Deze verordening heeft tot doel de werking van de interne markt te versterken door een betere toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning en door ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen weg te nemen.
Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (Voor de EER relevante tekst.)
Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (Voor de EER relevante tekst.)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),
Overwegende hetgeen volgt:
De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd volgens de Verdragen. Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen met hetzelfde effect zijn tussen de lidstaten verboden. Dit verbod betreft elke nationale maatregel die de handel in goederen binnen de Unie direct of indirect, feitelijk of potentieel kan belemmeren. Het vrije verkeer van goederen binnen de interne markt wordt gewaarborgd door de harmonisatie van regels op Unieniveau waarbij gemeenschappelijke voorschriften worden vastgesteld voor het in de handel brengen van bepaalde goederen. Het vrije verkeer van goederen of van aspecten van goederen die niet volledig onder de harmonisatieregels van de Unie vallen, wordt gewaarborgd door de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals omschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Een goed functionerend beginsel van wederzijdse erkenning is een essentiële aanvulling op harmonisatie van regels op Unieniveau, met name wanneer er rekening mee wordt gehouden dat veel goederen zowel geharmoniseerde als niet-geharmoniseerde aspecten hebben.
Wanneer de wetgeving voor goederen of bepaalde aspecten van goederen niet op Unieniveau geharmoniseerd is, is het mogelijk dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat onrechtmatige belemmeringen voor het vrij verkeer van goederen tussen lidstaten opwerpen door op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, nationale voorschriften toe te passen, bijvoorbeeld technische vereisten met betrekking tot aanduiding, vorm, omvang, gewicht, samenstelling, aanbiedingsvorm, etikettering of verpakking. De toepassing van dergelijke voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, kan in strijd zijn met de artikelen 34 en 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), ook al zijn die voorschriften zonder onderscheid van toepassing op alle goederen.
Het beginsel van wederzijdse erkenning vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens dit beginsel kunnen lidstaten de verkoop op hun grondgebied van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, niet verbieden, zelfs niet indien die goederen, met inbegrip van de goederen die niet door een fabricageproces zijn verkregen, overeenkomstig andere technische voorschriften zijn geproduceerd. Het beginsel van wederzijdse erkenning is echter niet absoluut. De lidstaten kunnen beperkingen instellen tegen het in de handel brengen van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht wanneer dergelijke beperkingen gerechtvaardigd zijn op basis van de in artikel 36 VWEU genoemde gronden of op grond van andere dwingende redenen van openbaar belang die zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot het vrij verkeer van goederen, en wanneer deze beperkingen in verhouding staan tot het nagestreefde doel. Deze verordening legt de verplichting op duidelijk te rechtvaardigen waarom markttoegang wordt beperkt of ontzegd.
Het begrip „dwingende reden van openbaar belang” is een dynamisch concept dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak omtrent de artikelen 34 en 36 VWEU heeft ontwikkeld. Indien er gerechtvaardigde verschillen bestaan tussen lidstaten, kunnen dergelijke dwingende redenen de toepassing van nationale technische voorschriften door de bevoegde autoriteiten rechtvaardigen. Administratieve besluiten moeten echter altijd naar behoren worden gemotiveerd en moeten legitiem, geschikt en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel zijn, en de bevoegde autoriteit moet voor het minst restrictieve besluit kiezen. Teneinde de interne markt voor goederen beter te doen functioneren, dienen de nationale technische voorschriften geschikt te zijn voor het beoogde doel en mogen zij geen onevenredige non-tarifaire belemmeringen opwerpen. Voorts mogen de administratieve besluiten die de toegang tot de markt van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, beperken of ontzeggen, niet louter gebaseerd zijn op het feit dat de beoordeelde goederen op een andere manier aan het door de lidstaat nagestreefde rechtmatige algemene doel voldoen dan de manier waarop goederen in die lidstaat aan dat doel voldoen. Teneinde de lidstaten te helpen, moet de Commissie niet-bindende richtsnoeren aanreiken over de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende het begrip „dwingende reden van openbaar belang” en aangeven hoe het beginsel van wederzijdse erkenning moet worden toegepast. De bevoegde autoriteiten moeten in de gelegenheid worden gesteld om bijdragen te leveren en feedback te geven op de richtsnoeren.
In de door de Raad Concurrentievermogen op december 2013 aangenomen conclusies over het beleid voor de eengemaakte markt is erop gewezen dat met het oog op betere randvoorwaarden voor ondernemingen en consumenten in de eengemaakte markt, naar behoren gebruik moet worden gemaakt van alle relevante instrumenten, inclusief wederzijdse erkenning. De Raad heeft de Commissie uitgenodigd verslag uit te brengen over de gevallen waarin het beginsel van wederzijdse erkenning niet voldoende functioneert of op problemen stuit. In zijn conclusies over het beleid voor de eengemaakte markt van februari 2015 heeft de Raad Concurrentievermogen er bij de Commissie op aangedrongen voorstellen te doen om ervoor te zorgen dat het beginsel van wederzijdse erkenning effectief functioneert.
