Home

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(1), en met name artikel 99, lid 5, vierde alinea, artikel 99, lid 6, vierde alinea, artikel 101, lid 4, derde alinea, artikel 394, lid 4, derde alinea, artikel 415, lid 3, vierde alinea, en artikel 430, lid 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Onverminderd de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 104, lid 1, onder j), van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(2), dient, ter verbetering van de efficiëntie en om de administratieve lasten te beperken, een samenhangend rapportagekader te worden vastgesteld dat gebaseerd is op een geharmoniseerd pakket van normen.

  2. De bepalingen van deze verordening houden nauw verband met elkaar, aangezien zij betrekking hebben op de rapportageverplichtingen van instellingen. Om de samenhang tussen deze bepalingen, die gelijktijdig in werking moeten treden, te waarborgen en om de personen die aan deze verplichtingen onderworpen zijn een volledig beeld van en een compacte toegang tot deze bepalingen te bieden, is het wenselijk alle bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste technische uitvoeringsnormen in één enkele verordening op te nemen.

  3. De aard en de complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen, zoals handelsportefeuille/niet-handelsportefeuille en de benadering van kredietrisico, bepalen de reikwijdte van de feitelijke rapportageverplichtingen van instellingen. Bovendien, en in overeenstemming met artikel 99, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dient de rapportagelast voor instellingen evenredig te zijn en moeten voor bepaalde templates lagere rapportagefrequenties worden vastgesteld. Voorts moeten er, om rekening te houden met de aard, de omvang en de complexiteit van de instellingen, template-specifieke materialiteitsdrempels worden ingevoerd alvorens bepaalde rapportagevereisten van kracht worden.

  4. Wanneer rapportagevereisten op kwantitatieve drempels zijn gebaseerd, dienen template-specifieke instap- en uitstapcriteria te worden vastgesteld ten behoeve van een soepele overgang naar gemeenschappelijke toezichtrapportage.

  5. Instellingen waarvan het boekjaar niet samenvalt met het kalenderjaar moeten de mogelijkheid krijgen de rapportagereferentiedata en de inleverdata van financiële informatie aan te passen, zodat de opstelling van de jaarrekening voor twee verschillende perioden voor deze instellingen minder belastend is.

  6. Financiële informatie betreft informatie over de financiële situatie en de mogelijke systeemrisico's van instellingen. De basisinformatie over de financiële situatie wordt aangevuld met gedetailleerde, uitgesplitste gegevens om de toezichthouders informatie te verschaffen over de risico's van de verschillende activiteiten. Instellingen moeten bijgevolg gedetailleerde en eenvormige gegevens verstrekken, met name wat geografische en sectorale uitsplitsingen en belangrijke tegenpartijen van blootstellingen en financieringen betreft, om zo de toezichthoudende autoriteiten informatie te verschaffen over potentiële concentraties en zich aftekenende systeemrisico's.

  7. Indien de bevoegde autoriteiten van instellingen verlangen dat zij informatie over het eigen vermogen verstrekken met gebruikmaking van de internationale standaarden voor financiële verslaglegging (International Financial Reporting Standards — IFRS) die van toepassing zijn krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad(3), en dit rapportagevereiste uitbreiden tot de rapportage van financiële informatie, dienen de instellingen, om te waarborgen dat de informatie consistent en vergelijkbaar is, hun financiële informatie op soortgelijke wijze te rapporteren als de instellingen die hun geconsolideerde jaarrekening opstellen met gebruikmaking van de krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 toepasselijke IFRS.

  8. Evenzo dienen instellingen die voor hun jaarrekening gebruik maken van nationale standaarden, indien de bevoegde autoriteiten van hen verlangen dat zij financiële informatie rapporteren overeenkomstig artikel 99, lid 6, om te waarborgen dat de informatie consistent en vergelijkbaar is, hun financiële informatie op soortgelijke wijze te rapporteren als de instellingen die gebruik maken van de krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 toepasselijke IFRS voor het rapporteren van aangepaste gegevens op basis van nationale standaarden voor jaarrekeningen.

