Het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (hierna het „werkprogramma” genoemd), zoals uiteengezet in de bijlage, wordt aangenomen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie van 11 april 2016 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet
Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie van 11 april 2016 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie(1), en met name artikel 281,
Overwegende hetgeen volgt:
Krachtens artikel 280 van Verordening (EU) nr. 952/2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna „het wetboek” genoemd) stelt de Commissie een werkprogramma op voor de ontwikkeling en de uitrol van elektronische systemen (hierna „het werkprogramma” genoemd). Het eerste werkprogramma werd vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU van de Commissie(2). Dit programma moet worden geactualiseerd. Gezien het aantal wijzigingen dat in Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU moet worden aangebracht, is het omwille van de duidelijkheid wenselijk dit besluit in te trekken en door een nieuw besluit te vervangen.
Het werkprogramma is met name belangrijk voor de vaststelling van de overgangsmaatregelen die betrekking hebben op de elektronische systemen en het tijdschema voor de uitrol van de systemen die nog niet operationeel zijn wanneer het wetboek van toepassing wordt, dat wil zeggen 1 mei 2016. Het werkprogramma is bijgevolg noodzakelijk om de overgangsperioden vast te stellen die betrekking hebben op de elektronische systemen waarin Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie(3), Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie(4) en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie(5) voorzien.
Overeenkomstig het wetboek moeten alle uitwisselingen van informatie tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de opslag van die informatie geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken en moeten de informatie- en communicatiesystemen de marktdeelnemers in alle lidstaten dezelfde faciliteiten bieden. Daarom dient het werkprogramma te voorzien in een uitgebreid implementatieplan voor de elektronische systemen, teneinde de juiste toepassing van het wetboek te garanderen.
Dienovereenkomstig moet in het werkprogramma een lijst worden opgenomen van de elektronische systemen die moeten worden voorbereid en ontwikkeld door de lidstaten („nationale systemen”), dan wel door de lidstaten in samenwerking met de Commissie („trans-Europese systemen”), om ervoor te zorgen dat het wetboek in de praktijk toepassing kan vinden. Die lijst moet worden gebaseerd op de bestaande planning voor alle IT-gerelateerde douaneprojecten, het zogenaamde strategische meerjarenplan („MASP”), dat is opgesteld overeenkomstig Beschikking nr. 70/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 4 en artikel 8, lid 2, daarvan. De in het werkprogramma opgenomen elektronische systemen moeten dezelfde projectmatige beheersaanpak krijgen en overeenkomstig het MASP worden voorbereid en ontwikkeld.
In het werkprogramma moeten de elektronische systemen worden vastgesteld, evenals de desbetreffende rechtsgrond, de voornaamste mijlpalen en de datum waarop zij operationeel moeten zijn. Met „begindatum van de uitrol” moet worden verwezen naar de vroegste datum waarop de lidstaten met de exploitatie van het nieuwe elektronische systeem kunnen beginnen. De „einddatum van de uitrol” moet in het werkprogramma worden gedefinieerd als de uiterste datum waarop alle lidstaten en alle marktdeelnemers gebruik beginnen te maken van het nieuwe of bijgewerkte elektronische systeem, zoals vereist krachtens het wetboek. Deze termijnen zijn noodzakelijk voor de implementatie van de uitrol van het systeem op het niveau van de Unie. De lengte van de termijnen moet worden vastgesteld volgens de uitrolbehoeften van elk systeem.
Het tijdschema voor de uitrol van trans-Europese systemen moet worden vastgesteld aan de hand van specifieke datums of, indien nodig, aan de hand van termijnen. Deze termijnen mogen niet langer zijn dan nodig is voor de migratie van het huidige systeem dat door de lidstaten en de marktdeelnemers wordt gebruikt naar het nieuwe systeem. De lidstaten moeten binnen deze termijnen het tijdstip kunnen kiezen waarop de migratie van hun eigen systemen begint en eindigt en de marktdeelnemers zich moeten aansluiten op en gebruikmaken van de nieuwe systemen. De door elke lidstaat vastgestelde einddatum moet overeenkomen met de einddatum van de periode met de overgangsregels die overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 voor de desbetreffende elektronische systemen van toepassing zijn.
Het tijdschema voor de uitrol en de migratie van nationale systemen moet worden vastgesteld in overeenstemming met de nationale project- en migratieplannen van de lidstaten, aangezien deze systemen deel uitmaken van specifieke nationale IT-omgevingen en omstandigheden. De door elke lidstaat vastgestelde einddatum moet overeenkomen met de einddatum van de overgangsperiode voor de desbetreffende elektronische systemen zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447. Met het oog op transparantie en overeenkomstig artikel 56, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 brengen de lidstaten de Commissie op de hoogte van hun nationale planning en maakt de Commissie deze vervolgens bekend op de Europa-website. Verder dienen de lidstaten er zorg voor te dragen dat de marktdeelnemers tijdig de technische informatie ontvangen die zij nodig hebben om, in voorkomend geval, hun eigen systemen bij te werken en te verbinden met de nieuwe of bijgewerkte systemen en de nieuwe regels en gegevensvereisten toe te passen, daarbij rekening houdend met de aanbevelingen die de lidstaten in hun nationale gidsen voor goede IT-praktijken hebben verstrekt.
