Commissie de begroting uitvoert onder eigen verantwoordelijkheid en volgens het beginsel van goed financieel beheer, in samenwerking met de lidstaten,

B.

overwegende dat de Commissie alles in het werk moet stellen om haar volledige steun te verlenen aan initiatieven die tot doel hebben de kwaliteit van het financiële beheer te verbeteren, teneinde een gunstige betrouwbaarheidsverklaring van de Europese Rekenkamer te verkrijgen,

C.

overwegende dat artikel 184 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 voorziet in een herziening van het Financieel Reglement telkens wanneer zulks nodig is en ten minste elke drie jaar, en verder overwegende dat de huidige periode van drie jaar op 1 januari 2010 afloopt; overwegende dat hetzelfde artikel bepaalt dat het Parlement om toepassing van de overlegprocedure kan vragen,

D.

overwegende dat de politieke zeggenschap van de Europese Gemeenschappen over de niet-uitvoerende agentschappen, die een voorwaarde is voor de opname van de rekeningen van deze agentschappen in de consolidatie van de rekeningen van de Europese Gemeenschappen, van jaar tot jaar lijkt af te nemen, en dat hun plaats in het politieke organigram van de communautaire operationele structuren steeds onduidelijker wordt,

E.

overwegende dat een van de specifieke kenmerken van de tenuitvoerlegging van een deel van het beleid van de Unie bestaat in het zogenaamde „gedeelde beheer” van de gemeenschapsbegroting door de Commissie en de lidstaten, wat met zich brengt dat ongeveer 80 % van de communautaire uitgaven door de lidstaten wordt verricht,

F.

overwegende dat het in zijn resolutie van 24 april 2007 (10) over de kwijting voor het begrotingsjaar 2005 heeft geoordeeld dat elke lidstaat de verantwoordelijkheid voor het beheer van ontvangen EU-middelen op zich moet kunnen nemen, hetzij door één enkele nationale beheersverklaring of in de vorm van verschillende verklaringen binnen een nationaal kader,

G.

overwegende dat de Rekenkamer in haar jaarverslag betreffende het begrotingsjaar 2007 in het kader van de beoordeling van de vorderingen inzake de totstandbrenging van een geïntegreerd internecontrolekader heeft benadrukt dat de aard van de EU-uitgaven inhoudt dat het grootste foutenrisico zich voordoet op het niveau van de eindbegunstigde (paragraaf 1.47),

H.

overwegende dat de opstelling door de lidstaten van een jaarlijks overzicht van de beschikbare controles en verklaringen op het gebied van gedeeld beheer, overeenkomstig punt 44 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (11) (IIA), een eerste stap zou moeten zijn op weg naar nationale beheersverklaringen en duidelijk zou moeten bijdragen aan een beter beheer van de communautaire begroting, met de fundamentele gemeenschappelijke bedoeling een positieve betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen voor alle uitgaven van de Unie,

I.

overwegende dat de Rekenkamer het begrip aanvaardbaar foutenrisico in de Unie heeft geïntroduceerd in haar advies nr. 2/2004 over het model „single audit” (12), en dat de Rekenkamer verklaard heeft dat „elk controlesysteem een compromis is tussen de prijs die moet worden betaald om verificaties de voorgeschreven intensiteit te kunnen geven, en het voordeel dat deze kunnen opleveren, en dat in communautair verband het voordeel onder meer is dat het risico van verspilling van middelen afneemt en het foutenrisico op een aanvaardbaar niveau wordt gehouden”,

J.

overwegende dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2007 van oordeel is dat „de kosten van controle belangrijk zijn, zowel voor de EU-begroting als voor de lidstaten of begunstigde staten” en dat „het evenwicht tussen kosten en restrisico op afzonderlijke uitgaventerreinen zo belangrijk is dat het zou moeten worden vastgesteld op politiek niveau (d.w.z. door de begrotings-/kwijtingverlenende autoriteiten) uit naam van de burgers van de Unie” (paragraaf 1.52 onder b) en c)), en dat de Rekenkamer in paragraaf 2.42 onder c) van haar jaarverslag 2007 aanbeveelt voort te maken met het nader uitwerken van het begrip „toelaatbaar risico”,

K.

overwegende dat de Ecofin-Raad van 8 november 2005 in zijn conclusies (paragraaf 5) van oordeel was dat eveneens moest worden gewezen op het fundamentele belang van de invoering van een geïntegreerde interne controle en van vereenvoudiging van de desbetreffende regelgeving, en dat de Commissie hierin werd verzocht een evaluatie van de kosten van deze controle per uitgavencategorie te verrichten,

L.

overwegende dat het Sloveense voorzitterschap van de Raad in juni 2008 van oordeel was dat „in lijn met de conclusies van de Raad van 2005, […] een akkoord moet worden gesloten tussen het Europees Parlement en de Raad over aanvaardbare restrisico’s in de onderliggende verrichtingen, waarbij rekening wordt gehouden met de kosten en baten van de controles in het kader van de verschillende beleidsvormen en van het overeenkomstige bedrag van de uitgaven” (13),

M.

overwegende dat, indien een dialoog tussen de externe controleur (Rekenkamer) en de gecontroleerde instelling (Commissie) noodzakelijk is, het overeenkomstig de internationale auditnormen die het algemeen kader voor de begrotingscontrole moeten blijven, buiten twijfel staat dat de externe controleur de risico’s beoordeelt waarop hij zijn oordeel over de keuze van de controleprocedures baseert,

N.

overwegende dat de kosten van een controle uiteraard niet alleen afhangen van het niveau van het aanvaardbaar foutenrisico, maar ook van de complexiteit van de organisatie van de gecontroleerde entiteit en van de kwaliteit van haar interne controle,

O.

overwegende dat de externe controleur overeenkomstig de internationale auditnormen de passende methodes kiest om de te controleren elementen te selecteren teneinde afdoende elementen te verzamelen waarmee de doelstellingen van zijn controletests kunnen worden verwezenlijkt; overwegende dat, indien de keuze van de methodes van de omstandigheden afhangt, zij vooral afhangt van het auditrisico en van doelstelling efficiënte controles te verrichten; overwegende dat de externe controleur zich ervan moet vergewissen dat de gebruikte methodes afdoende en passende elementen verschaffen om de doelstellingen van de controle te verwezenlijken,

P.

overwegende dat het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur (DG EAC) bij de nieuwe generatie programma’s de actieprogramma’s heeft geharmoniseerd, in het bijzonder door middel van het invoeren van de benadering van één enkele interne controle, overwegende dat in dit kader de ex-ante- en ex-post-verklaringen van de lidstaten nieuwe, bijkomende factoren zijn bij de interne controle van en het toezicht op de stelsels,

Q.

overwegende dat de jaarlijkse kwijtingsprocedure het Parlement in staat stelt rechtstreeks in contact te treden met de belangrijkste verantwoordelijken van dit beheer, en in het licht van de resultaten van de controles van de Rekenkamer de burger een beter beheer van de uitgaven van de Unie kan garanderen en zo de basis legt voor een steviger besluit,

R.

overwegende dat artikel 83 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 bepaalt dat de pensioenen aan de begroting worden toegerekend en dat de lidstaten gemeenschappelijk de betaling van dergelijke uitkeringen moeten waarborgen, overeenkomstig de voor de financiering daarvan vastgestelde verdelingssleutel, overwegende dat het personeel 10,25 % van zijn salaris terugstort naar de algemene begroting als bijdrage voor de financiering van de pensioenregeling;

S.

overwegende dat artikel 83 van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 bepaalt dat de lidstaten gemeenschappelijk het pensioenfonds moeten garanderen, hetgeen betekent dat deze garantie kan worden ingeroepen wanneer één of meerdere lidstaten niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen, maar niet impliceert dat de Gemeenschappen geen claim kunnen doen gelden tegen de lidstaten die die verplichting zijn aangegaan,

T.

gezien het feit dat in 2007 voor het eerst uitvoering werd gegeven aan het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking,

U.

overwegende dat 2007 gold als Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen, waarin speciale aandacht werd besteed aan de diverse vormen van discriminatie waarmee vrouwen vaak te maken krijgen,

V.

overwegende dat door hardnekkige ongelijkheden tussen mannen en vrouwen de besteding van de begrotingsmiddelen op beide geslachten een verschillende uitwerking heeft,

W.

overwegende dat de Raad in het kader van de volgende begrotingsprocedure rekening moet houden met de resultaten en aanbevelingen van de kwijting 2007 en de hervormingsvoorstellen moet steunen die tot doel hebben de verantwoordelijkheid van de lidstaten te vergroten teneinde definitief komaf te maken met de problemen die de Rekenkamer reeds jaren identificeert,

X.

overwegende dat de Commissie, de Raad en het Parlement, in samenwerking met de Rekenkamer, de gezamenlijke doelstelling moeten nastreven een gunstige betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen,

BELANGRIJKSTE CONCLUSIES

1.

is tevreden met de vooruitgang die de Commissie en enkele lidstaten hebben geboekt op het gebied van efficiënter gebruik van Gemeenschapsmiddelen en de algemene controleomgeving, hetgeen in de verbeteringen in de betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer wordt weerspiegeld;

2.

is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang wat de controles betreft die de onderzoekscluster van de Commissie heeft geboekt in het kader van het beheer van het zevende kaderprogramma in vergelijking tot eerdere kaderprogramma’s; benadrukt dat het beheer van de middelen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is verbeterd, in het bijzonder dankzij de werking van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS); betreurt ten zeerste dat in 2007 Griekenland nog steeds niet zijn verplichtingen tot invoering van het GBCS nakomt;

3.

merkt op dat 2007 het eerste jaar van afsluiting van de meerjarenprogramma’s 2000-2006 was en dat veel middelen zijn teruggevorderd;

4.

merkt op dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij het financiële beheer van onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) waarbij de foutenpercentages in een periode van 3 jaar met meer dan 50 % zijn teruggedrongen; moedigt de Commissie aan zich te blijven inspannen voor vereenvoudiging om het gebruik van de programma’s door de uiteindelijke begunstigde te verbeteren;

5.

neemt met genoegen nota van de inspanningen die de Commissie zich getroost op het gebied van de voor het cohesiebeleid beschikbaar gestelde middelen in het kader van de tenuitvoerlegging van het actieplan om de toezichthoudende rol van de Commissie bij het gedeelde beheer van structurele acties te versterken, dat in de context van de kwijtingsprocedure 2006 is aangenomen; hoopt dat de eerste resultaten van het bovengenoemde actieplan en van het streven naar vereenvoudiging zichtbaar worden in het jaarverslag 2008 van de Rekenkamer;

6.

blijft verontrust over het gebrek aan capaciteit van de Europese Unie op het gebied van crisisbeheer; is van mening dat de Unie inboet aan politiek leiderschap, zichtbaarheid en verantwoordelijkheid wanneer zij gebruik maakt van internationale trustfondsen die de Commissie had kunnen beheren als zij de kwijtingsverslagen 2005 en 2006 in acht had genomen en een eigen post-crisisinstrument had opgebouwd; is zeer bezorgd over het gebrek aan controle van EU-middelen die door bepaalde organen van de Verenigde Naties worden aangewend en over het gebrek aan bereidheid van VN-organen om maatregelen te nemen bij fraude met EU-middelen;

HORIZONTALE VRAAGSTUKKEN

Betrouwbaarheidsverklaring

7.

neemt kennis van de verbeteringen in de afzonderlijke delen van de betrouwbaarheidsverklaring, betreurt evenwel dat de betrouwbaarheidsverklaring die de Rekenkamer in haar jaarverslag 2007 geeft voor het veertiende opeenvolgende jaar een verklaring met beperking bevat over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen; merkt op dat de Rekenkamer van mening is dat de betalingen op tal van uitgaventerreinen (landbouw en natuurlijke hulpbronnen, cohesie, onderzoek, energie en vervoer, externe steun, ontwikkeling, uitbreiding, onderwijs en burgerschap) nog steeds fouten van substantieel belang vertonen, zij het op verschillende niveaus;

8.

is verheugd over het feit dat volgens het verslag van de Rekenkamer de ontvangsten, de huishoudelijke uitgaven, de uitgaven voor economische en financiële zaken en de uitgaven voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) geen substantiële fouten vertonen;

9.

stelt vast dat met name op het gebied van de controlesystemen de situatie erop verbetert, maar dat dit onvoldoende en te traag gebeurt;

Betrouwbaarheid van de rekeningen

10.

is ingenomen met de verklaring van de Rekenkamer dat de jaarrekening van de Europese Gemeenschappen in alle materiële opzichten een getrouw beeld geeft van de financiële situatie van de Gemeenschappen per 31 december 2007, en van de resultaten van hun verrichtingen en kasstromen voor het op die dag afgesloten begrotingsjaar (hoofdstuk 1, betrouwbaarheidsverklaring, paragraaf VII); roept de Commissie desalniettemin op zich de opmerkingen van de Rekenkamer ter harte te nemen en de begrijpelijkheid en nauwkeurigheid van de boekhoudkundige basisgegevens te verbeteren;

11.

acht het abnormaal dat de jaarrekening wordt gepresenteerd met een negatief eigen kapitaal van –58 600 000 000 EUR en vraagt zich af of de bij de lidstaten op te vragen bedragen niet als activa moeten worden geboekt aangezien deze slaan op een zekere toezegging met betrekking tot pensioenen voor het personeel, die worden geraamd op 33 500 000 000 EUR; verzoekt om specificatie van de bijgevoegde nota’s over de andere bij de lidstaten op te vragen bedragen ten belope van 27 900 000 000 EUR; neemt nota van de verklaringen van de rekenplichtige van de Commissie volgens welke is gehandeld in overeenstemming met de internationale boekhoudkundige normen voor de publieke sector; stelt voor te onderzoeken of een communautair pensioenfonds kan worden ingesteld zodat deze financiële verplichtingen jegens het personeel kunnen worden uitbesteed;

12.

vindt geen uitleg waarom de van de Europese Gemeenschappen ontvangen activa die verband houden met het Galileo-programma, niet in de jaarrekening zijn opgenomen omdat, volgens het verslag van de Rekenkamer, eind 2007 de overeenkomsten ondertekend zijn tussen het Europees Ruimteagentschap, de gemeenschappelijke onderneming Galileo en de GNSS-toezichtautoriteit die in 2004 is opgericht en op 1 januari 2007 de activiteiten van de vroegere gemeenschappelijke onderneming Galileo moest overnemen; verzoekt de Commissie bijgevolg een voorstel in te dienen betreffende de belangrijkste Europese projecten (Galileo of de TEN’s) die financiering nodig hebben die buiten het toepassingsgebied en daarmee de controle van het meerjaarlijkse financiële kader valt;

13.

verzoekt de mogelijkheid te onderzoeken om in de jaarrekening een voorziening op te nemen voor groot onderhoud of grondige renovatie van het vastgoed van de Europese Gemeenschappen, omdat er geen afschrijving van de gebouwen is aan de hand van specifieke onderdelen die de belangrijkste elementen van de vaste activa weergeven die op regelmatige tijdstippen moeten worden vervangen; is van mening dat deze voorzieningen voor groot onderhoud of grondige renovatie moet aanleunen bij meerjarige onderhoudsprogramma’s die tot doel hebben de gebouwen in goede staat te houden zonder de levensduur ervan te verlengen;

14.

verzoekt goed na te gaan of, bij afwezigheid van een kapitaalsband, het niveau van de politieke macht van de Europese Gemeenschappen in de agentschappen die betrokken zijn bij de consolidatie van de rekeningen, wel degelijk in overeenstemming is met de eisen inzake internationale boekhoudnormen voor de openbare sector;

15.

uit zijn bezorgdheid en twijfel over de mogelijkheid om onder alle omstandigheden hoge ambtenaren die buiten de loopbaancategorieën vallen in de laatste salaristrap van de rang AD16 te benoemen, tenzij uitdrukkelijk vermeld in de personeelsformaties, en verzoekt de Commissie in het licht van deze specifieke begrotingssituatie de mogelijkheden op grond van het ambtenarenstatuut te verduidelijken;

Wettigheid van de onderliggende verrichtingen

16.

stelt met tevredenheid vast dat de gebieden waar de Commissie adequate toezicht- en controlesystemen ten uitvoer heeft gelegd (ontvangsten, vastleggingen en betalingen voor huishoudelijke en andere uitgaven alsook voor economische en financiële zaken) geen substantiële fouten vertonen wat de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen betreft (hoofdstuk 1, betrouwbaarheidsverklaring, paragraaf IX);

17.

betreurt evenwel het feit dat de Rekenkamer op zeer belangrijke gebieden van het beheer van de communautaire begroting (uitgaven voor landbouw, uitgezonderd EOGFL, cohesie, onderzoek, energie en vervoer, externe acties, onderwijs en cultuur) eens te meer vaststelt dat ingewikkelde of onduidelijke rechtsvoorschriften enerzijds leiden tot een aanzienlijk aantal fouten bij de eindbegunstigden en anderzijds gedeeltelijk de efficiëntie aantasten van de toezichts- en controlesystemen, en dat deze complexiteit ervoor zorgt dat het onmogelijk is een gunstige betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer te verkrijgen (hoofdstuk 1, betrouwbaarheidsverklaring, paragrafen X en XI); verzoekt de Commissie bijgevolg een analyse te maken om de omvang van de problemen vast te stellen en oplossingen voor te stellen om hieraan te verhelpen; benadrukt derhalve dat vereenvoudiging van de onderliggende voorschriften en regelgeving vereist is om een positieve betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen;

