Deze verordening voorziet in specifieke en tijdelijke maatregelen in verband met de vernieuwing en verlenging van de geldigheidsduur van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen en in verband met het uitstel van bepaalde periodieke controles en periodieke opleidingen naar aanleiding van de buitengewone omstandigheden die door de COVID-19-uitbraak zijn veroorzaakt op het gebied van het wegvervoer, het spoorvervoer, de binnenvaart en de maritieme beveiliging.
Verordening (EU) 2020/698 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak in verband met de vernieuwing of verlenging van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, en het uitstel van bepaalde periodieke controles en periodieke opleidingen op bepaalde gebieden van de vervoerswetgeving (Voor de EER relevante tekst)
Verordening (EU) 2020/698 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak in verband met de vernieuwing of verlenging van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, en het uitstel van bepaalde periodieke controles en periodieke opleidingen op bepaalde gebieden van de vervoerswetgeving (Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91 en artikel 100, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(1),
Overwegende hetgeen volgt:
De COVID-19-uitbraak en de daarmee gepaard gaande volksgezondheidscrisis vormen een ongekende uitdaging voor de lidstaten en leggen een zware last op de nationale autoriteiten, de Unieburgers en de marktdeelnemers, met name in de vervoerssector. De volksgezondheidscrisis heeft geleid tot buitengewone omstandigheden, die een invloed hebben op de normale werkzaamheden van de bevoegde autoriteiten in de lidstaten en op de activiteiten van vervoersondernemingen met betrekking tot de administratieve formaliteiten die in verschillende vervoerssectoren moeten worden vervuld, en die redelijkerwijs niet konden worden voorzien op het moment waarop de betrokken maatregelen werden genomen. Die buitengewone omstandigheden hebben een grote impact op verschillende gebieden die onder de vervoerswetgeving van de Unie vallen.
In het bijzonder bestaat de kans dat vervoerders en andere betrokkenen niet in staat zullen zijn de nodige formaliteiten te vervullen of de nodige procedures na te leven om te voldoen aan bepaalde Unierechtelijke voorschriften met betrekking tot de verlenging of vernieuwing van certificaten, getuigschriften of vergunningen, of om andere stappen te nemen die nodig zijn om de geldigheid daarvan te handhaven. De bevoegde overheden van de lidstaten zullen om dezelfde redenen misschien niet in staat zijn te voldoen aan de verplichtingen van het Unierecht en te waarborgen dat de door vervoerders ingediende aanvragen vóór het verstrijken van de geldende termijn worden behandeld. Daarom moeten maatregelen worden vastgesteld om die problemen weg te werken en zowel de rechtszekerheid als de goede werking van de betrokken handelingen te waarborgen. Daartoe moet in een aantal aanpassingen worden voorzien, met name met betrekking tot bepaalde termijnen, met de mogelijkheid voor de Commissie om lidstaten die daarom verzoeken toe te staan bepaalde termijnen te verlengen.
Bij Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) zijn regels vastgesteld inzake de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen. De betrokken bestuurders moeten houder zijn van een getuigschrift van vakbekwaamheid en moeten door de registratie van de nascholing op hun rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder aantonen dat zij de vereiste nascholing hebben gevolgd. Gezien de moeilijkheden voor de houder van een getuigschrift van vakbekwaamheid om in deze door de COVID-19-uitbraak, die in sommige lidstaten op 1 februari 2020 al begonnen was, veroorzaakte buitengewone omstandigheden nascholing te volgen en de moeilijkheden bij het verlengen van het getuigschrift dat de voltooiing van de nascholing bevestigt, moet de geldigheidsduur van dat getuigschrift worden verlengd met zeven maanden vanaf de vervaldatum ervan, om de continuïteit van het wegvervoer te waarborgen. De maatregelen met betrekking tot die aangelegenheden die de lidstaten vóór de inwerkingtreding van deze verordening hebben genomen overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/59/EG, bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) of bijlage II bij Richtlijn 2003/59/EG, moeten geldig blijven.
