Home

Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG Voor de EER relevante tekst

Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG Voor de EER relevante tekst

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Bij Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto(4) is een kader vastgesteld voor de bewaking van de antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, voor de evaluatie van de vorderingen bij het nakomen van de verplichtingen ten aanzien van deze emissies en voor de uitvoering van bewakings- en rapportageverplichtingen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change — UNFCCC)(5) en het Protocol van Kyoto(6) in de Unie. Teneinde rekening te houden met recente en toekomstige ontwikkelingen op internationaal niveau met betrekking tot het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, en teneinde aan de nieuwe in het Unierecht bepaalde bewakings- en rapportagevoorschriften te voldoen, dient Beschikking nr. 280/2004/EG te worden vervangen.

  2. Beschikking nr. 280/2004/EG dient te worden vervangen door een verordening vanwege de ruimere werkingssfeer van het Unierecht, de opneming van extra categorieën van personen op wie de verplichtingen van toepassing zijn, de complexere en uiterst technische aard van de geïntroduceerde bepalingen, de toegenomen behoefte aan uniforme regelgeving die in heel de Unie van toepassing is en met het oog op vereenvoudiging van de uitvoering.

  3. De uiteindelijke doelstelling van het UNFCCC is het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Om deze doelstelling te halen, mag de algehele stijging van het mondiale jaargemiddelde van de oppervlaktetemperatuur niet meer dan 2 °C boven het pre-industriële niveau uitstijgen.

  4. De uitstoot van broeikasgassen in de Unie en haar lidstaten moet nauwgezet worden bewaakt en gerapporteerd en moet regelmatig worden beoordeeld; hetzelfde geldt voor de inspanningen van de Unie en haar lidstaten om de klimaatverandering aan te pakken.

  5. Besluit 1/CP.15 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (Besluit 1/CP.15) en Besluit 1/CP.16 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (Besluit 1/CP.16) hebben aanzienlijk bijgedragen tot de vooruitgang wat betreft de evenwichtige aanpak van de uitdagingen waarmee de klimaatverandering gepaard gaat. Bij die besluiten zijn nieuwe bewakings- en rapportagevoorschriften geïntroduceerd die van toepassing zijn op de uitvoering van de ambitieuze emissiereducties waartoe de Unie en haar lidstaten zich hebben verbonden, en is ondersteuning geboden aan ontwikkelingslanden. In die besluiten werd ook erkend dat het van belang is aan adaptatie dezelfde prioriteit toe te kennen als aan mitigatie. Besluit 1/CP.16 vereist ook dat ontwikkelde landen strategieën voor koolstofarme ontwikkeling of plannen daartoe opstellen. Van die strategieën of plannen wordt verwacht dat zij bijdragen aan de verwezenlijking van een koolstofarme samenleving en zorgen voor aanhoudende hoge groeicijfers en duurzame ontwikkeling, en dat zij, met de nodige aandacht voor de tussenstadia, op kosteneffectieve wijze de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling voor de lange termijn bewerkstelligen. Deze verordening dient de uitvoering van deze bewakings- en rapportagevoorschriften te faciliteren.

  6. Het geheel van uniale rechshandelingen die zijn vastgesteld in 2009, hierna samen het „klimaat- en energiepakket” genoemd, in het bijzonder Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen teneinde de verplichtingen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 na te komen(7) en Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden(8), is nog een vaste toezegging door de Unie en haar lidstaten om hun uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk te verminderen. Het systeem van de Unie voor de bewaking en rapportage van emissies dient ook te worden bijgewerkt in het licht van nieuwe voorschriften in het kader van die twee rechtshandelingen.

  7. De Unie en haar lidstaten zijn uit hoofde van het UNFCCC verplicht tot het opstellen, regelmatig bijwerken, openbaar maken en aan de Conferentie van de Partijen rapporteren van nationale inventarissen van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen die niet gereguleerd worden door het Protocol van Montreal van 1987 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag(9) (het Protocol van Montreal), met gebruikmaking van vergelijkbare, door de Conferentie van de Partijen overeengekomen methoden.