18.

verzoekt de Commissie dat zij nog meer toezicht houdt op de aan de lidstaten gedelegeerde controles en dat zij hen duidelijke richtsnoeren geeft over de manier waarop deze fouten kunnen worden voorkomen, geïdentificeerd en gecorrigeerd; beklemtoont dat, indien de controlesystemen van de lidstaten ontoereikend blijven, zij alles moet doen wat in haar macht ligt om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen nakomen en de noodzakelijke verbeteringen doorvoeren, in het bijzonder door betalingen op te schorten en financiële correcties op te leggen;

Begrotingsbeheer — financiële correcties

19.

neemt kennis van het feit dat de Rekenkamer vaststelt dat, ten opzichte van het begin van de vorige programmeringsperiode, het gebruik van de vastleggingskredieten aanzienlijk is verbeterd in 2007, dat het eerste jaar van de nieuwe programmeringsperiode 2007-2013 is;

20.

is evenwel van mening dat de Commissie inzake gedeeld of gedecentraliseerd beheer Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 ten volle moet toepassen en de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting op zich moet nemen; wijst erop dat tot financiële correcties moet worden overgegaan zodra door de lidstaten niet gecorrigeerde onregelmatigheden worden ontdekt, zonder te wachten op het eind van de meerjarige cyclus;

Terugvorderingen

21.

wijst met bezorgdheid op de problemen inzake terugvordering van ten onrechte betaalde communautaire middelen en op de slechte kwaliteit van de verstrekte gegevens over de op nationaal niveau toegepaste correctiemechanismen bij het cohesiebeleid, die vaak tegenstrijdig en onvolledig zijn; wijst tevens op het feit dat de Rekenkamer met betrekking tot de landbouw twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie (paragrafen 3.26 en 5.44 van het jaarverslag 2007);

22.

wijst tevens op het belang van besluiten en definitieve corrigerende maatregelen om uitgaven die niet volgens de communautaire regelgeving zijn verricht van communautaire financiering uit te sluiten, en herhaalt zijn verzoek om de exacte begrotingslijn en het begrotingsjaar te vermelden waarop individuele terugvorderingen betrekking hebben, zoals gebruikelijk in de sector landbouw en natuurlijke hulpbronnen;

23.

verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en doelmatigheid van de meerjarige terugvorderingssystemen te verbeteren, ook op het niveau van de lidstaten, en de gegevens over terugvorderingen en financiële correcties te consolideren, in het bijzonder op gebieden die onder de structuurfondsen vallen, teneinde betrouwbare en vergelijkbare cijfers te verstrekken over de verschillende beleidsgebieden en beheerswijzen van de middelen; verzoekt de Commissie hierover aan het Parlement in de nota’s over de jaarrekening verslag uit te brengen teneinde een globaal beeld te krijgen;

24.

verzoekt, gezien de aanhoudende problemen in verband met terugvorderingen, om een evaluatie van het systeem;

Opschorting van betalingen

25.

ondersteunt de Commissie volledig bij de strikte toepassing van de wetgeving waar het de opschorting van de betalingen betreft en verheugt zich over reeds gestarte acties om de middelen niet over te schrijven als de Commissie niet over een absolute garantie beschikt over de betrouwbaarheid van de beheer- en controlesystemen van de lidstaat die de kredieten ontvangt;

Jaarlijkse overzichten van de controles, beschikbare verklaringen op het gebied van gedeeld beheer en nationale beheersverklaringen

26.

is verheugd over de terbeschikkingstelling van jaarlijkse overzichten van de controles door de lidstaten vanaf 2008, alsook over de beoordelingen en de verklaringen in de jaarlijkse activiteitenverslagen 2007 van de directoraten-generaal die bij de structuurfondsen betrokken zijn en roept de Commissie op ernaar te streven dat deze jaarlijkse overzichten samen met het antwoord van de Commissie openbaar gemaakt worden; is van mening dat de door de lidstaten opgestelde jaarlijkse overzichten openbare documenten zijn en daarom gedurende de kwijtingsprocedure ook moeten worden toegezonden aan de bevoegde commissie van het Parlement;

27.

stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer gezien de grote verschillen wat de presentatie ervan betreft en het ontbreken van meerwaarde, van oordeel is dat deze jaarlijkse overzichten nog geen betrouwbare beoordeling van de werking en de doeltreffendheid van de controlesystemen vormen; is in dit licht ingenomen met de oriëntatienota van de Commissie die tot doel heeft de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten voor 2008 te verbeteren en roept de Commissie op de richtsnoeren die zij de lidstaten verstrekt voor het opstellen van de jaarlijkse overzichten verder te verbeteren; is van mening dat zinvolle jaarlijkse overzichten het aantal controles ter plaatse kunnen terugbrengen;

28.

roept de Commissie in dit verband op de overzichten die in 2009 zijn ontvangen te analyseren met het doel hun meerwaarde te optimaliseren op het gebied van de zekerheid die zij geven over de werking van de internecontrolesystemen die door de lidstaten worden gebruikt; roept de Commissie ook op in het jaarverslag een analyse op te nemen van de door de lidstaten ingediende jaarlijkse overzichten, op grond van artikel 86, lid 4, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, waarbij zij de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (IIA) als referentiewaarden hanteert;

29.

betreurt dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek in zijn resolutie van 22 april 2008 over de kwijting voor het begrotingsjaar 2006 (14) om het Parlement en de Raad een specifiek document over te leggen dat op basis van de ontvangen jaarlijkse overzichten de sterke en zwakke punten analyseert van de nationale systemen van elke lidstaat op het gebied van administratie en controle van de communautaire middelen, alsook de resultaten van de verrichte controles; betreurt tevens dat het tot op heden van de Commissie nog geen gedetailleerde informatie heeft ontvangen over de beoordeling en de vergelijkende analyse van de eerste gepresenteerde jaarlijkse overzichten; acht het van kapitaal belang verslag uit te brengen over de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten, om te stimuleren dat deze een meerwaarde toevoegen aan het proces, bijvoorbeeld door het vaststellen van gemeenschappelijke problemen, mogelijke oplossingen en beste praktijken;

30.

verzoekt de Commissie in de activiteitenverslagen regelmatig deze kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de jaarlijkse overzichten over te leggen en deze informatie gedurende de kwijtingsprocedure beschikbaar te stellen aan alle betrokken partijen en het publiek; verwacht de eerste beoordeling uiterlijk in september 2009 te ontvangen en vraagt dat, naast een jaarlijkse formele presentatie aan het Parlement, deze analyse van de jaarlijkse overzichten ook wordt toegestuurd aan alle nationale parlementaire commissies die bevoegd zijn voor de begroting;

31.

verzoekt de Commissie na drie jaar een omvattende evaluatie uit te voeren, waarbij de meerwaarde van de jaarlijkse overzichten voor een goed beheer van de EU-middelen in de lidstaten wordt geanalyseerd, alsook de mate van onafhankelijkheid van de betrokken controleurs;

32.

is van oordeel dat de jaarlijkse overzichten die de lidstaten elk jaar moeten opstellen, inclusief een samenvatting van de gecontroleerde rekeningen en de beschikbare verklaringen, overeenkomstig punt 44 van het IIA, een eerste stap moeten vormen op weg naar de invoering van nationale beheersverklaringen in alle lidstaten; verzoekt de Commissie te verklaren wat zij in dit kader en met het oog op eerdere kwijtingsresoluties heeft gedaan en zo spoedig mogelijk alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de jaarlijkse overzichten te verbeteren zodat deze hetzelfde politieke gewicht in de schaal leggen als de nationale beheersverklaringen; is van mening dat de Commissie haar wetgevingsinitiatief moet gebruiken om een voorstel te doen tot een besluit van de Raad waarmee nationale beheersverklaringen verplicht worden gesteld;

33.

is verheugd over het feit dat een aantal lidstaten (Denemarken, Nederland, Zweden, Verenigd Koninkrijk) het initiatief heeft genomen om in te stemmen met de goedkeuring van een nationale verklaring betreffende het beheer van de communautaire middelen, maar betreurt dat, ondanks deze initiatieven, het merendeel van de overige lidstaten zich tegen de invoering ervan verzet; betreurt tevens het feit dat België, Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Malta, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Finland nog steeds geen stappen hebben ondernomen om een efficiënt systeem van nationale verklaringen te ontwikkelen;

34.

verzoekt dat overeenkomstig artikel 248, lid 3, van het EG-Verdrag met betrekking tot de controle van het gedeelde beheer de nadruk wordt gelegd op de samenwerking tussen de nationale controle-instanties en de Europese Rekenkamer; stelt voor te bestuderen dat de nationale controle-instanties in hun hoedanigheid van onafhankelijke externe controleurs en met inachtneming van de internationale auditnormen, nationale controleattesten betreffende het beheer van de communautaire middelen afleveren die vervolgens worden bezorgd aan de regeringen van de lidstaten teneinde deze over te leggen tijdens het kwijtingsproces overeenkomstig een interinstitutioneel geschikte procedure;

Controlesystemen

Actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader

35.

neemt met tevredenheid kennis van de algemene vooruitgang die op het gebied van de ontwikkeling van het internecontrolesysteem is geboekt, alsook van het feit dat de meeste acties zijn uitgevoerd en dat aan de meeste lacunes die in het actieplan zijn genoemd is verholpen;

36.

uit zijn bezorgdheid over de aanhoudende kritiek van de Rekenkamer over de ontoereikende kwaliteit van de controles in de lidstaten; wijst met bezorgdheid op de klachten van de begunstigden en de controle-instanties over het aantal controles en de kosten;

37.

uit tevens zijn bezorgdheid over de kritiek van de begunstigden betreffende het aantal handleidingen, begeleidende nota’s, werkdocumenten en participatieregels ten aanzien van de subsidies; vraagt dat deze documenten worden geconsolideerd en dat er overleg komt met het Parlement om de uitvoeringsbepalingen te vereenvoudigen;

38.

benadrukt dat controlesystemen de complexiteit van voorschriften en regelgeving op de verschillende, soms overlappende niveaus weerspiegelen; roept de Commissie derhalve op het vereenvoudigingsproces te versnellen en het Parlement hier volledig bij te betrekken; verzoekt de lidstaten en regio’s dezelfde inspanningen te leveren;

39.

verzoekt de Commissie de voorwaarden voor het gebruik van de forfaitaire methode te herzien teneinde voor de begunstigden tot meer betrouwbaarheid te komen; acht het onaanvaardbaar de keuze van de forfaits ex post in vraag te stellen;

40.

betreurt dat actie nr. 4 van het actieplan voor een geïntegreerd internecontrolekader betreffende een interinstitutioneel initiatief over de in acht te nemen basisbeginselen ten aanzien van de aanvaardbare risico’s in de onderliggende verrichtingen, met vertraging wordt uitgevoerd;

41.

herinnert in deze context tevens aan het belang van actie 10 van bovengenoemd actieplan, die tot doel heeft de kost van de controles te analyseren omdat er een passend evenwicht moet worden gevonden tussen de kosten en de baten van de controles;

42.

dringt erop aan dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal opnieuw informatie bevatten over de kwaliteit van de controles in de lidstaten en over de verbetering ervan, en verzoekt de Commissie een ranglijst op te stellen van alle betalingsagentschappen en certificatieorganisaties;

43.

verzoekt de Commissie regelmatig een beoordeling van het geïntegreerde internecontrolesysteem over te leggen, en vraagt dat de jaarlijkse activiteitenverslagen en het syntheseverslag nog beter ingaan op de systemen van de diensten van de Commissie en van de lidstaten op het gebied van gedeeld beheer, met name ten aanzien van de technische kwaliteit en de ethische overwegingen wat bijvoorbeeld het onafhankelijkheidsniveau van de nationale controleautoriteiten betreft;

44.

verzoekt de Commissie een meer volledige en alomvattende beoordeling te maken van de kosten van de middelen die worden ingezet voor de controlesystemen per uitgavendomein, en dit voor alle uitgavendomeinen van de Unie, zoals het Parlement de vorige jaren in zijn resoluties over de kwijting heeft gevraagd en met het oog op het begrip „resultaten bereiken”;

45.

verzoekt de Commissie tevens op basis van de ontvangen jaarlijkse overzichten de sterke en zwakke punten te analyseren van de nationale controlesystemen van elke lidstaat op het gebied van administratie en controle van de communautaire middelen, en daarbij een raming te voegen van de kosten van de nationale controlesystemen voor de communautaire middelen; herinnert de Commissie aan haar toezegging de kwaliteit van de jaarlijkse overzichten van de lidstaten te verbeteren om ze tot nuttige instrumenten te maken en zo het foutenrisico voor de komende jaren te verlagen; verzoekt de Commissie deze toezegging na te komen;

46.

is van oordeel dat deze vergelijkende analyse eind 2009, begin 2010 aan het Parlement, de Raad en de Rekenkamer moet worden overgelegd en als basis moet dienen voor een interinstitutionele dialoog over het aanvaardbaar foutenrisico;

47.

wijst erop dat, hoewel het „aanvaardbaar controlerisico” een fundamenteel begrip is in een geïntegreerd internecontrolekader waarmee de Rekenkamer rekening moet houden bij de aflevering van haar betrouwbaarheidsverklaring, volgens advies nr. 4/2006 van de Rekenkamer over het ontwerp voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (15) nog moeten worden gedefinieerd hoe dit aanvaardbaar controlerisico moet worden vastgesteld;

Aanvaardbaar foutenrisico

48.

is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een gemeenschappelijke visie op het begrip aanvaardbaar foutenrisico als stevige methodologische basis voor de economische analyse van het aanvaardbaar foutenrisico, en verwacht dat de Commissie dit werk afrondt bij de voorbereiding van haar voorstel voor het aanvaardbaar foutenrisico per begrotingsdomein; erkent in deze context het belang van deze mededeling als eerste reflectiebasis uit puur economisch oogpunt over het „aanvaardbaar foutenrisico” voor twee uitgavendomeinen van de Unie, met name de structuurfondsen en het ELFPO; vraagt evenwel dat deze dialoog tussen de externe controleur en de gecontroleerde instelling overeenkomstig de internationale auditnormen plaatsvindt, waarbij de externe controleur de risico’s beoordeelt waarop hij zijn oordeel over de keuze van de controleprocedures baseert;

49.

betreurt dat de Commissie in bovengenoemde mededeling de problemen aanklaagt die ze heeft ondervonden om van de lidstaten voldoende betrouwbare informatie te krijgen, en meent dat dit het imago van de Unie schaadt;

50.

heeft twijfels over de betrouwbaarheid van de door de lidstaten verstrekte gegevens en vraagt de Commissie bijgevolg nieuwe cijfers te verzamelen en hiervan met technische ondersteuning van de Rekenkamer een grondige analyse te maken zodra de regelgeving voor de periode 2007-2013 effect sorteert, en deze analyse vóór het eind van 2011 aan het Parlement en de Raad te doen toekomen;

51.

is van oordeel dat de vaststelling van een aanvaardbaar foutenrisico uiterst belangrijk, maar zeer complex is; meent dat het aanvaardbaar foutenrisico nauw verbonden moet zijn met een grondige studie over het evenwicht tussen de kosten en baten van de controlesystemen van de Commissie en de lidstaten voor alle communautaire uitgavendomeinen;

52.

verzoekt de Commissie, met het oog op de dringende noodzaak de kosten en baten van de controles te blijven analyseren, met technische ondersteuning van de Rekenkamer een diepgaande analyse te maken van de domeinen onderzoek, externe betrekkingen en administratieve uitgaven, en hierover vóór het eind van 2010 verslag te doen;

53.

is van oordeel dat de Europese middelen die als gevolg van fouten verloren zijn, eveneens in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van een aanvaardbaar foutenrisico;

54.

is van oordeel dat het tot concrete voorstellen ter verbetering van het beheer en de controle van de communautaire uitgaven moet komen, zelfs tot een zekere harmonisatie van bepaalde aspecten, en stelt voor dat het Parlement de Commissie bij de volgende begrotingsprocedure de nodige middelen verschaft om een studie te verwezenlijken;

55.

verzoekt de Commissie dringend haar voorstellen kenbaar te maken om een gunstige betrouwbaarheidsverklaring te verkrijgen;

Transparantie

56.

herinnert aan het besluit van de Commissie te beginnen met een vrijwillig register van lobbyisten en het systeem na een jaar te evalueren; is zich ervan bewust dat het Verdrag van Lissabon de wettelijke basis voor een verplicht register biedt; herinnert eraan dat het huidige register van het Parlement al verplicht is en dat een mogelijk gemeenschappelijk register de facto verplicht zou zijn, aangezien registratie in beide gevallen een voorwaarde is om toegang tot het Parlement te verkrijgen;

57.

