Home

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/263 van de Commissie van 14 februari 2017 betreffende risicobeperkende en versterkte bioveiligheidsmaatregelen en systemen voor vroege opsporing in verband met de risico's die wilde vogels inhouden wat de overdracht van hoogpathogene aviaire-influenzavirussen op pluimvee betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 765) (Voor de EER relevante tekst. )

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/263 van de Commissie van 14 februari 2017 betreffende risicobeperkende en versterkte bioveiligheidsmaatregelen en systemen voor vroege opsporing in verband met de risico's die wilde vogels inhouden wat de overdracht van hoogpathogene aviaire-influenzavirussen op pluimvee betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 765) (Voor de EER relevante tekst. )

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt(1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt(2), en met name artikel 10, lid 4,

Gezien Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG(3), en met name artikel 63, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Aviaire influenza is een virale infectieziekte bij vogels, waaronder pluimvee. Infecties met aviaire-influenzavirussen bij gedomesticeerd pluimvee veroorzaken twee hoofdvormen van de ziekte met een verschillende virulentie. De laagpathogene vorm leidt in de regel slechts tot milde symptomen, terwijl de hoogpathogene vorm bij de meeste pluimveesoorten een zeer hoge sterfte veroorzaakt. Die ziekte kan ernstige gevolgen hebben voor de rentabiliteit van de pluimveehouderij.

  2. Richtlijn 2005/94/EG stelt de bestrijdingsmaatregelen vast die minimaal moeten worden genomen bij een uitbraak van die ziekte onder pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels en voorziet ook in bepaalde preventieve maatregelen met betrekking tot de bewaking en de vroege opsporing van aviaire influenza.

  3. Richtlijn 2005/94/EG bepaalt ook dat gedetailleerde regels die als gevolg van de epidemiologische situatie nodig zijn ter aanvulling van de minimale bestrijdingsmaatregelen overeenkomstig die richtlijn kunnen worden vastgesteld door de Commissie.

  4. Van wilde vogels, met name wilde trekkende watervogels, is bekend is dat zij de natuurlijke gastheer zijn voor laagpathogene aviaire-influenzavirussen waarvan zij tijdens hun seizoensgebonden migratiebewegingen drager zijn, gewoonlijk zonder tekenen van de ziekte te vertonen. Sinds medio 2005 is het echter bewezen dat een virusstam van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) van het subtype H5N1 wilde vogels kan besmetten en door hen over lange afstanden kan worden verspreid(4).

  5. De aanwezigheid van aviaire-influenzavirussen bij wilde vogels vormt een voortdurende bedreiging wat betreft de directe en indirecte insleep van deze virussen in bedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden, met het risico van daaropvolgende verspreiding van het virus van een besmet bedrijf naar andere bedrijven.

  6. Beschikking 2005/734/EG van de Commissie(5) is naar aanleiding van de insleep van het HPAI-virus van het subtype H5N1 uit Zuidoost-Azië in Europa door de westwaartse verspreiding van het virus in 2005 vastgesteld ter verbetering van de bestrijdingsmaatregelen die al in de wetgeving van de Unie waren opgenomen, met name gezien de risico's van de ongekende intercontinentale verspreiding van dat HPAI-virus door wilde vogels.

  7. Beschikking 2005/734/EG voorziet in bioveiligheidsmaatregelen en aanvullende risicobeperkende maatregelen ter beperking van het risico van overdracht van het HPAI-H5N1-virus van wilde vogels op pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels door de preventie van direct en indirect contact tussen deze groepen. Beschikking 2005/734/EG verplicht de lidstaten om vast te stellen welke gebieden van hun grondgebied in het bijzonder risico lopen op de insleep van het HPAI-H5N1-virus in bedrijven waar pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels aanwezig zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de epidemiologische situatie en specifieke risicofactoren. De lidstaten zijn gehouden tot toepassing van bepaalde risicobeperkende maatregelen in deze gebieden met een hoog risico, bijvoorbeeld zorgen voor een ophokplicht voor het betrokken pluimvee. De lidstaten zijn ook verplicht ervoor te zorgen dat eigenaars meer bewust worden gemaakt van de risico's van overdracht en van de noodzaak om op hun bedrijven bioveiligheidsmaatregelen toe te passen.

  8. Voorts vereist Beschikking 2005/734/EG dat de lidstaten systemen voor vroege opsporing invoeren die gericht zijn op een snelle melding door de eigenaars aan de bevoegde veterinaire autoriteit van tekenen van aviaire influenza bij pluimveekoppels waarbij rekening moet worden gehouden met specifieke parameters en beperkte wijzigingen van de productiegegevens.

  9. Besluit 2010/367/EU van de Commissie(6) bevat richtsnoeren voor de verplichte uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma's voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels, met inbegrip van vereisten inzake bemonstering en laboratoriumonderzoek. Bij dit besluit is tevens bepaald dat de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis moeten worden gesteld van abnormale sterfte of significante ziekte of sterfte bij wilde vogels, met name bij wilde trekkende watervogels.