Verordening (EG) nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad(3) werd vastgesteld om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken. Daartoe bevat de verordening procedures om zo veel mogelijk uit te sluiten dat onrechtmatige belemmeringen worden opgeworpen voor het vrije verkeer van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht. Ondanks die verordening bestaan er nog steeds talrijke problemen met betrekking tot de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Uit de tussen 2014 en 2016 uitgevoerde evaluatie is gebleken dat het beginsel van wederzijdse erkenning niet naar behoren werkt en dat Verordening (EG) nr. 764/2008 een beperkte invloed heeft gehad op de verbetering van de toepassing ervan. De instrumenten en procedurele waarborgen die bij die verordening zijn ingesteld, hebben hun doelstelling — een betere toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning — niet verwezenlijkt. Zo is het netwerk van productcontactpunten, dat werd opgezet om de marktdeelnemers informatie te verstrekken over de geldende nationale voorschriften en de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, nauwelijks bekend bij de marktdeelnemers en wordt het nauwelijks gebruikt. Binnen dat netwerk werken de nationale autoriteiten onvoldoende samen. Aan de kennisgevingsvereiste voor administratieve besluiten die de toegang tot de markt beperken of ontzeggen, wordt nauwelijks voldaan. Bijgevolg blijven belemmeringen bestaan voor het vrij verkeer van goederen binnen de interne markt.
Verordening (EG) nr. 764/2008 heeft verschillende tekortkomingen en moet daarom worden herzien en versterkt. Ter wille van de duidelijkheid moet Verordening (EG) nr. 764/2008 worden vervangen door onderhavige verordening. In de onderhavige verordening moeten duidelijke procedures worden vastgesteld om het vrij verkeer van in een andere lidstaat rechtmatig in de handel gebrachte goederen te waarborgen, en om ervoor te zorgen, dat de lidstaten het vrij verkeer enkel kunnen beperken op grond van legitieme openbare belangen en dat de beperking gerechtvaardigd en evenredig is. Deze verordening dient er ook voor te zorgen dat de bestaande rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het beginsel van wederzijdse erkenning zowel door de marktdeelnemers als door de nationale autoriteiten worden geëerbiedigd.
Deze verordening mag, in voorkomend geval, geen afbreuk doen aan de verdere harmonisering van de voorwaarden voor het in de handel brengen van goederen met het oog op het beter doen functioneren van de interne markt.
Handelsbelemmeringen kunnen ook voortvloeien uit andere soorten maatregelen die binnen het toepassingsgebied van de artikelen 34 en 36 VWEU vallen. Bij deze maatregelen kan het bijvoorbeeld gaan om technische specificaties ten behoeve van aanbestedingsprocedures of voorschriften tot gebruik van de officiële talen in de lidstaten. Deze maatregelen mogen geen nationaal technisch voorschrift vormen in de zin van deze verordening, en mogen derhalve niet binnen de werkingssfeer ervan vallen.
In de lidstaten worden nationale technische voorschriften soms uitgevoerd door middel van een procedure voor voorafgaande machtiging die inhoudt dat formele goedkeuring van een bevoegde autoriteit moet worden verkregen voordat de goederen in die lidstaat in de handel kunnen worden gebracht. Het bestaan van een dergelijke procedure voor voorafgaande machtiging beperkt als zodanig het vrij verkeer van goederen. Om gerechtvaardigd te zijn met betrekking tot het grondbeginsel van het vrij verkeer van goederen binnen de interne markt, moet een dergelijke procedure een door het Unierecht erkend doel van openbaar belang nastreven, en moet zij evenredig en niet-discriminerend zijn. In het licht van de overwegingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beoordeeld of een dergelijke procedure in overeenstemming is met het Unierecht. Daarom moeten administratieve besluiten die de toegang tot de markt beperken of ontzeggen louter omdat er geen geldige voorafgaande machtiging is verleend voor de goederen, van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. Wanneer evenwel een aanvraag voor een verplichte voorafgaande machtiging betreffende goederen is ingediend, mag een administratief besluit om de aanvraag af te wijzen op grond van een in die lidstaat geldend nationaal technisch voorschrift uitsluitend worden genomen overeenkomstig deze verordening, zodat de verzoeker de geboden procedurele bescherming van deze verordening kan genieten. Hetzelfde geldt voor de vrijwillige voorafgaande machtiging, indien deze bestaat.
Het is van belang te verduidelijken dat de soorten goederen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen ook landbouwproducten omvatten. De term „landbouwproducten” omvat de voortbrengselen van visserij, als vastgesteld in artikel 38, lid 1, VWEU. Teneinde te helpen bepalen welke soorten goederen onder deze verordening vallen, dient de Commissie de haalbaarheid en de voordelen van het verder ontwikkelen van een indicatieve lijst van producten voor wederzijdse erkenning te beoordelen.
Het is eveneens van belang te verduidelijken dat de term „producent” niet enkel de fabrikanten van de goederen omvat, maar ook de personen die goederen produceren die niet het resultaat zijn van een fabricageproces, met inbegrip van landbouwproducten, alsmede de personen die zich als de producent van goederen presenteren.