  8. Krachtens artikel 5, lid 1, van het Protocol van Kyoto moeten de Unie en haar lidstaten een nationaal systeem instellen en handhaven om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen die niet worden gereguleerd door het Protocol van Montreal, met de bedoeling de uitvoering van andere bepalingen van het Protocol van Kyoto te waarborgen. Daarbij dienen de Unie en haar lidstaten de richtsnoeren voor nationale systemen toe te passen die zijn opgenomen in de bijlage bij Besluit 19/CMP.1 van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Kyoto-protocol bijeenkomen (Besluit 19/CMP.1). Daarbij komt nog dat Besluit 1/CP.16 bepaalt dat nationale regelingen moeten worden getroffen voor de raming van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen die niet worden beheerst krachtens het Protocol van Montreal. Deze verordening moet de uitvoering van die beide verplichtingen mogelijk maken.

  9. Cyprus en Malta zijn opgenomen in bijlage I van het UNFCCC, respectievelijk krachtens Besluit 10/CP.17 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC, in werking vanaf 9 januari 2013, en Besluit 3/CP.15 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC,in werking vanaf 26 oktober 2010.

  10. Uit de toepassing van Beschikking nr. 280/2004/EG is gebleken dat de synergieën en de samenhang met rapportage op grond van andere rechtsinstrumenten moeten worden uitgebreid, in het bijzonder met Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(10), met Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen(11), met Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen(12), met Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen(13), en met Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken(14). Voor het stroomlijnen van de rapportagevoorschriften zullen de individuele rechtsinstrumenten moeten worden gewijzigd, en om te zorgen voor de kwaliteit van de emissierapportage is het essentieel dat voor de rapportage van broeikasgasemissies consistente gegevens worden gebruikt.

  11. Het vierde beoordelingsrapport van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) vermeldt voor stikstoftrifluoride (NF3) een aardopwarmingsvermogen (global warming potential — GWP) dat ongeveer 17 000 keer hoger ligt dan dat van koolstofdioxide (CO2). NF3 wordt in toenemende mate gebruikt in de elektronica-industrie ter vervanging van perfluorkoolstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride (SF6). Overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet het milieubeleid van de Unie berusten op het voorzorgsbeginsel. Dat beginsel bepaalt dat NF3 moet worden bewaakt teneinde het emissieniveau in de Unie te evalueren en, indien vereist, mitigatiemaatregelen te definiëren.

  12. De gegevens die momenteel worden gerapporteerd in de nationale broeikasgasinventarissen en de nationale en Europese registers zijn niet toereikend om, op het niveau van de lidstaten, de uitstoot van CO2 door de burgerluchtvaart op nationaal niveau die niet onder Richtlijn 2003/87/EG valt, te bepalen. Bij het vaststellen van rapportageverplichtingen zou de Unie de lidstaten en het midden- en kleinbedrijf (mkb) geen lasten mogen opleggen die niet in verhouding staan tot de nagestreefde doelstellingen. CO2-emissies van vluchten die niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen, maken slechts een zeer klein deel uit van de totale broeikasgasemissies, en een rapportagesysteem voor die emissies vaststellen zou overmatig belastend zijn in het licht van de bestaande voorschriften voor de sector in zijn geheel overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG. Derhalve moeten CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” behoren als gelijk aan nul worden beschouwd voor de toepassing van artikel 3 en artikel 7, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG.

  13. Met het oog op de doeltreffendheid van de bewakings- en rapportageregelingen voor de uitstoot van broeikasgassen moet worden vermeden dat de lidstaten nog meer financiële en administratieve lasten moeten dragen dan nu al het geval is.

  14. Hoewel emissies en verwijderingen van broeikasgassen als gevolg van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) meetellen in de emissiereductiedoelstellingen van de Unie in het kader van het Protocol van Kyoto, maken deze geen deel uit van de 20 %-doelstelling voor 2020 in het kader van het klimaat- en energiepakket. In artikel 9 van Beschikking nr. 406/2009/EG is bepaald dat de Commissie moet nagaan op welke wijze emissies en verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot LULUCF kunnen worden opgenomen in de verplichtingen van de Unie inzake broeikasgasemissiereductie, waarbij wordt gezorgd voor het permanente karakter en de milieu-integriteit van de bijdrage van de LULUCF-sector, alsmede voor een nauwkeurige bewaking en boekhouding van de relevante emissies en verwijderingen. In dat artikel is tevens bepaald dat de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel moet indienen met het oog op inwerkingtreding ervan vanaf 2013. De Commissie heeft op 12 maart 2012 bij het Europees Parlement en bij de Raad een voorstel ingediend als eerste stap naar de opneming van de LULUCF-sector in de emissiereductieverplichtingen van de Unie, hetgeen geleid heeft tot de vaststelling van Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten(15).

