Er wordt op Gemeenschapsniveau een tijdelijk experiment gehouden om te beoordelen of de volgende soorten: Biserrula pelecinus, Lotus glaber, Lotus uliginosus, Medicago italica, Medicago littoralis, Medicago murex, Medicago polymorpha, Medicago rugosa, Medicago scutellata, Medicago truncatula, Ornithopus compressus, Ornithopus sativus, Plantago lanceolata, Trifolium fragiferum, Trifolium glanduliferum, Trifolium hirtum, Trifolium michelianum, Trifolium squarrosum, Trifolium subterraneum, Trifolium vesiculosum en Vicia benghalensis (hierna de „in artikel 1 bedoelde soorten” genoemd) als of in zaadmengsels in de handel kunnen worden gebracht, zodat kan worden besloten of deze soorten geheel of gedeeltelijk in de lijst van groenvoedergewassen in artikel 2, lid 1, onder A, van Richtlijn 66/401/EEG moeten worden opgenomen.
2009/109/EG: Beschikking van de Commissie van 9 februari 2009 betreffende het opzetten van een tijdelijk experiment waarin bepaalde afwijkingen worden vastgesteld voor het in de handel brengen van zaadmengsels bestemd voor gebruik als groenvoedergewas overeenkomstig Richtlijn 66/401/EEG van de Raad om te bepalen of bepaalde soorten die niet in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 2002/55/EG of 2002/57/EG van de Raad zijn opgenomen, aan de vereisten voldoen om te worden opgenomen in artikel 2, lid 1, onder A, van Richtlijn 66/401/EEG (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 724) (Voor de EER relevante tekst)
2009/109/EG: Beschikking van de Commissie van 9 februari 2009 betreffende het opzetten van een tijdelijk experiment waarin bepaalde afwijkingen worden vastgesteld voor het in de handel brengen van zaadmengsels bestemd voor gebruik als groenvoedergewas overeenkomstig Richtlijn 66/401/EEG van de Raad om te bepalen of bepaalde soorten die niet in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 2002/55/EG of 2002/57/EG van de Raad zijn opgenomen, aan de vereisten voldoen om te worden opgenomen in artikel 2, lid 1, onder A, van Richtlijn 66/401/EEG (Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 724) (Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen(1), en met name op artikel 13 bis,
Overwegende hetgeen volgt:
Zoals landbouwers vanouds weten en onlangs ook uit onderzoek is gebleken, zijn sommige soorten van Leguminosae en Plantago lanceolata die niet zijn opgenomen in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG(2), 2002/55/EG(3) of 2002/57/EG(4) van de Raad (hierna „de bestaande wetgeving” genoemd), met name in mengsels met soorten die wel onder de bestaande wetgeving vallen, interessant voor de productie van groenvoeder, waarmee dieren het hele jaar door evenwichtig kunnen worden gevoederd en tegelijkertijd wordt bijgedragen aan het bodemherstel van braakliggend of marginaal bouwland. Dit is het geval voor Biserrula pelecinus, Lotus glaber, Lotus uliginosus, Medicago italica, Medicago littoralis, Medicago murex, Medicago polymorpha, Medicago rugosa, Medicago scutellata, Medicago truncatula, Ornithopus compressus, Ornithopus sativus, Plantago lanceolata, Trifolium fragiferum, Trifolium glanduliferum, Trifolium hirtum, Trifolium michelianum, Trifolium squarrosum, Trifolium subterraneum, Trifolium vesiculosum, en Vicia benghalensis (hierna de „in overweging 1 bedoelde soorten” genoemd).
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, tweede streepje, van Richtlijn 66/401/EEG mogen alleen zaden van plantensoorten die in de bestaande wetgeving zijn opgenomen, met uitzondering van de rassen bedoeld in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad(5), in de Gemeenschap in de handel worden gebracht in zaadmengsels die bestemd zijn om als groenvoedergewas te worden gebruikt. Bij het ontbreken van de mogelijkheid om mengsels met zaad van de in overweging 1 bedoelde soorten in de handel te brengen, moeten landbouwers die van deze soorten gebruik willen maken deze als afzonderlijke soorten vervoeren en zaaien of in bepaalde gevallen de mengsels zelf op het bedrijf bereiden, hetgeen extra kosten en werk meebrengt. Bovendien is er een verhoogd risico dat de verschillende soorten zaad in het mengsel ongelijk over het veld worden verdeeld, aangezien de mengsels niet professioneel worden bereid.
Om het in de handel te brengen van de in overweging 1 bedoelde soorten in dergelijke mengsels toe te staan, zou artikel 2, lid 1, onder A, van Richtlijn 66/401/EEG moeten worden gewijzigd door deze soorten erin op te nemen.