Bij Richtlijn 2006/126/EG zijn regels betreffende het rijbewijs vastgesteld. Die richtlijn voorziet in de wederzijdse erkenning van rijbewijzen die door de lidstaten zijn afgegeven op basis van een modelrijbewijs van de Unie en bevat een aantal minimumeisen waaraan die rijbewijzen moeten voldoen. Met name moeten bestuurders van motorvoertuigen in het bezit zijn van een geldig rijbewijs, dat moet worden verlengd of, in sommige gevallen, moet worden ingewisseld na het verstrijken van de administratieve geldigheidsduur. Gezien de moeilijkheden voor de verlenging van rijbewijzen ten gevolge van de door de COVID-19-uitbraak, die in sommige lidstaten op 1 februari 2020 al begonnen was, veroorzaakte buitengewone omstandigheden, moet de geldigheidstermijn van bepaalde rijbewijzen worden verlengd met zeven maanden vanaf de vervaldatum ervan, om de continuïteit van het wegverkeer te waarborgen.
Bij Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad(4) zijn regels betreffende tachografen in het wegvervoer vastgesteld. De naleving van de in Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad(5) en Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) vastgestelde regels inzake rij-, arbeids- en rusttijden is essentieel om eerlijke concurrentie en de verkeersveiligheid te waarborgen. Gelet op de noodzaak om de continuïteit bij het aanbieden van wegvervoersdiensten te waarborgen ondanks de problemen die de COVID-19-uitbraak voor de uitvoering van regelmatige inspecties van tachografen heeft veroorzaakt, moeten de in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 165/2014 bedoelde controles die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 hadden moeten plaatsvinden, nu worden uitgevoerd uiterlijk zes maanden na de datum waarop zij overeenkomstig dat artikel hadden moeten plaatsvinden. Om dezelfde reden rechtvaardigen de moeilijkheden om in de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak bestuurderskaarten te vernieuwen of te vervangen, dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten daarvoor extra tijd krijgen. In dergelijke gevallen moeten chauffeurs tot zij een nieuwe kaart hebben ontvangen een haalbaar en verplicht alternatief krijgen voor het registreren van de nodige informatie over rij-, arbeids- en rusttijden.
Bij Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) zijn regels vastgesteld betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens. Het verrichten van periodieke technische controles is een complexe taak die ervoor moet zorgen dat voertuigen tijdens het gebruik ervan aan bepaalde veiligheids- en milieunormen blijven voldoen. Gezien de moeilijkheden om periodieke technische controles te verrichten in de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de COVID -19- uitbraak, die in sommige lidstaten op 1 februari 2020 al begonnen was, moeten de controles die tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020 hadden moeten plaatsvinden, nu op een latere datum worden uitgevoerd, uiterlijk zeven maanden na de oorspronkelijke termijn, en moeten de betrokken certificaten geldig blijven tot die latere datum.
Bij Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad(8) zijn gemeenschappelijke regels vastgesteld betreffende de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen. De COVID-19-uitbraak en de daarmee gepaard gaande volksgezondheidscrisis hebben ernstige gevolgen voor de financiële toestand van de sector; sommige vervoersondernemingen voldoen niet langer aan de eis inzake financiële draagkracht. Gezien de verlaagde activiteit die de volksgezondheidscrisis met zich meebrengt, kan worden verwacht dat ondernemingen meer tijd dan normaal nodig zullen hebben om aan te tonen dat ze opnieuw permanent aan deze eis voldoen. Daarom is het passend de daartoe in artikel 13, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1071/2009 vastgestelde maximale termijn te verlengen van zes tot twaalf maanden voor beoordelingen inzake de financiële draagkracht van vervoersondernemingen, die de volledige of een gedeelte van de periode tussen 1 maart 2020 en 30 september 2020 bestrijken. Wanneer reeds is vastgesteld dat niet aan de eis is voldaan zonder dat de door de bevoegde instantie bepaalde termijn is verstreken, moet de bevoegde instantie die termijn kunnen verlengen tot in totaal twaalf maanden.