  15. De Unie en haar lidstaten dienen ernaar te streven de actueelste gegevens over hun broeikasgasemissies te verstrekken, met name in het kader van de Europa 2020-strategie en de bijbehorende termijnen. Deze verordening moet het mogelijk maken dat die ramingen zo snel mogelijk kunnen worden gedaan, op basis van statistische en andere gegevens, zoals, waar passend, op de ruimtevaart gebaseerde gegevens van het programma voor wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (Global Monitoring for Environment and Security) en die van andere satellietsystemen.

  16. Aangezien de Commissie heeft aangekondigd dat zij met voorstellen zal komen voor nieuwe monitoring- en rapportagevoorschriften betreffende emissies van het zeevervoer, die waar passend ook deze verordening zouden wijzigen, mag deze verordening niet op die voorstellen vooruitlopen en mogen er in dit stadium geen bepalingen betreffende monitoring- en rapportage voor emissies van het zeeververvoer in deze verordening worden opgenomen.

  17. De uitvoering van Beschikking nr. 280/2004/EG heeft uitgewezen dat de transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, volledigheid en vergelijkbaarheid van de gerapporteerde informatie over beleidsinitiatieven en maatregelen en over prognoses verbetering behoeven. Krachtens Beschikking nr. 406/2009/EG moeten de lidstaten verslag uitbrengen over hun verwachte vooruitgang met het nakomen van hun verplichtingen in het kader van die beschikking, met inbegrip van informatie over nationale beleidsinitiatieven en maatregelen en over nationale prognoses. De Europa 2020-strategie omvat een geïntegreerde economische beleidsagenda die de Unie en haar lidstaten ertoe verplicht zich nog meer in te spannen om tijdig te rapporteren over beleidsinitiatieven en maatregelen inzake klimaatverandering en de verwachte effecten daarvan op emissies. Systemen op het niveau van de Unie en haar lidstaten opzetten en de rapportage beter begeleiden, zou aanzienlijk moeten bijdragen tot het halen van die doelstellingen. Om ervoor te zorgen dat de Unie haar internationale en interne rapportageverplichtingen inzake broeikasgasemissieprognoses nakomt en om de vooruitgang van de Unie met het nakomen van internationale en interne toezeggingen en verplichtingen te evalueren, moet de Commissie tevens ramingen van broeikasgasemissies kunnen opstellen en gebruiken.

  18. Teneinde de vorderingen en maatregelen van de lidstaten inzake adaptatie aan de klimaatverandering te bewaken, dienen zij betere informatie te verstrekken. Deze informatie is nodig om, ingevolge het witboek van de Commissie van 1 april 2009„Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader”, een alomvattende adaptatiestrategie van de Unie uit te werken. Via het rapporteren van informatie over adaptatie zullen de lidstaten beste praktijken kunnen uitwisselen, en kunnen evalueren wat hun behoeften zijn en in hoeverre zij gereed zijn om de klimaatverandering aan te pakken.

  19. In het kader van Besluit 1/CP.15 hebben de Unie en haar lidstaten zich verbonden tot een aanzienlijke financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen in ontwikkelingslanden. Overeenkomstig paragraaf 40 van Besluit 1/CP.16 moet elk ontwikkeld land dat partij is bij het UNFCCC de rapportage over financiële ondersteuning, technologische ondersteuning en ondersteuning van de capaciteitsopbouw aan ontwikkelingslanden die partij zijn, verbeteren. Betere rapportage is van essentieel belang voor de erkenning van de inspanningen die de Unie en haar lidstaten hebben geleverd om hun verplichtingen na te komen. Bij Besluit 1/CP.16 is ook een nieuw „technologiemechanisme” vastgesteld om de internationale overdracht van technologie te verbeteren. Deze verordening dient de rapportage te waarborgen van actuele informatie over activiteiten inzake de overdracht van technologie aan ontwikkelingslanden, op basis van de beste beschikbare gegevens.

