Verordening (EG) nr. 889/2008 wordt als volgt gewijzigd:
-
Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:
„2.Deze verordening is niet van toepassing op:
-
andere dan de in artikel 7 genoemde diersoorten; en
-
andere dan de in artikel 25 bis genoemde aquacultuurdieren.
Titel II, titel III en titel IV zijn evenwel van overeenkomstige toepassing op dergelijke producten totdat de productievoorschriften voor deze producten zijn vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007.”
-
-
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
-
de tekst onder f) wordt vervangen door:
- „f) „productie-eenheid” :
- het geheel van de in een productiesector gebruikte productiemiddelen, zoals productieruimten, percelen grond, weilanden, openluchtruimten, stallen, visvijvers, inperkingssystemen voor zeewier of aquacultuurdieren, geconcessioneerde kust- of zeebodemlocaties, plaatsen voor de opslag van gewassen, plantaardige producten, zeewierproducten, dierlijke producten, grondstoffen en andere voor de betrokken productiesector relevante productiemiddelen;”
-
na punt i) worden de volgende punten toegevoegd:
- „j) „gesloten recirculatievoorziening voor aquacultuur” :
- een op het land of op een vaartuig gelegen aquacultuurvoorziening waarin het water in een gesloten circuit wordt rondgepompt en permanent gebruik wordt gemaakt van externe energie om de omgeving voor de aquacultuurdieren te stabiliseren;
- k) „energie uit hernieuwbare bronnen” :
- energie uit hernieuwbare niet-fossiele energiebronnen: wind, zon, geothermische warmte, golfslag, getij, waterkracht, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
- l) „broedkamer” („hatchery”):
- ruimte voor het reproduceren, het uitbroeden en het kweken in vroege levensstadia van aquacultuurdieren, en met name vis, schelpdieren en schaaldieren;
- m) „kweekkamer” („nursery”):
- ruimte voor een tussenkweekfase die volgt op die in de broedkamer en voorafgaat aan die van de opkweek. De kweekkamerfase wordt tijdens het eerste derde deel van de productiecyclus afgerond, behalve wanneer de soorten zich in een smoltificatieproces bevinden;
- n) „verontreiniging” (in het kader van de aquacultuur- en de zeewierproductie):
- de directe of indirecte introductie van in Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(*) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(**) omschreven stoffen of energie in de wateren waarop deze richtlijnen van toepassing zijn;
- o) „polycultuur” (in het kader van de aquacultuur- en de zeewierproductie):
- het kweken van twee of meer soorten van doorgaans verschillende trofische niveaus in één kweekeenheid;
- p) „productiecyclus” (in het kader van de aquacultuur- en de zeewierproductie):
- de levenscyclus van aquacultuurdieren of zeewier vanaf de prilste levensfase tot de oogst;
- q) „plaatselijk gekweekte soorten” (in het kader van de aquacultuur en de zeewierproductie):
- andere dan in Verordening (EG) nr. 708/2007(***) van de Raad bedoelde uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten. De in bijlage IV van Verordening (EG) nr. 708/2007 genoemde soorten mogen als plaatselijk gekweekte soorten worden beschouwd.
- r) „bezettingsdichtheid” (in het kader van de aquacultuur):
- het levend gewicht van de dieren per kubieke meter water op elk moment van de opkweekfase en, in het geval van platvis en garnalen, het gewicht per vierkante meter oppervlakte.
-
-
In titel II wordt het volgende hoofdstuk 1 bis ingevoegd:
In dit hoofdstuk worden productievoorschriften voor het verzamelen en kweken van zeewier vastgesteld. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op alle voor vervoedering aan aquacultuurdieren bestemde meercellige mariene algen, fytoplankton en microalgen.
1.De bedrijven moeten gevestigd zijn op locaties die niet zijn verontreinigd door niet voor de biologische productie toegestane producten of stoffen, noch door verontreinigende stoffen die de biologische aard van de producten in het gedrang zouden brengen.
2.Biologische en niet-biologische productie-eenheden moeten adequaat van elkaar worden gescheiden. Deze scheiding moet aan de hand van aparte waterdistributiesystemen en adequate afstanden worden aangebracht op basis van natuurlijke omstandigheden zoals de getijdenstroming en de stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen locatie van de biologische productie-eenheid. De autoriteiten van de lidstaten mogen locaties of gebieden aanwijzen die volgens hen ongeschikt zijn voor de biologische aquacultuur of de oogst van zeewier en mogen tevens minimumafstanden voor de scheiding tussen biologische en niet-biologische productie-eenheden vaststellen.
Indien minimumscheidingsafstanden worden vastgesteld, dienen de lidstaten de betrokken informatie aan de marktdeelnemers, de overige lidstaten en de Commissie te verstrekken.
