Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen („het partnerschapsinstrument”) om de belangen van de Unie en wederzijdse belangen te bevorderen. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen en die verband houden met uitdagingen van mondiaal belang, en die een adequate follow-up van de op multilateraal niveau genomen beslissingen waarborgen.
Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2, artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's(1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),
Overwegende hetgeen volgt:
De Unie moet ernaar streven betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen. Deze verordening vormt een nieuw, complementair instrument dat het externe beleid van de Unie rechtstreeks ondersteunt en de samenwerkingspartnerschappen en beleidsdialogen uitbreidt tot gebieden en thema's die verder reiken dan ontwikkelingssamenwerking. Met de verordening wordt voortgebouwd op de ervaring die in het kader van Verordening (EG) nr. 1934/2006 van de Raad(3) is opgedaan met geïndustrialiseerde landen en landen en gebieden met een hoog inkomen.
De werkingssfeer van de samenwerking krachtens de geografische programma's met ontwikkelingslanden, gebieden en regio's uit hoofde van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad(4) is nagenoeg volledig beperkt tot het financieren van maatregelen die zijn ontworpen te voldoen aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) die zijn vastgesteld door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (DAC-OESO).
Het afgelopen decennium heeft de Unie haar bilaterale betrekkingen met een groot aantal geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog of een middeninkomen in diverse regio's van de wereld stelselmatig uitgebouwd.
De Unie heeft een de hele wereld omspannend financieringsinstrument voor buitenlands beleid nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de derde landen in kwestie, met name via beleidsdialogen en de ontwikkeling van partnerschappen. Dit nieuwe instrument, dat zowel qua werkingssfeer als qua doelstellingen innovatief is, moet een gunstig klimaat scheppen voor diepere betrekkingen tussen de Unie en relevante derde landen en moet de kernbelangen van de Unie uitdragen.
Het is in haar eigen belang dat de Unie haar betrekkingen en dialoog verdiept met landen waarmee het aanhalen van de banden van strategisch belang is voor de Unie, in het bijzonder met ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds belangrijkere rol spelen in internationale aangelegenheden, onder meer wat betreft het mondiale bestuur, het buitenlands beleid, de internationale economie, in multilaterale fora en organen zoals de G8 en de G20 en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang.
De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie uit te dragen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten.
Deze verordening dient een wereldwijde werkingssfeer te hebben, zodat waar dit aangewezen is samenwerkingsmaatregelen kunnen worden ondersteund ter versterking van de betrekkingen met landen waar de Unie strategische belangen heeft, in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening.
Het is in het belang van de Unie om te blijven ijveren voor dialoog en samenwerking met landen die niet meer in aanmerking komen voor bilaterale programma's krachtens het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad(5) (het „financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking”).
Het is bovendien in het belang van de Unie om te werken aan inclusieve mondiale instellingen, gebaseerd op doeltreffend multilateralisme.
De Unie moet krachtens deze verordening de uitvoering ondersteunen van de externe dimensie van de strategie die werd uiteengezet door de Commissie in haar mededeling van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” („Europa 2020”), door drie pijlers samen te brengen: de economische, de sociale en de milieupijler. Deze verordening moet met name doelstellingen ondersteunen in verband met mondiale vraagstukken zoals klimaatverandering, energiezekerheid en efficiënt hulpbronnengebruik, de overgang naar een groenere economie, wetenschap, innovatie en concurrentievermogen, mobiliteit, handel en investeringen, economische partnerschappen, samenwerking op zakelijk, werkgelegenheids- en regelgevingsgebied met derde landen, en een betere markttoegang voor ondernemingen uit de Unie, met inbegrip van de internationalisering van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's). Zij moet ook activiteiten inzake publieke diplomatie, onderwijskundige en universitaire samenwerking en outreach bevorderen.
Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote mondiale uitdagingen waarvoor de Unie en de bredere internationale gemeenschap zich geplaatst zien. Klimaatverandering is een terrein waarop dringend internationaal optreden nodig is en waar de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie samenwerking met partnerlanden vergt. De Unie moet daarom haar inspanningen intensiveren om op dit gebied een mondiale consensus te bevorderen. In overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 getiteld „Een begroting voor Europa 2020”, waarin de Unie ertoe wordt opgeroepen het klimaatgerelateerde gedeelte van haar begroting tot ten minste 20 % te verhogen, moet deze verordening tot de verwezenlijking van dat doel bijdragen.
Transnationale uitdagingen, zoals aantasting van het milieu en toegang tot en duurzaam gebruik van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, vergen een gereguleerde inclusieve aanpak.
De Unie is vastbesloten bij te dragen aan het halen van de mondiale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en te presteren op het vlak van de daarmee gepaard gaande strategie voor het mobiliseren van middelen.