  20. Bij Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad(16) werd Richtlijn 2003/87/EG gewijzigd teneinde luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie. Richtlijn 2003/87/EG bevat bepalingen inzake het gebruik van de opbrengst uit de veiling van emissierechten, de rapportage over het gebruik van de opbrengst uit de veiling van emissierechten door de lidstaten, en de maatregelen die zijn genomen uit hoofde van artikel 3 quinquies van die richtlijn. Richtlijn 2003/87/EG, als gewijzigd bij Richtlijn 2009/29/EG, bevat nu ook bepalingen inzake het gebruik van de opbrengst uit de veiling van emissierechten, en bepaalt dat ten minste 50 % van die opbrengst moet worden gebruikt voor een of meer van de in artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG genoemde doelstellingen. Transparantie over het gebruik van de opbrengst uit de veiling van emissierechten krachtens Richtlijn 2003/87/EG is essentieel ter ondersteuning van de verplichtingen van de Unie.

  21. De Unie en haar lidstaten zijn uit hoofde van het UNFCCC verplicht tot het opstellen, regelmatig bijwerken, openbaar maken en indienen bij de Conferentie van de Partijen van nationale mededelingen en tweejaarlijkse rapporten volgens de door de Conferentie van de Partijen overeengekomen richtsnoeren, methoden en indelingen. In Besluit 1/CP.16 wordt gevraagd om een betere rapportage over de mitigatiedoelen en de verstrekking van financiële ondersteuning, technologische ondersteuning en ondersteuning van de capaciteitsopbouw aan ontwikkelingslanden die partij zijn.

  22. Bij Beschikking nr. 406/2009/EG is de huidige jaarlijkse rapportageronde gewijzigd in een jaarlijkse rapportageronde met een uitgebreide controle van de broeikasgasinventarissen van de lidstaten binnen een korter tijdsbestek dan de huidige controle van de inventarislijsten door het UNFCCC om zodoende, indien nodig, het gebruik van flexibele instrumenten en de toepassing van corrigerende maatregelen aan het einde van elk jaar mogelijk te maken. Het vaststellen op het niveau van de Unie van een controleprocedure van de door de lidstaten ingediende broeikasgasinventarissen is vereist opdat de naleving van Beschikking nr. 406/2009/EG op een geloofwaardige, consistente, transparante en tijdige manier wordt beoordeeld.

  23. Een aantal technische elementen met betrekking tot de rapportage over de uitstoot van broeikasgassen per bron en verwijderingen per put, zoals de GWP's, de omvang van de gerapporteerde broeikasgassen en methodologische richtsnoeren van het IPCC om de nationale broeikasgasinventarissen op te stellen, wordt momenteel in het kader van het UNFCCC-proces besproken. Herzieningen van die methodologische elementen in de context van het UNFCCC-proces en de daaropvolgende herberekeningen van de tijdreeksen van de broeikasgasemissies kunnen een invloed hebben op het niveau en de tendensen in de broeikasgasemissies. De Commissie dient die ontwikkelingen op internationaal niveau te volgen en, indien nodig, een voorstel tot herziening van deze verordening in te dienen, teneinde consistentie met de in de context van het UNFCCC-proces gebruikte methoden te waarborgen.

  24. Volgens de bestaande UNFCCC-richtsnoeren inzake broeikasgasrapportage, wordt er bij de berekening en de rapportage van methaanemissies uitgegaan van GWP's over een periode van 100 jaar. Gezien de hoge GWP-waarde en de relatief korte atmosferische levensduur van methaan, moet de Commissie nagaan welke impact op het beleid de vaststelling van een periode van 20 jaar voor methaan zou hebben.

  25. Gelet op de resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2011 over een alomvattende aanpak van niet-CO2-gerelateerde maar voor het klimaat relevante antropogene emissies moet de Commissie, zodra er in het kader van het UNFCCC een akkoord is om overeengekomen en bekengemaakte IPCC-richtsnoeren betreffende monitoring en rapportage inzake emissies van zwarte koolstof te gebruiken, de gevolgen voor beleid en maatregelen analyseren en indien nodig bijlage I bij deze verordening wijzigen.