3.Met betrekking tot nieuwe, voor de biologische productie geplande bedrijven die meer dan 20 ton aquacultuurproducten per jaar produceren, moeten de omstandigheden van de productie-eenheid en van de onmiddellijke omgeving daarvan, alsmede de verwachte impact van de exploitatie van die eenheid worden geëvalueerd in een milieubeoordeling die in verhouding staat tot de productie-eenheid. De marktdeelnemer stelt de milieubeoordeling ter beschikking van het controleorgaan of de controleautoriteit. Inhoudelijk dient de milieubeoordeling gebaseerd te zijn op bijlage IV bij Richtlijn 85/337/EEG van de Raad(*). Indien voor de betrokken eenheid reeds een gelijkwaardige beoordeling is opgesteld, mag deze ook in dit verband worden gebruikt.
4.De marktdeelnemer dient een duurzaambeheerplan in dat in verhouding staat tot de productie-eenheid waar aan biologische aquacultuur wordt gedaan of zeewier wordt geoogst.
Dit plan dient jaarlijks te worden bijgewerkt, moet gedetailleerde gegevens bevatten over de milieu-impact van het bedrijf en de uit te voeren milieumonitoring, alsmede maatregelen voor het optimaal beperken van negatieve gevolgen voor de omliggende water- en bodemomgeving, met inbegrip, in voorkomend geval, van gegevens inzake de lozing van nutriënten in het milieu per productiecyclus of per jaar. Controles en reparaties van technische apparatuur dienen in het plan te worden geregistreerd.
5.Marktdeelnemers van aquacultuur- en zeewierbedrijven dienen bij voorkeur gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen en recyclagemateriaal en moeten in het duurzaambeheerplan een afvalbeperkingsschema opnemen dat vanaf het begin van de exploitatie van het bedrijf moet worden toegepast. Waar mogelijk mag restwarmte alleen worden gebruikt indien zij afkomstig is van hernieuwbare energiebronnen.
6.Zodra met de zeewieroogst wordt begonnen, dient een eenmalige biomassaraming te worden verricht.
1.De bewijsstukken moeten in de eenheid of de bedrijfskantoren worden bewaard en moeten de marktdeelnemer, respectievelijk de controleautoriteit of het controleorgaan in staat stellen na te gaan, respectievelijk te verifiëren of de oogsters uitsluitend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 geproduceerd wild zeewier hebben geleverd.
2.De omvang van de oogst mag niet zo groot zijn dat de toestand van het aquatische milieu er significante gevolgen van ondervindt. Met het oog op de regeneratie van het zeewier moeten maatregelen worden genomen op het gebied van, onder meer, oogsttechnieken, minimumgrootte, leeftijd, reproductiecycli of de grootte van het resterende weewier.
3.Indien zeewier van een gedeeld of gemeenschappelijk oogstgebied wordt geoogst, moet uit bewijsstukken blijken dat de volledige oogst aan de bepalingen van deze verordening voldoet.
4.Uit de in artikel 73 ter, lid 2, onder b) en c), bedoelde registers moet blijken dat het beheer op een duurzame manier heeft plaatsgevonden en dat de oogstgebieden geen langetermijngevolgen hebben ondergaan.
1.Bij de zeewierteelt op zee mag slechts gebruik worden gemaakt van natuurlijk in het plaatselijke milieu voorkomende nutriënten of van nutriënten afkomstig van een bij voorkeur dichtbijgelegen aquacultuureenheid voor de biologische dierlijke productie die deel uitmaakt van een polycultuursysteem.
2.In op het land gelegen voorzieningen waar gebruik wordt gemaakt van externe bronnen van nutriënten, moet worden geconstateerd dat de nutriëntenniveaus in de effluenten niet hoger zijn dan die in het instromende water. Er mag enkel gebruik worden gemaakt van de in bijlage I opgenomen nutriënten van plantaardige of minerale oorsprong.
3.De teeltdichtheid of de exploitatie-intensiteit moet worden geregistreerd en moet worden afgestemd op het behoud van het aquatische milieu door ervoor te zorgen dat de maximumhoeveelheid zeewier die het milieu aankan zonder daar negatieve gevolgen van te ondervinden, niet wordt overschreden.
4.Touwen en andere materialen die bij de zeewierteelt worden gebruikt, moeten waar mogelijk worden hergebruikt of gerecycled.
1.Biologische aangroeiorganismen mogen slechts fysiek of met de hand worden verwijderd en moeten, wanneer gepast, op enige afstand van de kwekerij weer in zee worden gezet.
2.De apparatuur en de voorzieningen moeten op fysieke of mechanische wijze worden gereinigd. Indien deze maatregelen niet het gewenste resultaat opleveren, mag slechts gebruik worden gemaakt van de in bijlage VII, deel 2, opgenomen stoffen.
-
Artikel 21, lid 2, wordt vervangen door:
„2.Het begrazen of de oogst van percelen blijvend grasland, blijvende voedergewassen of eiwithoudende gewassen die in het kader van biologisch beheer tijdens het eerste omschakelingsjaar zijn ingezaaid, mag maximaal 20 % van de totale gemiddelde hoeveelheid gevoederde diervoeders vormen, op voorwaarde dat deze percelen van het eigen bedrijf zijn en tijdens de laatste vijf jaar geen deel hebben uitgemaakt van een biologische productie-eenheid van dat bedrijf. Wanneer gebruik wordt gemaakt van zowel omschakelingsdiervoeders als diervoeders afkomstig van percelen die zich in het eerste omschakelingsjaar bevinden, mag het totale percentage van die diervoeders samen niet hoger zijn dan de in lid 1 vastgestelde maxima.”