De in het werkprogramma bedoelde elektronische systemen moeten worden geselecteerd in het licht van de impact die zij naar verwachting zullen hebben op de in het wetboek vastgestelde prioriteiten. Een van de voornaamste prioriteiten bestaat erin dat aan marktdeelnemers een brede waaier van elektronische douanediensten kan worden aangeboden in het gehele douanegebied van de Unie. Voorts moeten de elektronische systemen tot doel hebben een grotere efficiëntie, effectiviteit en harmonisatie van de douaneprocessen overal in de Unie te bewerkstelligen. De volgorde van en het tijdschema voor de uitrol van de in het werkprogramma opgenomen systemen dienen gebaseerd te zijn op praktische en projectmatige overwegingen, zoals de spreiding van inspanningen en middelen, de koppeling tussen de projecten, de specifieke voorwaarden van elk systeem en de rijpheid van het project. Het werkprogramma moet de ontwikkeling van de elektronische systemen in verschillende fasen organiseren. Gelet op de talrijke systemen en interfaces die moeten worden ontwikkeld, uitgerold en onderhouden en de hoge kosten die aan de volledige implementatie van het werkprogramma uiterlijk in 2020 zijn verbonden, moeten een nauwgezette follow-up en monitoring worden gewaarborgd.
Aangezien de in artikel 16, lid 1, van het wetboek bedoelde elektronische systemen moeten worden ontwikkeld, uitgerold en onderhouden door de lidstaten, in samenwerking met de Commissie, moeten de Commissie en de lidstaten er samen zorg voor dragen dat de voorbereiding en de implementatie van de elektronische systemen worden beheerd in overeenstemming met het werkprogramma en dat passende maatregelen worden genomen om de genoemde systemen gecoördineerd en tijdig te plannen, te ontwerpen, te ontwikkelen en uit te rollen.
Teneinde te garanderen dat het werkprogramma en het MASP gelijklopen, moet het werkprogramma op hetzelfde tijdstip worden bijgewerkt als het MASP en daarop worden afgestemd. Bij de volgende actualiseringen van het werkprogramma zal bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de jaarlijkse vooruitgang bij de verwezenlijking van de overeengekomen doelstellingen, gezien het ambitieuze en uitdagende opzet van de elektronische systemen die in 2019 en 2020 moeten worden voltooid, en de concentratie van werkzaamheden die thans in 2019 en 2020 zijn gepland.
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1 Werkprogramma
Artikel 2 Implementatie
De Commissie en de lidstaten werken samen aan de implementatie van het werkprogramma.
De lidstaten dragen zorg voor de ontwikkeling en de uitrol van de desbetreffende elektronische systemen vóór de einddatum van de desbetreffende uitroltermijnen zoals vastgelegd in het werkprogramma.
De in het werkprogramma gespecificeerde projecten en de voorbereiding en implementatie van de desbetreffende elektronische systemen worden beheerd in overeenstemming met het werkprogramma en het strategische meerjarenplan („MASP”).
De Commissie streeft naar een gemeenschappelijke visie en overeenstemming met de lidstaten over de reikwijdte van de projecten, het ontwerp, de vereisten en de architectuur van de elektronische systemen, zodat de projecten van het werkprogramma van start kunnen gaan. In voorkomend geval raadpleegt de Commissie ook de marktdeelnemers en houdt zij rekening met hun standpunten.
Artikel 3 Actualiseringen
Het werkprogramma wordt op gezette tijden bijgewerkt om het af te stemmen op en aan te passen aan de laatste ontwikkelingen bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 952/2013 en om rekening te houden met de concrete vorderingen bij de voorbereiding en de ontwikkeling van de elektronische systemen, met name wat betreft de beschikbaarheid van gezamenlijk overeengekomen specificaties en de inbedrijfstelling van de elektronische systemen.
Teneinde te garanderen dat het werkprogramma en het MASP gelijklopen, wordt het werkprogramma ten minste één keer per jaar bijgewerkt.
Artikel 4 Communicatie en beheer
De Commissie en de lidstaten wisselen informatie uit over de planning en het verloop van de implementatie van elk systeem.
Uiterlijk zes maanden vóór de geplande uitroldatum van een bepaald IT-systeem leggen de lidstaten de Commissie nationale project- en migratieplannen voor. Deze plannen bevatten de volgende informatie:
-
de datum van bekendmaking van de technische specificaties voor de externe communicatie van het elektronische systeem;
-
de periode voor het verrichten van conformiteitstests met de marktdeelnemers;
-
de uitroldatums van het elektronische systeem, met inbegrip van de datum waarop het operationeel wordt, en in voorkomend geval de migratieperiode voor de marktdeelnemers.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van iedere actualisering van de nationale project- en migratieplannen.
De Commissie maakt de nationale project- en migratieplannen bekend op haar website.
De lidstaten verstrekken de marktdeelnemers tijdig de technische specificaties met betrekking tot de externe communicatie van het nationale elektronische systeem.