In haar betrekkingen met haar partners overal ter wereld ijvert de Unie voor het bevorderen van fatsoenlijk werk voor iedereen, alsook voor het bekrachtigen en daadwerkelijk uitvoeren van de internationaal erkende arbeidsnormen en multilaterale milieuovereenkomsten.
Het stimuleren van groei en banen, door op multilateraal en bilateraal niveau in te zetten op eerlijke en open handel en investeringen en door het ondersteunen van onderhandelingen over en de uitvoering van handels- en investeringsovereenkomsten waarbij de Unie partij is, vormt een belangrijk strategisch belang van de Unie. Krachtens deze verordening dient de Unie bij te dragen tot het creëren van een veilige omgeving met meer handels- en investeringskansen overal ter wereld voor bedrijven uit de Unie, niet het minst voor kmo's, onder meer door samenwerking en convergentie op reguleringsgebied te ondersteunen, internationale normen te bewerkstelligen, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten te verbeteren en ongerechtvaardigde belemmeringen voor de toegang tot de markt aan te pakken.
Krachtens artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) dient het internationaal optreden van de Unie ingegeven te worden door de beginselen die hebben gediend tot haar eigen oprichting, ontwikkeling en uitbreiding, te weten de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.
De Unie moet ernaar streven dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt teneinde het effect van haar externe optreden te optimaliseren. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen deze verordening, andere instrumenten voor het financieren van extern optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. Dit moet voorts de wederzijdse versterking van de krachtens de instrumenten voor het financieren van extern optreden opgezette programma's met zich meebrengen.
Om ervoor te zorgen dat de steun van de Unie zichtbaar is voor de burgers van de begunstigde landen én de burgers van de Unie, moet er, in voorkomend geval, met adequate middelen gericht worden gecommuniceerd en geïnformeerd.
Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig met de belangrijkste partnerlanden, rekening houdend met hun economische, sociale en politieke context, alsmede met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk moet blijven om overal ter wereld waar nodig tussen te komen. De Unie moet een alomvattende benadering volgen voor zowel haar buitenlandbeleid als voor haar sectoraal beleid.
Teneinde haar toezegging om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen en te verdedigen doeltreffender te maken, moet de Unie in staat zijn flexibel en tijdig te reageren op veranderende of onvoorziene behoeften door het vaststellen van speciale maatregelen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen.
De doelstellingen van deze verordening moeten, waar mogelijk en passend, worden nagestreefd in overleg met relevante partners en belanghebbenden, zoals maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, met aandacht voor het belang van hun respectieve rol.
Het externe optreden van de Unie krachtens deze verordening moet bijdragen aan duidelijke resultaten (wat betreft opbrengsten, uitkomsten en effecten) in landen die bijstand van de Unie krijgen. Wanneer dat gewenst en mogelijk is, moeten de resultaten van het externe optreden van de Unie en de efficiëntie van het door deze verordening tot stand gebrachte instrument gecontroleerd en beoordeeld worden aan de hand van vooraf gedefinieerde, duidelijke, transparante en, waar passend, specifiek op een land gerichte, meetbare indicatoren, afgestemd op de kenmerken en doelstellingen van dit instrument.
In acties krachtens deze verordening moet, waar passend, terdege rekening worden gehouden met de resoluties en aanbevelingen van het Europees Parlement.
Teneinde de werkingssfeer van deze verordening aan te passen aan de snel veranderende realiteit in derde landen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen voor wat betreft de in de bijlage omschreven prioriteiten. Het is bijzonder belangrijk dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, inclusief op het niveau van deskundigen. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.
Teneinde te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(6). Gelet op de aard van die uitvoeringsbepalingen, met name hun beleidsbepalende karakter en hun financiële implicaties, zou de onderzoeksprocedure moeten worden gebruikt voor het vaststellen ervan, met uitzondering van het geval van technische uitvoeringsmaatregelen die geringe financiële implicaties hebben.
Gemeenschappelijke regels en procedures voor de uitvoering van de instrumenten voor het financieren van extern optreden van de Unie worden vastgelegd in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad(7).
In deze verordening worden voor de periode van toepassing ervan de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(8).
De organisatie en werkwijze van de Europese Dienst voor extern optreden worden vastgesteld in Besluit 2010/427/EU van de Raad(9).