-
In titel II wordt het volgende hoofdstuk 2 bis ingevoegd:
In dit hoofdstuk worden gedetailleerde productievoorschriften vastgesteld voor in bijlage XIII bis genoemde soorten vissen, schelpdieren, schaaldieren, stekelhuidigen en weekdieren.
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op zoöplankton, microschelpdieren, microschaaldieren, rotiferen, wormen en andere als voer gebruikte waterdieren.
1.De bepalingen van artikel 6 ter, leden 1 tot en met 5, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
2.Defensieve en preventieve maatregelen die in het kader van Richtlijn 92/43/EEG(*) en overeenkomstig nationale regels worden genomen tegen predatoren, moeten in het duurzaambeheerplan worden geregistreerd.
3.In voorkomend geval moeten marktdeelnemers met aan elkaar grenzende bedrijven het opstellen van hun beheersplannen op verifieerbare wijze coördineren.
4.Met betrekking tot de dierlijke aquacultuurproductie in visvijvers, vistanks of doorstroomsystemen („raceways”) moeten de bedrijven zijn uitgerust met natuurlijke filterbedden, bezinkingsvijvers, biologische filters of mechanische filters voor de verzameling van afvalnutriënten, of moeten zij gebruik maken van zeewier en/of dieren (tweekleppigen en algen) die bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van de effluenten. In voorkomend geval moeten de effluenten regelmatig worden gecontroleerd.
1.De bevoegde autoriteit mag de kweek van zowel biologische als niet-biologische juvenielen in broedkamers en kweekkamers op hetzelfde bedrijf toestaan, op voorwaarde dat de eenheden duidelijk fysiek van elkaar zijn gescheiden en een afzonderlijk waterdistributiesysteem is geïnstalleerd.
2.Met betrekking tot de opkweek mag, wanneer daarbij verschillende productiefasen en verschillende perioden voor de behandeling van de aquacultuurdieren betrokken zijn, de bevoegde autoriteit de aanwezigheid van zowel biologische als niet-biologische eenheden voor de dierlijke aquacultuurproductie op hetzelfde bedrijf toestaan op voorwaarde dat artikel 6 ter, lid 2, van de onderhavige verordening wordt nageleefd.
3.De marktdeelnemers bewaren bewijsstukken inzake de toepassing van de in dit artikel bedoelde bepalingen.
1.Er moet gebruik worden gemaakt van plaatselijk gekweekte soorten en de reproductie moet erop gericht zijn stammen op te leveren die beter zijn aangepast aan de kweekomstandigheden, een goede gezondheid hebben en goed gebruik maken van de voedselbronnen. De bewijsstukken met betrekking tot de herkomst en de behandeling van de dieren moet ter beschikking van het controleorgaan of de controleautoriteit worden gehouden.
2.Er moeten soorten worden gekozen die kunnen worden gekweekt zonder significante schade aan wilde bestanden toe te brengen.
1.Met het oog op de reproductie of de verbetering van het genetisch materiaal mogen, wanneer geen biologische aquacultuurdieren beschikbaar zijn, in het wild gevangen of niet-biologische aquacultuurdieren in een bedrijf worden binnengebracht. Deze dieren moeten ten minste drie maanden volgens de biologische methode worden beheerd alvorens zij voor reproductiedoeleinden mogen worden gebruikt.
2.Met het oog op de opkweek mogen niet-biologische aquacultuurjuvenielen op een bedrijf worden binnengebracht wanneer geen biologische aquacultuurjuvenielen beschikbaar zijn. Ten minste twee derde van de productiecyclus moet volgens de biologische methode worden beheerd.
3.Het maximumpercentage niet-biologische aquacultuurjuvenielen die op een bedrijf mogen worden binnengebracht, bedraagt: 80 % tegen 31 december 2011, 50 % tegen 31 december 2013 en 0 % tegen 31 december 2015.
4.Het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen voor opkweekdoeleinden is slechts in de volgende gevallen toegestaan:
-
wanneer het de natuurlijke instroom van larven en juvenielen van vissen of schaal- en schelpdieren bij het vullen van vijvers, inperkingssystemen en afgebakende ruimten betreft;
-
wanneer het de Europese glasaal betreft, op voorwaarde dat op de betrokken locatie een goedgekeurd beheersprogramma voor aal van toepassing is en nog geen oplossing is gevonden voor het probleem van de kunstmatige reproductie van aal.
1.De houderijomgeving van de aquacultuurdieren moet zo zijn ontworpen dat de aquacultuurdieren overeenkomstig hun soortspecifieke behoeften:
-
voldoende ruimte hebben om zich goed te voelen;
-
worden gehouden in water van een goede kwaliteit met voldoende zuurstof, en
-
worden gehouden bij een temperatuur en een lichtintensiteit die, tevens rekening houdend met de geografische locatie, overeenstemmen met de vereisten van de soort;
-
worden gehouden in een omgeving met een bodem die zo goed mogelijk lijkt op die in hun natuurlijke omgeving, in het geval van demersale zoetwatervissen;
-
worden gehouden in een omgeving met een bodem van natuurlijke aarde in het geval van karper.
