Home

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen Voor de EER relevante tekst

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen Voor de EER relevante tekst

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Ter bevordering van de interne markt is bij Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan(3) een uitgebreid Unie-typegoedkeuringsstelsel voor trekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken ingesteld.

  2. Voor de ontwikkeling en de werking van de interne markt van de Unie is het wenselijk de goedkeuringssystemen van de lidstaten te vervangen door een typegoedkeuringsprocedure van de Unie die gebaseerd is op het beginsel van volledige harmonisatie, terwijl tegelijkertijd de nodige rekening wordt gehouden met kosten-batenoverwegingen, met bijzondere aandacht voor het midden- en kleinbedrijf.

  3. Op verzoek van het Europees Parlement en met als doel de goedkeuring van typegoedkeuringswetgeving te vereenvoudigen en te versnellen is op het gebied van de EU-typegoedkeuringswetgeving voor voertuigen een nieuwe regelgevingsaanpak ingevoerd, volgens welke de wetgever van de gewone wetgevingsprocedure slechts de fundamentele regels en beginselen vaststelt en de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere technische bijzonderheden aan de Commissie overdraagt. Wat de materiële voorschriften betreft, moeten in deze verordening daarom alleen fundamentele bepalingen inzake functionele veiligheid, inzittendenveiligheid en milieuprestaties worden vastgesteld en moet de bevoegdheid om de technische specificaties in gedelegeerde handelingen vast te leggen aan de Commissie worden overgedragen.

  4. De voorschriften van deze verordening zijn in overeenstemming met de principes die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 5 juni 2002 met als titel „Actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving” ’.

  5. Het is van bijzonder belang dat toekomstige maatregelen die op grond van deze verordening worden voorgesteld of procedures die als toepassing ervan moeten worden gevolgd, stroken met deze principes, die in het verslag dat de Commissie in 2006 heeft gepubliceerd met als titel „CARS 21: Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw” („CARS 21”) nog zijn herhaald. Met het oog op een betere regelgeving en vereenvoudiging en teneinde voortdurende actualisering van de bestaande EU-wetgeving op het gebied van technische specificaties te voorkomen, moet in deze verordening worden verwezen naar bestaande, internationale normen en voorschriften die voor het publiek toegankelijk zijn zonder dat zij in het EU-regelgevingskader volledig worden weergegeven.

  6. Aangezien Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines(4), noch Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines(5), noch deze verordening ontwerp- en constructievoorschriften ter waarborging van de veiligheid op de weg van niet voor de weg bestemde mobiele machines met eigen aandrijving voor gebruik in met name de land- en bosbouw bevatten, moet de Commissie de noodzaak van harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten op dat gebied beoordelen en overwegen een wetgevingsmaatregel voor te stellen met het oog op het waarborgen van een hoog veiligheidsniveau, met inachtneming van de uniale wetgeving.

  7. Deze verordening moet maatregelen op nationaal en uniaal niveau inzake het gebruik van landbouw- en bosbouwvoertuigen op de weg, zoals specifieke vereisten voor rijbewijzen, beperkingen van de maximumsnelheid, of de regeling van de toegang tot bepaalde wegen, onverlet laten.

  8. Richtlijn 2003/37/EG beperkte in eerste instantie de verplichte toepassing van de EG-typegoedkeuringsprocedure voor gehele voertuigen tot de voertuigcategorieën T1, T2 en T3, en voorzag niet in alle nodige voorschriften om het mogelijk te maken op vrijwillige basis voor andere categorieën een aanvraag tot EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen in te dienen. Om de interne markt te voltooien en ervoor te zorgen dat deze naar behoren functioneert, moet deze verordening fabrikanten de mogelijkheid bieden op vrijwillige basis voor alle categorieën die onder deze verordening vallen EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen aan te vragen, zodat zij via de EU-typegoedkeuring van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren.

  9. Richtlijn 2003/37/EG betrof de EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen voor alle terreinwagens en „side-by-side”-voertuigen als tractoren Deze typen voertuigen moeten derhalve ook onder deze verordening vallen, op voorwaarde dat het betreffende type voertuig onder een in deze verordening bedoelde voertuigcategorie valt en aan alle vereisten van deze verordening voldoet.

  10. De verplichtingen van de nationale autoriteiten die in de bepalingen inzake markttoezicht van deze verordening zijn vastgelegd, zijn specifieker dan de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten(6).

