Home

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 869/2014 van de Commissie van 11 augustus 2014 inzake nieuwe spoorvervoersdiensten voor passagiers Voor de EER relevante tekst

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 869/2014 van de Commissie van 11 augustus 2014 inzake nieuwe spoorvervoersdiensten voor passagiers Voor de EER relevante tekst

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte(1), en met name artikel 10, lid 4, en artikel 11, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2012/34/EU hebben de lidstaten hun markt voor het internationaal passagiersvervoer per spoor opengesteld voor spoorwegondernemingen waaraan op grond van diezelfde richtlijn een vergunning is verleend. Spoorwegondernemingen die internationale treinen exploiteren, mogen op alle stations op het internationale traject reizigers laten in- en uitstappen, ook voor trajecten tussen twee stations in dezelfde lidstaat.

  2. De invoering van deze nieuwe open en internationale passagiersvervoersdiensten met tussenstops mag echter niet leiden tot de openstelling van de markt voor binnenlandse passagiersvervoersdiensten, maar moet uitsluitend gericht zijn op stops die de internationale dienst ondersteunen. De nieuwe diensten moeten hoofdzakelijk zijn bedoeld om passagiers te vervoeren op een internationaal traject. Op verzoek van bevoegde instanties of belanghebbende spoorwegondernemingen dient de toezichthoudende instantie als bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk IV van Richtlijn 2012/34/EU het hoofddoel van de voorgestelde nieuwe dienst te bepalen.

  3. De openstelling van het internationaal passagiersvervoer per spoor kan gevolgen hebben voor de organisatie en financiering van passagiersvervoersdiensten per spoor die worden geëxploiteerd op basis van openbaredienstcontracten die zijn gegund overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad(2). Op grond van artikel 11 van Richtlijn 2012/34/EU mogen de lidstaten het recht op toegang tot de markt beperken wanneer de uitoefening van dat recht het economisch evenwicht van de openbaredienstcontracten in gevaar zou brengen. Op verzoek van de bevoegde instanties, de infrastructuurbeheerder of de spoorwegonderneming die het openbaredienstcontract uitvoert, dient de toezichthoudende instantie te bepalen of een voorgestelde nieuwe internationale dienst het economisch evenwicht van een openbaredienstcontract in gevaar zou brengen.

  4. Om te vermijden dat een reeds gestarte nieuwe spoorvervoersdienst voor passagiers wordt onderbroken en die nieuwe dienst rechtszekerheid te bieden over zijn exploitatiemogelijkheden, moet de termijn waarbinnen kan worden gevraagd om het hoofddoel van de dienst of het economisch evenwicht te onderzoeken, worden beperkt en worden gekoppeld aan het tijdstip waarop de aanvrager bekendmaakt dat hij een nieuwe internationale spoorvervoersdienst wenst in te voeren. Om dezelfde reden moet de termijn waarover de toezichthoudende instantie beschikt om haar onderzoek te voeren worden beperkt.

  5. Bij een verzoek tot onderzoek van het hoofddoel moet alle informatie worden gevoegd waaruit blijkt dat het vervoeren van passagiers tussen stations in verschillende lidstaten niet het hoofddoel van de voorgestelde nieuwe dienst is. Om aan die eis te voldoen, moeten instanties die een dergelijk onderzoek vragen, gebruik kunnen maken van door de toezichthoudende instanties ter beschikking gestelde standaardformulieren.

  6. De toezichthoudende instantie dient het hoofddoel van een voorgestelde dienst op middellange termijn te bepalen aan de hand van zowel een kwalitatieve als kwantitatieve analyse, veeleer dan op basis van de kenmerken van die dienst op één bepaald ogenblik. De beoordelingscriteria moeten worden bepaald in de door de toezichthoudende instantie voor het onderzoek van het hoofddoel ontwikkelde methode, rekening houdend met de specifieke context van de spoorwegmarkt in de betrokken lidstaat. Het is niet toegestaan een strikt kwantitatieve drempel te hanteren.

  7. Bij een verzoek om een onderzoek van het economisch evenwicht moet alle informatie worden gevoegd waaruit blijkt dat het economisch evenwicht van een openbaredienstcontract door de voorgestelde nieuwe dienst in gevaar zou komen. Er wordt geoordeeld dat het economisch evenwicht van een openbaredienstcontract door de voorgestelde nieuwe dienst in gevaar komt indien die een significante invloed heeft op de waarde van het openbaredienstcontract, waardoor de op grond van dat contract geëxploiteerde diensten in een concurrerende markt niet langer levensvatbaar zijn en niet meer met een redelijke winstmarge kunnen worden geëxploiteerd.

