In afwijking van artikel 41, punt b), en artikel 45 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie worden de in de bijlagen I en II bedoelde producten, vervaardigd in Kaapverdië uit niet van oorsprong zijnde vis, beschouwd als van oorsprong uit Kaapverdië overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 van deze verordening.
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/966 van de Commissie van 11 juni 2021 waarbij aan Kaapverdië een tijdelijke afwijking van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong wordt toegestaan voor bereidingen of conserven van tonijnfilets, bereidingen of conserven van makreelfilets en bereidingen of conserven van filets van valse bonito of kogeltonijn
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/966 van de Commissie van 11 juni 2021 waarbij aan Kaapverdië een tijdelijke afwijking van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong wordt toegestaan voor bereidingen of conserven van tonijnfilets, bereidingen of conserven van makreelfilets en bereidingen of conserven van filets van valse bonito of kogeltonijn
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie(1), en met name artikel 64, lid 6, en artikel 66, punt b),
Overwegende hetgeen volgt:
Kaapverdië komt in aanmerking voor de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur, het zogenaamde stelsel van algemene preferenties (SAP+), waarin artikel 1, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 978/2012(2) van het Europees Parlement en de Raad voorziet. De regels betreffende de preferentiële oorsprong voor de toepassing van het stelsel van algemene preferenties (SAP), met uitzondering van de procedureregels, zijn vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446(3) van de Commissie.
Bij brief van 18 maart 2020 heeft Kaapverdië verzocht om verlenging van de tijdelijke afwijkingen van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong, die bij Uitvoeringsverordeningen (EU) 2019/561(4) en (EU) 2019/620(5) van de Commissie waren verleend. Dit verzoek betrof een jaarlijkse hoeveelheid van 5 000 ton bereidingen of conserven van tonijnfilets, 3 000 ton bereidingen of conserven van makreelfilets en 1 000 ton bereidingen of conserven van filets van valse bonito of kogeltonijn. Op grond van de gevraagde afwijking zouden deze producten worden beschouwd als van oorsprong uit Kaapverdië, ook als ze uit niet van oorsprong zijnde vis zijn vervaardigd.
Om zijn verzoek om verlenging van deze afwijkingen te onderbouwen, voerde Kaapverdië dezelfde argumenten als in zijn eerdere verzoeken aan, die het nog altijd relevant acht, namelijk de lage vangsten van tonijn en makreel in zijn territoriale wateren, de beperkte vismogelijkheden buiten zijn territoriale wateren en de korte duur van het visseizoen. Een ander element dat in het verzoek werd benadrukt, is dat Kaapverdië onlangs zijn haveninfrastructuur heeft uitgebouwd. Daardoor kunnen grotere hoeveelheden vis worden verwerkt als aanvoer voor de lokale visverwerkende industrie, zodat deze haar productiecapaciteit in stand kan houden. Tot slot wordt in het verzoek benadrukt dat Kaapverdië te kampen heeft met moeilijkheden vanwege de vertragingen die de toepassing van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en West-Afrika heeft opgelopen. In zijn argumentatie benadrukt Kaapverdië dat het van de SAP-regels betreffende de preferentiële oorsprong moet kunnen afwijken omdat het nog geen gebruik kan maken van de oorsprongscontingenten of cumulatieregels van de economische partnerschapsovereenkomst, waarvan de voorlopige toepassing nog niet van start is gegaan.
De afwijking waarin artikel 64, lid 6, van Verordening (EU) nr. 952/2013 (het douanewetboek) voorziet, is tijdelijk van aard en wordt slechts toegekend als de naleving van de oorsprongsregels voor de betrokken producten erop vooruitgaat en de administratieve samenwerking beter verloopt. Om de afwijking van de preferentiële oorsprongsregels te beheren, moet het verzoekende land aan de oorsprongsregels voor de betrokken producten en de desbetreffende procedures voldoen en een goede administratieve samenwerking waarborgen.
In dit verband zijn er bij het toezicht dat de Europese Commissie de afgelopen jaren in het kader van de op grond van artikel 64, lid 6, van Verordening (EU) nr. 952/2013 toegestane afwijking heeft uitgeoefend, enkele tekortkomingen aan het licht gekomen ten aanzien van de administratieve samenwerking van Kaapverdië met de douaneautoriteiten van de lidstaten bij de controle van bewijzen van oorsprong. Deze tekortkomingen hadden kunnen leiden tot een afwijzing van de gevraagde derogatie zoals die door Kaapverdië is onderbouwd. Na de indiening van het desbetreffende verzoek is Kaapverdië, en met name zijn visserijsector, evenwel in een diepe crisis terechtgekomen door de COVID-19-pandemie en het daaruit voortvloeiende verlies aan inkomsten. Op grond van artikel 64, lid 6, van het wetboek mag de Commissie rekening houden met deze nieuwe situatie wanneer zij op eigen initiatief over de toekenning van een afwijking besluit.