betreurt het dat geen gevolg is gegeven aan zijn verzoek om een nieuwe gedragscode voor leden van de Commissie, met het oog op een verbetering en duidelijker omschrijving van hun individuele en collectieve politieke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor hun besluiten en voor de uitvoering van hun beleid door hun diensten;

58.

herinnert nogmaals aan de verantwoordelijkheid van de Commissie om ervoor te zorgen dat de gegevens die over de begunstigden van EU-financiering worden verstrekt, volledig, doorzoekbaar en vergelijkbaar zijn, en betreurt het feit dat deze doelstelling nog steeds niet is bereikt;

59.

herinnert nogmaals aan het belang van volledige transparantie en openbaarheid met betrekking tot personeel in de kabinetten van de commissieleden dat niet volgens het Statuut is aangeworven;

60.

wijst erop dat de begunstigden van Europese middelen vanaf het begrotingsjaar 2007 verplicht moeten worden gepubliceerd; stelt helaas vast dat het Parlement geen globaal zicht heeft op deze publicatie en evenmin op de details van de begunstigden en hun projecten; verzoekt de Commissie het nut te beoordelen van de gegevens die de lidstaten in het kader van de genoemde beleidsdoelstellingen publiceren;

61.

is verbaasd over het feit dat de Commissie heeft aangeboden een bijdrage van 1 500 000 EUR afkomstig van de bankrekeningen buiten de begroting van het vroegere economaat van de Commissie te leveren aan het fitnesscentrum van het Parlement (COM(2008) 692) en keurt het af dat de Commissie op deze wijze het akkoord van het Parlement heeft willen bereiken over het gebruik van gelden; herinnert aan paragraaf 6 van zijn reeds aangehaalde resolutie van 24 april 2007 betreffende de verlening van kwijting voor het begrotingsjaar 2005 en de paragrafen 6 en 7 van zijn resolutie van 27 april 2006 betreffende de verlening van kwijting voor het begrotingsjaar 2004 (16); verzoekt de Commissie de middelen afkomstig van de bankrekeningen buiten de begroting van het vroegere economaat op te nemen in de reguliere begroting alvorens voorstellen te doen voor het gebruik daarvan;

62.

herinnert de Commissie aan het feit dat voor de komende Europese verkiezingen een omvattende, gemakkelijk toegankelijke databank voor publieke raadpleging beschikbaar moet zijn met informatie over alle begunstigden van Europese steun;

Financieel reglement

63.

stelt met tevredenheid vast dat de vereenvoudiging waarmee bij de laatste herziening van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 is begonnen, de gewenste vruchten heeft afgeworpen op het gebied van openbare aanbestedingen;

64.

merkt evenwel op dat de getroffen maatregelen op het gebied van subsidies slechts ten dele hun efficiëntie hebben bewezen; verzoekt de Commissie uiterlijk 1 januari 2010 voorstellen in te dienen om het Financieel Reglement te herzien en volledig te consolideren, met daarin een specifiek hoofdstuk betreffende afzonderlijke uitgavenprogramma’s die alle eisen waaraan een begunstigde van een programma moet voldoen, bundelen in één alomvattende bron en met verdere vereenvoudigingen inzake de toekenning van subsidies en het toezicht daarop; dringt er, overeenkomstig artikel 184 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, op aan dat bij de volgende driejaarlijkse herziening van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 de overlegprocedure wordt toegepast;

65.

verzoekt de Commissie in een zeer vroeg stadium overleg te voeren met de andere onder Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 vallende instellingen;

Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

66.

is verontrust over de omstandigheden waarin OLAF moet werken; verzoekt de Commissie te waarborgen dat OLAF rechtstreeks toegang heeft tot haar databanken indien dit nodig is voor een onderzoek, teneinde zonder vertraging een onderzoek te kunnen openen en verrichten;

67.

verzoekt eveneens te waarborgen dat derde begunstigde landen OLAF alle assistentie verlenen die bij controles en verificaties ter plaatse noodzakelijk is, alsook alle informatie te verstrekken die pertinent is voor de follow-up van de verrichte onderzoeken; verzoekt de Commissie te waarborgen dat alle toekomstige contracten bepalen dat de autoriteiten van de betrokken landen volledig met OLAF samenwerken;

68.

maakt zich ernstige zorgen over het feit dat in slechts 6,7 % van de gevallen waarin OLAF een judiciële follow-up aanbeveelt, dat ook werkelijk is gebeurd; is zich ervan bewust dat 60 % van de in 2007 door OLAF uitgevoerde onderzoeken leidde tot de aanbeveling dat er een judiciële follow-up diende te komen; is van mening dat deze situatie, die de rechtstaat en het vertrouwen van burgers ondermijnt en potentiële fraudeurs in de kaart speelt, onacceptabel is; verzoekt de Commissie derhalve met klem alles te doen wat op grond van de verdragen in haar macht ligt om in de strijd tegen fraude in de Gemeenschappen een efficiënte samenwerking tussen de autoriteiten in de lidstaten te bereiken;

69.

stelt bezorgd vast dat tussen 2006 en 2008 slechts 37 van de 222 intern uitgevoerde onderzoeken aanleiding gaven tot disciplinaire maatregelen en dat van deze 37 onderzoeken slechts twee werkelijke gevolgen hadden, drie werden geseponeerd wegens gebrek aan bewijs en de resterende 32 — oftewel 87 % — nog niet tot enig resultaat hebben geleid; verzoekt de Commissie de interne onderzoeken even krachtig ter hand te nemen als de externe onderzoeken en ervoor te zorgen dat in die gevallen waarin de onderzoeken nog niet tot een disciplinaire follow-up hebben geleid, dat alsnog geschiedt;

70.

verzoekt de Commissie nogmaals een instrument in te voeren voor de uitwisseling van informatie tussen OLAF en de lidstaten over de follow-up van communautaire onderzoeken op het gebied van fraudebestrijding; verzoekt de Commissie met name te waarborgen dat de nationale juridische autoriteiten OLAF door middel van voortgangsverslagen op gezette tijden op de hoogte stellen van de resultaten van de juridische stappen die zij naar aanleiding van het doorzenden van dossiers door OLAF hebben genomen bij de bestrijding van fraude in de Gemeenschappen;

SECTORALE KWESTIES

Eigen middelen

71.

constateert dat, volgens informatie van de Commissie (zie het antwoord op schriftelijke vraag E-5221/08), in september-oktober 2008 voor het eerst alle 27 lidstaten de gegevens met betrekking tot de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in hun nationale rekeningen hebben opgenomen; op basis van deze gegevens stijgt het bruto nationaal inkomen (bni) van de 27 lidstaten van de Unie (EU-27) in 2007 ten gevolge van de toerekening van de IGDFI met 149 200 000 000 EUR (d.w.z. 1,2 % van het bni van de EU-27); op grond van deze nieuwe statistische aanpak stijgt het BNI dus met een bedrag dat aanmerkelijk groter is dan de omvang van de totale begroting van de Europese Unie;

72.

vestigt de aandacht op punt 93 van zijn resolutie van 24 april 2007 over de aan de Commissie te verlenen kwijting over 2005, waarin het erop wijst dat IGDFI in verband met de eigen bni-middelen automatisch in het besluit betreffende de eigen middelen zullen worden opgenomen, aangezien de Commissie in haar voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2006) 99) ter zake geen beperkend voorbehoud heeft gemaakt;

73.

stelt vast dat de Raad toen hij zijn goedkeuring hechtte aan Besluit 2007/436/EG, Euratom van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (17) op basis van het voorstel van de Commissie (COM(2006) 99), met betrekking tot de IGDFI evenmin een beperkend voorbehoud heeft gemaakt; gaat er om deze reden van uit dat wanneer het nieuwe besluit betreffende eigen middelen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 in werking treedt, bij de berekening van de eigen middelen van de Gemeenschappen rekening zal worden gehouden met de bni-gegevens inclusief de IGDFI-gegevens en dat op die grondslag door de lidstaten gedane en nog te verrichten betalingen opnieuw zullen worden berekend;

Landbouw en natuurlijke hulpbronnen

74.

stelt met ongerustheid vast dat de Rekenkamer concludeert dat de onderliggende verrichtingen bij de gedeclareerde uitgaven voor deze beleidsgroep over het geheel genomen een materieel foutenpercentage vertonen wat betreft de wettigheid en/of regelmatigheid (punten 5.12 en 5.13 van het jaarverslag 2007) en neemt ook kennis van de problemen die door de Rekenkamer worden vastgesteld met betrekking tot de eindbegunstigde en als gevolg van het feit dat ongeveer 20 % van de gecontroleerde betalingen op dit niveau nogmaals onjuist zijn gebleken; neemt echter nota van de afnemende foutenfrequentie en van de beperkte financiële gevolgen van deze fouten (0,83 % van de betrokken uitgaven);

75.

onderschrijft de conclusie van de Rekenkamer dat de uitgaven voor plattelandsontwikkeling en met name de uitgaven voor agromilieumaatregelen bijzonder vatbaar zijn voor een hogere foutenfrequentie en dat de controles wederom gebrekkig zijn bevonden vanwege de ingewikkelde regels en de onnauwkeurige definities in de nationale wetgeving van bepaalde subsidiabiliteitsvoorwaarden, waardoor de kwaliteit van de controles negatief wordt beïnvloed; dringt er bij de Commissie op aan de controlevoorschriften te vereenvoudigen, aan te scherpen en te versterken;

76.

stelt evenwel vast dat de Rekenkamer concludeert dat het geïntegreerd beheers- en controlesysteem nog steeds doeltreffend is om het risico van onregelmatige uitgaven te beperken, mits het correct wordt toegepast en er nauwkeurige en betrouwbare gegevens in worden ingevoerd, wat de betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling op basis van de toegewezen rechten betreft (punten 5.20 en 5.21 van het jaarverslag 2007);

77.

is niettemin bezorgd door de kritiek van de Rekenkamer met betrekking tot de fouten in de interpretatie van de verordeningsbepalingen en door de vaststelling dat, als de fouten niet worden gecorrigeerd, de gecumuleerde gevolgen ervan over meerdere jaren aanzienlijk zullen zijn, en vraagt de Commissie zo snel mogelijk de nodige maatregelen te nemen, door in ieder geval te zorgen voor een vereenvoudiging van het beleid, alsmede voor duidelijker en consistentere controlesystemen, opdat de genoemde fouten worden gecorrigeerd, en tevens het Parlement eind 2009 over de genomen maatregelen te informeren;

78.

acht het bestaan van problemen bij de toepassing van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem in Griekenland, die eens te meer door de Rekenkamer worden vastgesteld, onaanvaardbaar en steunt de Commissie in haar voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement bekendgemaakte intentie de bestaande wetgeving op het gebied van opschorting van betalingen strikt toe te passen, als de Griekse regering de bestaande problemen niet binnen de aangekondigde tijdslimiet corrigeert; vraagt dat de betalingen worden opgeschort, als de Griekse autoriteiten op 31 december 2009 niet kunnen bewijzen dat de problemen zijn opgelost;

79.

constateert bezorgd dat de Rekenkamer aanzienlijke tekortkomingen vaststelt in de controlesystemen van talrijke lidstaten met betrekking tot plattelandsontwikkeling, doordat sommige subsidiabiliteitsvoorwaarden in de nationale wetgeving onduidelijk zijn gedefinieerd en de regels vaak ingewikkeld zijn, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de controles;

80.

betreurt ook, wat het beheer en de controle van de bedrijfstoeslagregeling betreft, dat de Rekenkamer het bestaan in diverse „oude” lidstaten aan de kaak stelt van tekortkomingen met betrekking tot de controlesystemen op dit gebied (in Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje; punt 5.26 van het jaarverslag 2007), alsmede een aantal systeemmatige tekortkomingen wat de controles betreft van de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor oppervlaktesteun in Griekenland, Italië, Spanje, het Verenigde Koninkrijk, Frankrijk en Nederland (zie bijlagen 5.1.1 en 5.1.2 van het jaarverslag 2007); neemt kennis van de antwoorden van de Commissie waarin de presentatie van de situatie door de Rekenkamer wordt weersproken;

81.

verzoekt de lidstaten met aandrang om hun controles in samenwerking met de Commissie te intensiveren, met name wat de voldoening van de subsidiabiliteitsvoorwaarden door de begunstigden betreft; verzoekt de Commissie deze voorwaarden zo veel mogelijk te verduidelijken en te vereenvoudigen;

82.

betreurt dat dezelfde beperkingen die ten dele inherent aan het goedkeuringssysteem zijn, in 2007 nogmaals door de Rekenkamer worden vastgesteld, zoals de terugwerkende kracht en de meerjarige aard van de conformiteitsgoedkeuring en het feit dat geen deugdelijk verband tussen de teruggevorderde bedragen en het werkelijke bedrag aan onregelmatige betalingen kan worden gelegd (punt 5.47 van het jaarverslag 2007);

83.

is van mening dat de Commissie na meerdere jaren met dezelfde ernstige kritiek van de Rekenkamer over hetzelfde probleem maatregelen moet voorstellen om het systeem zo te hervormen dat het mogelijk is duidelijke verbanden tussen de teruggevorderde bedragen en het bedrag aan onregelmatige betalingen te leggen, en er zoveel mogelijk voor moet zorgen dat de kosten van de financiële correctie worden gedragen door de eindbegunstigden en niet door de belastingbetalers en dat forfaitaire correcties worden toegepast bij de lidstaten die niet aan hun verplichtingen voldoen;

Visserijsubsidies

84.

is ingenomen met het feit dat sommige lidstaten de namen van begunstigden, de aanduidingen van de betreffende verrichtingen en de bedragen aan openbare (EU- en nationale) steun bekendmaken, en is tevens ingenomen met de website van de Commissie waarop links te vinden zijn naar informatiebronnen van de lidstaten;

85.

verzoekt evenwel de Commissie ervoor te zorgen dat alle lidstaten voldoen aan de vereisten van artikel 53, onder b), en artikel 53 ter, lid 2, onder d), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en de vereisten van artikel 31, alinea 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 498/2007 (18);

86.

is ingenomen met het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (COM(2008) 721) om de wettelijke mogelijkheid te creëren tot opschorting of verlaging van financiële steun van het Europees Visserijfonds aan lidstaten die de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) niet correct naleven;

87.

verzoekt de Commissie evenwel ook voor te stellen lidstaten die de regels van het GVB niet correct naleven niet langer de mogelijkheid te bieden voordelen te ontlenen aan partnerschapsovereenkomsten inzake visserij;

88.

verzoekt de Commissie communautaire regelgeving te initiëren waarin alle reders die zijn veroordeeld op grond van een ernstige inbreuk overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1447/1999 (19) worden uitgesloten van communautaire steun uit het Europees Visserijfonds en/of geen voordelen meer kunnen ontlenen aan partnerschapsovereenkomsten inzake visserij;

89.

vraagt de Commissie te waarborgen dat communautaire steun niet gebruikt wordt voor het moderniseren van vlootsegmenten die gekenmerkt worden door overcapaciteit;

90.

herinnert de Commissie aan het feit dat zij zich in het kader van de EU- strategie voor duurzame ontwikkeling die in juni 2001 door de Europese Raad van Göteborg is goedgekeurd en in juni 2006 door de Europese Raad van Wenen is herzien, heeft verbonden aan de afschaffing van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu en heeft toegezegd uiterlijk in 2008 met een routekaart te komen voor de sectorgewijze hervorming van deze subsidies, met als doel om ze af te schaffen;

Cohesie

91.

neemt met grote bezorgdheid nota van de raming van de Rekenkamer dat ten minste 11 % van het totale bedrag dat is uitgekeerd voor projecten in het kader van het structuurbeleid, niet uitgekeerd had mogen worden;

92.

merkt op dat de Commissie dit percentage van 11 % niet aanvecht;

93.

constateert dat het aantal controles dat de Rekenkamer uitvoert laag lijkt in vergelijking tot het aantal betalingen aan eindbegunstigden (op het gebied van het cohesiebeleid heeft de Rekenkamer bijvoorbeeld volgens punt 6.21 van het jaarverslag 2007 een controle uitgevoerd van 180 tussentijdse vergoedingen van in totaal enkele honderdduizenden betalingen aan eindbegunstigden), maar merkt op dat deze wijze van financiële controle aansluit bij de daarvoor geldende internationale normen, zoals blijkt uit de mening die naar voren komt in het verslag van de internationale „peer review” van de Europese Rekenkamer, die is uitgevoerd door een aantal financiële en prestatieauditors van de hoogste nationale controle-instellingen van Oostenrijk, Canada, Noorwegen en Portugal;

94.

waardeert de in de algemene evaluatie van de toezicht- en controlesystemen in het jaarverslag van de Rekenkamer geconstateerde verbeteringen, maar betreurt dat de beheers- en controlesystemen zowel op het niveau van de lidstaten als op het niveau van het toezicht door de Commissie ondanks de voortdurende inspanningen van de Commissie onvoldoende doeltreffend zijn om het risico van fouten te beperken, en verzoekt de Commissie begin 2010 aan het Parlement verslag uit te brengen over de in 2009 getroffen maatregelen en over de eerste gevolgen van de maatregelen in het kader van bovengenoemd actieplan;

95.