2.De bezettingsdichtheid per soort of soortengroep is vastgesteld in bijlage XIII bis. Bij het beoordelen van de effecten van de bezettingsdichtheid op het welzijn van de kweekvis wordt toezicht gehouden op de toestand van de vis (zoals schade aan de vinnen, andere verwondingen, groeitempo, vertoond gedrag en algemene gezondheid) en op de waterkwaliteit.
3.De aquatische inperkingssystemen moeten zijn ontworpen en gebouwd met het oog op stromingsniveaus en fysisch-chemische parameters die borg staan voor de gezondheid en het welzijn van de dieren en zijn afgestemd op hun ethologische behoeften.
4.Het ontwerp, de locatie en de exploitatie van de inperkingssystemen moeten erop gericht zijn het risico van ontsnappingsincidenten tot een minimum te beperken.
5.Indien vissen, schaaldieren of schelpdieren ontsnappen, moeten adequate maatregelen worden genomen om de impact op het plaatselijke ecosysteem te verminderen, onder meer door de dieren waar mogelijk weer te vangen. Hiervan moeten bewijsstukken worden bewaard.
1.Gesloten recirculatievoorzieningen voor de dierlijke aquacultuurproductie zijn verboden, behalve voor broedkamers, kweekkamers en voorzieningen voor de productie van soorten die worden gebruikt als biologische voedingsorganismen.
2.Kweekeenheden op het land moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
-
met betrekking tot doorstroomsystemen moet zowel het stroomniveau als de kwaliteit van het in- en uitstromende water kunnen worden gemonitored en gecontroleerd;
-
op ten minste 5 % van het perimetergebied („land-water interface”) moet natuurlijke vegetatie voorkomen.
3.Inperkingssystemen op zee moeten:
-
zich bevinden op een locatie met de juiste waterdoorstroming, waterkwaliteit en uitwisseling tussen de verschillende waterlichamen om de impact op de zeebodem en het omgevende waterlichaam tot een minimum te beperken;
-
uitgerust zijn met kooien die qua ontwerp, constructie en onderhoud afgestemd zijn op de exploitatieomgeving.
4.Kunstmatige verwarming of koeling van het water is slechts toegestaan in broed- en kweekkamers. In alle productiefasen mag gebruik worden gemaakt van natuurlijk putwater voor het verwarmen of koelen van het water.
1.De aquacultuurdieren moeten zo weinig mogelijk, met de grootst mogelijke zorg en de juiste apparatuur, en aan de hand van adequate protocollen worden gehanteerd om stress en fysieke schade als gevolg van de behandelingsprocessen te voorkomen. De wijze van hantering van het reproductiemateriaal moet gericht zijn op het optimaal beperken van fysieke schade en stress en dient zo nodig onder anesthesie plaats te vinden. Groottesortering moet tot een minimum worden beperkt en zo te worden verricht dat het welzijn van de vis gegarandeerd is.
2.De volgende beperkingen gelden voor het gebruik van kunstlicht:
-
de natuurlijke dagduur mag, gezien de ethologische behoeften, de geografische omstandigheden en de algemene gezondheid van de gekweekte dieren, met kunstlicht worden verlengd tot maximaal 16 uur per dag, behalve voor reproductiedoeleinden;
-
bij het overschakelen van natuurlijk naar kunstlicht of omgekeerd moet gebruik worden gemaakt van dimmers of achtergrondverlichting om plotse veranderingen in de lichtintensiteit te voorkomen.
3.Ter waarborging van het welzijn en de gezondheid van de dieren is verluchting toegestaan met dien verstande dat mechanische verluchters bij voorkeur door hernieuwbare energiebronnen worden aangedreven.
Dergelijke gebruiksomstandigheden moeten in het aquacultuurproductieregister worden vermeld.
4.Zuurstof mag met het oog op diergezondheidsvereisten en tijdens kritieke fasen van de productie en het vervoer slechts in de volgende gevallen worden gebruikt:
-
bij uitzonderlijke temperatuurstijging, luchtdrukdaling of incidentele verontreiniging,
-
bij occasioneel bestandsbeheer, zoals bemonstering en sortering,
-
teneinde het overleven van het kweekbestand te garanderen.
Hiervan moeten bewijsstukken worden bewaard.
5.De slachttechnieken moeten onmiddellijke bewusteloosheid en ongevoeligheid voor pijn tot gevolg hebben. Bij het overwegen van de optimale slachtmethoden moet rekening worden gehouden met verschillen in oogstomvang, soort en productielocatie.
Het gebruik van hormonen en hormoonderivaten is verboden.
Het voederrantsoen moet worden samengesteld in het licht van de volgende prioriteiten:
-
de gezondheid van de dieren;
-
de hoge productkwaliteit, onder meer op het gebied van de nutritionele samenstelling die de hoge kwaliteit van het eetbare eindproduct moet garanderen;
-
de geringe impact op het milieu.