Beslissingen van nationale rechterlijke instanties waarin de wettigheid wordt beoordeeld van zaken waarin in één lidstaat rechtmatig in de handel gebrachte goederen wegens de toepassing van een nationaal technisch voorschrift geen toegang tot de markt in een andere lidstaat krijgen, en beslissingen van nationale rechterlijke instanties waarin sancties worden opgelegd, moeten van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.
Om onder het beginsel van wederzijdse erkenning te vallen, moeten goederen in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht. Om te worden beschouwd als in een andere lidstaat rechtmatig in de handel te zijn gebracht, moet worden verduidelijkt dat de goederen moeten voldoen aan de in die lidstaat geldende relevante regels, en aan eindgebruikers in die lidstaat moeten worden aangeboden.
Om de nationale autoriteiten en de marktdeelnemers van het beginsel van wederzijdse erkenning bewust te maken, kunnen de lidstaten overwegen om duidelijke en ondubbelzinnige „eengemaaktemarktclausules” in hun nationale technische voorschriften op te nemen teneinde de toepassing van dat beginsel te vergemakkelijken.
Het bewijs dat nodig is om aan te tonen dat goederen in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, verschilt aanzienlijk tussen de lidstaten. Dit heeft onnodige lasten, vertragingen en aanvullende kosten voor de marktdeelnemers tot gevolg, en verhindert de nationale autoriteiten de nodige informatie te verkrijgen voor een tijdige beoordeling van de goederen. Dit kan de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning hinderen. Het is daarom van essentieel belang dat marktdeelnemers eenvoudiger kunnen aantonen dat hun goederen in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht. De marktdeelnemers zouden de mogelijkheid moeten hebben een eigen verklaring op te stellen waarin aan de bevoegde autoriteiten alle noodzakelijke informatie wordt verstrekt over de goederen en over de conformiteit ervan met de in die andere lidstaat geldende regels. Indien gebruik wordt gemaakt van vrijwillige eigen verklaringen, kunnen nationale autoriteiten toch administratieve besluiten nemen om de toegang tot de markt te beperken of te ontzeggen, op voorwaarde dat dergelijke besluiten evenredig en gerechtvaardigd zijn en het beginsel van wederzijdse erkenning eerbiedigen en in overeenstemming zijn met deze verordening.
Een producent, een importeur of een distributeur moet de mogelijkheid hebben een verklaring op te stellen inzake het rechtmatig in de handel brengen van goederen, en wel voor het doel van wederzijdse erkenning („verklaring van wederzijdse erkenning”). De producent is het meest geschikt voor het verstrekken van de informatie in de verklaring van wederzijdse erkenning omdat de producent de goederen het best kent en in het bezit is van de nodige bewijzen voor het verifiëren van de informatie in de verklaring van wederzijdse erkenning. De producent moet zijn gemachtigde vertegenwoordiger toestemming kunnen geven dergelijke verklaringen op te stellen namens de producent en onder de verantwoordelijkheid van de producent. Indien een marktdeelnemer in de verklaring evenwel alleen informatie over de rechtmatigheid van het in de handel brengen van de goederen kan verstrekken, moet het voor een andere marktdeelnemer mogelijk zijn de informatie te verstrekken dat de goederen in de betrokken lidstaat ter beschikking van eindgebruikers worden gesteld, op voorwaarde dat die marktdeelnemer de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de informatie die hij in de verklaring van wederzijdse erkenning heeft verstrekt en de nodige bewijzen kan verstrekken voor het verifiëren van deze informatie.
De verklaring van wederzijdse erkenning moet te allen tijde juiste en volledige informatie bevatten over de goederen. De verklaring moet daarom worden geactualiseerd opdat deze wijzigingen bevat, zoals wijzigingen in de relevante nationale technische voorschriften.
Opdat de in een verklaring van wederzijdse erkenning verstrekte informatie volledig is, moet voor dergelijke verklaringen een geharmoniseerde structuur worden opgezet die kan worden gebruikt door de marktdeelnemers die dergelijke verklaringen willen opstellen.
Het is van belang ervoor te zorgen dat de verklaring van wederzijdse erkenning waarheidsgetrouw en nauwkeurig is ingevuld. Het is daarom noodzakelijk te eisen dat marktdeelnemers verantwoordelijk zijn voor de informatie die door hen in de verklaring van wederzijdse erkenning wordt opgenomen.
Voor het verbeteren van de efficiëntie en het concurrentievermogen van ondernemingen die actief zijn op het gebied van goederen die niet vallen onder de harmonisatiewetgeving van de Unie, moet het mogelijk zijn gebruik te maken van nieuwe informatietechnologieën die het verstrekken van de verklaring van wederzijdse erkenning gemakkelijker maken. Marktdeelnemers moeten daarom in staat zijn hun verklaringen van wederzijdse erkenning voor het publiek online toegankelijk te maken, op voorwaarde dat de verklaring van wederzijdse erkenning gemakkelijk toegankelijk is en in een betrouwbaar formaat wordt gepresenteerd.
