Home

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van 30 september 2022 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 6859) (Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van 30 september 2022 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 6859) (Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen(1), en met name punt 2, derde alinea, van bijlage III,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Richtlijn 91/676/EEG zijn regels vastgesteld voor de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.

(2) In punt 2 van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG is bepaald dat lidstaten die voornemens zijn meer dierlijke mest dan 170 kg stikstof per hectare (ha) op of in de bodem te brengen, hoeveelheden moeten vaststellen, zodanig dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde doelstellingen. Indien een lidstaat krachtens punt b) van de tweede alinea een andere hoeveelheid toestaat, doet hij daarvan mededeling aan de Commissie, die de motivering volgens de regelgevingsprocedure van artikel 9, lid 2, bestudeert.

(3) Bij Beschikking 2005/880/EG(2) heeft de Commissie een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG verleend, om de toestemming te geven op landbouwbedrijven met ten minste 70 % grasland mest van graasdieren op of in de bodem te brengen tot een maximumhoeveelheid van 250 kg stikstof per hectare per jaar.

(4) Bij Besluit 2010/65/EU(3) heeft de Commissie Beschikking 2005/880/EG gewijzigd en een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG verleend, om tot en met 31 december 2013 de toestemming te geven op landbouwbedrijven met ten minste 70 % grasland mest van graasdieren op of in de bodem te brengen tot een maximumhoeveelheid van 250 kg stikstof per hectare per jaar.

(5) Bij Uitvoeringsbesluit 2014/291/EU van de Commissie(4), dat verviel op 31 december 2017, is aan Nederland een derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG verleend om de toestemming te geven op landbouwbedrijven met ten minste 80 % grasland mest van graasdieren op of in de bodem te brengen tot een maximumhoeveelheid van 230 kg stikstof per hectare per jaar voor landbouwbedrijven op zuidelijke en centrale zandbodems en lössbodems en tot een maximumhoeveelheid van 250 kg stikstof per hectare per jaar voor landbouwbedrijven op andere bodems. De derogatie gold in 2016 voor 19 564 landbouwbedrijven, oftewel 47 % van het totale nettolandbouwoppervlak in Nederland.

(6) Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/820 van de Commissie(5), dat verviel op 1 januari 2020, is aan Nederland een derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG verleend om de toestemming te geven op landbouwbedrijven met ten minste 80 % grasland mest van graasdieren op of in de bodem te brengen tot een maximumhoeveelheid van 230 kg stikstof per hectare per jaar voor landbouwbedrijven op zuidelijke en centrale zandbodems en lössbodems en tot een maximumhoeveelheid van 250 kg stikstof per hectare per jaar voor landbouwbedrijven op andere bodems. De derogatie gold in 2019 voor 18 818 landbouwbedrijven, oftewel 44,7 % van het totale nettolandbouwoppervlak in Nederland.

(7) Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1073 van de Commissie(6), dat verviel op 31 december 2021, is aan Nederland een derogatie verleend om de toestemming te geven op landbouwbedrijven met ten minste 80 % grasland mest van graasdieren op of in de bodem te brengen tot een maximumhoeveelheid van 230 kg stikstof per hectare per jaar voor landbouwbedrijven op zuidelijke en centrale zandbodems en lössbodems en tot een maximumhoeveelheid van 250 kg stikstof per hectare per jaar voor landbouwbedrijven op andere bodems. Dat uitvoeringsbesluit gold slechts voor twee jaar, om Nederland de gelegenheid te geven een versterkte handhavingsstrategie ter voorkoming van fraude bij de uitvoering van zijn mestbeleid volledig ten uitvoer te leggen. Bovendien werden daarin aanvullende voorwaarden opgenomen om ervoor te zorgen dat de veestapel niet toenam en om de ammoniakemissies bij het op of in de bodem brengen van mest te verminderen.

(8) Op 25 februari 2022 verzocht Nederland om een nieuwe derogatie op grond van punt 2, derde alinea, van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG.

(9) Nederland rapporteerde op grond van artikel 10 van Richtlijn 91/676/EEG gegevens(7) waaruit blijkt dat voor de periode 2016 tot en met 2019 ongeveer 14 % van de meetstations voor grondwater in Nederland gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l, 5 % van die meetstations gemiddelde nitraatconcentraties tussen 40 en 50 mg/l, en 73 % ervan gemiddelde nitraatconcentraties van minder dan 25 mg/l hebben opgetekend. Uit de gegevens bleek tevens dat voor de periode 2016 tot en met 2019 99 % van de meetstations voor oppervlaktewater in Nederland gemiddelde nitraatconcentraties van minder dan 50 mg/l heeft opgetekend en dat 96 % van die meetstations gemiddelde nitraatconcentraties van minder dan 25 mg/l heeft opgetekend. Niettemin was in de verslagperiode 2016 tot en met 2019 58 % van het zoete water eutroof, en kon 10 % eutroof worden indien geen maatregelen werden genomen.