Bij Verordeningen (EG) nr. 1072/2009(9) en (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad(10) zijn gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en voor de toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten. Voor het internationale goederenvervoer over de weg en het internationaal personenvervoer met touringcars en autobussen is onder meer het bezit van een communautaire vergunning en, voor chauffeurs die onderdaan zijn van derde landen en die goederenvervoer verrichten, een bestuurdersattest vereist. Voor het aanbieden van geregeld vervoer per bus en touringcar is ook een vergunning vereist. Die vergunningen en attesten kunnen worden verlengd na verificatie dat de desbetreffende voorwaarden nog steeds worden nageleefd. Gezien de moeilijkheden voor de verlenging van de vergunningen en attesten als gevolg van de buitengewone omstandigheden door de COVID-19-uitbraak, moet de geldigheidsduur ervan worden verlengd met zes maanden vanaf de vervaldatum ervan, om de continuïteit van het wegvervoer te waarborgen.
Bij Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad(11) zijn regels inzake de veiligheid op het spoor vastgesteld. Door de combinatie van de lockdownmaatregelen en de extra werklast die gepaard gaat met het indijken van het COVID-19-uitbraak, ondervinden de nationale autoriteiten, spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders moeilijkheden in verband met de verlenging van unieke veiligheidscertificaten en – met het oog op het verstrijken van de geldigheidsduur van bestaande veiligheidsvergunningen – in verband met de afgifte van dergelijke vergunningen voor een volgende periode, als bedoeld in respectievelijk artikel 10 en artikel 12 van die richtlijn. De termijn voor de verlenging van unieke veiligheidscertificaten moet daarom met zes maanden worden verlengd en de bestaande unieke veiligheidscertificaten moeten dienovereenkomstig geldig blijven. Ook de geldigheid van dergelijke veiligheidsvergunningen moet met zes maanden worden verlengd.
Overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/798 hebben sommige lidstaten de termijn voor de omzetting van die richtlijn verlengd. De regels van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) blijven in die lidstaten derhalve van toepassing. Daarom moeten ook de termijnen voor de verlenging van de krachtens de artikelen 10 en 11 van Richtlijn 2004/49/EG afgegeven veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen worden verlengd en moet worden verduidelijkt dat die veiligheidscertificaten en -vergunningen dienovereenkomstig geldig blijven.
Bij Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad(13) zijn regels vastgesteld inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Unie besturen. In artikel 14, lid 5, en artikel 16 van die richtlijn is bepaald dat vergunningen van machinisten slechts tien jaar geldig blijven en onderworpen worden aan periodieke controles. Wegens de moeilijkheden voor de vernieuwing van dergelijke vergunningen die worden veroorzaakt door de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak, moet de geldigheidsduur van vergunningen die tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 verstrijken, worden verlengd met zes maanden vanaf de vervaldatum ervan. Ook moeten machinisten zes maanden extra tijd krijgen om de vereiste periodieke controles te ondergaan.
Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(14) voorziet in de instelling van één Europese spoorwegruimte. Uit hoofde van artikel 23, lid 2, van die richtlijn kunnen vergunningverlenende autoriteiten een vergunning regelmatig aan een nieuw onderzoek onderwerpen om te verifiëren dat een spoorwegonderneming nog steeds voldoet aan de in hoofdstuk III van die richtlijn vervatte verplichtingen die betrekking hebben op haar vergunning. Uit hoofde van artikel 24, lid 3, van die richtlijn kunnen de vergunningverlenende autoriteiten een vergunning schorsen of intrekken op grond van de niet-naleving van de eis inzake financiële draagkracht en kunnen zij een tijdelijke vergunning afgeven in afwachting van de reorganisatie van de spoorwegonderneming, op voorwaarde dat de veiligheid gewaarborgd blijft. Door de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak ondervinden de vergunningverlenende autoriteiten ernstige moeilijkheden bij het uitvoeren van regelmatige onderzoeken met betrekking tot bestaande vergunningen en bij het nemen van besluiten over de afgifte van nieuwe vergunningen na het verlopen van een tijdelijke vergunning. Daarom moeten de uiterste termijnen voor het uitvoeren van regelmatige onderzoeken, die, overeenkomstig die richtlijn verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, met zes maanden worden verlengd. Evenzo moet de geldigheidsduur van tijdelijke vergunningen die verlopen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 met zes maanden worden verlengd.
