De in de bijlage opgenomen handelingen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage.
Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot aanpassing van een aantal rechtshandelingen die voorzien in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing, aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Voor de EER relevante tekst)
Verordening (EU) 2019/1243 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot aanpassing van een aantal rechtshandelingen die voorzien in het gebruik van de regelgevingsprocedure met toetsing, aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 33, artikel 43, lid 2, artikel 53, lid 1, artikel 62, artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 114, artikel 153, lid 2, punt b), artikel 168, lid 4, punt b), artikel 172, artikel 192, lid 1, artikel 207, lid 2, artikel 214, lid 3, en artikel 338, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),
Overwegende hetgeen volgt:
Het Verdrag van Lissabon heeft het rechtskader voor de door de wetgever aan de Commissie toegekende bevoegdheden ingrijpend gewijzigd en een onderscheid ingevoerd tussen de aan de Commissie overgedragen bevoegdheden om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen tot aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling (gedelegeerde handelingen), en de aan de Commissie toegekende bevoegdheden om handelingen vast te stellen teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van juridisch bindende handelingen van de Unie te waarborgen (uitvoeringshandelingen).
Wetgevingshandelingen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn vastgesteld, kennen de Commissie bevoegdheden toe om maatregelen te nemen volgens de bij artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad(4) ingevoerde regelgevingsprocedure met toetsing.
Eerdere voorstellen om wetgeving die verwijst naar de regelgevingsprocedure met toetsing aan te passen aan het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde juridisch kader werden ingetrokken(5) wegens de stilstand in de interinstitutionele onderhandelingen.
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bereikten vervolgens overeenstemming over een nieuw kader voor gedelegeerde handelingen in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(6), en onderkenden dat alle bestaande wetgeving moest worden aangepast aan het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde juridisch kader. Met name waren zij het erover eens dat alle basishandelingen die nog voorzien in de regelgevingsprocedure met toetsing, met hoge prioriteit en spoed moesten worden aangepast. De Commissie verbond zich ertoe om uiterlijk eind 2016 een voorstel voor die aanpassing op te stellen.
De meeste bevoegdheidstoekenningen in basishandelingen die voorzien in de regelgevingsprocedure met toetsing, voldoen aan de criteria van artikel 290, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en moeten aan die bepaling worden aangepast.
Andere bevoegdheidstoekenningen in basishandelingen die voorzien in de regelgevingsprocedure met toetsing, voldoen aan de criteria van artikel 291, lid 2, VWEU en moeten aan die bepaling worden aangepast.
Indien uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden overgedragen, moeten deze bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(7).
In een beperkt aantal basishandelingen die voorzien in de regelgevingsprocedure met toetsing, zijn de respectieve bevoegdheidstoekenningen niet meer nodig en moeten zij bijgevolg worden geschrapt.
In punt 31 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven staat dat bevoegdheidsdelegaties mogen worden gebundeld, mits de Commissie zorgt voor een objectieve motivering op basis van een wezenlijk verband tussen twee of meer bevoegdheidsdelegaties in één wetgevingshandeling, en tenzij in de wetgevingshandeling anders is bepaald. Overleg bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen dient tevens om te bepalen tussen welke bevoegdheidsdelegaties er een wezenlijk verband wordt geacht te bestaan. In die gevallen wordt in eventuele bezwaren van het Europees Parlement of de Raad duidelijk aangegeven op welke bevoegdheidsdelegatie het bezwaar specifiek betrekking heeft. In een beperkt aantal in de bijlage bij deze verordening vermelde basishandelingen is in de basishandeling een duidelijke bepaling opgenomen over de vaststelling van afzonderlijke gedelegeerde handelingen voor verschillende gedelegeerde bevoegdheden.
Deze verordening mag geen gevolgen hebben voor lopende procedures waarin het betrokken comité reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening advies heeft uitgebracht overeenkomstig artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.
Daar de aanpassingen en wijzigingen alleen betrekking hebben op procedures op het niveau van de Unie, hoeven zij in het geval van richtlijnen niet te worden omgezet door de lidstaten.
De betrokken handelingen moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2
Deze verordening laat lopende procedures waarin een comité reeds advies heeft uitgebracht overeenkomstig artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG, onverlet.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 juni 2019.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
A. TAJANI
Voor de Raad
De voorzitter
G. CIAMBA