1.Het voeder voor carnivore aquacultuurdieren dient prioritair te bestaan uit:
-
biologische voederproducten van oorsprong uit de aquacultuur;
-
vismeel en visolie van uit de biologische aquacultuur afkomstige afsnijdsels;
-
vismeel, visolie en andere visingrediënten van uit de duurzame visserij afkomstige afsnijdsels van voor menselijke consumptie gevangen vis;
-
biologische voedermiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong als vermeld in bijlage V en met inachtneming van de daarin vastgestelde beperking.
2.Indien geen in lid 1 bedoeld voeder beschikbaar is, mag gedurende een overgangsperiode die afloopt op 31 december 2014, gebruik worden gemaakt van vismelen en visoliën die afkomstig zijn van afsnijdsels uit de niet-biologische aquacultuur of van afsnijdsels van voor menselijke consumptie gevangen vis. Dergelijke voedermiddelen mogen ten hoogste 30 % van het dagelijkse voederrantsoen uitmaken.
3.Het voederrantsoen mag ten hoogste 60 % biologische plantaardige producten bevatten.
4.Voornamelijk van biologische bronnen afgeleide astaxanthine, zoals schelpen en schalen van biologische schelp- of schaaldieren, mag worden gebruikt in het voederrantsoen van zalm en forel binnen de grenzen van de fysiologische behoeften van deze dieren. Indien geen biologische bronnen beschikbaar zijn, mogen natuurlijke bronnen van astaxanthine (zoals Phaffia-gist) worden gebruikt.
1.Het voederrantsoen van in bijlage XIII bis, delen 6, 7 en 9, bedoelde aquacultuurdieren moet bestaan uit voeder dat van nature in vijvers en meren beschikbaar is.
2.Bij gebrek aan voldoende in lid 1 bedoelde van nature beschikbare voedselbronnen mag gebruik worden gemaakt van bij voorkeur in het bedrijf gekweekt biologisch voeder van plantaardige oorsprong of van zeewier. De marktdeelnemers bewaren bewijsstukken waarin de noodzaak van bijvoederen wordt aangetoond.
3.Indien het natuurlijke voeder overeenkomstig lid 2 wordt aangevuld, mag het voederrantsoen van de soorten als genoemd in deel 7 van bijlage XIII bis en van pangasius (Pangasius sp.) als genoemd in deel 9 van die bijlage maximaal 10 % vismeel of visolie van duurzame visserijtakken bevatten.
1.In de biologische aquacultuur mag alleen gebruik worden gemaakt van in bijlage V opgenomen voedermiddelen van dierlijke en minerale oorsprong.
2.Toevoegingsmiddelen voor diervoeders, bepaalde in diervoeding gebruikte producten en technische hulpstoffen mogen slechts worden gebruikt wanneer deze zijn opgenomen in bijlage VI en de in die bijlage vastgestelde beperkingen in acht worden genomen.
1.Tweekleppige weekdieren mogen in het kader van de polycultuur samen met biologische vis en zeewier worden gekweekt, mits dit in het duurzaambeheerplan wordt gedocumenteerd. Tweekleppige weekdieren mogen in het kader van de polycultuur tevens samen worden gekweekt met buikpotigen, zoals alikruiken.
2.De biologische productie van tweekleppige weekdieren moet plaatsvinden in een met palen, boeien of andere duidelijke bakens afgebakend gebied, en moet, indien gepast, worden ingeperkt aan de hand van pens, kooien of andere door de mens gemaakte voorzieningen.
3.Biologische kwekerijen van schaaldieren en schelpdieren moeten eventuele risico's voor uit instandhoudingoogpunt belangrijke soorten tot een minimum beperken. Duikvogels mogen geen schade ondervinden van afweernetten tegen roofdieren.
1.Met betrekking tot tweekleppige schaal- of scheldieren mag wild zaad van buiten de grenzen van de productie-eenheid worden gebruikt, mits deze praktijk geen significante schade toebrengt aan het milieu en is toegestaan krachtens de plaatselijke wetgeving en mits het zaad afkomstig is van:
-
banken die het winterweer waarschijnlijk niet zullen overleven of boventallig zijn ten opzichte van de behoeften, of
-
collectoren waarop het schelpdierzaad zich op natuurlijke wijze heeft vastgehecht.
Met het oog op de traceerbaarheid naar het verzamelgebied moet worden geregistreerd hoe, waar en wanneer wild zaad is verzameld.
Er mag evenwel zaad van broedkamers voor niet-biologische tweekleppige schaal- of schelpdieren in de biologische productie-eenheden worden binnengebracht, mits daarbij de volgende maximumpercentages in acht worden genomen: 80 % tegen 31 december 2011, 50 % tegen 31 december 2013 en 0 % tegen 31 december 2015.
2.Met betrekking tot de holle oester, Crassostrea gigas, dient de voorkeur uit te gaan naar jonge exemplaren die selectief zijn gekweekt om melken in het wild te beperken.
1.De bezettingsdichtheid bij de productie mag niet groter zijn dan de plaatselijke bezettingsdichtheid in de niet-biologische productie van schaal- en schelpdieren. Het sorteren, uitdunnen en anderszins aanpassen van de bezettingsdichtheid dienen plaats te vinden overeenkomstig de biomassa en met het oog op het dierenwelzijn en de hoge productkwaliteit.