(10) Deze gegevens, zoals gepubliceerd in het verslag over artikel 10 van Richtlijn 91/676/EEG(8), lieten ook zien dat er duidelijke verschillen waren tussen de Nederlandse provincies en dat in een aantal Nederlandse provincies sprake is van vervuilingshotspots voor nitraatconcentraties in grondwater en eutrofiëring. In Limburg vertoonde 36 % van de grondwaterstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l en vertoonde 22 % een negatieve trend, terwijl 74 % van de oppervlaktewateren eutroof was en 16 % het risico liep eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Noord-Brabant vertoonde 26 % van de grondwaterstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l en vertoonde 20 % een negatieve trend, terwijl 68 % van het oppervlaktewater eutroof was en 7 % het risico liep eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Zeeland vertoonde 14 % van de grondwaterstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l en vertoonde 47 % een negatieve trend, terwijl 80 % van de oppervlaktewateren eutroof was en 11 % het risico liep eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Zuid-Holland was 54 % van de oppervlaktewateren eutroof en liep 17 % het risico eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Noord-Holland was 61 % van de oppervlaktewateren eutroof en liep 19 % het risico eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Utrecht vertoonde 24 % van de grondwaterstations een negatieve trend inzake nitraatconcentraties, terwijl 43 % van de oppervlaktewateren eutroof was en 10 % het risico liep eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Gelderland vertoonde 10 % van de grondwaterstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l en vertoonde 15 % een negatieve trend. In Overijssel vertoonde 18 % van de grondwaterstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l en vertoonde 19 % een negatieve trend, terwijl 67 % van de oppervlaktewateren eutroof was en 4 % het risico liep eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Drenthe vertoonde 15 % van de grondwaterstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l, terwijl 65 % van de oppervlaktewateren eutroof was en 9 % het risico liep eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Friesland vertoonde 23 % van de grondwaterstations een negatieve trend inzake nitraatconcentraties, terwijl 85 % van het oppervlaktewater eutroof was. In Groningen was 52 % van de oppervlaktewateren eutroof en liep 11 % het risico eutroof te worden als er geen maatregelen werden genomen. In Flevoland was 33 % van het oppervlaktewater eutroof.

(11) Uit de gegevens die Nederland in 2020 en 2021 in het kader van de verslagen op grond van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1073 heeft gerapporteerd, blijkt dat de nitraatconcentraties in het grondwater in gebieden met löss-, zand- en kleibodems zijn gestegen. In het zuiden en het oosten van het zandgebied bedroeg de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater in 2021 67 mg/l. Dit is meer dan de grenswaarde van de Unie van 50 mg/l. Sinds 2017 is de nitraatconcentratie in dat deel van het zandgebied verdubbeld. De gemiddelde concentratie in het noorden van het zandgebied bleef onder de grenswaarde van de Unie, maar steeg in 2021 tot 37 mg/l. In het lössgebied daalde de gemiddelde concentratie licht tot 57 mg/l in 2020, maar deze ligt nog steeds boven de grenswaarde van de Unie. In het kleigebied bleven de nitraatconcentraties steeds onder de grenswaarde, maar zijn zij toch gestegen. In de veengebieden werden de laagste concentraties gemeten, met een gemiddelde concentratie van 14 mg/l in 2021. Uit de gegevens bleek ook dat het van landbouwbedrijven afkomstige water in de wortelzone in het meetnetwerk voor de derogatie vaak de nitraatconcentratienormen overschreed, ook al bleef de gemiddelde waarde onder 50 mg/l.

(12) Nederland past overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn 91/676/EEG op zijn gehele grondgebied een actieprogramma toe. Op 26 december 2021 heeft Nederland een nieuw actieprogramma voor de periode 2022-2025(9) (het 7e Nitraatactieprogramma) vastgesteld, dat aanvullende maatregelen omvat om de verliezen van nutriënten (stikstof en fosfor) in het milieu te verminderen en dat gebaseerd is op een gedifferentieerde regionale aanpak, afhankelijk van het niveau van nutriëntenverontreiniging en het bodemtype. Uit de milieueffectbeoordeling, die ter voorbereiding van het 7e Nitraatactieprogramma is uitgevoerd door de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet, bleek echter dat de potentiële effecten van het actieprogramma niet zouden volstaan om de waterkwaliteitsdoelstellingen te bereiken. Op 25 februari 2022 heeft Nederland een addendum bij het 7e Nitraatactieprogramma(10) vastgesteld, waarin wordt verwezen naar het Nationaal Programma Landelijk Gebied(11), dat voorziet in een integrale benadering van natuur, water en klimaat, met inbegrip van stikstofemissies, om aan de milieu- en klimaatvereisten van de Unie te voldoen. Met het addendum wil de Nederlandse regering haar ambities omzetten in concrete maatregelen ter verwezenlijking van de waterkwaliteitsdoelstellingen voor nutriënten uit agrarische bronnen.