Volgens artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU moet de vergunningverlenende autoriteit een besluit nemen over een aanvraag voor een vergunning binnen drie maanden nadat alle vereiste informatie, en in het bijzonder de informatie vermeld in bijlage III bij die richtlijn, is verstrekt. Wegens de moeilijkheden om in de buitengewone omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak relevante beslissingen te nemen, moet die termijn met zes maanden worden verlengd.
Spoorwegondernemingen die vóór de COVID-19-uitbraak financieel stabiel waren, kampen met liquiditeitsproblemen die tot de schorsing of intrekking van hun vergunning of de vervanging daarvan door een tijdelijke vergunning zouden kunnen leiden, zonder dat daarvoor een structurele economische noodzaak bestaat. De afgifte van een tijdelijke vergunning op grond van artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU kan aan de markt een negatief signaal geven over de overlevingskansen van spoorwegondernemingen, waardoor hun tijdelijke financiële problemen nog erger zouden worden. Daarom moet worden bepaald dat, wanneer de vergunningverlenende autoriteit op basis van de controle verricht in de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, oordeelt dat een spoorwegonderneming niet langer kan voldoen aan de eisen inzake financiële draagkracht, zij vóór 31 augustus 2020 kan besluiten de vergunning van de betrokken spoorwegonderneming niet te schorsen of in te trekken, op voorwaarde dat de veiligheid gewaarborgd is en er een realistisch perspectief is op een bevredigend financieel herstel van de spoorwegonderneming binnen de volgende zes maanden. Na 31 augustus 2020 moet de spoorwegonderneming worden onderworpen aan de algemene voorschriften van artikel 24, lid 1, van die Richtlijn.
Bij Richtlijn 96/50/EG van de Raad(15) zijn de voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van vaarbewijzen voor het vervoer van goederen en personen over de binnenwateren in de Unie. Vanaf de leeftijd van 65 moeten houders van een vaarbewijs periodieke geneeskundige onderzoeken ondergaan. Gelet op de maatregelen die zijn genomen in verband met de COVID-19-uitbraak, en met name de beperkte toegang tot medische diensten voor geneeskundige onderzoeken, bestaat de kans dat houders van een vaarbewijs tijdens de periode waarin die maatregelen van kracht zijn niet in staat zijn een geneeskundig onderzoek te ondergaan. In gevallen waarin de termijn voor een geneeskundig onderzoek anders zou zijn verstreken of zou verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, moet die termijn derhalve met zes maanden worden verlengd. De betrokken vaarbewijzen moeten dienovereenkomstig geldig blijven.
Bij Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad(16) zijn technische voorschriften voor binnenschepen vastgesteld. De geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten is beperkt bij artikel 10. Bovendien is in artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 bepaald dat documenten die onder deze richtlijn vallen en die vóór 6 oktober 2018 uit hoofde van de voorheen geldende richtlijn, te weten Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(17), door de bevoegde instanties van de lidstaten zijn afgegeven, geldig moeten blijven tot de geldigheidsduur ervan verstrijkt. Door de maatregelen ten gevolge van de COVID-19-uitbraak kan het voor de bevoegde instanties moeilijk en soms onmogelijk zijn om technische inspecties uit te voeren om de geldigheid van de desbetreffende certificaten te verlengen of, in het geval van de in artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde documenten, die te vervangen. Om de desbetreffende binnenschepen te kunnen blijven exploiteren, is het derhalve aangewezen de geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten en onder artikel 28 van Richtlijn (EU) 2016/1629 vallende documenten die anders zouden zijn vervallen of zouden vervallen tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, met zes maanden te verlengen.