De Commissie moet ervoor zorgen dat op de digitale toegangspoort een model voor de verklaring van wederzijdse erkenning, alsmede richtsnoeren voor het invullen van die verklaring beschikbaar worden gesteld in alle officiële talen van de Unie.
Deze verordening moet ook van toepassing zijn op goederen waarvan slechts sommige aspecten onder de harmonisatiewetgeving van de Unie vallen. Wanneer de marktdeelnemers uit hoofde van de harmonisatiewetgeving van de Unie een EU-conformiteitsverklaring moeten opstellen om aan te tonen dat zij aan die wetgeving voldoen, moet aan deze marktdeelnemers worden toegestaan dat zij de verklaring van wederzijdse erkenning uit hoofde van deze verordening aan de EU-conformiteitsverklaring toevoegen.
Wanneer marktdeelnemers besluiten geen gebruik te maken van de verklaring van wederzijdse erkenning, dienen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming op duidelijk omschreven wijze om de specifieke informatie te verzoeken die zij noodzakelijk achten voor de beoordeling van de goederen, met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.
Marktdeelnemers moeten voldoende tijd krijgen om documenten of andere informatie in te dienen waar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming om verzoekt, alsook om eventuele argumenten aan te voeren of opmerkingen in te dienen met betrekking tot de beoordeling van de betrokken goederen.
Bij Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad(4) wordt van de lidstaten vereist dat zij ieder ontwerp voor een nationaal technisch voorschrift betreffende producten, met inbegrip van landbouwproducten en visserijproducten, aan de Commissie en de overige lidstaten voorleggen, met vermelding van de redenen waarom de vaststelling van dat voorschrift nodig is. Er moet echter op worden toegezien dat het beginsel van wederzijdse erkenning na de vaststelling van een dergelijk nationaal technisch voorschrift in afzonderlijke gevallen op elk specifiek goed correct wordt toegepast. Bij deze verordening moeten procedures worden vastgesteld voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in afzonderlijke gevallen, door bijvoorbeeld van de lidstaten te verlangen dat zij de nationale technische voorschriften vermelden waarop het administratieve besluit gebaseerd is, alsook de legitieme grond van openbaar belang die de toepassing van het nationale technische voorschrift rechtvaardigt ten aanzien van een goed dat in een andere lidstaat rechtmatig in de handel is gebracht. De evenredigheid van het nationale technische voorschrift is de grondslag voor het aantonen van de evenredigheid van het administratieve besluit dat op dit voorschrift is gebaseerd. De wijze waarop de evenredigheid van het administratieve besluit moet worden aangetoond, moet geval per geval worden bepaald.
Aangezien administratieve besluiten die de toegang tot de markt voor in een andere lidstaat rechtmatig in de handel gebrachte goederen beperken of ontzeggen, een uitzondering moeten zijn op het fundamentele beginsel van wederzijdse erkenning, dient erop te worden toegezien dat zulke besluiten de bestaande verplichtingen die voortvloeien uit het beginsel van wederzijdse erkenning in acht nemen. Daarom dient er een duidelijke procedure te worden vastgesteld om te bepalen of goederen in de andere betrokken lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en, zo ja, of de rechtmatige openbare belangen die door het toepasselijke nationale technische voorschrift van de lidstaat van bestemming gewaarborgd worden, voldoende beschermd worden, in overeenstemming met artikel 36 VWEU en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Die procedure moet ervoor zorgen dat alle genomen administratieve besluiten evenredig zijn, het beginsel van wederzijdse erkenning eerbiedigen en in overeenstemming zijn met deze verordening.
Als een bevoegde autoriteit goederen onderzoekt teneinde te beslissen of zij die goederen de toegang tot de markt beperkt of ontzegt, mag die autoriteit niet de bevoegdheid hebben om te besluiten tot opschorting van de toegang tot de markt, behalve in gevallen waar snel ingrijpen vereist is om te voorkomen dat hetzij de veiligheid of de gezondheid van personen, hetzij het milieu in het gedrang komt of om te voorkomen dat goederen worden aangeboden wanneer daarvoor een algemeen verbod geldt op grond van het openbaar belang of de openbare veiligheid, waaronder bijvoorbeeld misdaadpreventie.
Bij Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad(5) is een accreditatieregeling ingevoerd die de wederzijdse erkenning van het bekwaamheidsniveau van de conformiteitsbeoordelingsinstanties waarborgt. Derhalve mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geen gebrek aan bekwaamheid aanvoeren om de door geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties opgestelde testrapporten en certificaten weigeren te aanvaarden. Voorts mogen de lidstaten ook testrapporten en certificaten die andere conformiteitsbeoordelingsinstanties in overeenstemming met het Unierecht hebben afgegeven, niet weigeren te aanvaarden om zo veel mogelijk te vermijden dat tests en procedures die al uitgevoerd zijn in een andere lidstaat, worden herhaald. De bevoegde autoriteiten moeten naar behoren rekening houden met de inhoud van de ingediende testrapporten of certificaten.
