De bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 van de Commissie ingestelde antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, worden met ingang van 9 december 2015 ingetrokken.
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1053 van de Commissie van 25 juni 2021 tot intrekking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 ingestelde definitieve antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1053 van de Commissie van 25 juni 2021 tot intrekking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 ingestelde definitieve antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie(1), en met name artikel 14, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Naar aanleiding van een antidumpingonderzoek overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad(2) werd op 6 oktober 2009 op grond van Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad(3) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China. De maatregelen bestonden uit ad-valoremrechten: 17,7 % voor Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd; 27,2 % voor andere medewerkende ondernemingen en 39,2 % voor alle andere ondernemingen.
Naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 zijn op 8 december 2015 uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 van de Commissie definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld voor nog eens vijf jaar(4).
Op 29 januari 2014 heeft het Gerecht in zijn arrest in zaak T-528/09 Verordening (EG) nr. 926/2009 nietig verklaard wat de uitvoer van door Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd (“Hubei”) vervaardigde producten betrof(5). Tegen dit arrest heeft de Raad beroep ingesteld.
Bij arrest van 7 april 2016 in de gevoegde zaken C-186/14 P en C-193/14 P heeft het Hof van Justitie (HvJ) de bevindingen van het Gerecht en de nietigverklaring van de maatregelen ten aanzien van de producent-exporteur Hubei bevestigd(6).
Op 9 december 2020 zijn de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 ingestelde antidumpingmaatregelen vervallen(7).
Op 4 februari 2021 heeft het Hof van Justitie in zaak C-324/19, na een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU van het Finanzgericht Hamburg, geoordeeld dat Verordening (EG) nr. 926/2009 ongeldig is (hierna: “het arrest”)(8).
Overeenkomstig artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten de instellingen van de Unie de maatregelen nemen die nodig zijn om het arrest van het Hof uit te voeren.
In zaak C-324/19 had het arrest tot gevolg dat de oorspronkelijke maatregelen ongeldig werden verklaard met werking erga omnes en ex tunc. Dat betekent dat het arrest van toepassing is op alle partijen en dat Verordening (EG) nr. 926/2009 ongeldig wordt geacht vanaf de datum van inwerkingtreding ervan.
Bovendien had het arrest, gezien de verlenging van de oorspronkelijke maatregel in 2015, ook een indirect effect op Verordening (EU) 2015/2272. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie is een verlengingsverordening namelijk “in dezelfde mate ongeldig […] als de definitieve verordening”(9). Bovendien vereist de naleving van de regel van het “parallellisme van de vormen” dat de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 ingestelde antidumpingmaatregelen worden ingetrokken door middel van een verordening van de Commissie(10).
Als gevolg van het arrest waarbij Verordening (EG) nr. 926/2009 in zijn geheel nietig is verklaard, moeten de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 ingestelde antidumpingrechten ook met werking ex tunc worden ingetrokken. Bovendien kunnen alle op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 betaalde definitieve rechten worden terugbetaald of kwijtgescholden overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving. Hieruit volgt met name dat de marktdeelnemer die deze rechten heeft betaald, in beginsel slechts terugbetaling ervan kan vorderen indien en voor zover de daartoe in artikel 121, lid 1, punt a), van het douanewetboek van de Unie(11) gestelde termijn van drie jaar niet is verstreken. Het feit dat Verordening (EG) nr. 926/2009 ongeldig is verklaard (ook met werking erga omnes) zou geen onvoorzienbare omstandigheid of overmacht vormen op grond waarvan deze termijn kan worden verlengd uit hoofde van artikel 121, lid 1, tweede alinea, van het douanewetboek van de Unie(12).
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Alle op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 betaalde definitieve rechten worden terugbetaald of kwijtgescholden overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juni 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula von der Leyen