Bij Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad(18) zijn regels betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten vastgesteld. Bij Richtlijn 2005/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(19) zijn maatregelen vastgesteld om de veiligheid van havens ten aanzien van bedreigingen van beveiligingsincidenten te verhogen. Zij verzekert ook dat een verhoogde beveiliging in de haven de op grond van Verordening (EG) nr. 725/2004 genomen veiligheidsmaatregelen ten goede komt. De huidige volksgezondheidscrisis maakt het voor de autoriteiten van de lidstaten moeilijk om de inspecties en onderzoeken op het gebied van maritieme beveiliging te verrichten die worden uitgevoerd met het oog op de verlenging van bepaalde documenten op het gebied van maritieme beveiliging. Daarom moeten de termijnen voor het evalueren van de door die rechtshandelingen van de Unie vereiste beoordelingen van de veiligheid en van de veiligheidsplannen met een redelijke termijn worden verlengd, om de lidstaten en de scheepvaartsector in staat te stellen een flexibele en pragmatische benadering te hanteren en essentiële toeleveringsketens in stand te houden, zonder de veiligheid in het gedrang te brengen. Er moet ook flexibiliteit worden toegestaan voor oefeningen en trainingen in verband met maritieme beveiliging, die volgens de rechtshandelingen van de Unie op het gebied van maritieme beveiliging binnen bepaalde tijdvakken moeten worden uitgevoerd.
Wanneer een lidstaat van mening is dat de toepassing van de regels waarvan de onderhavige verordening afwijkt, onder meer wat betreft de vernieuwing of verlenging van certificaten, getuigschriften of vergunningen, naar verwachting onmogelijk zal blijven tot na de bij deze verordening vastgestelde data vanwege de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, moet de Commissie, op verzoek van die lidstaat, gemachtigd zijn om de betrokken lidstaat toe te staan de in deze verordening vermelde perioden, naargelang het geval, te verlengen. Om de rechtszekerheid te waarborgen en tegelijkertijd de veiligheid en de beveiliging van het vervoer niet in het gedrang te brengen, moet deze verlenging beperkt worden tot wat noodzakelijk is om in verhouding te staan tot de periode waarin het voltooien van de formaliteiten, procedures, controles en opleiding naar verwachting onwerkbaar zal blijven, en mag deze in geen geval langer zijn dan zes maanden.
De COVID-19-uitbraak heeft de hele Unie getroffen, maar niet overal op dezelfde manier. De lidstaten zijn in verschillende mate en op verschillende tijdstippen getroffen. Aangezien de afwijkingen van de regels die normaliter van toepassing zouden zijn, moeten worden beperkt tot wat noodzakelijk is, moeten de lidstaten Richtlijn 2006/126/EG, Verordening (EU) nr. 165/2014, Richtlijn 2014/45/EU, Verordening (EG) nr. 1072/2009, Verordening (EG) nr. 1073/2009 en Richtlijn 2007/59/EG kunnen blijven toepassen zonder de afwijkingen waarin deze verordening voorziet, wanneer de toepassing van die rechtshandelingen werkbaar is gebleven. Hetzelfde moet gelden indien een lidstaat met dergelijke moeilijkheden werd geconfronteerd maar passende nationale maatregelen heeft getroffen om die moeilijkheden te beperken. De lidstaten die ervoor kiezen van deze mogelijkheid gebruik te maken, mogen marktdeelnemers of personen echter niet beletten te vertrouwen op de afwijkingen waarin deze verordening voorziet en die van toepassing zijn in een andere lidstaat, en zij moeten met name getuigschriften, certificaten en vergunningen waarvan de geldigheid bij deze verordening is verlengd, erkennen.
Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het verlengen van de in het Unierecht vastgestelde termijnen voor de vernieuwing of verlenging van de geldigheidsduur van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, en het uitstellen van bepaalde periodieke controles en periodieke opleidingen naar aanleiding van de buitengewone omstandigheden die zijn veroorzaakt door de COVID-19-uitbraak op het gebied van het wegvervoer, het spoorvervoer, de binnenvaart en de maritieme beveiliging, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
Gezien de hoogdringendheid die voortvloeit uit de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de COVID-19-uitbraak, werd het nodig geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Gezien de onvoorziene en plotse aard van de COVID-19-uitbraak was het onmogelijk om tijdig de relevante maatregelen vast te stellen. Daarom moeten de bepalingen van deze verordening ook van toepassing zijn op de periode vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Gezien de aard van die bepalingen mag die aanpak geen afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van de belanghebbenden.