Bij Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) is bepaald dat uitsluitend veilige producten in de handel mogen worden gebracht, en zijn de verplichtingen voor producenten en distributeurs op het vlak van productveiligheid vastgesteld. De richtlijn geeft de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid gevaarlijke producten met onmiddellijke ingang te verbieden, of een product dat gevaarlijk kan zijn tijdelijk te verbieden, zolang dit voor de verschillende controles, onderzoeken of veiligheidsbeoordelingen noodzakelijk is. Daarnaast wordt in die richtlijn de procedure beschreven die de bevoegde autoriteiten moeten volgen om passende maatregelen te nemen indien de producten een risico vormen, waaronder de maatregelen als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder b) tot en met f), van die richtlijn, en worden de lidstaten verplicht de Commissie en de andere lidstaten van deze maatregelen in kennis te stellen. De bevoegde autoriteiten moeten die richtlijn, en met name artikel 8, lid 1, onder b) tot en met f), en artikel 8, lid 3, ervan bijgevolg kunnen blijven toepassen.
Bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(7) is onder meer een systeem voor snelle waarschuwingen ingesteld voor kennisgevingen van het bestaan van een direct of indirect risico voor de volksgezondheid dat verband houdt met een levensmiddel of diervoeder. De verordening eist van de lidstaten dat zij de Commissie door middel van het systeem voor snelle waarschuwingen onverwijld in kennis stellen van elke door hen vastgestelde maatregel waarbij het in de handel brengen van levensmiddelen of diervoeders wordt beperkt of waarbij het uit de handel nemen of het terugroepen daarvan wordt voorgeschreven met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid, en waarvoor snelle actie vereist is. De bevoegde autoriteiten moeten die verordening, en met name artikel 50, lid 3, en artikel 54, kunnen blijven toepassen.
Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad(8) brengt een geharmoniseerd Uniekader tot stand voor de organisatie van officiële controles, en voor de organisatie van andere officiële activiteiten dan officiële controles, voor de hele voedselketen, rekening houdend met de voorschriften inzake officiële controles van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad(9) en van de sectorale Uniewetgeving ter zake. Verordening (EU) 2017/625 bevat een specifieke procedure om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemer in geval van niet-naleving van de wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeders, en diergezondheid en dierenwelzijn, de situatie rechtzet. De bevoegde autoriteiten moeten Verordening (EU) 2017/625, en met name artikel 138, kunnen blijven toepassen.
Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) brengt een geharmoniseerd Uniekader tot stand voor het uitvoeren van controles overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 882/2004 vastgestelde criteria met betrekking tot de verplichtingen die in Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad(11) zijn vastgesteld, en geeft aan dat lidstaten er voor zorgen dat elke marktdeelnemer die aan die verplichtingen voldoet, het recht heeft onder een controlesysteem te vallen. De bevoegde autoriteiten moeten Verordening (EU) nr. 1306/2013, en met name artikel 90, kunnen blijven toepassen.
In elk administratief besluit dat door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uit hoofde van deze verordening is genomen, moeten de voor de marktdeelnemer beschikbare rechtsmiddelen worden vermeld, zodat een marktdeelnemer overeenkomstig het nationale recht tegen het besluit in beroep kan gaan of een zaak bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie aanhangig kan maken. Het administratieve besluit moet ook vermelden dat marktdeelnemers het netwerk voor probleemoplossing in de interne markt (Internal Market Problem Solving Network — Solvit) kunnen gebruiken, alsmede het probleemoplossingsmechanisme waarin deze verordening voorziet.
Effectieve oplossingen voor marktdeelnemers die een ondernemingsvriendelijk alternatief wensen bij het betwisten van administratieve besluiten die de toegang tot de markt beperken of ontzeggen, zijn essentieel om te waarborgen dat het beginsel van wederzijdse erkenning op correcte en consistente wijze wordt toegepast. Om die oplossingen te waarborgen en om vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen juridische kosten te vermijden, moet marktdeelnemers een buitengerechtelijk probleemoplossingsmechanisme worden geboden.
Solvit is een door de nationale overheid in elke lidstaat aangeboden dienst die tot doel heeft oplossingen te vinden voor particulieren en bedrijven wanneer hun rechten worden geschonden door de overheidsinstanties van een andere lidstaat. De regels voor de werking van Solvit zijn vastgelegd in Aanbeveling 2013/461/EU van de Commissie(12), volgens welke elke lidstaat een Solvit-centrum moet opzetten dat is voorzien van toereikende personele en financiële middelen opdat het Solvit-centrum kan deelnemen aan Solvit. De Commissie moet meer bekendheid geven aan het bestaan en de voordelen van Solvit, met name onder bedrijven.
Solvit is een doeltreffend buitengerechtelijk probleemoplossingsmechanisme dat kosteloos wordt aangeboden. Solvit werkt met korte deadlines en biedt particulieren en bedrijven praktische oplossingen wanneer zij problemen ondervinden in verband met de erkenning van hun Unierechten door overheidsinstanties. Indien de marktdeelnemer, het betrokken Solvit-centrum en de betrokken lidstaten allen overeenstemming bereiken over de passende oplossing, dient geen verdere actie nodig te zijn.