  9. Aangezien er op nationaal niveau en op het niveau van de Unie veel verschillende rapportagevereisten zijn voor andere doeleinden dan die welke in Verordening (EU) nr. 575/2013 worden genoemd, zoals statistische gegevens, monetaire gegevens, gegevens van de tweede pijler, kunnen voorschriften inzake de gemeenschappelijke toezichtrapportage slechts deel uitmaken van een algemeen rapportagekader. Het is kostenefficiënter om gebruik te maken van één IT-oplossing die op het algemene rapportagekader kan worden toegepast, dan om verschillende IT-oplossingen voor de afzonderlijke onderdelen van dat algemene rapportagekader te specificeren. Om te voorkomen dat van instellingen verlangd wordt dat zij de noodzakelijke informatie rapporteren via één specifieke IT-oplossing en voor andere rapportagevereisten gebruik maken van andere IT-oplossingen, en ten einde ongerechtvaardigde uitvoerings- en exploitatiekosten te vermijden, is het wenselijk een gegevenspuntenmodel te ontwikkelen en bepaalde minimale nauwkeurigheidseisen vast te stellen. Op die manier kan worden gewaarborgd dat de verschillende bestaande IT-oplossingen geharmoniseerde en kwalitatief betrouwbare gegevens opleveren. Voorts moeten de bevoegde autoriteiten, om de rapportagelast voor instellingen te beperken, alternatieve formats voor de indiening en uitwisseling van gegevens kunnen blijven vaststellen die thans ook voor andere rapportagedoeleinden worden gebruikt, op voorwaarde dat aan alle noodzakelijke vereisten wordt voldaan. Zo dient het bevoegde autoriteiten te zijn toegestaan geen gegevenspunten op te vragen die kunnen worden afgeleid van andere gegevenspunten die zijn opgenomen in het gegevenspuntenmodel, of gegevenspunten die verwijzen naar reeds door de bevoegde autoriteit verzamelde informatie.

  10. Daar rapportagevereisten met betrekking tot financiële informatie en liquiditeitsgegevens in sommige landen een noviteit zijn, en teneinde instellingen voldoende tijd te gunnen om deze vereisten zodanig na te leven dat de verstrekte informatie van hoge kwaliteit is, dienen die rapportagevereisten op een latere datum van toepassing te worden.

  11. Daar de gemeenschappelijke toezichtrapportage voor het eerst in de Unie wordt toegepast en instellingen hun rapportage- en IT-systemen aan de vereisten ter zake moeten aanpassen, zouden instellingen gedurende het eerste jaar dat de vereisten inzake gemeenschappelijke toezichtrapportage worden toegepast, over een langere inlevertermijn moeten beschikken voor hun maandelijkse rapportage.

  12. Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die door de Europese Bankautoriteit bij de Commissie zijn ingediend.

  13. De Europese Bankautoriteit heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(4) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen om advies verzocht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1 VOORWERP EN WERKINGSSFEER

Artikel 1 Voorwerp en werkingssfeer

In deze verordening worden eenvormige vereisten vastgesteld met betrekking tot de rapportage aan de toezichthoudende autoriteiten op de volgende gebieden:

  1. eigenvermogensvereisten en financiële informatie overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

  2. verliezen die voortvloeien uit door onroerend goed gedekte leningen overeenkomstig artikel 101, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

  3. grote blootstellingen en andere grootste blootstellingen overeenkomstig artikel 394, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

  4. de hefboomratio overeenkomstig artikel 430 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

  5. liquiditeitsdekkingsvereisten en vereisten inzake netto stabiele financiering overeenkomstig artikel 415 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

HOOFDSTUK 2 RAPPORTAGEREFERENTIE- EN INLEVERDATA EN RAPPORTAGEDREMPELS

Artikel 2 Rapportagereferentiedata

1.

Instellingen dienen informatie in bij de bevoegde autoriteiten zoals die op de volgende rapportagereferentiedata beschikbaar is:

  1. maandelijkse rapportage: op de laatste dag van elke maand;

  2. kwartaalrapportage: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december;

  3. halfjaarlijkse rapportage: 30 juni en 31 december;

  4. jaarlijkse rapportage: 31 december.

2.

Informatie over een bepaalde periode die volgens de in de bijlagen III en IV beschreven templates en overeenkomstig de instructies van bijlage V wordt ingediend, wordt cumulatief gerapporteerd vanaf de eerste dag van het boekjaar tot de referentiedatum.

3.

Voor instellingen die krachtens de nationale wetgeving financiële informatie mogen rapporteren op basis van het einde van een boekjaar dat afwijkt van het kalenderjaar, kunnen de rapportagereferentiedata zodanig worden aangepast dat zij hun financiële informatie respectievelijk elke drie, zes of twaalf maanden na het einde van hun boekjaar rapporteren.