  11. Om een hoog niveau van functionele veiligheid, inzittendenveiligheid en milieubescherming te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die in het kader van de typegoedkeuring van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden geharmoniseerd.

  12. Het is wenselijk het beginsel vast te stellen dat voertuigen zodanig moeten zijn ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen. Daartoe moeten de fabrikanten ervoor zorgen dat hun voertuigen voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening. Die bepalingen moeten onder meer voorschriften omvatten met betrekking tot de integriteit van de voertuigstructuur, systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, verlichtingssystemen, beschermingssystemen voor inzittenden, de buitenkant en de toebehoren aan het voertuig, massa’s en afmetingen van voertuigen en banden van voertuigen.

  13. Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de overeenstemming van de productie, die een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet een bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

  14. In een beperkt aantal gevallen moet er een nationale typegoedkeuringsprocedure voor in kleine series gebouwde voertuigen kunnen zijn. Die zou echter beperkt moeten zijn tot geringe aantallen voertuigen. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal te produceren voertuigen aan te geven.

  15. Het hoofddoel van de Uniewetgeving van de Unie inzake de goedkeuring van voertuigen is ervoor te zorgen dat nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die in de handel worden gebracht een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming bieden. Het bereiken van dat doel mag niet in het gedrang worden gebracht doordat bepaalde voertuigdelen of uitrustingsstukken worden gemonteerd nadat voertuigen op de markt of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat voertuigdelen of uitrustingsstukken die op voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de veiligheid of de milieubescherming essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij in de handel worden gebracht. Die maatregelen moeten technische bepalingen bevatten betreffende de voorschriften waaraan die voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

  16. Dergelijke maatregelen moeten slechts betrekking hebben op een beperkt aantal voertuigdelen en uitrustingsstukken, die door de Commissie na raadpleging van de belanghebbenden in een lijst in een uitvoeringshandeling moeten worden opgenomen. De maatregelen moeten ervoor zorgen dat de desbetreffende voertuigdelen of uitrustingsstukken de veiligheid of de milieuprestaties van het voertuig niet nadelig beïnvloeden en moeten tegelijkertijd waar mogelijk de concurrentie op de vervangingsmarkt in stand houden.

  17. De Unie is partij bij de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en voertuigdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene Overeenkomst van 1958”)(7). Om de typegoedkeuringswetgeving volgens de aanbevelingen van CARS 21 te vereenvoudigen, is het wenselijk alle afzonderlijke richtlijnen in te trekken zonder daarmee het beschermingsniveau te verminderen. De voorschriften die in die richtlijnen zijn neergelegd, moeten in deze verordening of in de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, worden overgenomen en moeten, daar waar van toepassing, vervangen worden door verwijzingen naar de desbetreffende reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) die de Unie bij stemming heeft goedgekeurd of waartoe de Unie is toegetreden en die als bijlage zijn gevoegd bij de Herziene Overeenkomst van 1958. Om de administratieve lasten als gevolg van de typegoedkeuringsprocedure te verlichten, moet het voor automobielfabrikanten mogelijk zijn typegoedkeuring aan te vragen overeenkomstig deze verordening, in voorkomend geval, rechtstreeks door het verkrijgen van een goedkeuring krachtens een van de desbetreffende VN/ECE-reglementen die zijn vermeld in bijlage I bij deze verordening en in de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

  18. VN/ECE-reglementen en wijzigingen daarop waaraan de Unie, in het kader van de toepassing van Besluit 97/836/EG, haar goedkeuring heeft gehecht, moeten derhalve in de EU-typegoedkeuringswetgeving worden opgenomen. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen de nodige aanpassingen aan bijlage I bij deze verordening of de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening, vast te stellen.

  19. Bij wijze van alternatief kan in de gedelegeerde handelingen naar door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde codes of naar rechtstreeks voor het publiek toegankelijke CEN/Cenelec- of ISO-normen die daarin worden vermeld, worden verwezen.

  20. Het is van belang dat de fabrikanten de eigenaars van voertuigen relevante informatie verstrekken om verkeerd gebruik van veiligheidsvoorzieningen te voorkomen.