Indien de informele benadering van Solvit faalt en er twijfels blijven bestaan over de verenigbaarheid van het administratieve besluit met het beginsel van wederzijdse erkenning, moet de Commissie evenwel de bevoegdheid hebben om deze kwestie op verzoek van een van de betrokken Solvit-centra nader te bestuderen. Na een beoordeling dient de Commissie een advies uit te brengen dat via het betrokken Solvit-centrum aan de betrokken marktdeelnemer en aan de bevoegde autoriteiten moet worden meegedeeld en tijdens de Solvit-procedure nader moet worden bezien. Voor het optreden van de Commissie moet een termijn van 45 werkdagen gelden, exclusief de tijd die de Commissie nodig heeft voor de ontvangst van de aanvullende informatie en documenten die zij nodig acht. Indien de zaak binnen deze termijn wordt opgelost, hoeft de Commissie geen advies uit te brengen. Deze Solvit-zaken moeten in de Solvit-databank een gescheiden traject volgen en mogen niet in de gewone Solvit-statistieken worden opgenomen.
Het advies van de Commissie met betrekking tot een administratief besluit dat de toegang tot de markt beperkt of ontzegt, mag enkel betrekking hebben op de vraag of het administratieve besluit verenigbaar is met het beginsel van wederzijdse erkenning en met de vereisten van deze verordening. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Commissie krachtens artikel 258 VWEU en de verplichting van de lidstaten om het Unierecht na te leven wanneer systemische problemen met betrekking tot de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning verder kunnen worden aangepakt.
Het is belangrijk voor de interne markt voor goederen dat ondernemingen, en met name kleine en middelgrote ondernemingen, aan betrouwbare en specifieke informatie kunnen komen over de wetgeving die in een bepaalde lidstaat geldt. De productcontactpunten moeten een belangrijke rol spelen in het bevorderen van de communicatie tussen de nationale autoriteiten en de marktdeelnemers door informatie te verspreiden over specifieke productvoorschriften en over de wijze waarop het beginsel van wederzijdse erkenning op het grondgebied van hun lidstaat wordt toegepast. Daarom moet de rol van de productcontactpunten als voornaamste verstrekkers van informatie over alle productgerelateerde voorschriften, met inbegrip van nationale technische voorschriften die onder wederzijdse erkenning vallen, worden versterkt.
Om het vrij verkeer van goederen te vergemakkelijken, moeten de productcontactpunten kosteloos een redelijk niveau van informatie geven over hun nationale technische voorschriften en de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Productcontactpunten moeten adequaat worden uitgerust en van middelen voorzien. Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad(13) moeten zij dergelijke informatie verstrekken via een website en voldoen aan de bij die verordening voorgeschreven kwaliteitscriteria. De taken van productcontactpunten in verband met de verstrekking van die informatie, met inbegrip van elektronische of onlinetoegang tot de nationale technische voorschriften, moeten worden vervuld zonder afbreuk te doen aan de nationale regelgeving met betrekking tot de verspreiding van nationale technische voorschriften. Voorts mag niet van productcontactpunten worden verlangd dat zij schriftelijk of online inzage geven in normen waarop de intellectuele-eigendomsrechten van normalisatie-instellingen of -organisaties van toepassing zijn.
Samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten is van essentieel belang voor het vlotte functioneren van het beginsel van wederzijdse erkenning en voor het creëren van een cultuur van wederzijdse erkenning. De productcontactpunten en de nationale bevoegde autoriteiten moeten dus samenwerken en informatie en deskundigheid uitwisselen opdat het beginsel van wederzijdse erkenning en deze verordening op correcte en consistente wijze worden toegepast.
Met het oog op het kennisgeven van administratieve besluiten die de toegang tot de markt beperken of ontzeggen, het mogelijk maken van communicatie tussen productcontactpunten en het waarborgen van administratieve samenwerking is het nodig de lidstaten toegang te geven tot een informatie- en communicatiesysteem.
Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(14).
Indien het voor de toepassing van de onderhavige verordening nodig is persoonsgegevens te verwerken, moet deze verwerking gebeuren overeenkomstig het recht van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening is naargelang het geval onderworpen aan Verordening (EU) 2016/679(15) of (EU) 2018/1725(16) van het Europees Parlement en de Raad.
Er moeten betrouwbare en efficiënte monitoringmechanismen worden vastgesteld, zodat informatie kan worden verstrekt over de uitvoering van deze verordening en over de invloed ervan op het vrije verkeer van goederen. Dergelijke mechanismen mogen niet verder gaan dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Met het oog op voorlichting over het beginsel van wederzijdse erkenning en om ervoor te zorgen dat deze verordening op correcte en consistente wijze wordt toegepast, moet worden voorzien in Uniefinanciering voor voorlichtingscampagnes, opleidingen, uitwisseling van ambtenaren en andere aanverwante activiteiten ter verbetering en ondersteuning van het vertrouwen en de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten, productcontactpunten en marktdeelnemers.