stelt met grote ongerustheid vast dat de absorptie van de regionale en cohesiefondsen een onaanvaardbaar laag niveau heeft bereikt, en verzoekt de Commissie de herzieningsprocedure voort te zetten en de bestaande regelgeving onverwijld te vereenvoudigen;

96.

herinnert de Commissie ook aan de aanbeveling van de Rekenkamer om zo mogelijk gebruik te maken van de vereenvoudigingen waarin de verordeningen over de uitgaven voorzien, zonder de doeltreffendheid van de uitgaven te ondermijnen, en vraagt haar een reflectie te starten over nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen die kunnen worden genomen, met inbegrip van de informatisering van het systeem; is in verband hiermee ingenomen met de oprichting van de werkgroep Vereenvoudiging door de Commissie en verwacht dat de Commissie voor het tijdvak 2007-2013 concrete voorstellen zal doen voor vereenvoudigingen op basis van de resultaten van deze werkgroep;

97.

vraagt de Commissie ook een evaluatie te maken van de positieve gevolgen van het cohesiebeleid per lidstaat en bij het Parlement een rapport in te dienen over de toegevoegde waarde hiervan op het niveau van de Unie;

98.

merkt bezorgd op dat in het Europees Fonds voor plattelandsontwikkeling van de jaren 2000 tot 2006, 95,47 % van de financiële correcties betrekking hadden op Spanje (59,07 %), Italië (31,97 %) en het Verenigd Koninkrijk (4,43 %); merkt op dat 22 lidstaten goed zijn voor 4,53 % van de financiële correcties; vraagt de Commissie haar controle-eisen aan te passen aan de frequentie en de ernst van de fouten in de lidstaten waar deze het vaakst voorkomen; vraagt de Commissie ook om het Parlement te informeren over haar reactie op de hoge foutenpercentages in de drie genoemde lidstaten;

99.

merkt bezorgd op dat in het Cohesiefonds 2000 tot 2006, 95,92 % van de financiële correcties betrekking hadden op Griekenland (53,06 %) en Spanje (42,86 %); merkt op dat 23 lidstaten goed zijn voor 4,08 % van de financiële correcties; vraagt de Commissie haar controle-eisen aan te passen aan de frequentie en de ernst van de fouten in de lidstaten waar deze het vaakst vorkomen; vraagt de Commissie ook om het Parlement te informeren over haar reactie op de hoge foutenpercentages in de twee genoemde lidstaten;

100.

merkt bezorgd op dat in het Sociaal Fonds 2000 tot 2006, 84,28 % van de financiële correcties betrekking hadden op Spanje (46,42 %) en Italië (37,86 %); merkt op dat 23 lidstaten goed zijn voor 15,72 % van de financiële correcties; vraagt de Commissie haar controle-eisen aan te passen aan de frequentie en de ernst van de fouten in de lidstaten waar deze het vaakst voorkomen; vraagt de Commissie ook om het Parlement te informeren over haar reactie op de hoge foutenpercentages in de twee genoemde lidstaten;

101.

spreekt zijn waardering uit over de driemaandelijkse verslagen die de Commissie in 2008 heeft verstrekt over de financiële correcties naar aanleiding van haar eigen controlewerkzaamheden of die van de Rekenkamer; verzoekt de Commissie de toepassing van financiële correcties overeenkomstig de geldende regeling voort te zetten teneinde eerder op onregelmatige wijze gedeclareerde uitgaven te corrigeren en met betrekking tot de programma’s van het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF voor het tijdvak 2000-2006 strikte sluitingsprocedures toe te passen, zodat dergelijke uitgavenposten op het moment van de sluiting van de rekeningen grotendeels uit deze programma’s zullen zijn verwijderd; verzoekt de Commissie tevens het Parlement te blijven voorzien van gedetailleerde informatie over de toegepaste financiële correcties en een schatting te geven van het resterende foutenpercentage in de afgesloten programma’s zodra met de sluitingsprocedure is begonnen;

102.

vraagt de Commissie voort te gaan met de identificatie in het JAV van de problemen met de controle in het kader van gedeeld beheer in de lidstaten, inclusief op het niveau van de betalingsautoriteiten, om de concrete zwakke punten per lidstaat en per programma aan te wijzen en een rechtstreeks verband tussen de reserves en de bedoelde problemen te leggen; vraagt dat zij jaarlijks voor elk Europees fonds een rangschikking van de lidstaten maakt en deze aan het Parlement toezendt met het vastgestelde foutenpercentage en vraagt de Rekenkamer dezelfde lijst op te stellen op grond van zijn controles;

103.

verzoekt de Commissie als eindverantwoordelijke voor het goede financiële beheer van de communautaire kredieten, wanneer een lidstaat niet de nodige garanties geeft, de communautaire regels inzake opschorting van betalingen strikt toe te passen;

104.

merkt op dat het verslag van de Rekenkamer over het jaar 2007 nog alleen projecten van 2000-2006 behandelt, omdat 2007 in wezen nog een voorbereidingsfase was voor de uitvoering van de programma’s van 2007-2013; benadrukt daarom dat het effect van de nieuwe regels die voor de programmeringsperiode 2007-2013 zijn uitgevaardigd en die eenvoudiger en strakker zijn dan de regels die tot 2006 golden, nu nog niet valt te beoordelen;

105.

benadrukt dat het cohesiebeleid tot het hoofdbeleid van de Unie blijft behoren; onderstreept de belangrijke rol van dit beleid bij het optreden van de Unie in antwoord op de financiële crisis en zijn sleutelfunctie in het Europese Economisch herstelplan; verwelkomt daarom de door de Commissie voorgestelde acties die de uitvoering van de cohesieprogramma’s moeten vergemakkelijken en bespoedigen;

106.

wijst erop dat deze vereenvoudigingsprocedures van cruciaal belang zijn om de administratieve lasten op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau terug te brengen; benadrukt evenwel dat zulke vereenvoudigingsprocedures moeten bijdragen aan een verlaging van het foutenniveau in de toekomst;

107.

stemt in met het standpunt dat de Commissie over de financiële correcties, namelijk dat onregelmatigheden dankzij het meerjarige correctiesysteem wel zullen worden ontdekt en gecorrigeerd; neemt ter kennis dat de Commissie de door de lidstaten aangeleverde gegevens voortdurend op volledigheid en nauwkeurigheid verifieert en dat er vooruitgang is geboekt in het verschaffen van betrouwbare gegevens ten blijke van door de lidstaten uitgevoerde correcties;

108.

neemt kennis van de door de Europese Rekenkamer aangetroffen foutenmarge en wijst op de interpretatieverschillen tussen de Rekenkamer en de Commissie waar het gaat om het bedrag dat niet had mogen worden terugbetaald (met name de interpretatieverschillen met betrekking tot de regels omtrent de subsidieerbaarheid van uitgaven); wijst met nadruk op de behoefte aan nadere verduidelijking en verlangt dat de interpretatie van de regels voor toepassing van financiële correcties worden geharmoniseerd; vraagt ook de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, zo spoedig mogelijk over te gaan tot indiening van jaarlijkse nationale verklaringen over de uitgaven in gedeeld beheer;

109.

is enigermate tevreden met de kennelijke statistische verbetering in de controlesystemen van de lidstaten, maar betreurt dat veel controlesystemen in de lidstaten nog steeds vatbaar zijn voor onregelmatigheden bij de terugbetalingen; beschouwt verdere verbetering van de doelmatigheid van de eerstelijnscontrole op nationaal en regionaal niveau als noodzakelijk; wijst in dit verband met nadruk op de belangrijke toezichthoudende taak van de Commissie;

110.

beklemtoont dat het in het verslag van de Rekenkamer gesignaleerde foutenniveau niet noodzakelijk wijst op fraude en vraagt de Commissie en de Rekenkamer daarom in het vervolg op dit punt een duidelijk onderscheid te maken in hun documenten;

111.

betreurt de meest frequente fouten met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds, namelijk in de eerste plaats het niet kunnen leveren van bewijs dat de algemene kosten of personeelskosten relevant zijn voor het project in kwestie, en ten tweede het te hoog inschatten van de algemene kosten of personeelskosten; steunt daarom ten zeerste de nieuwe regels krachtens het financiële kader voor de periode 2007-2013, waardoor de procedures worden vereenvoudigd en algemene kosten forfaitair kunnen worden aangegeven, als een percentage van de directe kosten; roept bovendien de lidstaten op de informatieverstrekking aan de begunstigden op te voeren en de dagelijkse beheerscontroles te verbeteren om fouten te voorkomen;

Intern beleid

112.

betreurt dat de Rekenkamer op het gebied van het directe beheer door de Commissie dezelfde problemen constateert als de vorige jaren (fouten bij de terugbetaalde uitgaven, complexiteit van de toe te passen regels en het ontbreken van een doeltreffend systeem van sancties), en verzoekt de Commissie haar inspanningen ter vereenvoudiging en verdere verduidelijking van de regels voor de programma’s voor gezamenlijke rekening voort te zetten;

Onderzoek

113.

is tevreden met de ontwikkeling op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling die leidt tot een daling van het jaarlijkse foutenpercentage van 8,03 % in 2006 tot 2,39 % in 2007; is van mening dat deze grote prestatie te danken is aan de implementatie van de aanbeveling van de kwijting 2005 door de voor onderzoek bevoegde DG’s van de Commissie, in nauwe samenwerking met de Commissie begrotingscontrole en de Rekenkamer;

114.

stelt vast dat het systeem van controlecertificaten er in 2007 voor heeft gezorgd dat het foutenpercentage bij projecten in het kader van het zesde kaderprogramma teruggebracht is tot 2,5 %, terwijl dat bij projecten in het kader van het vijfde kaderprogramma, waarop het systeem van controlecertificaten niet van toepassing is, 4,06 % bedraagt;

115.

is tevreden met werkdocument (SEC(2008) 3054) van de Commissiediensten, waarin een eerste analyse wordt gemaakt van de controlekosten, onder andere voor het Directoraat-generaal onderzoek en het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media, met als doel het interinstitutionele debat weer op te starten, met het oog op een gemeenschappelijk akkoord over het aanvaardbaar foutenrisico op het gebied van het Europees onderzoeksbeleid;

116.

verzoekt de Commissie gebruik te blijven maken van de mogelijkheden tot terugbetaling die in het kader van het zevende kaderprogramma worden geboden, met name verder onderzoek te doen naar de wenselijkheid van de bepalingen in het zevende kaderprogramma inzake de procedures van uitbetaling volgens een systeem van forfaitaire bedragen, en tevens zijn bevoegde commissie in het kader van de tussentijdse evaluatie in kennis te stellen van de door haar genomen stappen met het oog op de vereenvoudiging van de regels voor begunstigden en met het oog op de benodigde verbeteringen van het systeem;

117.

maakt zich zorgen over de regels van het zevende kaderprogramma, die afwijken van de gebruikelijke, nationaal en internationaal erkende en gecertificeerde boekhoud- en rekenmethodes, en die de resultaten van de nationale auditautoriteiten betreffende de nationaal gecertificeerde gemiddelde uurtarieven per kostencentrum niet aanvaarden; is van oordeel dat de regels van het zevende kaderprogramma, daar waar ze om de individuele kosten vragen van personen die actief betrokken zijn bij een specifiek onderzoekprogramma, haaks staan op de moderne boekhoud- en rekennormen van het Europese bedrijfsleven; verzoekt de Commissie een procedure te starten om de regels van het zevende kaderprogramma in overeenstemming te brengen met algemene bedrijfsvoeringspraktijken, d.w.z. het berekenen en in rekening brengen van gemiddelde uurtarieven per kostencentrum en niet van de individuele kosten van personen die actief betrokken zijn bij een specifiek onderzoekprogramma;

118.

maakt zich, wat de certificaten betreffende de methodiek (CoM en CoMAv) betreft, zorgen over vooralsnog niet goedgekeurde certificaten en verzoekt de Commissie de benodigde begrijpelijke criteria voor de goedkeuring van certificaten betreffende de methodiek bij zowel personele als indirecte kosten vast te stellen; is van mening dat de begunstigden uit moeten kunnen gaan van gemiddelde personele kosten en bij het berekenen van de indirecte kosten een vaste methodiek moeten kunnen hanteren; verzoekt tijdig met de goedkeuring (of verwerping) van de certificaten te beginnen om ervoor te zorgen dat de voor onderzoek uitgetrokken middelen kunnen worden gebruikt; vraagt de Commissie akkoord te gaan met dergelijke uurtarieven per kostencentrum zonder een certificering van de methodiek, in ieder geval wanneer deze door een nationale autoriteit zijn gecontroleerd en gecertificeerd;

119.

herhaalt met het oog op de vereenvoudiging van de administratieve procedures en het aanvragen van subsidies te hebben verzocht om voor begunstigden voor alle kwesties die betrekking hebben op het kaderprogramma voor onderzoek één enkel contactpunt te creëren dat op dit gebied beslissingsbevoegdheid heeft;

120.

verzoekt de Commissie ter wille van de rechtszekerheid de financiële memoranda bij projecten in het kader van het zesde kaderprogramma die reeds door de Commissie zijn goedgekeurd en vastgesteld, niet te herberekenen door een nieuwe uitleg te geven aan de criteria voor subsidiabiliteit van kosten zoals die in de algemene voorwaarden (bijlage II) van het modelcontract van het zesde kaderprogramma zijn vastgelegd;

121.

stelt vast dat de tweestappenprocedure voor het 7e kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling op sommige gebieden wordt gevolgd; verzoekt de Commissie overleg te voeren met onderzoeksinstanties over de mogelijkheden deze aanpak uit te breiden naar andersoortige projecten waar dit kan leiden tot een aanzienlijke daling van de voorbereidingskosten in verband met het voor het eerst indienen van een projectaanvraag;

122.

merkt op dat de Commissie op het gebied van onderzoek een veelvoud van onderzoeksinstanties, samenwerkingsmodellen en beheersmechanismen heeft gecreëerd; herinnert aan het feit dat dit het gevolg is van de aanzienlijke stijging van middelen die in het financiële kader 2007-2013 voor onderzoek en innovatie zijn uitgetrokken; verzoekt de Rekenkamer onderzoek te doen naar mogelijke problemen in verband met de transparantie ten opzichte van de begrotingsautoriteit en over het verschil in de behandeling van de begunstigden volgens de modellen; vraagt dat de directeur-generaal in zijn jaarlijkse activiteitenverslag een hoofdstuk aan elk van deze instanties, modellen en mechanismen wijdt, om over het gebruik van de middelen en de gewenste resultaten met deze modellen van publiek-private samenwerking te informeren;

123.

gelet op het feit dat de controlestrategie van de Commissie betrekking heeft op de uitgaven van een kaderprogramma over een periode van vier jaar, terwijl de Rekenkamer jaarlijks een verslag moet opstellen, vraagt de Rekenkamer meerjarentabellen op te stellen, opdat de financiële impact van de via de controleactiviteit vastgestelde fouten wordt gepresenteerd op een manier die concordant met de controlemethodologie van de Commissie is;

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

124.

beoordeelt de uitvoering van de begrotingslijnen voor milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid in het algemeen als bevredigend;

125.

wijst erop dat de begrotingskredieten voor milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid voor 94,6 % werden benut, hetgeen een bevredigend resultaat is wanneer men bedenkt dat 2007 het eerste jaar van het nieuwe financiële kader 2007-2013 was, dat werd gekenmerkt door de goedkeuring en invoering van talrijke nieuwe programma’s op het gebied van milieubeleid;

126.

is verheugd over het uitvoeringspercentage van het Communautair Fonds voor tabak, dat 100 % bedraagt; is er derhalve van overtuigd dat dit instrument, dat financiële steun verstrekt aan bewustmakingsprojecten over de schadelijke gevolgen van tabaksgebruik, met name via voorlichting en vorming, doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd;

127.

verzoekt de Commissie om verder steun te verlenen aan kandidaten die aan meerjarige programma’s willen deelnemen, met name door specifieke opleidingen en gebruikersvriendelijke richtsnoeren te verstrekken;

128.

verwelkomt de inspanningen om openbare aanbestedingen beter te richten en kandidaten betere steun te verlenen, met name wat programma’s op het gebied van openbare gezondheidszorg betreft, om te voorkomen dat projecten worden ingediend die duidelijk niet voor financiering in aanmerking komen of die van mindere kwaliteit zijn; constateert echter dat verdere stappen moeten worden ondernomen om tot een bevredigend resultaat te komen;

129.

wijst erop dat het gezondheidsactieprogramma deels ten uitvoer wordt gelegd door het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten; herinnert de Commissie er in dit verband aan dat zij de operationele middelen van het programma zeer doelmatig moet besteden, aangezien deze ook voor administratieve taken gebruikt worden;

130.

wijst erop dat de naleving van de administratieve en financiële voorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 niet mogen leiden tot onnodige vertragingen bij de toekenning van leningen of de selectie van te financieren projecten, en verzoekt de Commissie haar inspanningen voort te zetten om de administratieve procedures die gevolgen hebben voor de besteding van vastleggings- en betalingskredieten te verbeteren;

Gemeenschappelijke markt en consumentenbescherming

131.