  26. De broeikasgasemissies in de loop van de gerapporteerde tijdreeksen dienen volgens dezelfde methoden te worden geraamd. De onderliggende activiteitsgegevens en emissiefactoren moeten op consistente wijze worden verzameld en gebruikt, zodat geen wijzigingen in emissietendensen worden geïntroduceerd als gevolg van wijzigingen in ramingsmethoden of veronderstellingen. Herberekeningen van de uitstoot van broeikasgassen moeten volgens de overeengekomen richtsnoeren worden uitgevoerd en zijn bedoeld om de consistentie, nauwkeurigheid en volledigheid van de gerapporteerde tijdreeksen alsmede de uitvoering van gedetailleerdere methoden te verbeteren. Wordt de methode waarmee of de wijze waarop onderliggende activiteitsgegevens en emissiefactoren worden verzameld, gewijzigd, dan moeten de lidstaten de inventarislijsten voor de gerapporteerde tijdreeksen herberekenen en de noodzaak van herberekeningen toetsen aan de in de overeengekomen richtsnoeren vastgestelde redenen, in het bijzonder voor de belangrijkste categorieën. In deze verordening moet worden bepaald of en onder welke voorwaarden de gevolgen van die herberekeningen moeten worden meegewogen bij het bepalen van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimte.

  27. De luchtvaart heeft effecten op het mondiale klimaat door de uitstoot van CO2, maar ook van andere emissies, waaronder de uitstoot van stikstofoxiden, en mechanismen zoals de bevordering van cirruswolken. In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, dient in de context van deze verordening regelmatig een bijgewerkte beoordeling van de niet-CO2-effecten van de luchtvaart op het mondiale klimaat te worden uitgevoerd. De in dit verband gebruikte modellen moeten aan de wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast. Op basis van haar evaluatie van deze effecten zou de Commissie ter zake dienende beleidsopties voor het aanpakken van die gevolgen in overweging kunnen nemen.

  28. Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet de Commissie, in voorkomend geval, ondersteunen met bewakings- en rapportageactiviteiten, vooral in de context van het inventarisatiesysteem en het systeem voor beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses van de Unie; bij het uitvoeren van een jaarlijkse beoordeling door deskundigen van de inventarislijsten van de lidstaten; bij het evalueren van de vooruitgang in de richting van de emissiereductieverplichtingen van de Unie; bij het in stand houden van het Europees klimaataanpassingsplatform met betrekking tot effecten, kwetsbare punten en adaptatie aan klimaatverandering; en bij het communiceren van deugdelijke klimaatinformatie aan het publiek.

  29. De voorschriften betreffende het verstrekken van informatie en gegevens op grond van deze verordening, moeten in overeenstemming zijn met de Unievoorschriften inzake gegevensbescherming en het handelsgeheim.

  30. De informatie en gegevens die in het kader van deze verordening worden verzameld, kunnen ook bijdragen tot de opstelling en beoordeling van toekomstige Uniebeleidslijnen inzake klimaatverandering.

  31. De Commissie dient de uitvoering van bewakings- en rapportageverplichtingen in het kader van deze verordening en de toekomstige ontwikkelingen in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto te volgen om de samenhang te waarborgen. In dit verband moet de Commissie, zo nodig, een wetgevingsvoorstel bij het Europees Parlement en de Raad indienen.

  32. Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van artikel 5, lid 4, artikel 7, leden 7 en 8, artikel 8, lid 2, artikel 12, lid 3, artikel 17, lid 4, en artikel 19, leden 5 en 6, te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Met uitzondering van artikel 19, lid 6, moeten die bevoegdheden worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(17).

  33. Teneinde geharmoniseerde rapportageverplichtingen voor de bewaking van broeikasgasemissies en andere informatie die relevant is voor het beleid inzake klimaatverandering vast te stellen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het VWEU handelingen vast te stellen teneinde bijlage I en bijlage III bij deze verordening te wijzigen overeenkomstig de in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto genomen besluiten; teneinde rekening te houden met wijzigingen in de GWP's en internationaal overeengekomen inventarisrichtsnoeren; teneinde inhoudelijke voorschriften vast te stellen voor het inventarissysteem van de Unie; en teneinde het register van de Unie op te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. Bij het voorbereiden en het opstellen van gedelegeerde handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement en bij de Raad worden ingediend.

  34. Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het opzetten van een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van de voorgestelde maatregel, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1 ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening wordt een mechanisme ingesteld voor:

  1. het waarborgen van de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, samenhang, vergelijkbaarheid en volledigheid van de rapportage door de Unie en haar lidstaten aan het secretariaat van het UNFCCC;

  2. het rapporteren en het controleren van informatie met betrekking tot de verplichtingen van de Unie en haar lidstaten overeenkomstig het UNFCCC, het Protocol van Kyoto en de op grond daarvan aangenomen besluiten, en het evalueren van de vooruitgang met het nakomen van die verplichtingen;

  3. het bewaken en het rapporteren van alle in de lidstaten plaatsvindende antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die niet gereguleerd zijn door het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken;

