Home

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/693 van de Commissie van 7 februari 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot specifieke regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor samenwerkingsprogramma's

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/693 van de Commissie van 7 februari 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot specifieke regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor samenwerkingsprogramma's

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(1), en met name artikel 18, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie(2) stelt specifieke regels vast betreffende de subsidiabiliteit van personeelskosten voor samenwerkingsprogramma's. Die bepaling verwijst naar de artikelen 67 en 68 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad(3) over subsidiabiliteit en vereenvoudigde kostenopties. Die bij Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(4) gewijzigde artikelen en het bij Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 toegevoegde artikel 68 bis van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zijn geherstructureerd. De verwijzingen naar de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en de structuur van artikel 3, leden 3 tot en met 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  2. De toepassing van artikel 3, lid 6, onder i), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 — over een van de twee methoden om een uurtarief te berekenen voor deeltijdopdrachten van personeel met een flexibel percentage werktijd per maand — is in de praktijk moeilijk gebleken, met name wanneer in het arbeidsdocument de wekelijkse arbeidstijd in plaats van de maandelijkse arbeidstijd wordt vastgesteld. Artikel 3, lid 6, punt i), van die verordening moet daarom worden gewijzigd om een uniform uurtarief op basis van het aantal gewerkte uren per maand te berekenen. Bij die methode moet ook rekening worden gehouden met de verschillen tussen lidstaten en arbeidsovereenkomsten wat jaarlijks verlof en feestdagen betreft, zoals gespecificeerd in het individuele arbeidsdocument, bij wet of in door de sociale partners (werkgevers en werknemers) gesloten overeenkomsten op het niveau van de werkgever van een bepaald personeelslid of op het niveau van de betrokken sector of op nationaal niveau. Met het oog op een samenhangend geheel van regels moet deze verduidelijking gelden voor de volledige programmeringsperiode, dat wil zeggen met ingang van de datum van inwerkingtreding van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014.

  3. Overeenkomstig artikel 149, lid 3 bis, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zijn de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven(5), geraadpleegd over de in deze verordening vastgestelde maatregelen.

  4. Om rechtszekerheid te waarborgen en de discrepanties tussen de gewijzigde bepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 — die van toepassing zijn vanaf 2 augustus 2018 of eerder in overeenstemming met artikel 282 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 — en de bepalingen van deze verordening tot een minimum te beperken, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

  5. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Lid 3 wordt vervangen door:

    "3.

    Personeelskosten kunnen worden vergoed hetzij:

    1. overeenkomstig artikel 67, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 (zoals aangetoond door het arbeidsdocument en salarisafrekeningen), of

    2. in de vorm van standaardschalen van eenheidskosten overeenkomstig artikel 67, lid 1, onder b), en artikel 68 bis, lid 2, lid 3, eerste alinea, en lid 4, van die verordening, of

    3. in de vorm van forfaitaire bedragen overeenkomstig artikel 67, lid 1, onder c), of

    4. in de vorm van forfaitaire financiering overeenkomstig artikel 67, lid 1, onder d), en artikel 68 bis, lid 1, van die verordening.".

  2. Lid 4, onder a), wordt vervangen door:

    een vast percentage van de bruto arbeidskosten overeenkomstig artikel 68 bis, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, of".

  3. Lid 5 wordt geschrapt.

  4. Lid 6 wordt vervangen door:

    "6.

    Voor deeltijdopdrachten overeenkomstig lid 4, onder b), wordt de vergoeding van de personeelskosten berekend op basis van een uniform uurtarief bepaald door middel van hetzij:

    1. het delen van de bruto maandelijkse arbeidskosten door de gemiddelde maandelijkse arbeidstijd uitgedrukt in uren, rekening houdend met de in het arbeidsdocument, bij wet of in overeenkomsten tussen de sociale partners op het betrokken niveau vastgestelde arbeidstijd, of

    2. het delen van de meest recente bekende jaarlijkse bruto arbeidskosten door 1 720 uren.

    Dit uurtarief wordt vermenigvuldigd met het aantal feitelijk aan de concrete actie bestede uren.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Punt 4 van artikel 1 is van toepassing met ingang van 14 mei 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 februari 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude Juncker