Bijlage III bij Richtlijn 2006/126/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Richtlijn (EU) 2016/1106 van de Commissie van 7 juli 2016 tot wijziging van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (Voor de EER relevante tekst)
Richtlijn (EU) 2016/1106 van de Commissie van 7 juli 2016 tot wijziging van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs(1), en met name artikel 8,
Overwegende hetgeen volgt:
De wetenschappelijke kennis over medische factoren die gevolgen hebben voor de geschiktheid om een motorvoertuig te besturen zijn geëvolueerd sinds de vaststelling van Richtlijn 2006/126/EG, met name wat betreft de inschatting van de risico's voor de verkeersveiligheid in verband met de medische toestand en de doeltreffendheid van de behandeling bij het afwenden van deze risico's.
De huidige tekst van Richtlijn 2006/126/EG stemt niet meer overeen met de recentste kennis over hart- en vaatziekten die een actueel of toekomstig risico vormen op een plotse en invalidiserende gebeurtenis, of die een individu verhinderen zijn voertuig veilig te besturen of beide.
Het Comité voor het rijbewijs heeft een werkgroep opgericht inzake rijden en hart- en vaatziekten, om de risico's van hart- en vaatziekten voor de verkeersveiligheid te beoordelen vanuit een actueel medisch perspectief en om passende richtsnoeren te formuleren. Uit het door deze werkgroep opgestelde verslag(2) blijkt waarom de bepalingen van bijlage III bij Richtlijn 2006/126/EG inzake hart- en vaatziekten moeten worden geactualiseerd. In het verslag wordt voorgesteld rekening te houden met de meest recente medische kennis en duidelijk aan te geven voor welke aandoeningen rijden moet worden toegestaan en in welke situatie rijbewijzen niet mogen worden afgegeven of verlengd. Het verslag bevat voorts ook gedetailleerde informatie over de wijze waarop de geactualiseerde bepalingen inzake hart- en vaatziekten moeten worden toegepast door de bevoegde nationale autoriteiten.
Sinds de laatste actualisering van de bepalingen over diabetes in bijlage III bij Richtlijn 2006/126/EG in 2009 is vooruitgang geboekt inzake de kennis en methoden voor het opsporen en behandelen van hypoglycemie. De diabeteswerkgroep, die door het Comité voor het rijbewijs is opgericht, is tot de conclusie gekomen dat die bepalingen moeten worden geactualiseerd teneinde rekening te houden met deze ontwikkelingen, met name wat betreft de relevantie van hypoglycemie tijdens de slaap en de duur van het rijverbod na diabetes mellitus voor bestuurders van groep 1.
Om op passende wijze rekening te houden met specifieke individuele kenmerken en zich aan te passen aan toekomstige ontwikkelingen op deze medische gebieden, mogen de bevoegde nationale medische autoriteiten van de lidstaten toestemming geven om te rijden in naar behoren gemotiveerde individuele gevallen.
Richtlijn 2006/126/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(3), hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om, in gerechtvaardigde gevallen, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.
De bepalingen van deze richtlijn zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het rijbewijs,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2
De lidstaten dienen uiterlijk 1 januari 2018 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2018.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.