  21. Om fabrikanten van onderdelen en technische eenheden in staat te stellen EU-typegoedkeuring vooronderdelen en technische eenheden of voor een vergunning voor voertuigdelen of uitrustingsstukken aan te vragen, is het ook van belang dat deze toegang hebben tot bepaalde informatie die alleen de voertuigfabrikant kan verstrekken, zoals technische informatie en tekeningen die nodig zijn om voertuigdelen voor de vervangingsmarkt te ontwikkelen.

  22. Niet-discriminatoire toegang tot reparatie-informatie — via een gestandaardiseerd formaat voor het vinden van technische informatie — en effectieve concurrentie op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten is nodig om de werking van de interne markt te verbeteren, met name wat het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten betreft. Een groot deel van deze informatie betreft boorddiagnosesystemen en de interactie daarvan met andere voertuigsystemen. Het is wenselijk vast te stellen aan welke technische specificaties de websites van fabrikanten moeten voldoen, naast gerichte maatregelen om een redelijke toegang voor het midden- en kleinbedrijf te waarborgen.

  23. Fabrikanten van voertuigen moeten ook kunnen voldoen aan hun verplichtingen om toegang te verlenen tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreffende de communicatieprotocollen tussen trekkers en getrokken of gemonteerde uitrustingsstukken, zoals bedoeld in ISO 11783, door op hun websites een link te voorzien naar een door meerdere fabrikanten of een groep fabrikanten gecreëerde website.

  24. Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(8).

  25. Ter aanvulling van deze verordening met verdere technische details moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen inzake functionele veiligheid, constructie-eisen, milieu- en aandrijfprestaties, toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en aanwijzing en bevoegdheden van technische diensten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie dient bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor te zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

  26. De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op deze verordening en de gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld en erop toezien dat deze worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

  27. Hoewel niets in deze verordening verhindert dat de lidstaten hun respectieve systemen voor individuele goedkeuringen blijven toepassen, moet de Commissie, op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de werking van deze nationale systemen, teneinde te overwegen of zij een wetgevingsvoorstel moet indienen betreffende de harmonisatie van het systeem voor individuele goedkeuringen op Unieniveau.

  28. Als gevolg van de toepassing van het nieuwe regelgevingskader dat door deze verordening wordt ingevoerd, moeten de volgende richtlijnen worden ingetrokken:

    • Richtlijn 2003/37/EG,

    • Richtlijn 74/347/EEG van de Raad van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(9),

    • Richtlijn 76/432/EEG van de Raad van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen(10),

    • Richtlijn 76/763/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(11),

    • Richtlijn 77/537/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(12),

    • Richtlijn 78/764/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(13),

    • Richtlijn 80/720/EEG van de Raad van 24 juni 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen(14),

    • Richtlijn 86/297/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake aftakassen en de beveiliging daarvan bij land- en bosbouwtrekkers op wielen(15),

    • Richtlijn 86/298/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers(16),

    • Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen(17),

    • Richtlijn 87/402/EEG van de Raad van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen(18),

    • Richtlijn 2000/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers(19),

    • Richtlijn 2009/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(20),

    • Richtlijn 2009/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichting van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen(21),

    • Richtlijn 2009/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(22),

    • Richtlijn 2009/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(23),

    • Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(24),

    • Richtlijn 2009/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(25),

    • Richtlijn 2009/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdrukking van radiostoringen, veroorzaakt door landbouw- of bosbouwtrekkers (elektromagnetische compatibiliteit)(26),

    • Richtlijn 2009/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(27),

    • Richtlijn 2009/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen(28),

    • Richtlijn 2009/75/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven)(29),

    • Richtlijn 2009/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(30),

    • Richtlijn 2009/144/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen(31).

  29. Het is van belang dat alle belanghebbenden een duidelijk begrip hebben van het verband tussen deze verordening en Richtlijn 2006/42/EG, om overlapping te voorkomen en duidelijk vast te stellen aan welke voorschriften een bepaald product moet voldoen.

  30. Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vastleggen van geharmoniseerde regels inzake administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van en inzake het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, gelet op de omvang en de gevolgen ervan, beter verwezenlijkt kan worden op het niveau van de Unie, kan de Unie in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Onderwerp

1.

In deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van alle in artikel 2, lid 1, bedoelde nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden vastgesteld.

Deze verordening is niet van toepassing op de goedkeuring van individuele voertuigen. lidstaten die dergelijke individuele goedkeuringen verlenen, aanvaarden echter alle typegoedkeuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die krachtens deze verordening zijn verleend in plaats van krachtens de desbetreffende nationale bepalingen.