2.Biologische aangroeiorganismen moeten fysiek of met de hand worden verwijderd en in voorkomend geval op enige afstand van de schelp- en schaaldierkwekerij weer in zee worden gezet. De schaal- en schelpdieren mogen tijdens de productiecyclus één keer tegen concurrerende aangroeiorganismen worden behandeld met een kalkoplossing.
1.De kweek op mosseltouwen en aan de hand van andere in bijlage XIII bis, deel 8, vermelde methoden kan als biologische productie worden aangemerkt.
2.De bodemkweek van weekdieren is slechts toegestaan op voorwaarde dat op de verzamel- en kweeklocaties geen significante schade aan het milieu wordt toegebracht. Het bewijs van de minimale milieu-impact moet vergezeld gaan van een door de marktdeelnemer aan het controleorgaan of de controleautoriteit over te leggen onderzoek en verslag over het geëxploiteerde gebied. Het verslag dient als afzonderlijk hoofdstuk bij het duurzaambeheerplan te worden gevoegd.
De kweek in op roosters aangebrachte zakken is toegestaan. Deze of andere structuren waarin de oesters worden geplaatst, moeten zo worden uitgezet dat de vorming van een volledige barrière langs de kustlijn wordt voorkomen. Met het oog op een optimale productie moeten de kweekoesters zorgvuldig en overeenkomstig de getijdenstroming op de bedden worden geplaatst. De productie moet voldoen aan de in bijlage XIII bis, deel 8, vermelde criteria.
1.Het overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2006/88/EG opgestelde plan inzake diergezondheidsbeheer moet gedetailleerde gegevens over op bioveiligheid en ziektepreventie gerichte methoden bevatten, inclusief een schriftelijk akkoord dat rekening zal worden gehouden met in verhouding tot de productie-eenheid staand advies van op het gebied van de gezondheid van aquacultuurdieren gekwalificeerde diensten die het bedrijf ten minste eens per jaar of, in het geval van tweekleppige schaal- en schelpdieren, ten minste eens om de twee jaar bezoeken.
2.Zowel de houderijsystemen als het materiaal en het gereedschap moeten goed worden gereinigd en ontsmet. Enkel de in bijlage VII, punten 2.1 en 2.2, vermelde producten mogen hiertoe worden gebruikt.
3.Met betrekking tot het stilleggen van de kwekerijen gelden de volgende bepalingen:
-
de bevoegde autoriteit moet vaststellen of stillegging noodzakelijk is, hoelang deze na elke productiecyclus in in open water op zee gelegen inperkingssystemen moet worden toegepast en hoe deze moet worden gedocumenteerd. Het stilleggen wordt tevens aanbevolen voor andere productiesystemen waarin gebruik wordt gemaakt van tanks, visvijvers of kooien;
-
deze praktijk is niet verplicht voor de kweek van tweekleppige weekdieren;
-
de kooien en andere voor de productie van aquacultuurdieren gebruikte structuren mogen pas weer in gebruik worden genomen nadat deze tijdens de stillegging zijn leeggemaakt, ontsmet en enige tijd leeg hebben gestaan.
4.Niet-opgegeten visvoeder, faeces en dode dieren worden in voorkomend geval zo snel mogelijk verwijderd om significante milieuschade aan de waterkwaliteit te voorkomen, het risico van ziektes tot een minimum te beperken en het aantrekken van insecten of knaagdieren te voorkomen.
5.Het gebruik van ultraviolet licht en ozon is slechts toegestaan in broed- en kweekkamers.
6.Voor het biologisch controleren van ectoparasieten wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van poetsvissen.
1.Wanneer ondanks de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder f) i), van Verordening (EG) nr. 834/2007 genomen preventieve maatregelen ter waarborging van de gezondheid van de dieren zich toch een gezondheidsprobleem voordoet, mogen in de onderstaande volgorde van voorkeur de volgende diergeneeskundige behandelingen worden gebruikt:
-
van planten, dieren of mineralen afkomstige stoffen in een homeopathische verdunning;
-
planten zonder verdovend effect, alsmede de extracten daarvan, en
-
stoffen zoals: spoorelementen, metalen, natuurlijke immunostimulanten en toegestane probiotica.
2.Er mogen niet meer dan twee allopathische behandelingskuren per jaar worden toegediend, behalve wanneer het vaccins en behandelingen in het kader van verplichte uitroeiingsregelingen betreft. Voor productiecycli van minder dan een jaar geldt evenwel een maximum van één allopathische behandeling. Indien de hier vermelde beperkingen voor allopathische behandelingen worden overschreden, mogen de betrokken aquacultuurdieren niet als biologische producten worden verkocht.
3.Het gebruik van parasietenbehandelingen, exclusief verplichte, door de lidstaten uitgevoerde bestrijdings- en uitroeiingsregelingen, moet beperkt worden tot twee per jaar, of één per jaar wanneer de productiecyclus korter is dan 18 maanden.