Om een oplossing te bieden voor het gebrek aan accurate gegevens in verband met de werking van het beginsel van wederzijdse erkenning en de invloed ervan op de interne markt voor goederen, moet de Unie het verzamelen van dergelijke gegevens financieren.
De financiële belangen van de Unie moeten worden beschermd met proportionele maatregelen in de hele uitgavencyclus, onder meer op het gebied van preventie, opsporing en onderzoek van onregelmatigheden, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen, en, waar nodig, met administratieve en financiële sancties.
Het is dienstig de toepassing van deze verordening uit te stellen om de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers voldoende tijd te bieden zich aan de hierin opgenomen bepalingen aan te passen.
De Commissie moet deze verordening evalueren aan de hand van de gestelde doelen. Voor het evalueren van deze verordening moet de Commissie gebruikmaken van de gegevens die over het functioneren van het beginsel van wederzijdse erkenning en de invloed ervan op de interne markt voor goederen worden verzameld en van de informatie die beschikbaar is in het informatie- en communicatiesysteem. De Commissie moet de lidstaten kunnen verzoeken de aanvullende informatie te verstrekken die nodig is voor haar evaluatie. Op grond van punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(17) moet de evaluatie van deze verordening op basis van doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde het uitgangspunt zijn voor de effectbeoordeling van verdere actiemogelijkheden.
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een vlotte, consistente en correcte toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Onderwerp
In deze verordening worden regels en procedures vastgesteld voor de toepassing door de lidstaten van het beginsel van wederzijdse erkenning in afzonderlijke gevallen met betrekking tot goederen die onder artikel 34 VWEU vallen en die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel worden gebracht, gelet op artikel 36 VWEU en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Voorts bevat deze verordening bepalingen over het oprichten en in stand houden van productcontactpunten in de lidstaten en over samenwerking en uitwisseling van informatie bij wederzijdse erkenning.
Artikel 2 Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op goederen van elke soort, met inbegrip van landbouwproducten in de zin van artikel 38, lid 1, tweede alinea VWEU, en op administratieve besluiten die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming zijn genomen of zullen worden genomen over dergelijke goederen, die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, voor zover dit administratieve besluit voldoet aan de volgende criteria:
-
de basis van het administratieve besluit is een nationaal technisch voorschrift dat geldt in de lidstaat van bestemming, en
-
het administratieve besluit heeft direct of indirect tot gevolg dat de markttoegang in de lidstaat van bestemming wordt beperkt of ontzegd.
Onder „administratief besluit” valt iedere administratieve stap die op een nationaal technisch voorschrift is gebaseerd en die hetzelfde rechtsgevolg of wezenlijk dezelfde rechtsgevolgen heeft als een administratief besluit als bedoeld onder b).
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder nationaal technisch voorschrift verstaan, iedere wettelijke, reglementaire of andere bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat die de volgende kenmerken heeft:
-
zij heeft betrekking op goederen of aspecten van goederen waarvoor geen harmonisering op Unieniveau geldt;
-
zij verbiedt het aanbieden van goederen of van goederen van een bepaalde soort op de markt van deze lidstaat of verplicht, feitelijk of rechtens, de naleving van de bepaling in alle gevallen waarin goederen of goederen van een bepaalde soort op de markt van deze lidstaat worden aangeboden, en
-
zij voorziet in ten minste i) of ii) hieronder:
-
het vaststellen van de kenmerken die zijn vereist voor goederen of voor goederen van een bepaalde soort, zoals kwaliteits-, prestatie- of veiligheidsniveau of hun afmetingen, met inbegrip van eisen ten aanzien van deze goederen wat betreft de namen waaronder zij worden verkocht, de bewoordingen, symbolen, testen en testmethoden, verpakking, markering of etikettering en conformiteitsbeoordelingsprocedures;
-
het onderwerpen van goederen of goederen van een bepaalde soort aan andere eisen ter bescherming van de consument of het milieu die van invloed zijn op de levenscyclus van de goederen nadat zij op de markt van die lidstaat zijn aangeboden — zoals eisen inzake de gebruiksvoorwaarden, de recycling, het hergebruik of de verwijdering — indien deze voorwaarden een significante invloed kunnen hebben op de samenstelling of de aard van deze goederen, of op het aanbieden ervan op de markt van die lidstaat.
-
Lid 2, onder c), i), van dit artikel geldt tevens voor de productiemethoden en -processen voor landbouwproducten in de zin van artikel 38, lid 1, VWEU, en voor producten die bestemd zijn voor menselijke of dierlijke consumptie, alsmede voor productiemethoden en -processen voor andere producten indien die gevolgen hebben voor de kenmerken van deze producten.
Voor de toepassing van deze verordening is een procedure voor voorafgaande machtiging op zichzelf geen nationaal technisch voorschrift, maar een besluit tot weigering van de voorafgaande machtiging op basis van een nationaal technisch voorschrift wordt beschouwd als een administratief besluit in de zin van deze verordening indien dat besluit voldoet aan de andere vereisten van lid 1, eerste alinea.