  10. Eind 2014 en begin 2015 werd het HPAI-H5N8-virus door wilde vogels in de Unie ingesleept. Het veroorzaakte zeer lage sterfte bij wilde vogels, maar leidde in verschillende lidstaten tot ernstige uitbraken bij pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels.

  11. Eind oktober 2016 is een zeer nauw verwante HPAI-H5N8-virusstam vastgesteld bij wilde trekvogels, waarvan het merendeel dood is aangetroffen, in twintig lidstaten, namelijk in Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, alsook in nabijgelegen derde landen zoals Oekraïne, Servië en Zwitserland. De meeste uitbraken zijn bevestigd in Frankrijk, Hongarije en Bulgarije in bepaalde gebieden met een groot aantal bedrijven met eenden en ganzen.

  12. De huidige epidemiologische situatie is zeer dynamisch en verandert voortdurend. Trekvogels blijven zich verplaatsen en bij de lopende bewakingsactiviteiten van de lidstaten wordt het HPAI-H5N8-virus nog steeds bij wilde vogels vastgesteld. Het virus zal daarom gedurende de komende maanden en waarschijnlijk tijdens verdere seizoensgebonden verplaatsingen van trekvogels een bedreiging blijven voor pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels in de Unie, met het risico van verdere overdracht van het virus tussen bedrijven in bepaalde omgevingen met een hoog risico.

  13. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is momenteel een uitvoerig wetenschappelijk advies over aviaire influenza aan het voorbereiden dat in september 2017 zal worden afgerond. Gezien de huidige HPAI-H5N8-epidemie werd de EFSA echter verzocht een dringende beoordeling van de epidemiologische situatie uit te voeren en voorlopig wetenschappelijk advies uit te brengen inzake de geschiktheid van de op EU-niveau bepaalde beschermende maatregelen in verband met de risico's van wilde met HPAI-H5N8 besmette vogels.

  14. Op 20 december 2016 heeft het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA een dringend verzoek betreffende aviaire influenza(7) gepubliceerd waarin wordt bevestigd dat de strikte uitvoering van bioveiligheids- en risicobeperkende maatregelen het belangrijkste instrument is om de directe of indirecte overdracht van HPAI-virussen van de subtypes H5 en H7 van wilde vogels naar bedrijven met pluimvee en in gevangenschap levende vogels te voorkomen. Bioveiligheid moet op dergelijke bedrijven een routinematige praktijk zijn en worden versterkt gedurende perioden van verhoogd risico.

  15. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat passieve bewaking van wilde vogels de meest doeltreffende manier is voor de vroege opsporing van de aanwezigheid van HPAI-virussen bij wilde vogels en beveelt aan zich te richten op het bemonsteren en testen van wilde vogels ter versterking van een aantal bepalingen betreffende wilde vogels die zijn vastgesteld in de richtsnoeren voor de uitvoering van de bewakingsprogramma's voor aviaire influenza bij wilde vogels zoals vastgesteld in bijlage II bij Besluit 2010/367/EU.

  16. De EFSA verwijst verder naar de beoordeling(8) door het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) waarin is bepaald dat tot op heden wereldwijd geen menselijke infecties met het huidige HPAI-H5N8-virus zijn gemeld en dat uit verdere viruskarakterisering blijkt dat het nog steeds in wezen een vogelvirus betreft zonder enige specifieke verhoogde vatbaarheid bij de mens.

  17. Uit de ervaring die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de in Beschikking 2005/734/EG vastgestelde maatregelen hebben opgedaan, blijkt dat flexibiliteit moet worden gehandhaafd om die maatregelen aan de epidemiologische situatie in de betrokken lidstaat te kunnen aanpassen.

  18. Om de vogelpopulaties die het meeste risico lopen te bereiken en de doeltreffendheid van de in dit besluit vastgestelde maatregelen te waarborgen, moeten bepaalde preventieve maatregelen op bedrijven met pluimvee worden gericht.

  19. De in Beschikking 2005/734/EG vastgestelde maatregelen moeten daarom worden herzien en aangepast om rekening te houden met de huidige epidemiologische situatie bij pluimvee en bij wilde vogels in de lidstaten, de door de EFSA op 20 december 2016 gepubliceerde mededeling over aviaire influenza en de ervaring die de lidstaten bij de praktische uitvoering van de maatregelen van die beschikking hebben opgedaan.

  20. De in Beschikking 2005/734/EG vastgestelde maatregelen zijn aangepast en meermaals verlengd en zijn van toepassing tot en met 31 december 2017. Voor de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie moet Beschikking 2005/734/EG worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen.

  21. De in dit besluit vastgelegde maatregelen zullen indien nodig worden herzien in het licht van de uiteindelijke resultaten van het wetenschappelijk advies van de EFSA over aviaire influenza dat in september 2017 zal worden voltooid.