2.

In deze verordening worden ook de voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die overeenkomstig deze verordening moeten worden goedgekeurd. In deze verordening worden tevens de voorschriften voor markttoezicht op voertuigdelen en uitrustingsstukken voor dergelijke voertuigen vastgesteld.

3.

Deze verordening laat de toepassing van wetgeving inzake verkeersveiligheid onverlet.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1.

Deze verordening is van toepassing opin een of meer fasen ontworpen en gebouwde landbouw- en bosbouwvoertuigen, zoals beschreven in artikel 4, en op systemen, onderdelen en technische eenheden, alsook voertuigdelen en uitrustingsstukken, die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Deze verordening is specifiek van toepassing op de volgende voertuigen:

  1. trekkers (categorieën T en C);

  2. aanhangwagens (categorie R), en

  3. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken (categorie S).

2.

Deze verordening is niet van toepassing op verwisselbare machines die in het wegverkeer volledig vrij van de grond zijn of niet rond een verticale as kunnen draaien.

3.

Voor de volgende voertuigen mag de fabrikant naar eigen keuze een aanvraag indienen voor goedkeuring krachtens deze verordening, dan wel om te voldoen aan de desbetreffende nationale voorschriften:

  1. aanhangwagens (categorie R) en verwisselbare getrokken werktuigen (categorie S);

  2. trekkers op rupsbanden (categorie C);

  3. trekkers voor speciale doeleinden op wielen (categorieën T4.1 en T4.2).

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze verordening en van de in de lijst van bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, gelden de onderstaande definities:

    1. „typegoedkeuring” :
    de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;
    2. „typegoedkeuring van een geheel voertuig” :
    een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een incompleet, compleet of voltooid voertuigtype aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;
    3. „typegoedkeuring van een systeem” :
    een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een in een specifiek voertuigtype ingebouwd systeem aan de van toepassing zijnde administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;
    4. „typegoedkeuring van een onderdeel” :
    een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een onderdeel onafhankelijk van een voertuig aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;
    5. „typegoedkeuring van een technische eenheid” :
    een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een technische eenheid in samenhang met een of meer specifieke voertuigtypen aan de van toepassing zijnde administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;
    6. „nationale typegoedkeuring” :
    een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;
    7. „EU-typegoedkeuring” :
    de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;
    8. „trekker” :
    een landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met een of meer zitplaatsen voor meerijders;
    9. „aanhangwagen” :
    een landbouw- of bosbouwvoertuig dat voornamelijk is bestemd door een trekker te worden getrokken en voornamelijk is bedoeld voor het vervoeren van ladingen of het bewerken van materialen en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;
    10. „verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk” :
    een in de landbouw of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om getrokken te worden door een trekker en die trekker een andere of extra functie geeft, van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of is ontworpen om materiaal te bewerken, en die een laadplatform kan omvatten dat is ontworpen en gebouwd om de voor deze doeleinden benodigde gereedschappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig kleiner is dan 3,0;
    11. „voertuig” :
    trekker, aanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, zoals gedefinieerd in de punten 8, 9 en 10;
    12. „basisvoertuig” :
    een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;
    13. „incompleet voertuig” :
    een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening te voldoen;
    14. „voltooid voertuig” :
    een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening voldoet;
    15. „compleet voertuig” :
    een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening te voldoen;
    16. „voertuig uit restantvoorraad” :
    een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden, kan worden geregistreerd of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;
    17. „systeem” :
    een geheel van voorzieningen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen;
    18. „onderdeel” :
    een voorziening die aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend, in overeenstemming met deze verordening en de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, indien deze handelingen daarin uitdrukkelijk voorzien;
    19. „technische eenheid” :
    een inrichting die aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien deze handelingen daarin uitdrukkelijk voorzien;
    20. „voertuigdelen” :
    goederen die worden gebruikt voor de montage van een voertuig alsmede reserveonderdelen;
    21. „uitrustingsstukken” :
    andere goederen dan voertuigdelen, die kunnen worden toegevoegd aan of geïnstalleerd in of op een voertuig;
    22. „originele voertuigdelen of uitrustingsstukken” :
    voertuigdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van voertuigdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig; dit is met inbegrip van voertuigdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken voertuigdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn; er is een weerlegbaar vermoeden, dat voertuigdelen of uitrustingsstukken originele voertuigdelen of uitrustingsstukken zijn indien de fabrikant certificeert dat zij van gelijke kwaliteit zijn als de voertuigdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;
    23. „reserveonderdelen” :
    goederen die ter vervanging van de originele voertuigdelen van het voertuig in of op het voertuig worden gemonteerd, met inbegrip van goederen zoals smeermiddelen, die voor het gebruik van het voertuig noodzakelijk zijn, met uitzondering van brandstof;
    24. „functionele veiligheid” :
    het ontbreken van een onaanvaardbaar risico van lichamelijk letsel of van schade aan de menselijke gezondheid of eigendom als gevolg van ondeugdelijk gedrag van mechanische, hydraulische, pneumatische, elektrische of elektronische systemen, onderdelen of technische eenheden veroorzaakte gevaren;
    25. „fabrikant” :
    de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring, de vergunningsprocedure en de overeenstemming van de productie en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, ongeacht of deze natuurlijke of rechtspersoon direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd;
    26. „vertegenwoordiger van de fabrikant” :
    een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om de fabrikant te vertegenwoordigen bij de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende aangelegenheden;
    27. „goedkeuringsinstantie” :
    de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door de lidstaat is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een type voertuig, systeem, component of technische eenheid, voor de vergunningsprocedure, voor de afgifte en eventuele intrekking of weigering van goedkeuringscertificaten, en die bevoegd is om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten, om de technische diensten aan te wijzen en om te waarborgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van de productie;
    28. „technische dienst” :
    een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten; de goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;
    29. „zelftesten” :
    het uitvoeren van tests in zijn eigen faciliteiten, de registratie van de testresultaten en de indiening van een verslag met conclusies bij de goedkeuringsinstantie door een fabrikant die als technische dienst is aangewezen om de naleving van bepaalde voorschriften te beoordelen;
    30. „virtuele testmethode” :
    computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen om aan te tonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van de op grond van artikel 27, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling zonder dat daarvoor gebruik hoeft te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;
    31. „typegoedkeuringscertificaat” :
    het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;
    32. „EU-typegoedkeuringscertificaat” :
    het op het model in de uitvoeringshandeling die krachtens deze verordening is vastgesteld, gebaseerde certificaat, dan wel het inlichtingenformulier in de relevante VN/ECE-reglementen als bedoeld in deze verordening of de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld;
    33. „certificaat van overeenstemming” :
    het document dat door de fabrikant wordt afgegeven en dat certificeert dat het geproduceerde voertuig conform was met het goedgekeurde voertuigtype;
    34. „boorddiagnosesysteem” of „OBD-systeem” :
    een systeem dat bij een storing door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden;
    35. „reparatie- en onderhoudsinformatie” :
    alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, inspectie, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van het voertuig en die de fabrikanten aan hun erkende handelaren en reparatiebedrijven verstrekken, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie; deze informatie omvat alle gegevens over het monteren van voertuigdelen en uitrustingsstukken op voertuigen;
    36. „onafhankelijke marktdeelnemer” :
    ondernemingen, met uitzondering van erkende handelaren en reparatiebedrijven, die direct of indirect bij de reparatie en het onderhoud van voertuigen betrokken zijn, met name reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, -gereedschap of reserveonderdelen, uitgevers van technische informatie, automobielclubs, wegenwachtdiensten, bedrijven die keurings- en controlediensten aanbieden en bedrijven die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van uitrustingsstukken voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden;
    37. „nieuw voertuig” :
    een voertuig dat nooit eerder is geregistreerd of in het verkeer is gebracht;
    38. „registratie” :
    de permanente, voorlopige dan wel tijdelijke administratieve goedkeuring voor het in het verkeer brengen van een voertuig, wat de identificatie ervan en de afgifte van een serienummer (het kenteken) impliceert;
    39. „in de handel brengen” :
    het voor het eerst aanbieden in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk;
    40. „in het verkeer brengen” :
    het eerste gebruik in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk overeenkomstig het gebruiksdoel;
    41. „importeur” :
    een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk uit een derde land in de handel brengt;
    42. „distributeur” :
    een andere natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur, die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk op de markt aanbiedt;
    43. „marktdeelnemer” :
    de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of de distributeur;
    44. „markttoezicht” :
    activiteiten en maatregelen van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren voor gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;
    45. „markttoezichtautoriteit” :
    de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;
    46. „nationale autoriteit” :
    een goedkeuringsautoriteit of enige andere autoriteit betrokken bij en verantwoordelijk voor markttoezicht, grenscontroles of registratie in een lidstaat met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken;
    47. „op de markt aanbieden” :
    een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid leveren voor distributie of gebruik op de markt in het kader van een commerciële activiteit, ongeacht of dit tegen betaling dan wel gratis gebeurt;
    48. „voertuigtype” :