is tevreden met de opmerkingen in het verslag van de Rekenkamer, waarin een eerlijke beoordeling staat van het beleid op het gebied van de gemeenschappelijke markt, douane en consumentenbescherming;

132.

verzoekt de lidstaten hun systemen voor interne controle voort te verbeteren om te voorkomen dat goederen zonder toestemming op de Europese markt worden gebracht; verzoekt de Commissie voorts te zorgen voor een follow-up van de tekortkomingen die in 2007 op het gebied van consumentenbescherming zijn vastgesteld;

133.

is tevreden met de opmerking van de Rekenkamer dat de controlesystemen op het gebied van douane en boeking goed functioneren; onderstreept dat, hoewel douanecontroles specifiek de verantwoordelijkheid zijn van de lidstaten, alleen betrouwbare economische spelers de douanesector mogen beheren, om het risico te voorkomen dat goederen zonder betaling van rechten of vaststelling van de douanewaarde op de gemeenschappelijke markt worden geïmporteerd;

134.

stelt de inspanningen op prijs die zijn geleverd om een uitvoeringsgraad van 86 % te halen voor begrotingslijn 12 02 01 (Tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt); merkt op dat de reden voor de onbenutte betalingen volgens de Commissie is dat sommige onderzoeksovereenkomsten laat in het jaar zijn ondertekend en dat er geen betalingen zijn verricht in 2007, zoals gepland;

135.

wijst erop dat een uitvoeringsgraad van 55 % voor begrotingslijn 14 04 02 (Programma Douane 2007) niet voldoende is en dat hiervoor daarom betere begrotingsplanning nodig is; merkt op dat het grootste deel van deze begrotingslijn volgens de Commissie betrekking heeft op langetermijncontracten op het gebied van IT, met producten en diensten die worden geleverd op verzoek, hetgeen de raming en planning van de precieze financiële noden moeilijk maakt; erkent evenwel dat positieve resultaten zijn behaald met betrekking tot de begroting 2008, met een uitvoeringsgraad van meer dan 97 % wat betalingskredieten betreft;

136.

merkt op dat de uitvoeringsgraad van 77 % voor begrotingslijn 17 02 02 (Programma Consumentenbescherming) lager is dan de voorgaande jaren; merkt voorts op dat de reden hiervoor volgens de Commissie de overheveling is van ongesplitste kredieten van het Uitvoerend Agentschap voor Gezondheid en Consumenten naar het programma voor consumentenbescherming, alsmede een aantal laat in 2007 gedane vastleggingen, met als gevolg dat voor 2007 geplande betalingen niet zijn uitgevoerd; verzoekt de Commissie daarom de begrotingsplanning op dit gebied te verbeteren;

Vervoer en toerisme

137.

merkt op dat op de begroting zoals definitief vastgesteld en gewijzigd in de loop van het jaar een totaalbedrag van 1 322 667 000 EUR aan vastleggingskredieten was opgenomen voor het vervoersbeleid en dat er 743 111 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was, en stelt ook vast dat van deze bedragen;

933 578 000 EUR aan vastleggingskredieten en 369 665 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor TEN-T-projecten (trans-Europese vervoernetwerken),

15 348 000 EUR aan vastleggingskredieten en 14 500 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor verkeersveiligheid;

56 890 000 EUR aan vastleggingskredieten en 10 425 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor het Marco Polo-programma;

113 631 000EUR aan vastleggingskredieten en 114 716 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor de vervoersagentschappen en de GNSS-toezichtautoriteit,

6 000 000 EUR aan vastleggingskredieten en 6 578 000 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor beveiliging van het vervoer, met inbegrip van het proefproject voor beveiliging op het trans-Europese wegennet;

138.

is ingenomen met de nog steeds hoge bestedingspercentages voor de vastleggingskredieten en de betalingskredieten voor TEN-T-projecten, die beide bijna 100 % bedragen, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld uit de nationale begrotingen om gelijke tred te houden met deze inzet van de Gemeenschap;

139.

merkt bezorgd het lage bestedingspercentage op van de vastleggingskredieten voor beveiliging van het vervoer (55,95 %) en voor de GNSS-toezichtautoriteit (33,24 % in rubriek 3), waarvoor een groot deel van het bedrag dat in 2007 beschikbaar werd, vanwege het overschot in 2006, werd overgedragen naar 2008; merkt bezorgd het lage bestedingspercentage op van de betalingskredieten voor de interne markt en de optimalisering van vervoersystemen (47,48 %), voor passagiersrechten (58,96 %) vanwege de vertraging bij de ondertekening van de contracten en voor de GNSS-toezichtautoriteit (33,24 % onder titel 3);

140.

merkt met voldoening op dat als gevolg van reacties op het Speciaal verslag nr. 6/2005 van de Rekenkamer over het trans-Europese netwerk voor vervoer (20), het maximumpercentage van financiële steun voor grensoverschrijdende projecten is gestegen tot 30 % en de minimumfinancieringsdrempel tot 1 500 000 EUR; merkt voorts op dat de evaluatieprocedure voor de selectie van projecten is verbeterd en dat er meer toezicht wordt uitgeoefend, maar betreurt het dat de structuur voor de beschrijving van werkzaamheden niet geharmoniseerd is en dat het technische en financiële toezicht niet is gestandaardiseerd;

141.

merkt met voldoening op dat uit het onderzoek van de Rekenkamer naar de interne controlenormen, die direct verband houden met de wettigheid en betrouwbaarheid van de onderliggende verrichtingen, blijkt dat het Directoraat-generaal energie en vervoer voldoet aan de basisvereisten;

Cultuur en onderwijs

142.

constateert dat de Rekenkamer zich in zijn jaarverslag 2007 uitspreekt over het foutenpercentage op het beleidsterrein onderwijs en cultuur (punt 9.11 en bijlage 9.1, foutenpercentage tussen 2 % en 5 %), maar geen uitleg geeft over de werkwijze van de diverse nationale agentschappen, noch over die van de uitvoerende agentschappen en evenmin over de kwaliteit van hun werk, en ook niet over de redenen waarom met deze organisatie moet worden gerekend;

143.

vraagt de Rekenkamer in zijn volgend jaarverslag een grondigere analyse te willen maken van de kwestie van de efficiëntie en het behoud van de diverse agentschappen op het beleidsterrein onderwijs en cultuur;

144.

merkt op dat DG EAC bij de nieuwe generatie programma’s de actieprogramma’s heeft geharmoniseerd en een systeem van één enkele interne controle heeft ingevoerd; is in dit kader van mening dat de voorafgaande verklaringen en de verklaringen achteraf van de lidstaten nieuwe factoren zijn bij het toezicht op en de interne controle van de stelsels;

145.

betreurt evenwel de tekortkomingen die de Rekenkamer vaststelt in de procedure van de voorafgaande verklaring, alsmede de vaststelling dat deze procedure weinig zekerheid oplevert over de kwaliteit van het beheer van de betrokken uitgaven (punt 9.16 van het jaarverslag 2007); merkt evenwel op dat de voorafgaande verklaring slechts een van de bewijsstukken is die de Rekenkamer in het kader van zijn controle verkrijgt om een oordeel te vormen;

146.

neemt er nota van dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de benaderingen van de nationale autoriteiten om een basis te verkrijgen voor de garantieverklaring vooraf uiteenlopen en dat er grote verschillen zijn in de mate van bekendmaking van de door deze autoriteiten gehanteerde procedures; vraagt de Commissie maatregelen te nemen om de bedoelde verklaringen te harmoniseren en het Parlement en de Rekenkamer hierover op de hoogte te houden;

147.

neemt ook kennis van het feit dat de jaarlijkse garantieverklaringen achteraf voor 2007 door de nationale autoriteiten van de lidstaten moesten worden verstrekt tegen 30 april 2008; wacht de evaluatie af die de Rekenkamer moet maken in het kader van de DAS-controle 2008;

148.

betreurt dat sommige autoriteiten en nationale agentschappen hun verplichtingen niet nakomen, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de verzending van de officiële aanmaningen door de Commissie en steunt de Commissie ten volle wat de opschorting van de betalingen en de subsidies betreft in de gevallen waar de eindverslagen ontbraken;

149.

dringt er bij de nationale agentschappen en de nationale autoriteiten op aan de uitvoeringsbepalingen te eerbiedigen met betrekking tot de door de Commissie vastgelegde respectieve verantwoordelijkheden; is verheugd over het feit dat DG EAC geen enkele reden zag om voorbehoud te blijven hebben met betrekking tot de controlemechanismen van de nationale agentschappen, en steunt de voortzetting van strenge audits;

150.

is verheugd over het feit dat het aantal late betalingen met betrekking tot onderwijs en cultuur afneemt, en verwacht dat de Commissie inspanningen blijft leveren om deze trend voort te zetten;

151.

hoopt dat het controlesysteem dat eind 2007 door DG Communicatie werd ingevoerd het in de toekomst onnodig zal maken voorbehoud te maken betreffende haar begrotingsbeheer, zoals dit voor 2007 het geval was;

152.

vraagt verdere informatie aan de Commissie over het opzetten van administratieve structuren in de lidstaten om te assisteren bij jumelages van steden, met name met betrekking tot de noodzaak van dergelijke structuren, de betrokken kosten en het doel ervan;

153.

verzoekt de Commissie nieuwe manieren te onderzoeken om met het programma „Jeugd” nieuwe groepen jongeren te bereiken, met name uit minder bevoorrechte milieus; stelt daarom voor dat jeugdorganisaties, met inbegrip van het Europees jeugdforum, meer inspanningen leveren om zich te richten op dergelijke groepen, om de verslagleggingsnormen en financieringscriteria te verbeteren, en om op grotere schaal onder jongeren informatie te verspreiden over het programma;

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

154.

wijst op de lage bestedingsgraad van de betalingskredieten van de begroting voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in vergelijking met 2006 (60,41 % in 2007 en 86,26 % in 2006); is er zich van bewust dat dit eveneens te maken heeft met de goedkeuring van de fondsen opgenomen in het kaderprogramma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” en met de vertraging van de uitvoering van andere specifieke programma’s (zoals civiel recht, drugspreventie en -voorlichting); vestigt de aandacht op de relatieve verlaging van de bestedingsgraad van vastleggingskredieten in vergelijking met 2006 (90,29 % tegenover 94,47 % in 2006); roept het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid op de uitvoeringsgraad van vastleggings- en betalingskredieten te maximaliseren in 2008;

155.

neemt er kennis van dat de Rekenkamer de toezichtcontroles uitgevoerd door de Commissie voor het Europees Vluchtelingenfonds II slechts ten dele als doeltreffend heeft beoordeeld; houdt naar behoren rekening met de reacties van de Commissie hierop;

156.

betreurt het feit dat de beschrijvingen van de toezicht- en controlesystemen van de lidstaten voor het Buitengrenzenfonds pas in het laatste kwartaal van 2007 ter beschikking van de Commissie werden gesteld, aangezien de Commissie hierdoor de systemen van de lidstaten niet vóór eind 2007 kon beoordelen;

Rechten van de vrouw en gendergelijkheid

157.

herinnert de Commissie eraan dat ingevolge artikel 3, lid 2, van het EG-Verdrag bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen één van de grondbeginselen van de Unie is en als doelstelling relevantie heeft voor het gehele scala van activiteiten en beleidsterreinen van de Gemeenschap;

158.

herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de gendergelijkheid naar behoren als blijvende prioritaire doelstelling in de begrotingsplanning op te nemen, in overeenstemming met het beginsel van genderbudgettering, zoals het in zijn resolutie van 3 juli 2003 over gender budgeting — het opstellen van overheidsbegrotingen vanuit een genderperspectief (21) heeft gevraagd, en betreurt het uitblijven van de haalbaarheidsstudie van de Commissie hiernaar;

159.

betreurt dat in het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting 2007 niet wordt aangegeven of de begroting enige positieve bijdrage heeft geleverd aan de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen;

160.

stelt voor dat de Rekenkamer in haar jaarverslagen en speciale verslagen het aspect van de gendergelijkheid betrekt, met name relevante informatie over beleid inzake het verbod op discriminatie tussen mannen en vrouwen en over de beschikbaarheid van genderspecifieke gegevens;

Extern beleid

161.

merkt bezorgd op dat de Rekenkamer dezelfde kritiek uit als de voorgaande jaren, met name wat de betalingen op het niveau van de eindbegunstigde betreft;

162.

merkt op dat de laatste herziening van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 nauwelijks gevolgen voor de externe hulp heeft gehad en vraagt een herziening van titel IV „Externe maatregelen” van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, om deze beter aan te passen aan de bijzondere omstandigheden van de markten en de subsidies op dit terrein;

163.

betreurt het ten zeerste dat de Commissie er niet in is geslaagd een werkelijk Europees instrument voor uitvoering van crisisbeheer tot stand te brengen, zoals de Commissie in de kwijtingen over 2005 en 2006 was verzocht; dringt erop aan dit alsnog op korte termijn te doen en verzoekt de Commissie nogmaals de mogelijkheid te creëren multidonorfondsen (multi donor trust funds) eventueel zelf te beheren, wanneer zij bij deze fondsen is betrokken;

164.

vraagt de Commissie te zorgen voor volledige financiële transparantie in de externe hulp, overeenkomstig de artikelen 53 tot 56 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, en haar engagement bij het Parlement na te komen dat elke internationale organisatie die communautaire middelen ontvangt, verplicht zal worden de Rekenkamer en de interne controleur van de Commissie de resultaten toe te zenden van alle interne en externe controles die met betrekking tot het gebruik van de bedoelde communautaire middelen zijn uitgevoerd; vraagt ook de toegang van OLAF tot de gegevens in geval van een vermoeden van fraude te garanderen;

165.

neemt er nota van dat de totale kosten van de door DG ECHO uitgevoerde controles op basis van een aantal hypotheses („beste ramingen”) voor 2007 zijn geschat op 25 000 000 EUR; stelt vast dat dit overeenkomt met 3,2 % van de totale begroting van de humanitaire hulp voor het jaar; betreurt dat DG ECHO niet over een mechanisme voor risicobeheer beschikt en vraagt dat deze mechanismen systematisch in de controle worden geïntegreerd;

166.

constateert dat deze raming, volgens de informatie die is ontvangen van de Commissie, slechts betrekking heeft op een deel van alle kosten die verband houden met de humanitaire acties die door DG ECHO worden gefinancierd, omdat de kosten van de controles die worden uitgevoerd door de humanitaire organisaties die zijn opgenomen in de totale kosten van de subsidieakkoorden, ook door DG ECHO worden gefinancierd;

167.

constateert dat op basis van de hypothese dat de kosten van de controles bestaan uit drie grote categorieën — de kosten van de controleactiviteiten door de Commissiediensten in de zetel en in de delegaties, de kosten van de externe controles door de Commissie en de kosten van de controle van de uitgaven via controles die de begunstigden laten uitvoeren — de kosten van de controles, wat de door de dienst voor samenwerking EuropeAid in 2007 beheerde middelen betreft, door de Commissie worden geraamd op ongeveer 120 000 000 EUR;

168.

vraagt de Rekenkamer hier in zijn volgende jaarverslag rekening mee te houden bij zijn berekeningen en zich zowel uit te spreken over deze raming als over de kostenbatenratio van deze controlesystemen, rekening houdend met de speciale kenmerken en beperkingen van de externe acties van de Unie;

169.

betreurt dat de Commissie in Kenia begrotingshulp heeft betaald onmiddellijk na de verkiezingen van 27 december 2007, waardoor de indruk is ontstaan dat zij partij koos in het debat over de legitimiteit van de verkiezingsresultaten; herinnert aan zijn resolutie van 17 januari 2008 over Kenia (22) en verwacht van de Commissie dat zij hiermee rekening houdt;

170.

neemt kennis van het oordeel van de Rekenkamer dat de toezicht- en controlesystemen voor externe betrekkingen, uitbreiding en humanitaire hulp deels doeltreffend zijn; aanvaardt dat vele van de vastgestelde fouten betrekking hebben op vooruitbetalingen en vervolgens worden gecorrigeerd, wanneer de saldobetalingen worden verricht; verzoekt de Commissie niettemin de nodige verbeteringen aan te brengen in haar monitoring- en verificatieprocedures, met name op het niveau van de uitvoerende organisaties, zonder dat dit leidt tot onnodige administratieve lasten voor de eindbegunstigde; erkent tegelijk dat de Commissie en de Verenigde Naties al vorderingen hebben geboekt;

171.

betreurt het voortdurende gebrek aan transparantie met betrekking tot het gebruik van communautaire middelen die worden besteed via organisaties van de Verenigde Naties; steunt de inspanningen van de Commissie om een oplossing te vinden en ervoor te zorgen dat de Rekenkamer tijdig alle gevraagde informatie krijgt; is tevreden met het toenemende aantal controlebezoeken dat de Commissie in het kader van de financiële en administratieve kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties (FAFA) aflegt; verwacht dat deze bezoeken de zichtbaarheid van de communautaire bijdragen aan door de VN geleide activiteiten vergroot;

172.

verzoekt de Commissie om een verdere verbetering en een duidelijkere definiëring van de voorwaarden en de prestatie-indicatoren die worden gebruikt voor de betaling van begrotingssteun aan derde landen, met het oog op duidelijke, niet-ambigue en meetbare beoordelingscriteria met een specifiek tijdschema, indien van toepassing;