  4. het bewaken, het rapporteren, het beoordelen en het controleren van broeikasgasemissies en andere informatie overeenkomstig artikel 6 van Beschikking nr. 406/2009/EG;

  5. het rapporteren van het gebruik van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten uit hoofde van artikel 3 quinquies, lid 1 of 2, of artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, overeenkomstig artikel 3 quinquies, lid 4, en artikel 10, lid 3, van die richtlijn;

  6. het bewaken en het rapporteren van de door lidstaten genomen maatregelen voor een kosteneffectieve adaptatie aan de onvermijdelijke gevolgen van de klimaatverandering;

  7. het evalueren van de vooruitgang van de lidstaten met het nakomen van hun verplichtingen krachtens Beschikking nr. 406/2009/EG.

Artikel 2 Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

  1. de rapportage over de strategieën voor koolstofarme ontwikkeling van de Unie en haar lidstaten en de actualiseringen daarvan overeenkomstig Besluit 1/CP.16;

  2. de emissies van broeikasgassen als vermeld in bijlage I bij deze verordening afkomstig van sectoren en bronnen en de verwijdering per put die in de nationale broeikasgasinventarissen overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van het UNFCCC zijn opgenomen en binnen het grondgebied van de lidstaten worden uitgestoten;

  3. de broeikasgasemissies die binnen het toepassingsgebied van artikel 2, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG vallen;

  4. de niet-CO2-gerelateerde klimaateffecten met betrekking tot burgerluchtvaartemissies;

  5. de prognoses van de Unie en haar lidstaten betreffende antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die niet door het Protocol van Montreal gereguleerd zijn, en de desbetreffende beleidsinitiatieven en maatregelen van de lidstaten;

  6. de gezamenlijke financiële en technologische steun aan ontwikkelingslanden overeenkomstig de voorschriften uit hoofde van het UNFCCC;

  7. het gebruik van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten op grond van artikel 3 quinquies, leden 1 en 2, en artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG;

  8. de maatregelen van de lidstaten voor adaptatie aan de klimaatverandering.