  8. Het effect van de voorgestelde nieuwe dienst op het economisch evenwicht van een openbaredienstcontract moet worden beoordeeld aan de hand van een objectieve methode en door de toezichthoudende instantie voor het onderzoek van het economisch evenwicht vastgestelde beoordelingscriteria, rekening houdend met de specifieke context van de spoorwegmarkt in de betrokken lidstaat. In de economische analyse moet vooral worden nagegaan welk economisch effect de voorgestelde nieuwe dienst gedurende de volledige looptijd van dat contract heeft op het volledige openbaredienstcontract, met inbegrip van de specifiek betroffen diensten. Er mag geen vooraf bepaalde kwantitatieve drempel worden gehanteerd. De toezichthoudende instantie dient niet alleen rekening te houden met de economische analyse van het effect van de voorgestelde nieuwe dienst op het openbaredienstcontract, maar ook met de baten voor de klanten op korte en middellange termijn.

  9. Alleen wanneer de nieuwe dienst aanzienlijk is gewijzigd ten opzichte van de door de toezichthoudende instantie geanalyseerde gegevens of wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat tussen het reële en het geraamde effect op de diensten die onder het openbaredienstcontract vallen, moet het mogelijk zijn een door de toezichthoudende instantie op basis van een onderzoek van het economisch evenwicht genomen besluit te herzien. Teneinde de exploitant van de nieuwe dienst een minimale rechtszekerheid te waarborgen, moet de termijn waarbinnen een herziening kan worden gevraagd, worden beperkt.

  10. Onverminderd het beginsel van de onafhankelijke besluitvorming van de toezichthoudende instanties als bedoeld in artikel 55, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU, dienen de toezichthoudende instanties informatie uit te wisselen en, desgevallend in individuele gevallen, hun werkwijzen en beginselen inzake het onderzoek van het hoofddoel en het economisch evenwicht te coördineren om te vermijden dat tussen hun praktijken belangrijke verschillen ontstaan die onzekerheid creëren op de markt voor het internationaal passagiersvervoer per spoor.

  11. Tijdens alle werkzaamheden in verband met het onderzoek van het hoofddoel of het economisch evenwicht, moeten de toezichthoudende instanties de vertrouwelijkheid waarborgen van de door de bij deze onderzoeken betrokken partijen meegedeelde commercieel gevoelige informatie.

  12. Toezichthoudende instanties zijn niet verplicht een vergoeding te vragen voor een onderzoek van het hoofddoel of het economisch evenwicht, of een herziening van een onderzoek van het economisch evenwicht. De lidstaten kunnen evenwel besluiten dat entiteiten die een verzoek indienen voor de door de toezichthoudende instanties uitgevoerde beoordelingen een vergoeding dienen te betalen die de nettokosten van de uitgevoerde beoordelingen dekt. In dat geval moet de vergoeding niet-discriminerend en redelijk zijn en op transparante wijze worden gefactureerd aan alle entiteiten die een onderzoek vragen.

  13. Rekening houdend met de resultaten van een raadpleging van de belanghebbenden en de uitwisseling van informatie met andere toezichthoudende instanties, dienen de toezichthoudende instanties een coherente methode te ontwikkelen voor onderzoeken van het hoofddoel en, desgevallend, het economisch evenwicht. Andere entiteiten kunnen aan die verantwoordelijkheid geen beperkingen opleggen. Onderzoeken moeten worden onderbouwd door een analyse van elk individueel dossier en verder reiken dan de eenvoudige toepassing van een vooraf bepaalde drempelwaarde. In de nationale wetgeving mogen geen drempelwaarden worden vastgesteld. De beoordelingsmethode moet worden vastgesteld, rekening houdend met de marktontwikkelingen en na verloop van tijd kunnen worden aangepast in het licht van de door de toezichthoudende instanties opgedane ervaring.

  14. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 62, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Voorwerp

Bij deze verordening worden de procedure en criteria vastgesteld die moeten worden toegepast om te bepalen of:

  1. het hoofddoel van een voorgestelde spoorvervoersdienst erin bestaat passagiers te vervoeren tussen stations in verschillende lidstaten;

  2. het economisch evenwicht van een openbaredienstcontract voor spoorvervoer door een internationale passagiersdienst per spoor in gevaar komt.

Artikel 1 bis Uitsluitingen van het toepassingsgebied

Deze verordening is niet van toepassing op door een onderneming georganiseerde diensten voor het vervoer van de eigen werknemers van en naar het werk, en evenmin op diensten waarvoor aan het publiek geen kaartjes worden verkocht.