Artikel 3 Rapportage-inleverdata

Artikel 4 Rapportagedrempels — instap- en uitstapcriteria

HOOFDSTUK 3 FORMAT EN FREQUENTIE VAN DE RAPPORTAGE OVER EIGEN VERMOGEN, EIGENVERMOGENSVEREISTEN EN FINANCIËLE INFORMATIE

AFDELING 1 Format en frequentie van de rapportage over eigen vermogen en eigenvermogensvereisten

Artikel 5 Format en frequentie van de rapportage over eigen vermogen en eigenvermogensvereisten voor instellingen op individuele basis, met uitzondering van beleggingsondernemingen die onderworpen zijn aan de artikelen 95 en 96 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 6 Format en frequentie van de rapportage over eigen vermogen en eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis, met uitzondering van groepen die uitsluitend bestaan uit beleggingsondernemingen die onderworpen zijn aan de artikelen 95 en 96 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 7 Format en frequentie van de rapportage over eigen vermogen en eigenvermogensvereisten op individuele basis voor beleggingsondernemingen die onderworpen zijn aan de artikelen 95 en 96 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 8 Format en frequentie van de rapportage over eigen vermogen en eigenvermogensvereisten op geconsolideerde basis voor groepen die uitsluitend bestaan uit beleggingsondernemingen die onderworpen zijn aan de artikelen 95 en 96 van Verordening (EU) nr. 575/2013

AFDELING 2 Format en frequentie van de rapportage van financiële informatie op geconsolideerde basis

Artikel 9 Format en frequentie van de rapportage van financiële informatie voor aan artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 onderworpen instellingen en andere kredietinstellingen die Verordening (EG) nr. 1606/2002 op geconsolideerde basis toepassen

Artikel 10 Format en frequentie van de rapportage van financiële informatie voor kredietinstellingen die Verordening (EG) nr. 1606/2002 op geconsolideerde basis toepassen overeenkomstig artikel 99, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

Artikel 11 Format en frequentie van de rapportage van financiële informatie voor instellingen die nationale standaarden welke op grond van Richtlijn 86/635/EEG zijn ontwikkeld, op geconsolideerde basis toepassen

HOOFDSTUK 4 FORMAT EN FREQUENTIE VAN SPECIFIEKE RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN INZAKE VERLIEZEN DIE VOORTVLOEIEN UIT DOOR ONROEREND GOED GEDEKTE LENINGEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 101 VAN VERORDENING (EU) Nr. 575/2013

Artikel 12

HOOFDSTUK 5 FORMAT EN FREQUENTIE VAN DE RAPPORTAGE OVER GROTE BLOOTSTELLINGEN OP INDIVIDUELE EN OP GECONSOLIDEERDE BASIS

Artikel 13

HOOFDSTUK 6 FORMAT EN FREQUENTIE VAN DE RAPPORTAGE OVER DE HEFBOOMRATIO OP INDIVIDUELE EN OP GECONSOLIDEERDE BASIS

Artikel 14

HOOFDSTUK 7 FORMAT EN FREQUENTIE VAN DE RAPPORTAGE OVER LIQUIDITEIT EN STABIELE FINANCIERING OP INDIVIDUELE EN OP GECONSOLIDEERDE BASIS

Artikel 15 Format en frequentie van de rapportage over het liquiditeitsdekkingsvereiste

Artikel 16 Format en frequentie van de rapportage over stabiele financiering

HOOFDSTUK 8 IT-OPLOSSINGEN VOOR HET INDIENEN VAN GEGEVENS DOOR INSTELLINGEN BIJ DE BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 17

HOOFDSTUK 9 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 18 Overgangsperiode

Artikel 19 Inwerkingtreding

BIJLAGE IRAPPORTAGE INZAKE EIGEN VERMOGEN EN EIGENVERMOGENSVEREISTEN

BIJLAGE IIRAPPORTAGE INZAKE EIGEN VERMOGEN EN EIGENVERMOGENSVEREISTEN

BIJLAGE IIIRAPPORTAGE VAN FINANCIËLE INFORMATIE OVEREENKOMSTIG IFRS

BIJLAGE IVRAPPORTAGE VAN FINANCIËLE INFORMATIE OVEREENKOMSTIG NATIONALE KADERS VOOR FINANCIËLE VERSLAGLEGGING

BIJLAGE VRAPPORTAGE VAN FINANCIËLE INFORMATIE

BIJLAGE VIRAPPORTAGE OVER VERLIEZEN VOORTVLOEIEND UIT LENINGEN GEDEKT DOOR ONROEREND GOED

BIJLAGE VIIINSTRUCTIES VOOR DE RAPPORTAGE VAN VERLIEZEN DIE VOORTVLOEIEN UIT LENINGEN DIE GEGARANDEERD WORDEN DOOR ONROEREND GOED

BIJLAGE VIIITEMPLATES VOOR RAPPORTAGE OVER GROTE BLOOTSTELLINGEN EN CONCENTRATIERISICO

BIJLAGE IXRAPPORTAGE OVER GROTE BLOOTSTELLINGEN

BIJLAGE XHEFBOOMRAPPORTAGE

BIJLAGE XIRAPPORTAGE OVER HEFBOOMFINANCIERING

BIJLAGE XIIRAPPORTAGE OVER LIQUIDITEIT

BIJLAGE XIII

BIJLAGE XIVGEGEVENSPUNTMODEL — DICTIONARY

BIJLAGE XVVALIDATIEFORMULES