  22. De in dit besluit vastgestelde maatregelen moeten van toepassing zijn tot en met 30 juni 2018.

  23. De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

Dit besluit bevat risicobeperkende maatregelen en systemen voor vroege opsporing in verband met de risico's die wilde vogels geven op de insleep van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) in bedrijven, alsook maatregelen voor de bewustmaking van eigenaars omtrent dergelijke risico's en de noodzaak om bioveiligheidsmaatregelen op hun bedrijven in te voeren of te versterken.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van dit besluit zijn de definities in artikel 2 van Richtlijn 2005/94/EG van toepassing.

Artikel 3 Identificatie van gebieden met een hoog risico op de insleep van HPAI-virussen

De lidstaten zorgen voor de identificatie en herziening van de delen van hun grondgebied die een bijzonder risico lopen op de insleep van HPAI-virussen in bedrijven (hierna „gebieden met een hoog risico” genoemd), alsmede van de periode waarvoor een dergelijk risico bestaat, rekening houdend met de volgende zaken:

  1. de epidemiologische situatie op hun grondgebied of op het grondgebied van nabijgelegen lidstaten of derde landen, in het bijzonder met betrekking tot:

    1. de detectie van HPAI-virussen bij wilde vogels of bij uitwerpselen daarvan;

    2. uitbraken van HPAI in bedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden die hoogstwaarschijnlijk verband houden met de detectie van HPAI-virussen als bedoeld in punt i);

    3. detecties in het verleden van HPAI-virussen als bedoeld in de punten i) en ii) en het risico op herhaling;

  2. de risicofactoren voor de insleep van HPAI-virussen in bedrijven, in het bijzonder met betrekking tot:

    1. hun ligging langs vogeltrekroutes, met name wanneer de vogels uit Centraal- en Oost-Azië, de gebieden rond de Kaspische Zee, de gebieden rond de Zwarte Zee, het Midden-Oosten of Afrika komen;

    2. de afstand tussen het bedrijf en watergebieden, vijvers, moerassen, meren of rivieren waar trekvogels, in het bijzonder die van de orden Anseriformes en Charadriiformes, kunnen neerstrijken;

    3. de ligging van bedrijven in gebieden waar veel trekvogels, met name watervogels, voorkomen;

    4. pluimvee dat in open lucht wordt gehouden, waarbij contact tussen wilde vogels en pluimvee niet voldoende kan worden voorkomen;

  3. bijkomende risicofactoren voor verspreiding van HPAI-virussen binnen bedrijven en tussen bedrijven, met name wanneer:

    1. het bedrijf in een gebied met een hoge dichtheid van bedrijven ligt;

    2. de intensiteit van verplaatsingen van pluimvee, voertuigen en personen binnen en vanuit bedrijven en andere directe en indirecte contacten tussen bedrijven hoog is;

  4. door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en nationale en internationale instanties voor risicobeoordeling uitgevoerde risicobeoordelingen met betrekking tot de relevantie van de verspreiding van HPAI-virussen door wilde vogels;

  5. de resultaten van overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2005/94/EG uitgevoerde bewakingsprogramma's.

Artikel 4 Risicobeperkende maatregelen

1.

Afhankelijk van de specifieke epidemiologische situatie op hun grondgebied en zo lang als nodig nemen de lidstaten passende, uitvoerbare maatregelen ter beperking van het risico op overdracht van HPAI-virussen van wilde vogels op pluimvee in gebieden met een hoog risico.

2.

De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn er met name op gericht te voorkomen dat wilde vogels, met name wilde trekkende watervogels, direct of indirect in contact komen met pluimvee, en met name met eenden en ganzen.

3.

De lidstaten verbieden het volgende in gebieden met een hoog risico:

  1. het houden van pluimvee in open lucht;

  2. het gebruik van watervoorzieningen voor pluimvee in open lucht;

  3. het verstrekken van water aan pluimvee dat afkomstig is van oppervlaktewatervoorraden waartoe wilde vogels toegang hebben;

  4. de opslag van diervoeder voor pluimvee dat niet tegen wilde vogels of andere dieren is beschermd.

4.

Als verdere risicobeperkende maatregelen verbieden de lidstaten:

  1. het samenbrengen van pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels op markten, shows, tentoonstellingen en culturele evenementen;

  2. het gebruik van lokvogels van de orden Anseriformes en Charadriiformes („lokvogels”).

5.

De lidstaten herzien geregeld de maatregelen die zijn genomen uit hoofde van de leden 1 tot en met 4, teneinde deze bij te stellen en aan te passen om rekening te houden met de epidemiologische situatie, met inbegrip van de risico's van wilde vogels.

Artikel 5 Bewustmakings- en bioveiligheidsmaatregelen

Artikel 6 Uitzonderingen op de in artikel 4 vastgestelde risicobeperkende maatregelen

Artikel 7 Systemen voor vroege opsporing bij pluimveekoppels

Artikel 8 Meer bewaking van wilde vogels

Artikel 9 Naleving en informatieverplichtingen

Artikel 10 Intrekkingen

Artikel 11 Toepasbaarheid

Artikel 12 Adressaten