    een groep voertuigen, met inbegrip van varianten en uitvoeringen, van een bepaalde categorie die op de volgende essentiële punten onderling niet verschillen:

    • categorie;

    • fabrikant;

    • typeaanduiding door de fabrikant;

    • essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp;

    • chassis met centrale buis/chassis met langsbalken/geleed chassis (duidelijke en fundamentele verschillen);

    • voor categorie T: assen (aantal) of, voor categorie C: assen/rupsbanden (aantal);

    • in het geval van in meerdere fasen gebouwde voertuigen, de fabrikant en het type van het voertuig van de voorafgaande fase;

    49. „variant” :

    tot een type behorende voertuigen die ten minste op de volgende punten niet van elkaar verschillen:

    1. voor trekkers:

      • structureel concept van het koetswerk of het type koetswerk;

      • stadium van voltooiing;

      • motor (interneverbranding/hybride/elektrisch/hybride-elektrisch);

      • werkingsprincipe;

      • aantal en opstelling van de cilinders;

      • vermogensverschil van niet meer dan 30 % (het hoogste vermogen is niet meer dan 1,3 maal het laagste vermogen);

      • verschil in cilinderinhoud van niet meer dan 20 % (de grootste cilinderinhoud is niet meer dan 1,2 maal de kleinste cilinderinhoud);

      • aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

      • gestuurde assen (aantal en plaats);

      • verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10 %;

      • transmissie (soort);

      • kantelbeveiliging;

      • geremde assen (aantal);

    2. voor trekkers of uitwisselbare getrokken uitrustingsstukken:

      • gestuurde assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

      • verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10 %;

      • geremde assen (aantal);

    50. „hybride voertuig” :
    een gemotoriseerd voertuig met ten minste twee verschillende energieomzetters en twee verschillende, in het voertuig aanwezige energieopslagsystemen voor de aandrijving van het voertuig;
    51. „hybride elektrisch voertuig” :

    een voertuig dat voor mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie/vermogen:

    1. een verbruiksbrandstof;

    2. een accu, condensator, vliegwiel/generator of een ander opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen.

    Deze definitie omvat ook voertuigen die alleen energie van een verbruiksbrandstof krijgen voor het opladen van het systeem voor de opslag van elektrische energie/vermogen;

    52. „zuiver elektrisch voertuig” :
    een voertuig dat zijn vermogen verkrijgt van een systeem bestaande uit één of meer systemen voor de opslag van elektrische energie, één of meer stroomconditioneringsvoorzieningen en één of meer elektrische machines waarmee opgeslagen elektrische energie wordt omgezet in mechanische energie die deze aan de wielen leveren voor de aandrijving van het voertuig;
    53. „uitvoering van een variant” :
    een voertuig dat bestaat uit een combinatie van punten in het informatiepakket bedoeld in artikel 24, lid 10.

Verwijzingen in de verordening naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening gelden als verwijzingen naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening en in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4 Voertuigcategorieën

HOOFDSTUK II ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 5 Verplichtingen van de lidstaten

Artikel 6 Verplichtingen van goedkeuringsinstanties

Artikel 7 Markttoezichtmaatregelen

Artikel 8 Verplichtingen van fabrikanten

Artikel 9 Verplichtingen van fabrikanten betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

Artikel 10 Verplichtingen van de vertegenwoordigers van de fabrikant met betrekking tot markttoezicht

Artikel 11 Verplichtingen van importeurs

Artikel 12 Verplichtingen van importeurs betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

Artikel 13 Verplichtingen van distributeurs

Artikel 14 Verplichtingen van distributeurs betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

Artikel 15 Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Artikel 16 Identificatie van marktdeelnemers