Artikel 2 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

    1. „nieuwe internationale passagiersdienst” :
    een voorstel om een nieuwe internationale passagiersdienst op te zetten of om de frequentie of het aantal stops van een bestaande internationale passagiersdienst significant uit te breiden;
    2. „onderzoek van het hoofddoel” :
    de op verzoek van een in artikel 5 bedoelde entiteit door een toezichthoudende instantie uitgevoerde beoordelingsprocedure om te bepalen of het hoofddoel van een voorgestelde spoorvervoersdienst erin bestaat passagiers te vervoeren tussen stations in verschillende lidstaten, dan wel tussen stations in dezelfde lidstaat;
    3. „onderzoek van het economisch evenwicht” :
    de op verzoek van een in artikel 10 bedoelde entiteit door een toezichthoudende instantie uitgevoerde beoordelingsprocedure om te bepalen of het economisch evenwicht van een openbaredienstcontract door een voorgestelde nieuwe internationale passagiersdienst per spoor in gevaar komt; uitsluitend van toepassing in lidstaten die overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2012/34/EU voor internationale passagiersdiensten tussen een plaats van vertrek en bestemming die onder één of meer openbaredienstcontracten vallen beperkingen hebben opgelegd aan het recht op toegang tot de spoorweginfrastructuur;
    4. „openbaredienstcontract” :
    een openbaredienstcontract voor spoorvervoer in de zin van artikel 2, onder i), van Verordening (EG) nr. 1370/2007;
    5. „bevoegde instantie” :
    een bevoegde instantie in de zin van artikel 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1370/2007;
    6. „netto financieel resultaat” :
    het effect van een openbaredienstcontract op de kosten en inkomsten die voortvloeien uit de naleving van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de inkomsten die een spoorwegonderneming uit die activiteiten haalt en een redelijke winstmarge, berekend overeenkomstig punt 2 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1370/2007.

Artikel 3 Kennisgeving van een geplande nieuwe internationale passagiersdienst

1.

Voor hij bij de infrastructuurbeheerder infrastructuurcapaciteit aanvraagt, stelt de aanvrager de betrokken toezichthoudende instanties in kennis van zijn voornemen om een nieuwe internationale passagiersdienst in te voeren.

2.

De toezichthoudende instanties ontwikkelen een standaardformulier dat zij op hun website ter beschikking stellen en waarin aanvragers de volgende informatie kunnen meedelen:

  1. de naam, het adres, de rechtsvorm en het registratienummer van de aanvrager (in voorkomend geval);

  2. de contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor de verzoeken;

  3. gegevens over de vergunning en het veiligheidscertificaat van de aanvrager of over de voortgang van de procedure om die te behalen;

  4. een gedetailleerde route met de plaats van vertrek en de bestemmingsstations, aangevuld met alle tussenstops en de afstand daartussen;

  5. de geplande startdatum van de exploitatie van de voorgestelde nieuwe internationale passagiersdienst;

  6. de dienstregeling, frequentie en capaciteit van de voorgestelde nieuwe dienst met vermelding van de vertrektijden, tussenstops, aankomsttijden en aansluitingen en voor elke richting eventuele afwijkingen van de frequentie of het stoppatroon van de standaarddienstregeling;

  7. motivering dat het hoofddoel van de voorgestelde spoorvervoersdienst erin bestaat passagiers te vervoeren tussen stations in verschillende lidstaten.

3.

De informatie met betrekking tot de exploitatie van de voorgestelde nieuwe internationale spoorvervoersdienst voor passagiers moet minstens de eerste drie en waar mogelijk de eerste vijf exploitatiejaren bestrijken.

4.

De toezichthoudende instantie publiceert de door de aanvrager ingediende kennisgeving, met weglating van eventuele commercieel gevoelige informatie, onverwijld op haar website en stelt de in artikel 5 of artikel 10 bedoelde entiteiten daar desgevallend van in kennis.

5.

De aanvrager motiveert elk verzoek om commercieel gevoelige informatie niet te publiceren. Indien de toezichthoudende instantie de motivering aanvaardt, neemt zij de vertrouwelijkheid van de meegedeelde informatie in acht. Indien dat niet het geval is, stelt zij de aanvrager vertrouwelijk in kennis van haar weigering. Deze procedure doet geen afbreuk aan eventuele beroepsprocedures tegen dit besluit op grond van de nationale wetgeving.

6.

Alle door de aanvrager in het standaardformulier en aanvullende documenten meegedeelde informatie wordt digitaal naar de toezichthoudende instantie verzonden.

Artikel 4 Termijn waarbinnen een aanvraag kan worden ingediend om het hoofddoel of economisch evenwicht te onderzoeken

Artikel 5 Entiteiten die het recht hebben om een onderzoek naar het hoofddoel te vragen

Artikel 6 Bij de indiening van een verzoek om een onderzoek van het hoofddoel mee te delen informatie

Artikel 7 Procedure voor het onderzoek van het hoofddoel

Artikel 8 Beoordelingscriteria voor het onderzoek van het hoofddoel

Artikel 9 Resultaat van het onderzoek van het hoofddoel

Artikel 10 Entiteiten die het recht hebben om een onderzoek naar het economisch evenwicht te vragen

Artikel 11 Bij de indiening van een onderzoek van het economisch evenwicht mee te delen informatie

Artikel 12 Procedure voor het onderzoek van het economisch evenwicht

Artikel 13 Inhoud van het onderzoek van het economisch evenwicht

Artikel 14 Beoordelingscriteria voor het onderzoek van het economisch evenwicht

Artikel 15 Resultaat van het onderzoek van het economisch evenwicht

Artikel 16 Herziening van een besluit na een onderzoek van het economisch evenwicht

Artikel 17 Samenwerking van de toezichthoudende instanties met andere toezichthoudende instanties die voor de voorgestelde nieuwe dienst bevoegd zijn

Artikel 18 Vergoedingen

Artikel 19 Methode

Artikel 20 Inwerkingtreding