Daarom dient aan Kaapverdië een tijdelijke afwijking te worden toegestaan van de in de regels betreffende de preferentiële oorsprong opgenomen verplichting dat producten slechts als van oorsprong uit het begunstigde land worden beschouwd als de daarin verwerkte materialen van de hoofdstukken 3 en 16 van de gecombineerde nomenclatuur geheel en al in dat land zijn verkregen. In het eerste jaar waarin zij van toepassing is, moet de afwijking worden toegekend voor een jaarlijkse hoeveelheid van 5 000 ton bereidingen of conserven van tonijnfilets, 3 000 ton bereidingen of conserven van makreelfilets en een jaarlijkse hoeveelheid van 1 000 ton bereidingen of conserven van filets van valse bonito of kogeltonijn. Om rekening te houden met de handelsbelangen van de Europese Unie en een eerlijke concurrentie tussen de visserijsector van de Unie en die van derde landen te handhaven, moet de jaarlijkse hoeveelheid in de daaropvolgende jaren worden verminderd overeenkomstig de in de bijlagen I en II vastgestelde hoeveelheden, behalve in het geval van bereidingen of conserven van filets van valse bonito of kogeltonijn. De looptijd van de afwijking moet worden beperkt tot een periode van drie jaar, waarin Kaapverdië van de COVID-19-crisis kan herstellen en de nodige inspanningen kan leveren om de vereiste structurele aanpassingen in zijn visserijsector te voltooien zodat het aan de oorsprongsregels voor de betrokken producten kan voldoen. Aan de toekenning van de afwijking moet evenwel de voorwaarde worden verbonden dat de Kaapverdische douaneautoriteiten kwantitatieve controles verrichten op de uitvoer van de onder de afwijking vallende producten en dat zij de Commissie een overzicht bezorgen van de hoeveelheden waarvoor krachtens deze verordening attesten van oorsprong zijn afgegeven, en van de volgnummers van die attesten.
Voorts moet Kaapverdië een beroep kunnen doen op een afwijking voor tonijn en makreel in het kader van de preferentiële oorsprongsregels van het SAP, op voorwaarde dat het bij de bevoegde diensten van de Commissie regelmatig rapporteert over de maatregelen die het heeft genomen om de naleving van de regels betreffende de oorsprong van de producten en de desbetreffende procedures te verbeteren en om administratieve samenwerking te verlenen zoals vereist voor de tenuitvoerlegging van de preferentiële SAP-regeling als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 978/2012. Deze rapportage moet volgens een nauwkeurig tijdschema gebeuren, waarbij elke vertraging bij de naleving van de vastgestelde termijnen tot een opschorting van de afwijking leidt, wat aan de bevoegde autoriteiten van Kaapverdië moet worden gemeld na een aanmaning en een verzoek om binnen tien werkdagen de rapportage te verrichten. Een opschorting heeft geen verlenging van de periode waarin deze verordening en de bijlagen I en II voorzien, tot gevolg. De te rapporteren informatie is in een bijlage bij deze verordening opgenomen.
De in de bijlagen bij deze verordening vermelde hoeveelheden moeten worden beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447(6) van de Commissie, waarin het beheer van tariefcontingenten is geregeld.
De in deze verordening vervatte maatregelen moeten in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan en met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf 1 januari 2021 om rekening te houden met de moeilijke situatie waarin Kaapverdië zich bevindt, en om het land in staat te stellen de afwijking toe te passen op producten die sinds die datum in de EU zijn ingevoerd.
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2
De afwijking is van toepassing op producten die worden uitgevoerd uit Kaapverdië en voor het vrije verkeer in de Unie worden aangegeven tussen 1 januari 2021 en 31 december 2023.
De afwijking is van toepassing op producten tot de jaarlijkse hoeveelheden die zijn vastgesteld in bijlage I (tonijn) en bijlage II (makreel en kogeltonijn).
De afwijking vindt slechts toepassing mits de in artikel 43 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgestelde voorwaarden worden nageleefd.
Artikel 3
De in de bijlagen I en II bij deze verordening vermelde hoeveelheden worden beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie, waarin het beheer van tariefcontingenten is geregeld.
Artikel 4
De afwijking wordt verleend op de volgende voorwaarden:
-
De Kaapverdische douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen voor het verrichten van kwantitatieve controles op de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten.
-
De door de geregistreerde exporteurs opgestelde attesten van oorsprong worden voorzien van de volgende aantekening: “Afwijking — Uitvoeringsverordening (EU) 2021/966 van de Commissie”.
-
De bevoegde Kaapverdische autoriteiten doen de Commissie ieder kwartaal een overzicht toekomen van de hoeveelheden waarvoor krachtens deze verordening attesten van oorsprong zijn opgesteld, samen met de kopieën van deze bewijzen. Deze informatie wordt zes maanden, 18 maanden en 30 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aan de Commissie gerapporteerd.
-
De bevoegde Kaapverdische autoriteiten doen de Commissie, tegelijk met de in lid 3 bedoelde rapportage, een verslag toekomen met gedetailleerde informatie over de maatregelen die zij hebben genomen om:
-
de naleving van de regels betreffende de oorsprong van de producten en de desbetreffende procedures te waarborgen;
-
administratieve samenwerking te verlenen zoals vereist voor de tenuitvoerlegging van de preferentiële SAP-regeling.
-
De door de bevoegde Kaapverdische autoriteiten te rapporteren informatie is opgenomen in bijlage III.