HOOFDSTUK III MATERIËLE VOORSCHRIFTEN

Artikel 17 Voorschriften inzake de functionele voertuigveiligheid

Artikel 18 Voorschriften inzake de inzittendenveiligheid

Artikel 19 Voorschriften voor milieuprestaties

HOOFDSTUK IV EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 20 Procedures voor de EU-typegoedkeuring

Artikel 21 Typegoedkeuringsaanvraag

Artikel 22 Informatiedossier

Artikel 23 Specifieke voorschriften voor de gegevens die bij de verschillende typegoedkeuringsprocedures moeten worden verstrekt

HOOFDSTUK V VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 24 Algemene bepalingen

Artikel 25 Specifieke bepalingen voor het EU-typegoedkeuringscertificaat

Artikel 26 Specifieke bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

Artikel 27 Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests

Artikel 28 Regelingen inzake de overeenstemming van de productie

HOOFDSTUK VI WIJZIGINGEN VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 29 Algemene bepalingen

Artikel 30 Herzieningen en uitbreidingen van EU-typegoedkeuringen

Artikel 31 Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

HOOFDSTUK VII GELDIGHEID VAN EU-TYPEGOEDKEURING

Artikel 32 Einde van de geldigheid

HOOFDSTUK VIII CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING EN MARKERINGEN

Artikel 33 Certificaat van overeenstemming

Artikel 34 Voorgeschreven plaat met de juiste opschriften van voertuigen en typegoedkeuringsmerken van onderdelen of technische eenheden

HOOFDSTUK IX ONTHEFFINGEN VOOR NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF NIEUWE CONCEPTEN

Artikel 35 Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Artikel 36 Latere aanpassing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

HOOFDSTUK X IN KLEINE SERIES GEPRODUCEERDE VOERTUIGEN

Artikel 37 Nationale typegoedkeuring van kleine series

HOOFDSTUK XI OP DE MARKT AANBIEDEN, REGISTRATIE OF IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 38 Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen

Artikel 39 Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraad

Artikel 40 Op de markt aanbieden of in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

HOOFDSTUK XII VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 41 Procedures op nationaal niveau voor de omgang met voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

Artikel 42 Vrijwaringsmaatregel van de Unie

Artikel 43 Conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

Artikel 44 Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet conform zijn met het goedgekeurde type

Artikel 45 Het in de handel en in het verkeer brengen van voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

Artikel 46 Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen — bijkomende voorschriften

Artikel 47 Terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden

Artikel 48 Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

HOOFDSTUK XIII INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 49 VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EU-typegoedkeuring

Artikel 50 Erkenning van de testrapporten van de OESO voor EU-typegoedkeuringen

HOOFDSTUK XIV HET VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 51 Informatie voor gebruikers

Artikel 52 Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

HOOFDSTUK XV TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

Artikel 53 Verplichtingen van de fabrikanten

Artikel 54 Verplichtingen met betrekking tot verschillende houders van typegoedkeuring

Artikel 55 Vergoedingen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig

Artikel 56 Forum betreffende toegang tot voertuiginformatie

HOOFDSTUK XVI AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 57 Voorschriften met betrekking tot technische diensten

Artikel 58 Dochterondernemingen van en uitbesteding door technische diensten

Artikel 59 Aanwijzing van technische diensten

Artikel 60 Geaccrediteerde interne technische diensten van de fabrikant

Artikel 61 Procedures voor prestatienormen en de evaluatie van technische diensten

Artikel 62 Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten

Artikel 63 Aanmeldingsprocedures

Artikel 64 Wijzigingen van de aanwijzing

Artikel 65 Betwisting van de bekwaamheid van technische diensten

Artikel 66 Operationele verplichtingen van technische diensten

Artikel 67 Informatieverplichtingen van technische diensten

HOOFDSTUK XVII UITVOERINGSHANDELINGEN EN GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 68 Uitvoeringshandelingen

Artikel 69 Comitéprocedure

Artikel 70 Wijziging van de bijlagen

Artikel 71 Uitoefening van de delegatie

HOOFDSTUK XVIII SLOTBEPALINGEN

Artikel 72 Sancties

Artikel 73 Overgangsbepalingen

Artikel 74 Verslag

Artikel 75 Herziening

Artikel 76 Intrekking

Artikel 77 Wijziging van Richtlijn 2006/42/EG

Artikel 78 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III