Gezien de dwingende noodzaak om de omstandigheden die door de COVID-19-uitbraak zijn veroorzaakt op het gebied van het wegvervoer, het spoorvervoer, de binnenvaart en de maritieme beveiliging, onverwijld aan te pakken, en tegelijkertijd, in voorkomend geval, de lidstaten voldoende tijd te geven om, als zij besluiten bepaalde in deze verordening vervatte afwijkingen niet toe te passen, de Commissie daarvan in kennis te stellen, moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, om ervoor te zorgen dat zo snel mogelijk een einde komt aan situaties van rechtsonzekerheid voor talrijke autoriteiten en vervoerders in verschillende sectoren, met name met betrekking tot termijnen die reeds zijn verstreken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1 Onderwerp
Artikel 2 Verlenging van de in Richtlijn 2003/59/EG vastgestelde termijnen
Niettegenstaande artikel 8, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/59/EG, worden de termijnen waarbinnen de houder van een getuigschrift van vakbekwaamheid de nascholing moet voltooien, die overeenkomstig die bepalingen anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020, geacht te zijn of te worden verlengd met een periode van zeven maanden. Het getuigschrift van vakbekwaamheid blijft dienovereenkomstig geldig.
De geldigheid van de geharmoniseerde Uniecode “95”, als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2006/126/EG, die door de bevoegde autoriteiten wordt aangebracht op het rijbewijs of op de in artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/59/EG bedoelde kwalificatiekaart bestuurder op basis van het in lid 1 van dat artikel bedoelde getuigschrift van vakbekwaamheid, wordt geacht te zijn verlengd met een periode van zeven maanden vanaf de op het individuele rijbewijs of de individuele kwalificatiekaart bestuurder vermelde datum.
De geldigheid van de in bijlage II bij Richtlijn 2003/59/EG bedoelde kwalificatiekaarten bestuurders die anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020, wordt geacht te zijn of te worden verlengd met een periode van zeven maanden vanaf de op de individuele kaart vermelde vervaldatum.
Onverminderd de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde grensoverschrijdende activiteiten, blijven de maatregelen die de lidstaten overeenkomstig de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde bepalingen van Richtlijnen 2003/59/EG en 2006/126/EG genomen hebben tijdens de periode tussen 1 februari 2020 en 28 mei 2020, geldig.
Een lidstaat die van oordeel is dat het volgen van nascholing of de afgifte van een getuigschrift daarvan, het aanbrengen van de geharmoniseerde Uniecode “95” of de vernieuwing van de kwalificatiekaart bestuurder allicht onmogelijk zal blijven tot na 31 augustus 2020 als gevolg van maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 vermelde perioden, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020 en/of op de in de leden 1, 2 en 3 vermelde perioden van zeven maanden, naargelang het geval. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.
Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 5 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 genoemde perioden te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin het voltooien van de betreffende nascholing of de afgifte van een getuigschrift daarvan, het aanbrengen van de geharmoniseerde Uniecode “95” of de vernieuwing van kwalificatiekaarten bestuurder naar verwachting onmogelijk zal blijven, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.
De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 3 Verlenging van de in Richtlijn 2006/126/EG vastgestelde termijnen
Niettegenstaande artikel 7 van Richtlijn 2006/126/EG en punt 3, onder d), van bijlage I bij die Richtlijn, wordt de geldigheid van rijbewijzen die overeenkomstig die bepalingen anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020, geacht te zijn of te worden verlengd met een periode van zeven maanden vanaf de op het individuele rijbewijs vermelde vervaldatum.
Een lidstaat die van oordeel is dat de verlenging van rijbewijzen waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in lid 1 genoemde perioden te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020 en/of de periode van zeven maanden. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.
Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 2 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de verlenging van het rijbewijs naar verwachting onmogelijk zal zijn, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.