4.De wachttijd voor allopathische diergeneeskundige behandelingen en parasietenbehandelingen overeenkomstig lid 3, inclusief behandelingen in het kader van verplichte bestrijdings- en uitroeiingsregelingen, bedraagt het dubbel van de in artikel 11 van Richtlijn 2001/82/EG aangegeven wachttijd, of 48 uur wanneer deze periode niet is gespecificeerd.
5.Indien diergeneesmiddelen worden gebruikt, dient dit bij het controleorgaan of de controleautoriteit te worden aangemeld alvorens de dieren als biologisch op de markt worden gebracht. Behandelde bestanden moeten duidelijk identificeerbaar zijn.
-
-
In hoofdstuk 3 van titel II wordt het volgende artikel 29 bis ingevoegd na artikel 29:
1.Indien het eindproduct vers zeewier is, moet voor het spoelen van het pas geoogste zeewier zeewater worden gebruikt.
Indien het eindproduct gedroogd zeewier is, mag voor het spoelen drinkwater worden gebruikt. Voor het verwijderen van vocht mag zout worden gebruikt.
2.Voor het drogen van zeewier mag geen gebruik worden gemaakt van rechtstreekse vlammen die direct in contact komen met het zeewier. Eventueel bij het drogen gebruikte touwen of andere materialen mogen niet tegen aangroei zijn behandeld, noch reinigings- of ontsmettingsproducten bevatten, behalve wanneer daarvoor een in bijlage VII vermeld product is gebruikt.”
-
In hoofdstuk 4 van titel II wordt het volgende artikel 32 bis ingevoegd:
1.Levende vis moet worden vervoerd in geschikte tanks met schoon water dat op het gebied van temperatuur en gehalte aan opgeloste zuurstof voldoet aan de fysiologische behoeften van de vis.
2.De tanks voor het transport van biologische vis en biologische visproducten moeten vóór het vervoer goed worden gereinigd, ontsmet en gespoeld.
3.Met het oog op het verminderen van stress moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen. De bezettingsdichtheid tijdens het vervoer mag niet schadelijk zijn voor de vis.
4.Met betrekking tot het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 dienen bewijsstukken te worden bewaard.”
-
In artikel 35 worden de leden 2 en 3 vervangen door:
„2.In eenheden voor de biologische productie van plantaardige producten, zeewier, dieren en de dierlijke aquacultuurproductie mogen geen andere dan de in het kader van deze verordening toegestane productiemiddelen worden opgeslagen.
3.De opslag van allopathische geneesmiddelen en antibiotica voor diergeneeskundig gebruik op het bedrijf is toegestaan wanneer deze middelen door een dierenarts zijn voorgeschreven in het kader van een in artikel 14, lid 1, onder e) ii), of artikel 15, lid 1, onder f) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde behandeling, zijn opgeslagen op een plaats die onder toezicht staat en zijn vermeld in het in artikel 76 van de onderhavige verordening bedoelde veeboek of, in voorkomend geval, in het in artikel 79 ter van de onderhavige verordening bedoelde aquacultuurproductieregister.”
-
In hoofdstuk 5 van titel II wordt het volgende artikel 36 bis ingevoegd:
1.De omschakelingsperiode voor een zeewieroogstlocatie bedraagt zes maanden.
2.De omschakelingsperiode voor een zeewierkweekeenheid bedraagt zes maanden of een volledige productiecyclus, afhankelijk van welke periode de langste is.”
-
In hoofdstuk 5 van titel II wordt het volgende artikel 38 bis ingevoegd na artikel 38:
1.Voor de volgende soorten aquacultuurvoorzieningen, inclusief de daarin levende aquacultuurdieren, gelden met betrekking tot de aquacultuurproductie-eenheden de volgende omschakelingsperioden:
-
24 maanden voor voorzieningen die niet kunnen worden geleegd, gereinigd en ontsmet;
-
12 maanden voor voorzieningen die zijn geleegd en stilgelegd;
-
6 maanden voor voorzieningen die zijn geleegd, gereinigd en ontsmet;
-
3 maanden voor in open water gelegen voorzieningen, onder meer voor de kweek van tweekleppige weekdieren.
2.De bevoegde autoriteit mag met terugwerkende kracht een eerder gedocumenteerde periode waarin de voorzieningen niet zijn behandeld met of blootgesteld aan stoffen die niet voor de biologische productie zijn toegestaan, erkennen als deel van de omschakelingsperiode.”
-
-
De titel van artikel 43 wordt vervangen door:
Gebruik van niet-biologische diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong;
-
Artikel 59, lid 1, wordt vervangen door:
„Diervoeders voor gezelschapsdieren en voor pelsdieren vallen niet onder dit hoofdstuk.”
-
Artikel 60, lid 1, onder a), wordt vervangen door:
-
de verwerkte diervoeders voldoen aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 834/2007, en met name aan artikel 14, lid 1, onder d) iv) en v), met betrekking tot de veehouderij of aan artikel 15, lid 1, onder d), voor aquacultuurdieren en aan artikel 18;”
-
-
In titel IV wordt het volgende hoofdstuk 2 bis ingevoegd:
De in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de locatie die bij het begin van de toepassing van de specifieke controleregeling voor zeewier moet worden opgesteld, moet bevatten:
-
een volledige beschrijving van de op het land en op zee gelegen installaties;
-
in voorkomend geval, de in artikel 6 ter, lid 3, bedoelde milieubeoordeling;
-
in voorkomend geval, het in artikel 6 ter, lid 4, bedoelde duurzaambeheerplan;
-
met betrekking tot wild zeewier, een volledige beschrijving en een kaart van de verzamelgebieden aan de kust en op zee en van de gebieden op het land waar de op het verzamelen volgende activiteiten plaatsvinden.