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

    1. „aardopwarmingsvermogen” of „GWP” van een gas:
    de totale bijdrage aan de opwarming van de aarde als gevolg van de uitstoot van één eenheid van dat gas in verhouding tot één eenheid van het referentiegas, namelijk CO2, dat een waarde van 1 heeft;
    2. „nationaal inventarisatiesysteem” :
    een systeem van institutionele, juridische en procedurele regelingen die in een lidstaat zijn vastgesteld voor het ramen van de antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die niet door het Protocol van Montreal gereguleerd worden, en voor het rapporteren en archiveren van inventarisinformatie overeenkomstig Besluit 19/CMP.1 of andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto;
    3. „voor inventarisatie bevoegde autoriteiten” :
    de autoriteiten die in het kader van een nationaal inventarisatiesysteem belast zijn met de taak de broeikasgasinventaris op te stellen;
    4. „kwaliteitsborging” :
    een gepland systeem van beoordelingsprocedures om te waarborgen dat de kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens worden gehaald en de best mogelijke ramingen en informatie worden gerapporteerd teneinde de doeltreffendheid van het kwaliteitscontroleprogramma te ondersteunen en de lidstaten bij te staan;
    5. „kwaliteitscontrole” :
    een systeem van technische routineactiviteiten om de kwaliteit te meten en te controleren van de informatie en de ramingen die zijn verzameld teneinde de integriteit, de correctheid en de volledigheid van gegevens te waarborgen, fouten en leemten te identificeren en verhelpen, gegevens en ander gebruikt materiaal te documenteren en te archiveren, en alle activiteiten inzake kwaliteitsborging te registreren;
    6. „indicator” :
    een kwantitatieve of kwalitatieve factor of variabele die zorgt voor een beter begrip van de voortgang met de uitvoering van beleid en maatregelen en van de tendensen in broeikasgasemissies;
    7. „toegewezen eenheid” of „AAU” (assigned amount unit):
    een eenheid die is verleend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de bijlage bij Besluit 13/CMP.1 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (Besluit 13/CMP.1) of in andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto;
    8. „verwijderingseenheid” of „RMU” (removal unit):
    een eenheid die is verleend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de bijlage bij Besluit 13/CMP.1 of in andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto;
    9. „emissiereductie-eenheid” of „ERU” (emission reduction unit):
    een eenheid die is verleend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de bijlage bij Besluit 13/CMP.1 of in andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto;
    10. „gecertificeerde emissiereductie” of „CER” (certified emission reduction):
    een eenheid die is verleend overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de voorschriften krachtens dat artikel, alsmede de desbetreffende bepalingen in de bijlage bij Besluit 13/CMP.1 of in andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto;
    11. „tijdelijke gecertificeerde emissiereductie” of „tCER” (temporary certified emission reduction):
    een eenheid die is verleend overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de voorschriften krachtens dat artikel, alsmede de desbetreffende bepalingen in de bijlage bij Besluit 13/CMP.1 of in andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto, dat wil zeggen credits die zijn afgegeven voor broeikasgasverwijderingen die zijn gecertificeerd voor een bebossings- of herbebossingsproject in het kader van het clean development mechanism (CDM), die moeten worden vervangen bij het verstrijken ervan aan het einde van de tweede verbintenisperiode;
    12. „gecertificeerde emissiereductie op lange termijn” of „lCER” (long-term certified emission reduction):
    een eenheid die is verleend overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de voorschriften krachtens dat artikel, alsmede de desbetreffende bepalingen in de bijlage bij Besluit 13/CMP.1 of in andere relevante besluiten van instanties van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto, dat wil zeggen credits die zijn afgegeven voor broeikasgasverwijderingen op lange termijn die zijn gecertificeerd voor een bebossings- of herbebossingsproject in het kader van het CDM, die moeten worden vervangen bij het verstrijken ervan aan het einde van de kredietperiode van het project, of bij omkering van het koolstofopnemend vermogen van een bron of het niet indienen van een certificeringsrapport;
    13. „nationaal register” :
    een register in de vorm van een gestandaardiseerde elektronische databank met gegevens over de verlening, het bezit, de overdracht, de verwerving, de intrekking, de afboeking, de overbrenging, de vervanging of de wijziging van de vervaldatum, in voorkomend geval, van AAU's, RMU's, ERU's, CER's, tCER's, en lCER's;
    14. „beleidsinitiatieven en maatregelen” :
    alle instrumenten voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van artikel 4, lid 2, onder a) en b), van het UNFCCC, mogelijk met inbegrip van de instrumenten waarvan de beperking en vermindering van broeikasgasemissies geen hoofddoelstelling is;
    15. „systeem voor beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses” :
    een systeem van institutionele, juridische en procedurele regelingen die zijn vastgelegd voor het rapporteren van beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses over antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van niet door het Protocol van Montreal gereguleerde broeikasgassen, zoals bepaald in artikel 12 van deze verordening;
    16. „beoordeling vooraf van beleidsinitiatieven en maatregelen” :
    een evaluatie van de voorspelde effecten van een beleidsinitiatief of maatregel;
    17. „beoordeling achteraf van beleidsinitiatieven en maatregelen” :
    een evaluatie van de voorbije effecten van een beleidsinitiatief of maatregel;
    18. „prognoses zonder maatregelen” :
    prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die alle effecten uitsluiten van alle beleidsinitiatieven en maatregelen welke zijn gepland, vastgesteld of uitgevoerd na het jaar dat als beginjaar voor de desbetreffende prognose is gekozen;
    19. „prognoses met bestaande maatregelen” :
    prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die de effecten op het gebied van de vermindering van broeikasgasemissies omvatten van beleidsinitiatieven en maatregelen die zijn vastgesteld en uitgevoerd;
    20. „prognoses met aanvullende maatregelen” :
    prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die de effecten op het gebied van de vermindering van broeikasgasemissies omvatten van beleidsinitiatieven en maatregelen die voor de mitigatie van de klimaatverandering zijn vastgesteld en uitgevoerd, alsmede van voor dat doel geplande beleidsinitiatieven en maatregelen;
    21. „gevoeligheidsanalyse” :
    een onderzoek van een modelalgoritme of een aanname om te meten hoe gevoelig of stabiel de uitvoergegevens van het model zijn in verhouding tot variaties in de invoergegevens of onderliggende aannames. Deze wordt uitgevoerd door de invoerwaarden of modelvergelijkingen te variëren en vervolgens te observeren hoe de modeluitvoer overeenkomstig varieert;
    22. „steun voor mitigatie van klimaatverandering” :
    steun voor activiteiten in ontwikkelingslanden die bijdragen tot de doelstelling van het stabiliseren van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarbij een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen;
    23. „steun voor adaptatie aan klimaatverandering” :
    steun voor activiteiten in ontwikkelingslanden die erop gericht zijn de kwetsbaarheid van menselijke of natuurlijke systemen voor de impact van klimaatverandering en klimaatgerelateerde risico's te verminderen, door het aanpassingsvermogen en het herstellingsvermogen van ontwikkelingslanden te handhaven of te vergroten;
    24. „technische correcties” :
    aanpassingen aan de ramingen van de nationale broeikasgasinventarissen die in het kader van de beoordeling overeenkomstig artikel 19 worden uitgevoerd, wanneer de ingediende inventarisgegevens onvolledig zijn of zijn opgesteld op een wijze die niet strookt met de desbetreffende internationale of Unieregels of richtsnoeren, en die de oorspronkelijk ingediende ramingen vervangen;
    25. „herberekeningen” :
    een procedure, overeenkomstig de richtsnoeren van het UNFCCC inzake de rapportage van jaarlijkse inventarislijsten, voor het opnieuw ramen van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen van eerder ingediende inventarislijsten ten gevolge van gewijzigde methoden of wijzigingen in de manier waarop emissiefactoren en activiteitsgegevens worden verzameld en gebruikt; de toevoeging van nieuwe categorieën bronnen of putten, of van nieuwe gassen; of veranderingen in het GWP van broeikasgassen.