De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Wanneer een lidstaat geen moeilijkheden heeft gekend en naar verwachting geen moeilijkheden zal kennen die de vernieuwing van rijbewijzen tijdens de periode tussen 1 februari 2020 en 31 augustus 2020 onmogelijk maken als gevolg van de buitengewone omstandigheden veroorzaakt door de uitbraak van COVID-19, dan wel passende nationale maatregelen heeft genomen om dergelijke moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten het lid 1 niet toe te passen nadat hij dit eerst aan de Commissie heeft meegedeeld. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De lidstaat die zoals bepaald in de eerste alinea besloten heeft het lid 1 niet toe te passen, mag de grensoverschrijdende activiteiten van marktdeelnemers of personen die hebben vertrouwd op de in lid 1 vervatte afwijkingen die van toepassing zijn in een andere lidstaat, niet beletten.
Artikel 4 Verlenging van de in Verordening (EU) nr. 165/2014 vastgestelde termijnen
Niettegenstaande artikel 23 van Verordening (EU) nr. 165/2014 worden de in lid 1 van dat artikel bedoelde regelmatige inspecties die overeenkomstig dat lid anders hadden moeten of zouden moeten plaatsvinden tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, uitgevoerd uiterlijk zes maanden na de datum waarop zij overeenkomstig dat artikel anders hadden moeten plaatsvinden.
Niettegenstaande artikel 28 van Verordening (EU) nr. 165/2014 geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, wanneer een bestuurder tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 overeenkomstig lid 1 van dat artikel een aanvraag voor de vernieuwing van zijn of haar bestuurderskaart indient, uiterlijk twee maanden na ontvangst van dat verzoek een nieuwe bestuurderskaart af. Totdat de bestuurder een nieuwe bestuurderskaart ontvangt van de autoriteiten die de kaart afgeven, is artikel 35, lid 2, van die verordening van overeenkomstige toepassing op de bestuurder, op voorwaarde dat de bestuurder kan aantonen dat de vernieuwing van de bestuurderskaart werd aangevraagd overeenkomstig artikel 28, lid 1, van die verordening.
Niettegenstaande artikel 29, lid 4, van Verordening (EU) nr. 165/2014, geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, wanneer een bestuurder tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 overeenkomstig lid 4 van dat artikel een aanvraag voor de vervanging van een bestuurderskaart indient, uiterlijk twee maanden na ontvangst van het verzoek een vervangende kaart af. Niettegenstaande artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) nr. 165/2014 mag de bestuurder blijven rijden tot hij of zij van de autoriteiten die de bestuurderskaart afgeven een nieuwe kaart ontvangt, mits de bestuurder kan aantonen dat hij of zij de bestuurderskaart naar de bevoegde autoriteit heeft teruggezonden wanneer deze defect of beschadigd was en een nieuwe kaart heeft aangevraagd.
Een lidstaat die van oordeel is dat regelmatige inspecties of de vernieuwing of vervanging van bestuurderskaarten zoals vereist door Verordening (EU) nr. 165/2014 waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1, 2 en 3 genoemde perioden, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 en/of de toepasselijke termijnen voor de afgifte van een nieuwe bestuurderskaart. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.
Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 genoemde perioden te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de regelmatige inspecties of de vernieuwing dan wel de vervanging van bestuurderskaarten naar verwachting onmogelijk zal zijn, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.
De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Wanneer een lidstaat geen moeilijkheden heeft gekend en naar verwachting geen moeilijkheden zal kennen die regelmatige inspecties of de vernieuwing of vervanging van bestuurderskaarten tijdens de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 onmogelijk maken als gevolg van de buitengewone omstandigheden veroorzaakt door de uitbraak van COVID-19, dan wel passende nationale maatregelen heeft genomen om dergelijke moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten de leden 1, 2 en 3 niet toe te passen nadat hij dit eerst aan de Commissie heeft meegedeeld. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De lidstaat die zoals bepaald in de eerste alinea besloten heeft de leden 1, 2 en 3 niet toe te passen, mag de grensoverschrijdende activiteiten van marktdeelnemers of personen die hebben vertrouwd op de in de leden 1, 2 en 3 vervatte afwijkingen die van toepassing zijn in een andere lidstaat, niet beletten.