1.De marktdeelnemer dient een register van de zeewierproductie bij te houden dat op het bedrijf permanent ter beschikking van de controleautoriteiten of controleorganen moet worden gehouden. Dit register bevat ten minste de volgende gegevens:
-
de lijst van geoogste soorten, de oogstdatum en de geoogste hoeveelheid;
-
de datum van toepassing, de aard en de hoeveelheid van de gebruikte meststoffen.
2.Met betrekking tot het verzamelen van zeewier bevat het register tevens:
-
de historiek van de oogstactiviteit per soort per bed;
-
de oogstraming per seizoen (volume);
-
de mogelijke bronnen van verontreiniging van de oogstbedden;
-
de duurzame jaarlijkse opbrengst per bed.”
-
-
In titel IV wordt het volgende hoofdstuk 3 bis ingevoegd:
De in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid die bij het begin van de toepassing van de specifieke controleregeling op de dierlijke aquacultuurproductie moet worden opgesteld, moet bevatten:
-
een volledige beschrijving van de op het land en op zee gelegen installaties;
-
in voorkomend geval, de in artikel 6 ter, lid 3, bedoelde milieubeoordeling;
-
in voorkomend geval, het in artikel 6 ter, lid 4, bedoelde duurzaambeheerplan;
-
met betrekking tot weekdieren, een samenvatting van het op grond van artikel 25 octodecies, lid 2, vereiste afzonderlijke hoofdstuk van het duurzaambeheerplan.
De marktdeelnemer dient een register bij te houden dat op het bedrijf permanent ter beschikking van de controleautoriteiten of controleorganen moet worden gehouden en de volgende gegevens moet bevatten:
-
met betrekking tot op het bedrijf aankomende dieren, de oorsprong, de datum van aankomst en de omschakelingsperiode;
-
met betrekking tot dieren die het bedrijf verlaten, het aantal partijen, de leeftijd, het gewicht en de bestemming;
-
bewijsstukken over ontsnappingen van vis;
-
met betrekking tot vis, het type en de hoeveelheid voeder en, in het geval van karper en verwante soorten, de bewijsstukken inzake het bijvoederen;
-
met betrekking tot diergeneeskundige behandelingen, doel, datum van toediening, toedieningswijze, type product en wachttijd;
-
met betrekking tot ziektepreventiemaatregelen, nauwkeurige gegevens over stillegging, reiniging en waterbehandeling.
Met betrekking tot de productie van tweekleppige weekdieren vinden vóór en tijdens de maximale biomassaproductie inspectiebezoeken plaats.
Wanneer een marktdeelnemer verscheidene productie-eenheden beheert als bedoeld in artikelen 25 quater, is het in hoofdstuk 1 en in het onderhavige hoofdstuk vastgestelde controlesysteem tevens van toepassing op de eenheden die niet-biologische aquacultuurdieren produceren.”
-
-
De titel van hoofdstuk 4 van titel IV wordt vervangen door:
„Controlevoorschriften voor eenheden voor de bereiding van plantaardige producten, zeewier, dieren en dierlijke aquacultuurproducten, alsmede van levensmiddelen die deze producten bevatten”
-
De titel van hoofdstuk 5 van titel IV wordt vervangen door:
„Controlevoorschriften voor de invoer van biologische producten uit derde landen”
-
Aan artikel 93, lid 2, worden de volgende punten toegevoegd:
-
het aantal eenheden voor de biologische dierlijke aquacultuurproductie;
-
het volume van de biologische dierlijke aquacultuurproductie;
-
facultatief, het aantal biologische zeewiereenheden en het volume van de biologische zeewierproductie.”
-
-
Artikel 95, lid 6, wordt vervangen door:
„6.Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, onder j), van Verordening (EG) nr. 834/2007 en in afwachting van de opname van specifieke stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder f), van die verordening, mogen slechts door de bevoegde autoriteiten toegestane producten worden gebruikt.”
-
Aan artikel 95 wordt het volgende lid toegevoegd:
„11.De bevoegde autoriteit mag eenheden die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn gevestigd en aquacultuurdieren en zeewier produceren krachtens nationaal aanvaarde biologische voorschriften, toestaan om tot uiterlijk 1 juli 2013 hun biologische status te behouden terwijl zij zich aan de voorschriften van deze verordening aanpassen, op voorwaarde dat het water niet onaanvaardbaar wordt verontreinigd door niet in de biologische productie toegestane stoffen. Marktdeelnemers die van deze maatregel gebruik maken, dienen de betrokken voorzieningen, visvijvers, kooien of zeewierpercelen bij de bevoegde autoriteit aan te melden.”
-
De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.