HOOFDSTUK 2 STRATEGIEËN VOOR KOOLSTOFARME ONTWIKKELING

Artikel 4 Strategieën voor koolstofarme ontwikkeling

HOOFDSTUK 3 RAPPORTAGE OVER HISTORISCHE EMISSIES EN VERWIJDERINGEN VAN BROEIKASGASSEN

Artikel 5 Nationale inventarisatiesystemen

Artikel 6 Inventarisatiesysteem van de Unie

Artikel 7 Broeikasgasinventarissen

Artikel 8 Geschatte broeikasgasinventarissen

Artikel 9 Procedures voor het vervolledigen van emissieramingen teneinde de inventaris van de Unie op te maken

HOOFDSTUK 4 REGISTERS

Artikel 10 Aanleggen en functioneren van registers

Artikel 11 Afboeking van eenheden in het kader van het Protocol van Kyoto

HOOFDSTUK 5 RAPPORTAGE OVER BELEIDSINITIATIEVEN EN MAATREGELEN EN OVER PROGNOSES VAN ANTROPOGENE EMISSIES PER BRON EN VERWIJDERINGEN PER PUT VAN BROEIKASGASSEN

Artikel 12 Nationale en Uniesystemen voor beleidsinitiatieven en maatregelen en prognoses

Artikel 13 Rapportage van beleidsinitiatieven en maatregelen

Artikel 14 Rapportage over prognoses

HOOFDSTUK 6 RAPPORTAGE OVER ANDERE INFORMATIE DIE RELEVANT IS VOOR KLIMAATVERANDERING

Artikel 15 Rapportage over nationale adaptatiemaatregelen

Artikel 16 Rapportage over financiële en technologische ondersteuning voor ontwikkelingslanden

Artikel 17 Rapportage over het gebruik van de opbrengst uit veilingen en projectkredieten

Artikel 18 Tweejaarlijkse rapporten en nationale mededelingen

HOOFDSTUK 7 DESKUNDIGENBEOORDELING DOOR DE UNIE VAN DE BROEIKASGASEMISSIES

Artikel 19 Inventarisbeoordeling

Artikel 20 Aanpak van de effecten van herberekeningen

HOOFDSTUK 8 RAPPORTAGE OVER DE VORDERINGEN INZAKE UNIALE EN INTERNATIONALE VERPLICHTINGEN

Artikel 21 Voortgangsrapportage

Artikel 22 Rapport over de bijkomende periode voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van het Protocol van Kyoto

HOOFDSTUK 9 SAMENWERKING EN STEUN

Artikel 23 Samenwerking tussen de lidstaten en de Unie

Artikel 24 Rol van het Europees Milieuagentschap

HOOFDSTUK 10 DELEGATIE

Artikel 25 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 26 Comitéprocedure

Artikel 27 Evaluatie

Artikel 28 Intrekking

Artikel 29 Inwerkingtreding

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

Verklaringen van de Commissie