Deze verordening is niet van toepassing op:
-
gerechtelijke beslissingen van nationale rechterlijke instanties;
-
gerechtelijke beslissingen van rechtshandhavingsinstanties die zijn genomen in de loop van onderzoeken naar of vervolging van strafbare feiten die te maken hebben met de terminologie, symbolen of elke materiële verwijzing naar ongrondwettelijke of criminele organisaties of inbreuken van racistische, discriminerende of xenofobe aard.
De artikelen 5 en 6 hebben geen invloed op de toepassing van de volgende bepalingen:
-
artikel 8, lid 1, onder b) tot en met f), en artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2001/95/EG;
-
artikel 50, lid 3, onder a), en artikel 54 van Verordening (EG) nr. 178/2002;
-
artikel 90 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, en
-
artikel 138 van Verordening (EU) 2017/625.
Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichting van Richtlijn (EU) 2015/1535 om de Commissie en de lidstaten in kennis te stellen van ontwerpen van nationale technische voorschriften voordat zij worden vastgesteld.
Artikel 3 Definities
In deze verordening gelden de volgende definities:
- 1. „in een andere lidstaat rechtmatig in de handel gebracht” :
- goederen of goederen van dat soort voldoen aan de relevante in die lidstaat geldende voorschriften of zijn daar niet aan dergelijke voorschriften onderworpen en worden aan de eindgebruikers in die lidstaat aangeboden;
- 2. „op de markt aanbieden” :
- het in het kader van een handelsactiviteit al dan niet tegen betaling verstrekken van goederen voor distributie, consumptie of gebruik op de markt op het grondgebied van een lidstaat;
- 3. „de toegang tot de markt beperken” :
- voorwaarden opleggen waaraan moet worden voldaan voordat goederen op de markt van de lidstaat van bestemming kunnen worden aangeboden, of voorwaarden opleggen waaraan moet worden voldaan om goederen verder te kunnen aanbieden op die markt, wat in beide gevallen de wijziging van een of meer van de kenmerken van die goederen vereist, als beschreven in artikel 2, lid 2, onder c), i), of het uitvoeren van aanvullende testen;
- 4. „de toegang tot de markt ontzeggen” :
-
-
verbieden dat goederen op de markt van de lidstaat van bestemming worden aangeboden of op die markt verder worden aangeboden, of
-
vereisen dat die goederen uit de handel worden genomen of worden teruggeroepen;
-
- 5. „uit de handel nemen” :
- elke maatregel om te voorkomen dat goederen die zich in de toeleveringsketen bevinden, op de markt worden aangeboden;
- 6. „terugroepen” :
- elke maatregel om de terugkeer te bewerkstelligen van goederen die al aan de eindgebruiker ter beschikking zijn gesteld;
- 7. „procedure voor voorafgaande machtiging” :
- een administratieve procedure uit hoofde van de wetgeving van een lidstaat die bepaalt dat de bevoegde autoriteit van die lidstaat verplicht is om op basis van een aanvraag door een marktdeelnemer formele toestemming te geven alvorens goederen op de markt van die lidstaat kunnen worden aangeboden;
- 8. „producent” :
-
-
elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, of die goederen produceert die niet het resultaat zijn van een productieproces, met inbegrip van landbouwproducten, en deze onder de naam of het handelsmerk van die persoon in de handel brengt;
-
elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die reeds rechtmatig in een lidstaat in de handel gebrachte goederen zodanig wijzigt dat de conformiteit met de relevante in die lidstaat geldende voorschriften erdoor zou kunnen worden beïnvloed, of
-
elke andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich als producent van goederen presenteert door daarop of op de documenten die deze goederen begeleiden zijn naam, handelsmerk of een ander merkteken aan te brengen;
-
- 9. „gemachtigde vertegenwoordiger” :
- een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door een producent is gemachtigd om namens die producent goederen op de markt aan te bieden;
- 10. „importeur” :
- een binnen de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen uit een derde land voor het eerst in de Unie op de markt aanbiedt;
- 11. „distributeur” :
- een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen, anders dan de producent of de importeur, die goederen op de markt van een lidstaat aanbiedt;
- 12. „marktdeelnemer” :
- een van de volgende met betrekking tot goederen: de producent, de gemachtigde vertegenwoordiger, de importeur of de distributeur;
- 13. „eindgebruiker” :
- een in de Unie verblijvende of gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie goederen ter beschikking zijn of worden gesteld, hetzij als consument — dat wil zeggen: buiten diens bedrijfs- of beroepsactiviteit — hetzij als professionele eindgebruiker bij zijn industriële activiteiten of beroepsactiviteiten;
- 14. „legitieme gronden van openbaar belang” :
- een van de in artikel 36 VWEU genoemde gronden van openbaar belang of andere dwingende redenen van openbaar belang;
- 15. „conformiteitsbeoordelingsinstantie” :
- een conformiteitsbeoordelingsinstantie in de zin van artikel 2, punt 13, van Verordening (EG) nr. 765/2008.