Voordat een besluit kan worden genomen over wijziging van artikel 2, lid 1, onder A, van Richtlijn 66/401/EEG, moet informatie worden ingewonnen over het in de handel brengen van mengsels die de in overweging 1 bedoelde soorten bevatten. Er moet met name worden nagegaan of het bij gebruik van deze soorten in mengsels mogelijk is door middel van een officiële nacontrole te bevestigen dat het percentage zaad van ieder bestanddeel dat op het etiket van de verpakking is vermeld, overeenkomt met de samenstelling van het mengsel, en of de mengsels van eenzelfde partij homogeen zijn in alle verpakkingen die in de handel worden gebracht. Zonder die informatie zou het onmogelijk zijn de gebruikers te garanderen dat het zaad van mengsels die in overweging 1 bedoelde soorten bevatten, kwalitatief goede resultaten zal bieden.
Daarom moet een tijdelijk experiment worden gehouden om na te gaan of de in overweging 1 bedoelde soorten voldoen aan de eisen om in artikel 2, lid 1, onder A, van Richtlijn 66/401/EEG te worden opgenomen.
De lidstaten die aan het experiment deelnemen, moeten worden vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 13, lid 1, tweede streepje, van Richtlijn 66/401/EEG met betrekking tot de in overweging 1 bedoelde soorten. Zij moeten toestaan dat mengsels die deze soorten bevatten onder bepaalde voorwaarden in de handel worden gebracht.
Er moeten specifieke eisen voor de goedkeuring van de in overweging 1 bedoelde soorten worden vastgesteld, zodat gegarandeerd wordt dat het zaad van deze soorten in alle deelnemende lidstaten aan dezelfde eisen voldoet. Deze eisen moeten gebaseerd zijn op de voorwaarden die zijn vastgelegd in OESO-regelingen voor de certificering van rassen of de controle van zaaizaad in het internationale handelsverkeer (hierna „OESO-regelingen” genoemd) of in de nationale normen van de lidstaat waar het zaad wordt geproduceerd.
Naast de algemene voorwaarden van Beschikking 2004/371/EG van de Commissie van 20 april 2004 betreffende voorwaarden voor het in de handel brengen van zaadmengsels bestemd voor gebruik als voedergewas(6) moeten specifieke voorwaarden worden vastgesteld voor het in de handel brengen van mengsels in het kader van het experiment. Deze voorwaarden moeten garanderen dat voldoende informatie wordt verzameld om het experiment te kunnen evalueren. Daarom moeten regels voor etikettering, toezicht en rapportage worden opgesteld.
Gezien de experimentele aard van de bij deze beschikking ingestelde maatregel moet een maximumhoeveelheid zaadmengsels worden vastgesteld die in de handel mag worden gebracht, rekening houdend met het feit dat de verschillende mengsels met behulp van de bestaande faciliteiten moeten worden getest.
Om de lidstaten in staat te stellen te controleren of de maximumhoeveelheid niet wordt overschreden, moeten bedrijven die dergelijke zaadmengsels willen produceren de betrokken lidstaten op de hoogte stellen van de hoeveelheden die zij willen produceren. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben het in de handel brengen van zaadmengsels te verbieden als zij dit noodzakelijk achten om verschillende mengsels te kunnen uittesten zonder de maximumhoeveelheid te overschrijden.
Om leveranciers in staat te stellen voldoende zaad te produceren en in de handel te brengen en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen dat materiaal te controleren en voldoende vergelijkbare informatie te verzamelen om een rapport op te stellen, moet het experiment ten minste vijf verkoopseizoenen bestrijken.
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1 Onderwerp
Artikel 2 Deelname van lidstaten
Elke lidstaat mag aan het experiment deelnemen.
Lidstaten die besluiten aan het experiment deel te nemen (hierna: de „deelnemende lidstaten” genoemd), stellen de Commissie hiervan op de hoogte.
Zij kunnen hun deelname te allen tijde beëindigen door de Commissie daarvan in kennis te stellen.
Artikel 3 Vrijstelling
In het kader van het experiment mogen zaadmengsels die de in artikel 1 bedoelde soorten bevatten, met of zonder zaad van soorten die in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 2002/55/EG of 2002/57/EG zijn opgenomen, onder de in de artikelen 4 en 5 bepaalde voorwaarden in de handel worden gebracht.
De deelnemende lidstaten worden vrijgesteld van de verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 13, lid 1, tweede streepje, van Richtlijn 66/401/EEG.
Artikel 4 Voorwaarden met betrekking tot zaad van de in artikel 1 bedoelde soorten
Zaad van de in artikel 1 bedoelde soorten voldoet aan de volgende voorwaarden:
-
het behoort tot een ras dat is opgenomen in een nationale lijst van een lidstaat of op de OESO-lijst van rassen die in aanmerking komen voor de certificering van zaaizaad;
-
het is overeenkomstig bijlage I gecertificeerd;
-
het voldoet aan de voorwaarden van punt 1 van bijlage II.