173.

neemt kennis van het oordeel van de Rekenkamer dat dringend stappen nodig zijn om de zwakheden in het beheer van Gemeenschapsmiddelen in Bulgarije te corrigeren en dat de nodige monitoringmechanismen moeten worden gehandhaafd in Turkije; verzoekt de nationale autoriteiten hun inspanningen op te voeren om te voldoen aan de geldende regelgeving;

174.

kijkt ernaar uit tastbare resultaten vast te stellen van de toepassing van een nieuw mandaat voor de controle van uitgaven via externe audits die de begunstigden of de Commissie laten uitvoeren;

175.

neemt kennis van speciaal verslag nr. 5/2007 van de Rekenkamer over het beheer van het programma CARDS door de Commissie (23); benadrukt dat intensievere strategische begeleiding door de Commissie belangrijk is om in nauwe samenwerking en dialoog met het Parlement te zorgen voor een adequate focus bij de selectie van de belangrijkste interventiegebieden in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun; verzoekt de Commissie een algemene strategie te ontwerpen om de lokale inbreng en verantwoordelijkheid met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de projecten te verbeteren;

176.

verwacht regelmatig te worden geïnformeerd over de stappen die de Commissie onderneemt met betrekking tot de nakoming van de aanzienlijke toezegging ter ondersteuning van het herstel van Georgië na het conflict en voor de toekomstige ontwikkeling van het land die zij heeft gedaan op de internationale donorconferentie van Brussel van 22 oktober 2008;

177.

herhaalt zijn verzoek dat de Commissie het Parlement regelmatig specifieke maatregelen voorstelt om de eigen inbreng en verantwoordelijkheid van de Unie met betrekking tot haar externe acties in hun geografische context nog te vergroten, overeenkomstig de principes van efficiëntie, verantwoordingsplicht en zichtbaarheid;

Niet-gouvernementele organisaties (ngo’s)

178.

neemt nota van het toenemende aantal ngo’s en de rol die deze bij het beheer van de communautaire middelen spelen; vraagt de Commissie de doeltreffendheid van de werkingssubsidies voor de Brusselse zetel van de ngo’s te beoordelen en strikt de hand te houden aan het in het Financieel Reglement vastgelegde beginsel van degressiviteit van werkingssubsidies;

179.

verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2009 een lijst op te stellen van alle ngo’s die Gemeenschapsmiddelen hebben ontvangen;

Ontwikkeling

180.

neemt er nota van dat de Rekenkamer eens te meer heeft geconcludeerd dat DG ECHO zijn controlestrategie moet verbeteren door te zorgen voor een betere dekking van de activiteiten op het niveau van de uitvoerende organisaties en meer specifiek in het veld voor alle soorten partners (punt 8.33, onder f), van het jaarverslag 2007);

181.

moedigt de Commissie aan wat haar doelstelling sinds 2007 betreft dat elk project minimum één keer door een deskundige wordt bezocht, tenzij dit niet kan om veiligheidsredenen of door de moeilijke toegang, en er voor te blijven zorgen dat specialisten op het gebied van humanitaire hulp permanent op het terrein aanwezig zijn, om de impact van de humanitaire operaties die door de Commissie worden gefinancierd, in welk land of welke regio ook, te faciliteren en maximaliseren;

182.

is van mening dat de Commissie er in het kader van de uitvoering van de projecten zelf voor moeten zorgen dat de met de Verenigde Naties in april 2007 overeengekomen bepalingen inzake rapportage strikt worden toegepast en dat de financiële rapporten overeenkomstig deze bepalingen worden opgesteld;

183.

is zich bewust van het risico van onvoldoende controle ter plaatse op plekken waar de toegang moeilijk is of de neutraliteit van de humanitaire hulp niet wordt geëerbiedigd en is zich ervan bewust dat dit risico in zekere mate verband houdt met de doelstellingen van ondersteuning van de humanitaire behoeften en met de zogenoemde vergeten crisissen;

184.

neemt er ook nota van dat volgens het JAV van DG ECHO voor 2007 de humanitaire hulp van de Commissie in Irak uitsluitend via het Internationale Comité van het Rode Kruis is verstrekt in de sectoren bescherming, water en sanering voor een totaal bedrag van 7 800 000 EUR;

185.

is van mening dat een verduidelijking van de interventiestructuren op het gebied van ontwikkeling en externe acties (Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF’s), Commissie, Europese Investeringsbank enz.) moet worden onderzocht om een betere zichtbaarheid van het communautaire optreden en een betere controle van de ingezette middelen mogelijk te maken; dringt aan op een studie naar de integratie van de EOF’s in de begroting van de Gemeenschap, met het oog op een politiek debat over dit onderwerp;

186.

wijst erop dat de Commissie de toezegging (24) heeft gedaan te waarborgen dat in het jaar 2009 een benchmark van 20 % van de toegewezen steun bestemd is voor basisonderwijs, middelbaar onderwijs en eerstelijnsgezondheidszorg; verzoekt de Commissie gedetailleerde informatie te verschaffen over de projecten, programma’s en budgettaire steun die ertoe zullen bijdragen dit streefcijfer te bereiken; dringt aan op een grotere samenhang tussen thematische, nationale en regionale strategiedocumenten op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun;

187.

beklemtoont dat voorrang gegeven moet worden aan deelname van kinderen uit moeilijk te bereiken groepen in landen die volgens de millenniumdoelstellingsindicatoren een achterstand hebben, waaronder kinderen met een handicap;

188.

dringt er bij de Commissie op aan de partnerlanden te ondersteunen bij de ontwikkeling van hun parlementaire controle- en auditcapaciteit, met name wanneer bijstand wordt verleend in de vorm van begrotingssteun en verzoekt de Commissie periodiek verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang;

189.

wijst erop dat de maatregelen van de Commissie gericht moeten zijn op duurzaamheid en dat er in dit kader een duidelijke exitstrategie geformuleerd dient te worden waarmee echter geen afbreuk wordt gedaan aan de resultaten, en dat de nodige aandacht moet worden besteed aan controle op de tenuitvoerlegging van de maatregelen; is van mening dat een betere evaluatie van de resultaten in belangrijke mate kan bijdragen aan de democratische legitimiteit van de ontwikkelingssamenwerking van de Unie;

190.

is verheugd over het feit dat in 2007 de gedragscode van de Unie inzake complementariteit en taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid is aangenomen die zich richt op een nauwere samenwerking en coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten; verzoekt de Commissie haar inspanningen om de gedragscode werkelijk ten uitvoer te leggen te verdubbelen, onder meer door in het belang van de partnerlanden te zoeken naar oplossingen voor slepende problemen;

191.

stelt zich op het standpunt dat met het raadplegen van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke autoriteiten voorafgaand aan het opstellen van landenstrategiedocumenten in het kader van het DCI niet is voldaan aan de uit artikel 19, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1905/2006 (25) voortvloeiende verplichting dat „de strategiedocumenten […] in beginsel [worden] opgesteld op basis van een dialoog met de partnerlanden en -regio’s waarbij ook het maatschappelijke middenveld en de regionale en plaatselijke overheden van die landen en regio’s worden betrokken”; is in dit opzicht van mening dat voor een daadwerkelijke eigen verantwoordelijkheid voor het proces de inbreng van de nationale parlementen in de partnerlanden onmisbaar is; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de dialoog met deze organen in de verschillende stadia van het programmeringsproces te intensiveren;

Pretoetredingsstrategie

Mechanisme voor samenwerking en toetsing

192.

herinnert eraan dat de Commissie voor het eerst na de toetreding van nieuwe lidstaten een mechanisme voor samenwerking en toetsing heeft ingesteld voor Roemenië en Bulgarije om te helpen „tekortkomingen op het gebied van de justitiële hervorming en bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad aan te pakken en om toezicht te houden op de voortgang op deze gebieden” (COM(2008) 63) en heeft vragen over de efficiëntie van dit mechanisme, de relevantie ervan en de betrouwbaarheid van de informatie die aan de kwijtingsautoriteit wordt verstrekt;

193.

merkt op dat diverse directoraten-generaal en diensten van de Commissie onder de autoriteit van de secretaris-generaal verantwoordelijk zijn voor het beheer van dit mechanisme; merkt op dat het gezamenlijke optreden van deze diensten tekortkomingen vertoont; verwacht een verbetering van de coördinatie en de systematische integratie van de deskundigheid van alle betrokken Commissiediensten in de voortgangsverslagen; vraagt zich af welke lessen de Commissie hieruit trekt voor de feitelijke en potentiële kandidaat-lidstaten;

Europese fondsen in Bulgarije en Roemenië

194.

constateert dat tussen 2004 en 2007 650 000 000 EUR ter beschikking zijn gesteld van Bulgarije in het kader van het Phare-fonds; 226 000 000 EUR in het kader van het Sapard-fonds, 440 500 000 EUR in het kader van het ISPA-fonds; dat tussen 2004 en 2007 zo’n 1 346 500 000 EUR ter beschikking zijn gesteld van Roemenië in het kader van het Phare-fonds; 526 300 000 EUR in het kader van het Sapard-fonds, 1 040 500 000 EUR in het kader van het ISPA-fonds;

195.

herinnert eraan dat de Rekenkamer al in zijn speciaal verslag nr. 4/2006 over Phare-investeringsprojecten in Bulgarije en Roemenië (26) talrijke problemen met het beheer van de Europese fondsen heeft vastgesteld, onder andere onregelmatigheden op het gebied van de offerteaanvragen en de subsidiabiliteit van de kosten, de ontvreemding van investeringsgoederen, een tekort aan administratieve capaciteit enz.;

196.

merkt ook bezorgd op dat de Commissie begrotingscontrole door het bevoegde lid van de Commissie onvoldoende binnen de tijdslimiet is geïnformeerd over de uitbreiding van de omvang van de tekortkomingen;

197.

merkt met grote bezorgdheid op dat de Commissie de betalingen heeft opgeschort ten bedrage van 200 000 000 EUR landbouwmiddelen voor Roemenië en dat 250 000 000 EUR voor Phare, 105 000 000 EUR voor Sapard en 115 000 000 EUR voor ISPA door de Commissie in Bulgarije zijn geblokkeerd; neemt nota van het feit dat het definitieve verlies voor Bulgarije onder Phare 220 000 000 EUR bedraagt;

198.

is zich ervan bewust dat het ontbreken van betrouwbare controlesystemen en de beheersproblemen die zijn ontstaan, risico’s inhouden voor het geld van de Europese belastingbetalers; erkent dat sindsdien inspanningen zijn geleverd om het hoofd aan de genoemde problemen te bieden; spoort de lidstaten aan alle nodige inspanningen te blijven leveren om aan de Europese verplichtingen te voldoen;

199.

acht het nodig dat de Commissie haar technische hulp aan de lidstaten om hun administratieve capaciteit te vergroten, opvoert; herinnert eraan dat correct beheer van de Europese fondsen een verplichting is voor elke lidstaat en ondersteunt de Commissie wat de tijdelijke opschorting van fondsen betreft, als de beheerssystemen van een lidstaat niet werken;

200.

constateert dat Bulgarije voor de periode 2007 tot 2013 6 853 000 EUR structuurfondsen moet ontvangen en Roemenië 19 200 000 EUR; vraagt, naast de informatie in het jaarlijkse activiteitenverslag en in de verslagen over de structuur- en cohesiefondsen, een verantwoordelijk en doeltreffend beheer van deze fondsen;

201.

is van mening dat de voorafgaande aanpassing van de opslorpingscapaciteit in Roemenië en Bulgarije voor middelen op de beleidsterreinen landbouw en cohesie door de Commissie niet met de nodige ernst is aangepakt en dat de verklaringen en acties van de Commissie op dit gebied misleidend waren, niet alleen voor het Parlement, maar ook voor de Bulgaarse en de Roemeense regering, en een van de redenen waren voor de teloorgang van middelen in deze lidstaten.

202.

vraagt de Commissie om op de hoogte te worden gehouden over de praktische gevolgen van de inspanningen op het gebied van de hervorming van het gerecht en de strijd tegen de corruptie en wenst dat in de voortgangsverslagen criteria worden opgenomen om de vooruitgang op deze gebieden te kwantificeren;

203.

is van mening dat de instellingen van de Unie, wat misbruik van Europese fondsen en fraude en corruptie betreft, het principe van nultolerantie moeten hanteren; vraagt de Commissie om de effectieve terugvordering van onterecht betaalde bedragen te garanderen;

204.

vraagt OLAF ook het Parlement het resultaat van zijn lopende onderzoeken in de lidstaten toe te zenden;

205.

is het met de Commissie eens dat alle acties en maatregelen die recent door Bulgarije zijn ondernomen, moeten worden gevolgd door geloofwaardige, structurele corrigerende acties en een fundamentele hervorming van alle structuren die bij het beheer van communautaire fondsen zijn betrokken, om de correcte en tijdige opslorping van de fondsen en een hoog transparantiepeil te garanderen; vraagt de Commissie in deze samenhang om de coördinatie en communicatie met de nationale autoriteiten te verbeteren en de uitvoering van de diverse actieplannen die haar door Bulgarije worden voorgelegd, van nabij te volgen en het Parlement hiervan op de hoogte te houden; vraagt de Commissie het Parlement een speciaal verslag te doen toekomen over de stand van zaken van het beheer van en het toezicht op alle EU-middelen in Bulgarije in de periode tot 15 juli 2009;

206.

vraagt de Commissie, in het licht van het laatste voortgangsverslag en de tegenslagen bij de aanpak van de corruptie, het Parlement een speciaal verslag te doen toekomen over de stand van zaken van het beheer van en het toezicht op alle communautaire middelen in Roemenië, en over de maatregelen genomen gericht op en de voortgang geboekt bij de aanpak van de corruptie in de periode tot 15 juli 2009;

Turkije, Kroatië, Servië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo en de andere landen van de westelijke Balkan

207.

herinnert aan de verantwoordelijkheid die de Commissiedelegaties in de feitelijke en potentiële kandidaat-lidstaten hebben om deze landen op een correct gebruik van de Europese fondsen voor te bereiden; vraag enerzijds fraudebestrijdingsstrategieën in het pretoetredingsproces op te nemen en anderzijds de bij de zaak betrokken administraties via een uitwisselingsprogramma tussen de Commissie en de administraties van de feitelijke en potentiële kandidaat-lidstaten op te leiden;

208.

verzoekt de Commissie om in het kader van de pretoetredingsfase een actievere rol te spelen wat de systemen voor de controle van de uitgaven die in Turkije, Kroatië, Servië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de andere landen van de westelijke Balkan bestaan, betreft en vraagt haar het Parlement in het kader van haar verslag over de vooruitgang in de genoemde landen gedetailleerdere informatie over deze kwestie te verstrekken, met name een gedetailleerde analyse van de redenen voor de mislukkingen; vraagt de Commissie in de voortgangsverslagen een systeem van verkeerslichten (groen, oranje en rood) op te nemen voor het aangeven van de vooruitgang die is geboekt bij het verwezenlijken van de doelstellingen;

209.

betreurt de gevallen van fraude en slecht beheer van de door de Verenigde Naties beheerde Europese fondsen die zijn vastgesteld met betrekking tot de fondsen die de Unie heeft besteed aan de wederopbouw in Kosovo en het gebrek aan follow-up van de Verenigde Naties van deze duidelijk geïdentificeerde gevallen; wil evenwel ook uitdrukking geven aan zijn dankbaarheid aan het Europees Agentschap voor wederopbouw en zijn „Europees” en plaatselijk personeel voor het werk dat onder soms moeilijke omstandigheden is verricht voor de bevolking;

210.

vraagt de Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over de efficiëntie van de controlesystemen die de Commissie heeft ingesteld voor de Europese fondsen die Kosovo ontvangt, alsmede over de prestaties ervan wat de voorkoming van fraude betreft, en na te gaan of deze financiering volledig was onderworpen aan de voorwaarden waarin de akkoorden betreffende de programma’s in kwestie voorzien, met inbegrip van de regels betreffende het instrument voor pretoetredingssteun (27) en Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002;

211.

stelt voor dat de Commissie de regering van Kosovo vraagt om een controlecertificaat van de Rekenkamer van het land wat de Europese fondsen betreft, met name degene die in de begroting zijn opgenomen;

212.

herinnert eraan dat de Investigation Task Force (ITF) die is opgericht om financiële onregelmatigheden en fraude met betrekking tot EU-fondsen in Kosovo te onderzoeken, haar werkzaamheden in augustus 2008 heeft afgerond, dat in het eindverslag is gewezen op strafbaar gedrag onder andere van VN-personeel en dat diverse internationale bevelschriften hierover zijn afgegeven, zonder dat de VN evenwel resultaat heeft bekomen; vraagt de Commissie op de uitvoering van deze bevelschriften aan te dringen; vraagt de Commissie voorts een verslag over de juridische follow-up van alle ontdekte gevallen in te dienen; vraagt de oprichting van een organisatie voor de follow-up van de strijd tegen fraude en onregelmatigheden, waarbij de Commissie en OLAF worden betrokken;

Administratieve uitgaven

213.