Daar de doelstellingen van deze verordening, met name de vaststelling van een partnerschapsinstrument voor de samenwerking met derde landen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang ervan, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bepaald in dat artikel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Het is aangewezen dat de periode waarin deze verordening van toepassing is, in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad(10). Derhalve dient de onderhavige verordening met ingang van1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 van toepassing te zijn,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1 Onderwerp en doelstellingen
De krachtens het partnerschapsinstrument te financieren maatregelen weerspiegelen de volgende specifieke doelstellingen van de Unie:
-
het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilateraal, regionaal en interregionaal samenwerkingspartnerschap, door het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt onder meer afgemeten aan de hand van de vorderingen die de partnerlanden maken in de strijd tegen klimaatverandering of in het propageren van de milieunormen van de Unie;
-
implementatie van de internationale dimensie van „Europa 2020”. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan de mate waarin belangrijke partnerlanden het beleid en de doelstellingen van „Europa 2020” overnemen;
-
het verbeteren van de toegang tot de markten van partnerlanden en meer kansen voor bedrijven uit de Unie om handel te drijven, te investeren en zaken te doen, waarbij, door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied, tegelijk belemmeringen van de markttoegang en voor investeringen worden weggenomen. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten;
-
het wijder verbreiden van het inzicht in en de zichtbaarheid van de Unie en van haar rol op het wereldtoneel door middel van publieksdiplomatie, contacten tussen burgers, samenwerking op onderwijskundig en universitair gebied en in denktanks, en door outreachactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder andere worden gemeten door middel van opinieonderzoeken en evaluaties.
Artikel 2 Toepassingsgebied
Deze verordening steunt vooral samenwerkingsmaatregelen ten aanzien van landen waarmee het aanhalen van de banden van strategisch belang is voor de Unie, vooral ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds prominentere rol spelen in mondiale aangelegenheden, waaronder het buitenlandbeleid, de internationale economie en handel, in multilaterale fora en mondiaal bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, of waar de Unie andere aanzienlijke belangen heeft.
Onverminderd lid 1 kunnen alle derde landen, regio's en gebieden in aanmerking komen voor samenwerking uit hoofde van deze verordening.
Artikel 3 Algemene beginselen
De Unie streeft ernaar de beginselen waarop zij is gegrondvest, democratie, gelijkheid, eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, door middel van dialoog en samenwerking met derde landen te bevorderen, te ontwikkelen en te consolideren.
Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt in voorkomend geval bij het ontwerpen van de samenwerking met derde landen een gedifferentieerde en flexibele aanpak gevolgd, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context alsook met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.
De Unie bevordert een samenhangende multilaterale aanpak van mondiale uitdagingen en stimuleert samenwerking met internationale en regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen en organisaties, fondsen en programma's van de Verenigde Naties alsook andere bilaterale donoren.
Bij de uitvoering van deze verordening en bij het formuleren van beleidsmaatregelen, maatregelen inzake strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen richt de Unie zich op het verzekeren van samenhang en consistentie met andere terreinen van haar extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, en met het beleid van de Unie op andere relevante terreinen.
De uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen zijn, in voorkomend geval, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten, zoals overeenkomsten, verklaringen en actieplannen, die zijn overeengekomen tussen de Unie en de betrokken internationale organisaties of tussen de Unie en de betrokken derde landen en regio's.
De krachtens deze verordening gefinancierde maatregelen bestrijken ook terreinen die verband houden met het bevorderen van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.
De steun die de Unie krachtens deze verordening verleent, wordt uitgevoerd in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 236/2014.
Artikel 4 Programmering en indicatieve toewijzing van fondsen
Indicatieve meerjarenprogramma's (IMP's) worden door de Commissie volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
In de IMP's worden de strategische of wederzijdse belangen en prioriteiten van de Unie, de specifieke doelstellingen en de verwachte resultaten beschreven. Voor landen of regio's waarvoor een gezamenlijk kaderdocument met een alomvattende strategie van de Unie is vastgesteld, worden de IMPS's op dat document gebaseerd.
In de IMP's worden tevens de prioriteitsgebieden die voor financiering door de Unie in aanmerking komen beschreven en worden tevens globaal de indicatieve toewijzing van fondsen afgebakend, zowel per prioriteitsgebied en per partnerland of per groep partnerlanden voor de desbetreffende periode, met inbegrip van de deelneming aan mondiale initiatieven. Deze bedragen mogen in voorkomend geval worden uitgedrukt als een bereik tussen een minimum- en een maximumbedrag.
In de IMP's kan ten hoogste 5 % van het totaalbedrag worden gereserveerd voor fondsen die niet worden toegewezen aan een prioriteitsgebied, een partnerland of een groep partnerlanden. Deze middelen worden vastgelegd overeenkomstig artikel 2, leden 2, 3 en 5, van Verordening (EU) nr. 236/2014.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie kan voor het wijzigen van IMP's de in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde procedure worden toegepast.
Met betrekking tot het bereiken van de in artikel 1 vervatte doelstellingen kan de Commissie bij de samenwerking met derde landen rekening houden met de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee van de Unie.
In programmeringen of herzieningen van programma's die plaatsvinden na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatieverslag („het tussentijdse evaluatieverslag”), worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.