constateert met voldoening dat bij de controle van de Rekenkamer geen enkele significante fout werd aangetroffen die van invloed was op de wettigheid en regelmatigheid van de administratieve uitgaven;

Europese scholen

214.

verwacht dat de Commissie erop toeziet dat de regeringen van België en het Verenigd Koninkrijk zich houden aan hun verplichtingen uit hoofde van de bestaande intergouvernementele akkoorden — in het geval van België betreft het de zo spoedig mogelijke terbeschikkingstelling van een vierde of zelfs een vijfde Europese school, in het geval van het Verenigd Koninkrijk de detachering van voldoende leraren —, en dringt aan op een herziening van het huidige inschrijvingsbeleid van de scholen in Berkendael en Laken, teneinde onaanvaardbaar lange reistijden voor de kinderen te voorkomen;

De gevolgen van de decentralisatie voor het personeel

215.

stelt tevreden vast dat de Commissie op verzoek van het Parlement een onderzoek heeft uitgevoerd naar de human resources van haar personeel in 2007 (SEC(2007) 530) wat haar administratieve activiteiten betreft;

216.

is teleurgesteld door de inadequate informatie die de Commissie in de jaren 2005 en 2006 heeft gegeven over dit in dit begrotingsopzicht uiterst belangrijke terrein; erkent dat sindsdien inspanningen zijn geleverd met betrekking tot de transparantie op haar internetsite en het jaarverslag over de evaluatie van het personeel;

217.

spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat bijna 32 % van het Commissiepersoneel werkt op het terrein van administratieve ondersteuning en coördinatie; herinnert eraan dat de 10 % van het personeel die werken op terrein van de begroting, nog niet in deze statistiek zijn opgenomen; vraagt de Commissie conclusies uit deze cijfers te trekken en een herstructurering van haar personeel uit te voeren, om het percentage van het personeel dat in de genoemde sectoren werkt, te beperken tot 20 %;

218.

merkt op dat personeelsmobiliteit oorspronkelijk een concept was dat betrekking had op de gevoelige posten; is verrast door de huidige praktijk van de Commissie waarbij al haar personeel na vijf, maximum zeven jaar aan de mobiliteit wordt onderworpen; vreest dat deze toepassing van de mobiliteit de efficiëntie van de Commissie beperkt en de opbouw van ervaring en bekwaamheid binnen de Commissie verhindert; vraagt de Commissie om het Parlement mee te delen hoe de mobiliteit tot de gevoelige posten kan worden beperkt;

Vraagstukken in verband met de gebouwen van de Gemeenschap

219.

betreurt het gebrek aan transparantie van de Commissie met betrekking tot het beheer van de 61 gebouwen waarover zij in Brussel beschikt en de evolutie van zijn gebouwenbestand;

220.

verzoekt de Commissie om het Parlement te informeren over elk nieuw project met betrekking tot haar gebouwenbestand en wel in de fase vóór de goedkeuring van deze projecten en om de Commissie begrotingscontrole van het Parlement regelmatig over alle initiatieven en nieuwe besluiten met betrekking tot vastgoedprojecten te informeren, met inbegrip van de voorbereidende werkzaamheden en de offerteaanvragen waarvoor de oprichting van een aanbestedingscommissie wordt voorgesteld, waarvan vertegenwoordigers van het Parlement deel uitmaken;

221.

vraagt OLAF het Parlement te informeren over de fraudegevallen die in het kader van het vastgoedbeleid zijn vastgesteld en mogelijke belangenconflicten te onderzoeken;

222.

vraagt de Commissie om een controle van het gebouwenbeheer, niet alleen voor de gebouwen van de Commissie, maar voor de gebouwen van alle instellingen van de Europese Gemeenschappen, waarbij de idee van een gemeenschappelijke structuur voor vastgoedbeheer moet worden onderzocht;

Follow-upmaatregelen in het verlengde van de kwijting

223.

betreurt het feit dat de Commissie, in de jaarrekeningen van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2007 (28), verzuimt volledig de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende follow-upmaatregelen in het kader van de kwijting te herhalen en zich ertoe beperkt aan te geven dat het Parlement, wanneer het kwijting verleent, opmerkingen mag maken die het van belang acht en aanbevelingen mag doen voor door de Commissie te ondernemen actie; wijst erop dat deze opmerking correct is, maar dat de Commissie verzuimt te vermelden dat artikel 276 van het EG-Verdrag verder verlangt dat de Commissie alle nodige maatregelen neemt in reactie op de opmerkingen van het Parlement in zijn verslag betreffende de kwijting voor uitvoering van de begroting; herinnert de Commissie er derhalve aan dat het bij de opmerkingen van het Parlement in zijn kwijtingsresolutie niet uitsluitend om niet-bindende aanbevelingen gaat, maar om instructies die de Commissie moet opvolgen bij de uitvoering van de begroting;

CONCLUSIES INZAKE DE SPECIALE VERSLAGEN VAN DE REKENKAMER

Deel I: Speciaal verslag nr. 6/2007 over de doeltreffendheid van de technische bijstand in het kader van de capaciteitsontwikkeling

224.

is van mening dat de technische bijstand en andere soorten van externe hulp, die nog steeds veeleer donorgestuurd, vaak inefficiënt en onduurzaam is, dringend moet worden hervormd, onder andere door de lokale inbreng te bevorderen, de middelen tussen de lidstaten op het niveau van de Unie en op internationaal niveau beter te coördineren en voor voldoende tijd te zorgen om de projecten uit te voeren;

225.

merkt in deze samenhang op dat de Commissiediensten in juli 2008 hun goedkeuring aan de ruggengraatstrategie en het actieplan voor het halen van de effectiviteitsdoelstellingen voor de technische samenwerking en de projectuitvoeringsunits hebben gehecht; verzoekt de Commissie daarom het Parlement een eerste keer over de uitvoering van deze strategie te informeren vóór eind maart 2009 en vervolgens om de zes maanden;

226.

merkt op dat de informatie over de aan technische bijstand bestede bedragen die de Commissie de Rekenkamer recent heeft verstrekt na de publicatie van het speciaal verslag van de Rekenkamer, laattijdig is toegezonden; is verbaasd dat deze informatie niet bekend is gemaakt tijdens de voorbereiding van het speciaal verslag; erkent dat de definitie van het comité ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ruim is en in de praktijk leidt tot interpretatieverschillen; verwacht dat de door de Commissie gekozen strategie ook leidt tot een meer operationele van technische bijstand;

227.

betreurt dat het twinning-instrument in ACS-, Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen niet kan worden gebruikt; vraagt daarom dat de Commissie vóór het einde van het mandaat van de zittende Commissie de nodige wijzigingen in de wetgeving voorstelt en dringt er bij de lidstaten op aan de nodige stappen te ondernemen om te zorgen voor een wijd verspreid gebruik van dit instrument, aangepast aan de specifieke behoeften, in de landen in kwestie en om de regelgeving inzake de uitvoering van het tiende Europees ontwikkelingsfonds dienovereenkomstig aan te passen;

228.

betreurt dat de opschortingsclausule, die een versnelde aanbestedingsprocedure mogelijk maakt, door de Commissie nauwelijks wordt gebruikt; verzoekt de Commissie deze faciliteit oordeelkundig te gebruiken om het tijdschema voor de uitvoering van de operaties in het kader van de technische bijstand te verbeteren;

229.

acht het onaanvaardbaar dat sommige bedrijven met opzet deskundigen met een goed CV voorstellen om een contract te krijgen, hoewel ze weten dat die niet beschikbaar zullen zijn om de taak op zich te nemen; is het met de Rekenkamer eens dat de selectiecriteria voor technische bijstand die de Commissie hanteert, inadequaat zijn;

230.

vraagt daarom dat de Commissie veel meer rekening houdt met andere criteria (zoals degene die de Rekenkamer voorstelt), in plaats van alleen te kijken naar het CV van de deskundige/teamleader; suggereert dat dit bijvoorbeeld mogelijk is door een aan de wettelijke eisen voldoende gegevensbank te creëren met de bedrijven wier voorgestelde deskundige niet beschikbaar is, hetgeen deze bedrijven op zijn beurt gedurende een bepaalde periode verhindert deel te nemen aan aanbestedingsprocedures; neemt er nota van dat de Commissie Verordening (EG, Euratom) nr. 1302/2008 van 17 december 2008 over de centrale gegevensbank van uitsluitingen (29) en Besluit 2008/969/EG, Euratom van 16 december 2008 betreffende het systeem voor vroegtijdige waarschuwing dat door de ordonnateurs van de Commissie en de uitvoerende agentschappen kan worden gebruikt (30), heeft goedgekeurd, maar dat deze nieuwe instrumenten het niet mogelijk maken bedrijven om deze reden uit te sluiten; neemt er voorts nota van dat deze aspecten deel uitmaken van het werkplan (as 3, acties 13-15) en verzoekt de Commissie de desbetreffende acties onmiddellijk uit te voeren;

231.

is het met de Rekenkamer eens dat er sprake is van incoherentie in de aanpak door de Commissie van het gebruik van de systemen van partnerlanden voor het beheer van de overheidsfinanciën en overheidsopdrachten, die soms rechtstreeks in tegenspraak is met de toezeggingen van de Europese Unie in het raam van de verklaring van Parijs over effectiviteit van de steun, die op 2 maart 2005 is goedgekeurd (31); dringt er daarom bij de Commissie op aan voor de spoedige nakoming van deze toezeggingen te zorgen op basis van de strategische dialoog waarin in het kader van de Accrawerkstroom en de post-Accrawerkstroom en de acties in het kader van het werkplan (as 1, met name actie 20) is voorzien;

232.

vraagt de Commissie zo veel mogelijk in de lijn van haar transparantie-initiatieven te blijven en rekening met de resolutie van het Parlement van 19 februari 2008 over transparantie in financiële aangelegenheden (32) te houden en beveelt aan dat een gegevensbank wordt gecreëerd met een overzicht van de missies en resultaten op het gebied van technische bijstand die kan worden gebruikt voor toekomstige opdrachten op het gebied van technische bijstand en om dubbel werk te voorkomen;

Deel II: Speciaal verslag nr. 1/2008 over het proces van onderzoek en evaluatie van grote investeringsprojecten in de programmeringsperioden 1994-1999 en 2000-2006

233.

verzoekt de Commissie de zware goedkeuringsprocedure voor grote projecten te herzien, maar vraagt haar ook de besluitvorming te rationaliseren door echte waarden vast te stellen, waardoor het zuiver administratieve karakter wordt verminderd en de duur van het besluitvormingsproces tot redelijke proporties wordt teruggebracht, onder andere door op zo kort mogelijke termijn binnen DG Regio een onafhankelijke eenheid voor grote projecten op te richten met horizontale bevoegdheden; wijst op het belang van financiering voor investeringen in software, aangezien dit het systeem transparanter en beter beheerbaar zal maken; is evenwel van mening dat de Commissie het aantal controles ter plaatse als gevolg van deze investering niet moet verlagen;

234.

verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de toepassing in de praktijk van de n + 2 en n + 3-regels voor grote projecten, aangezien een aantal lidstaten hebben geprobeerd de EFRO-regels te omzeilen (in het bijzonder de n + 2-regel) door een aantal projecten samen te voegen zodat het totaalcijfer net onder de drempel voor grote projecten bleef en vervolgens te wachten op opschorting door de Commissie van de n + 2-regel;

235.

wijst op en wenst verduidelijking van het feit dat een risicoschuwe cultuur is ontstaan (waarin kwalitatief hoogwaardige en innovatieve investeringen naar de achtergrond worden gedrongen), een praktijk die haaks staat op de doelstellingen van de Gemeenschap zoals vastgelegd in de Lissabonstrategie; is van oordeel dat het probleem niet ligt bij de financiering van infrastructuurinvesteringen, maar bij het gegeven dat de lidstaten innovatieve — „risicovolle” — investeringen kunnen mijden;

236.

betreurt het feit dat de Commissie (DG Regio) geen financiering toekent voor onderwijs en opleiding voor het eigen personeel maar voor een aparte groep (JASPERS), die onderdeel uitmaakt van de structuur van de Europese Investeringsbank en derhalve voor zijn werk geen verantwoording aan de Commissie verschuldigd is; wijst de lidstaten erop dat indien zij hun deskundigenpools geen onderwijs en opleiding ter beschikking stellen, zij afhankelijk zullen worden van externe deskundigen, hetgeen tot aanzienlijke indirecte uitgaven voor de betrokken landen zal leiden;

237.

steunt het initiatief waarbij de Unie grote projecten ex post evalueert en bepaalt welke informatie (uniforme en vergelijkbare gegevens) de lidstaten vóór de vastgestelde deadline moeten verzamelen en voorleggen; is van oordeel dat dit de beste vorm van monitoring is, aangezien er op dit moment geen tastbaar bewijs is dat door de Commissie gefinancierde grote projecten doeltreffend zijn en dat de lidstaten de ontvangen middelen op de meest effectieve en productieve wijze hebben gebruikt;

238.

wijst op het feit dat op dit moment informatie over grote projecten alleen in het jaarverslag van de Commissie over de structuurfondsen en het Cohesiefonds beschikbaar is nadat dit is goedgekeurd; verzoekt de Commissie derhalve ervoor te zorgen dat haar homepage de burgers in staat stelt de status van grote projecten te volgen;

Deel III: Speciaal verslag nr. 2/2008 over bindende tariefinlichtingen (BTI’s)

239.

dringt er bij de Commissie op aan zich voor een spoedige oplossing voor de onopgeloste problemen en tekortkomingen in te zetten, omdat deze tot een inkomstenverlies voor de Unie in de vorm van traditionele eigen inkomsten kunnen leiden;

240.

neemt nota van de antwoorden van de Commissie waarin deze stelt dat het in 2008 goedgekeurde gemoderniseerde Communautair douanewetboek (33) de bindende tariefinlichtingen verplicht zal maken voor de houder ervan, dat het werk betreffende de actualisering van de thesaurus zal worden voortgezet en dat de gebruikersinterface toegankelijk is in alle officiële talen van de Unie;

241.

dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat geschillen over tariefindeling binnen de in de communautaire wetgeving vastgestelde deadline en ten laatste binnen vijf maanden zijn opgelost en vraagt haar bovendien, gelet op de mogelijke verliezen van eigen middelen, de personeelsbezetting van BTI en classificatie op te voeren naar 4 personen en ervoor te zorgen dat deze ook meer risicoanalyses uitvoeren en de bijdragen van de lidstaten aan het systeem, de eventuele gevallen van misbruik van de overgangsperiode en de BTI-shopping strenger controleren;

242.

vraagt de Commissie om het Parlement vóór eind 2009 over alle stappen en maatregelen die op grond van de opmerkingen van de Rekenkamer zijn ondernomen en over de tenuitvoerlegging hiervan te informeren;

Deel IV: Speciaal verslag nr. 3/2008 over het Solidariteitsfonds van de Europese Unie: hoe snel, efficiënt en flexibel is het?

243.

is tevreden met de over het algemeen positieve beoordeling door de Rekenkamer van de resultaten die de Commissie heeft verkregen, wat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie betreft;

244.

constateert dat de kritiek ten aanzien van de „snelheid” niet uitsluitend betrekking kan hebben op het beheer van het fonds door de Commissie, aangezien de problemen erg vaak verband houden met tekortkomingen bij het beheer door de lidstaten, zoals de kwaliteit van de informatie die wordt verstrekt door de aanvrager;

245.

constateert ook dat het Parlement op 18 mei 2006 (34) het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (COM(2005) 108), waarin is voorzien in eenvoudigere en duidelijkere criteria voor een snellere inzet, gunstig heeft onthaald en dat de Raad nog geen vooruitgang in dit dossier heeft geboekt;

Deel V: Speciaal verslag nr. 4/2008 betreffende de uitvoering van de melkquota in de op 1 mei 2004 tot de Europese Unie toegetreden lidstaten

246.

betreurt dat de nationale autoriteiten vele inspecties moeten uitvoeren, die het gevaar lopen oppervlakkig te zijn, zodat de redelijkheid van de opgegeven rechtstreekse verkopen niet kan worden gecontroleerd; is verheugd over Verordening (EG) nr. 228/2008 (35), die het inspectiepercentage voor producenten met een productie van minder dan 5 000 kg tot 1 % verlaagt;

247.

is van mening dat de Commissie in het kader van het gedeelde beheer alle initiatieven moet blijven nemen om voor een effectieve follow-up van de invoering en het goede beheer van de melkquotaregeling te zorgen;

248.

verzoekt de bevoegde nationale autoriteiten om op basis van een risicoanalyse een controleprogramma op te stellen voor elke periode van twaalf maanden en controles te verrichten tijdens en na het contingentjaar, maar uiterlijk achttien maanden na het einde van het jaar in kwestie;

249.

is van mening dat de Commissie ter wille van de vereenvoudiging de nieuwe lidstaten moet verzoeken het algemene principe te eerbiedigen dat alle op de markt gebrachte melk moet worden opgenomen in de boekhouding;

250.

verzoekt de Commissie de nieuwe lidstaten te vragen de bijwerking van hun gegevensbanken te verbeteren, zoals de Rekenkamer in zijn verslag vraagt, en onnodige controles te vermijden;

251.

vraagt de Commissie de ontwikkelingen in de melksector te blijven volgen, in het bijzonder die welke verband houden met de markt, met de situatie van de producenten en met de implicaties voor de regionale ontwikkeling, in het bijzonder in de beoordelingsverslagen die overeenkomstig het politieke akkoord van november 2008 betreffende de „gezondheidscontrole” van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vóór 31 december 2010 en 31 december 2012 moeten worden voorgelegd;

252.

verzoekt de Commissie om in het kader van de gezondheidstest gevolg aan alle aanbevelingen van de Rekenkamer te geven en rekening te houden met de eventuele aanpassingen van de gemeenschappelijke marktordening voor melk en van de melkquotaregeling, die met name moeten worden gericht op:

a)

begeleidende en overgangsmaatregelen die moeten worden overwogen voor de regio’s waarin de kleine producenten de overgrote meerderheid vormen;

b)

de noodzaak de melkproducenten in de nieuwe lidstaten te verzekeren van een stabiele regelgeving en duidelijke perspectieven, waarbij zij worden gestimuleerd tot het doen van de noodzakelijke investeringen ter waarborging van de duurzaamheid van hun activiteit.

Deel VI: Speciaal verslag nr. 5/2008 „Agentschappen van de Europese Unie: resultaten bereiken”

253.

is tevreden met het speciaal verslag van de Rekenkamer en raadt de Commissie met nadruk aan om nota te nemen van de tekortkomingen waarop hierin wordt gewezen, alsmede maatregelen te nemen die bij de aanbevelingen van de Rekenkamer aansluiten;

254.

vraagt dat de Commissie een algemeen beheerssysteem voor de regelgevende agentschappen van de Unie creëert en invoert, op basis van expliciete criteria als transparantie, zuinigheid, goede werking, efficiëntie en uitwisseling van de vruchtbaarste praktijken; is van mening dat de Commissie een actieve communicatie met de agentschappen van de Unie moet onderhouden en de raden van bestuur van de agentschappen moet assisteren met betrekking tot de invoering van een budgettering en een beheer op basis van de activiteiten (ABB/ABM);

255.

verzoekt de Commissie een operationeel controlesysteem voor de agentschappen van de Unie in te voeren dat de interne transfer van de beste praktijken en methoden mogelijk maakt en een geheel van zowel algemene als specifieke indicatoren voor de evaluatie omvat;

256.

verzoekt de Commissie richtsnoeren te ontwikkelen om de planning, de controle, de uitvoering van de rapporten en de evaluatie van de activiteiten van de agentschappen te verbeteren en het concept van de verkrijging van resultaten waarin Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en de financiële kaderregeling voor de agentschappen voorziet, ten volle in de praktijk te brengen (36);

Deel VII: Speciaal verslag nr. 6/2008 over de rehabilitatiehulp van de Commissie na de tsunami en orkaan Mitch

257.

verzoekt de Commissie alle nodige conclusies te trekken uit de gebeurtenissen die zijn gevolgd op de orkaan Mitch en de tsunami, om de prestaties in de toekomst te verbeteren; raadt de Commissie met aandrang aan een actieve rol te spelen op internationaal niveau om de systemische tekortkomingen van de internationale noodhulpcapaciteit te corrigeren;

258.

verzoekt de Commissie bij toekomstige rehabilitatieacties bijzondere aandacht te besteden aan de volgende kwesties: garanderen dat de financiering is gebaseerd op de behoeften, garanderen dat met de hulpmaatregelen wordt gefocust op de getroffen bevolkingsgroepen, inclusief armen, vrouwen en kinderen, garanderen dat gedetailleerde en juiste informatie over de resultaten van de bijstand beschikbaar is voor de belastingbetaler van de donorlanden en de getroffen landen;

259.

verzoekt de hoogste instanties die met de controle van de overheidsfinanciën zijn belast en de Rekenkamer om de samenwerking met betrekking tot het onderzoek, de controle en de evaluatie van het gebruik van de middelen voor hulp bij natuurrampen te intensiveren;

260.

verzoekt de Commissie om haar lijst van ngo’s te herzien, om er de organisaties van te schrappen waarmee gen vertrouwensband bestaat, en een aankoopbeleid te bepalen waarmee de verduistering van middelen door deze ngo’s kan worden voorkomen;

261.

verzoekt de Commissie bovendien om een voldoende zichtbaarheid van de door de Unie verstrekte hulp te garanderen, zonder evenwel de algemene efficiëntie en de billijkheidsdoelstellingen in gevaar te brengen;

262.

verzoekt de Verenigde Naties, het Rode Kruis, de Rode Halve Maan en alle andere donoren het eens te worden over een gedetailleerd controlekader, om:

a)

de algemene controle van de verzamelde middelen te intensiveren en te verbeteren,

b)

een einde aan het dubbel werk en de fragmentatie in het kader van de controleprocedures te maken en de kosten van deze procedures verminderen;

263.

verwacht van de Commissie dat zij niet alleen de aanbevelingen van de Rekenkamer aanvaardt, maar ook dat zij een datum in de nabije toekomst aangeeft voor de uitvoering ervan;

264.

is ook van mening dat het van essentieel belang is dat de Commissie er bij humanitaire hulp op toeziet dat aan de vereisten op het gebied van de efficiëntie van de hulp, overeenkomstig de verklaring van Parijs inzake de efficiëntie van de hulp, is voldaan;

265.

verzoekt de Commissie een realistische en concrete uiterste datum te bepalen voor de beschikbaarheid van de middelen, om de begunstigde landen ertoe aan te zetten de aanvaarde projecten stipt uit te voeren;

266.

is van mening dat de humanitaire hulp in geval van een natuurramp moet worden verleend zonder politieke voorwaarden; is niettemin van mening dat de Commissie de begunstigde landen moet vragen:

a)

dat de toegang tot de slachtoffers niet wordt beperkt,

b)

dat de hulp wordt vrijgesteld van belastingen, douanerechten en elke andere vorm van fiscale heffing,

c)

dat er geen vertraging of weigering komt wat de verlening van de visa van het internationaal personeel van de hulpagentschappen betreft,

d)

dat de begunstigden niet wordt gevraagd de geschonken goederen en diensten te betalen (of dat de zo verkregen inkomsten volledig terugvloeien naar de wederopbouw);

267.

verzoekt de Commissie te overwegen de hulpverlening stop te zetten, als een van de bovengenoemde principes wordt geschonden;

Deel VIII: Speciaal verslag nr. 7/2008 over het programma „Intelligente energie-Europa” 2003-2006

268.

is tevreden met het ernstige werk van de Rekenkamer en met de vaststellingen als gevolg hiervan, die een hoeveelheid lof, maar ook kritiek op het beheer door de Commissie en het Uitvoerend Agentschap voor Intelligente Energie van het programma „Intelligente energie-Europa” 2003-2006 omvatten; is tevreden met de nauwe samenwerking tussen het agentschap, de Rekenkamer en het Parlement die op de toekomst van het agentschap is gericht;

269.

concludeert op basis van de analyse van de Rekenkamer dat de door de begunstigden gedragen kosten (voor de voorbereiding van voorstellen en voor rapportage) behoorlijk hoog liggen en begrijpt dat deze kosten verschillen van louter administratieve kosten, maar is van mening dat zij ook moeten worden meegerekend en teruggedrongen overeenkomstig de principes van betere regelgeving;

270.

is van mening dat de vaststellingen van de Rekenkamer ook voor andere uitvoerende agentschappen nuttig kunnen zijn; kijkt ernaar uit het komende speciale verslag van de Rekenkamer over uitvoerende agentschappen te ontvangen;

271.

betreurt dat de nieuwe lidstaten in het geval van projecten of onderzoeken in verband met het programma, alsmede in het geval van lokale energieagentschappen nauwelijks bij de zaak waren betrokken; begrijpt evenwel dat deze situatie deels te verklaren is doordat het programma al liep vóór de toetreding van de EU-10; vraagt de Commissie actief haar beleid te blijven voeren waarbij zij prioriteit geeft aan de creatie van energieagentschappen in de lidstaten die achteroplopen, om tot een evenwichtige verdeling over de hele Unie te komen;

Deel IX: Speciaal verslag nr. 8/2008 — „Is „cross compliance” als beleid doeltreffend?”

272.

is van mening dat de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad (37) op „slimme” wijze („SMART”: Specific, Measurable, Achievable, Relevant and Timed; specifiek, meetbaar, haalbaar, relevant en getimed) moeten worden ontwikkeld en volgens een logische hiërarchie georganiseerd; is van mening dat de lidstaten op deze basis controleerbare eisen en normen op bedrijfsniveau moeten definiëren;

273.

is van mening dat het cross compliance-kader moet worden vereenvoudigd door het te beperken tot de belangrijkste elementen van de landbouwactiviteit waar naar verbeterring wordt gestreefd en door de verwachte resultaten, vereisten en normen te specificeren;

274.

verzoekt de Commissie een duidelijk onderscheid te maken tussen cross compliance en agri-milieu; is van mening dat elementen van het beleid inzake plattelandsontwikkeling, zoals de verplichting controleerbare normen vast te stellen, ook voor cross compliance moeten gelden;

275.

is van mening dat in de lidstaten een effectief controle- en sanctiesysteem moet worden ingevoerd om te garanderen dat de landbouwers aan de normen voldoen; is van mening dat minimum 1 % van de bedrijven die elke verplichting toepassen, moet worden gecontroleerd en dat het sanctiesysteem gebaseerd moet zijn op het principe dat verminderingen van de betalingen proportioneel zijn met of afhankelijk van de ernst van de overtreding;

276.

verzoekt de Commissie een degelijk monitoringsysteem in te voeren om de prestaties te meten, door relevante indicatoren en basisniveaus te bepalen; verzoekt de lidstaten volledige en betrouwbare gegevens in te dienen, die door de Commissie nauwkeuriger moeten worden gecontroleerd;

277.

verzoekt de Commissie uiterlijk in het kader van de begrotingscontrole en de volgende hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorstellen in te dienen;

278.

verzoekt de Rekenkamer om in zijn jaarverslag (betrouwbaarheidsverklaring) over de voldoening van de cross compliance-voorwaarden te rapporteren;

Deel X: Speciaal verslag nr. 9/2008 — De doeltreffendheid van Europese Unie steun op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voor Belarus, Moldavië en Oekraïne

279.

dringt er bij de Commissie op aan een volledige analyse van de redenen voor de tekortkomingen en het gebrek aan resultaten in sommige projecten in Belarus, Oekraïne en Moldavië en Belarus uit te voeren en de planning, het beheer en de controle van de middelen van de Unie in deze landen te verbeteren;

280.

dringt er bij de Commissie op aan om de middelen van de Unie voort voor de specifieke prioriteiten van Belarus, Moldavië en Oekraïne te blijven inzetten, rekening houdend met de vooruitgang die bij vorige projecten is gemaakt;

281.

verzoekt de Commissie de financieringsprocedures van de Europese Unie flexibeler te maken, opdat projectdossiers, benchmarks en doelstellingen aan veranderingen in de economische en politieke situatie in de landen kunnen worden aangepast;

282.

verzoekt de Commissie de duurzaamheid van de door de Unie gefinancierde projecten te garanderen door de beloften van de ontvangende regering aan het eind van het project duidelijk te definiëren;

283.

betreurt dat de effectiviteit van de EU-middelen ontoereikend was in gevallen waar, hoewel er tekortkomingen in het projectbeheer waren, subsidies voor nieuwe projecten zijn toegekend aan dezelfde contractanten; vraagt de Commissie daarom duidelijke criteria voor de selectie van contractanten te bepalen en herhaling van het onbevredigende beheer van de EU-middelen te voorkomen;

284.

beveelt aan dat de Commissie haar communicatie met de regeringen van Belarus, Moldavië en Oekraïne verbetert en de nodige stappen onderneemt om de ontvangende landen aan te moedigen en te ondersteunen met het oog op effectieve donorcoördinatie;

285.

moedig de Commissie aan meer te focussen op de kwestie van effectieve vervolging in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en mogelijkheden te onderzoeken om een grotere betrokkenheid van de bevolking bij het corruptiebestrijdingsbeleid te bevorderen, door organisaties van de civiele maatschappij te ondersteunen met betrekking tot kwesties in verband met het gerecht en governance;

Deel XI: Speciaal verslag nr. 11/2008 over het beheer van de steun van de Europese Unie voor de openbare opslag van granen

286.

is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie bij de vaststelling van de minimumverkoopprijs rekening met de geografische ligging van de opslagplaatsen en met name met de kwaliteit van de graanpartijen moet houden;

287.

vraagt de Commissie, om het begrotingsproces te verbeteren, om de kosten van de activiteiten die geen rechtstreeks verband met de interventieopslag houden, transparanter te maken; suggereert met het oog hierop dat het subsidie-element van de programma’s, zoals de steun voor de minst bedeelden of de bioethanolindustrie, rechtstreeks aan de activiteiten in kwestie wordt toegewezen;

288.

verzoekt de lidstaten en de Commissie om de kosten van de controles van operaties betreffende de openbare opslag van granen te evalueren; verzoekt de Commissie meer stimulansen voor de lidstaten te creëren om de opslag- en kapitaalkosten van hun interventies te reduceren en het verkoopmoment van hun voorraad te optimaliseren;

289.

is het eens met de Rekenkamer dat de Commissie haar controle van de door de betaalorganen opgegeven kosten moet intensiveren door een systematische follow-up van ongewone gegevens of trends; is van mening dat de inspecties ter plaatse ook controle van de gebruikte gegevens moeten inhouden; is van mening dat de Commissie haar standaardkosten voor transacties zonder verplaatsing opnieuw moet bezien om ervoor te zorgen dat deze niet hoger liggen dan de werkelijke kosten;

290.

is het met de Rekenkamer eens dat inspecties ter plaatse van de kosteninformatie die van de betaalorganen van de lidstaten is ontvangen, nuttig zouden zijn; benadrukt evenwel dat ervoor moet worden gezorgd dat de controleverplichtingen kostenefficiënt zijn;

291.

betreurt dat er geen strategische graanreserve is in geval van voedseltekort op Gemeenschapsniveau; merkt op dat de lidstaten strategische graanreserves mogen aanleggen en dat zij de Commissie over deze reserves moeten informeren; betreurt evenwel dat erg weinig lidstaten deze mogelijkheid benutten en is van mening dat de Commissie de idee moet onderzoeken en communautaire strategische reserve aan te leggen.


(1)  PB L 77 van 16.3.2007.

(2)  PB C 287 van 10.11.2008, blz. 1.

(3)  PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)  PB C 216 van 14.9.2007, blz. 3.

(5)  PB C 286 van 10.11.2008, blz. 1.

(6)  PB C 287 van 10.11.2008, blz. 111.

(7)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(8)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(9)  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(10)  PB L 187 van 15.7.2008, blz. 25.

(11)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(12)  Advies nr. 2/2004 van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen over het model „single audit” (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader) (PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1).

(13)  Raad van de Europese Unie, nota van het voorzitterschap aan de delegaties — „An improved sound financial management of Europese Unie funds 10284/08 FIN 217”, 3.6.2008 (enkel in het Engels beschikbaar).

(14)  PB L 88 van 31.3.2009, blz. 25.

(15)  PB C 273 van 9.11.2006, blz. 2.

(16)  PB L 340 van 6.12.2006, blz. 5.

(17)  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

(18)  Verordening (EG) nr. 498/2007 van de Commissie van 26 maart 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad inzake het Europees Visserijfonds (PB L 120 van 10.5.2007, blz. 1).

(19)  Verordening (EG) nr. 1447/1999 van de Raad van 24 juni 1999 tot vaststelling van een lijst van gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 167 van 2.7.1999, blz. 5).

(20)  PB C 94 van 21.4.2006, blz. 1.

(21)  PB C 74 E van 24.3.2004, blz. 746.

(22)  PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 70.

(23)  PB C 285 van 27.11.2007, blz. 1.

(24)  Verklaring van de Commissie betreffende artikel 5 DCI, bijlage bij de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2006 (COM(2006) 628).

(25)  Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).

(26)  PB C 174 van 26.7.2006, blz. 1.

(27)  Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82).

(28)  PB C 287 van 10.11.2008, blz. 9.

(29)  PB L 344 van 20.12.2008, blz. 12.

(30)  PB L 344 van 20.12.2008, blz. 125.

(31)  Overeengekomen en goedgekeurd op 2 maart 2005 op het Forum op hoog niveau in Parijs door ontwikkelingslanden en donorlanden, waaronder de Europese Unie, de Afrikaanse ontwikkelingsbank, de Aziatische ontwikkelingsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank, het comité voor ontwikkelingshulp van de OESO, de Verenigde Naties en de Wereldbank.

(32)  Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0051.

(33)  Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1).

(34)  PB C 297 E van 7.12.2006, blz. 331.

(35)  Verordening (EG) nr. 228/2008 van de Commissie van 13 maart 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2004 met betrekking tot de intensiteit van de controles van leveringen en rechtstreekse verkopen van melk (PB L 70 van 14.3.2008, blz. 7).

(36)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72).

(37)  Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).