(13) Het 7e Nitraatactieprogramma 2022-2025 en het addendum daarbij bevatten de inspanningen die per regio nodig zijn voor het bereiken van de waterkwaliteitsdoelstellingen voor nitraten en fosfor uit agrarische bronnen, zoals bepaald in Richtlijn 91/676/EEG en in het Nederlandse stroomgebiedbeheersplan dat is vastgesteld in het kader van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(12). Voor de nitraatconcentraties in grondwater moeten de regio’s Zand Noord, Zand Oost, Westelijk Noord-Brabant, Centraal zeeklei, Zuidwestelijk zeekleigebied en Westelijk zandgebied enige inspanning leveren om de doelstellingen te halen, terwijl de regio’s Gelderse Vallei, Oostelijk Noord-Brabant en Limburg Zand, en Lössgebied daarvoor aanzienlijke inspanningen moeten leveren. Voor de fosforconcentraties in oppervlaktewater (eutrofiëring) moeten de regio’s Zand Noord, Zand Oost, Westelijk Noord-Brabant, Oostelijk Noord-Brabant en Limburg Zand, Noordelijk zeekleigebied, Centraal zeeklei, en Zuidwestelijk zeekleigebied enige inspanning leveren om de doelstellingen te bereiken, terwijl de regio’s Gelderse Vallei, Lössgebied, Westelijk Zeeklei, Westelijk veengebied, en Westelijk zandgebied daarvoor aanzienlijke inspanningen moeten leveren. Dit strookt met de gegevens die Nederland uit hoofde van artikel 10 van Richtlijn 91/676/EEG heeft gerapporteerd.

(14) Nederland zal een nieuwe aanwijzing vaststellen voor gebieden die verontreinigd zijn door nitraten en fosfor uit agrarische bronnen ( “met nutriënten verontreinigde gebieden” ) die alle stroomgebieden omvat waarvan de meetpunten aangeven dat de grond- en oppervlaktewateren gemiddeld of incidenteel met nitraten zijn verontreinigd, gevaar lopen te worden verontreinigd en een stijgende tendens vertonen, of eutroof zijn, of dreigen eutroof te worden. Bij de aanwijzing moet ook rekening worden gehouden met de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name de arresten in de zaken C-221/03(13) en C-543/16(14). Indien er op 1 januari 2024 geen nieuwe aanwijzing is vastgesteld, zullen alle gebieden waar enige of aanzienlijke inspanningen nodig zijn, worden aangewezen als met nutriënten verontreinigde gebieden.

(15) Dit derogatieverzoek moet worden bekeken binnen de bredere beleidscontext van de EU met betrekking tot nutriëntenbeheer, met name de doelstellingen en streefcijfers van de Richtlijnen 2000/60/EG, 2006/118/EG(15) en 2008/56/EG(16) van het Europees Parlement en de Raad, de toenemende ambitie van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen(17) en het strategisch GLB-plan voor Nederland(18), alsook de doelstellingen van de Europese Green Deal inzake nutriëntenverontreiniging. De Europese Green Deal stelt voor de Unie doelstellingen vast voor het verminderen van nutriëntenverliezen en het beperken van andere broeikasgassen dan CO2, namelijk methaan en distikstofoxide, waarvan bemesting en vee een belangrijke bron zijn. In het bijzonder heeft de Unie zich er in de “van boer tot bord”-strategie(19) en het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te dringen(20), toe verbonden om het verlies van nutriënten in 2030 met 50 % te verminderen en tegelijkertijd de vruchtbaarheid van de bodem in stand te houden, wat moet leiden tot een vermindering van het gebruik van meststoffen met 20 %, en om de ecosysteemgebieden van de EU waar de “kritische belasting” van stikstofdepositie wordt overschreden en waar luchtverontreiniging de biodiversiteit bedreigt, met 25 % te verminderen.

(16) In de Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied van 10 juni 2022(21) merkt de Nederlandse regering op: “In veenweidegebieden, Natura 2000-gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de kwetsbare beekdalen en overgangsgebieden rond Natura 2000-gebieden zijn de opgaven het grootst. Agrariërs hebben hier te maken met meer bedrijfsbeperkingen of minder ontwikkelingsmogelijkheden. Extensivering van de bedrijfsvoering is dan de meest geëigende route voor de landbouw.”. Er is ook een verbintenis om overgangsgebieden rond Natura 2000-gebieden te creëren. “Overgangsgebieden zijn gebieden grenzend aan Natura 2000-gebieden die een bijdrage leveren aan systeemherstel voor behoud en herstel van de biodiversiteit in het betreffende Natura 2000-gebied.”.

(17) De Commissie heeft het Nederlandse derogatieverzoek onderzocht in het licht van de vereisten en doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG en de ervaring die is opgedaan met eerdere derogatiebesluiten, en van het 7e Nitraatactieprogramma en het addendum daarbij. Zij heeft ook de trends in de waterkwaliteit onderzocht en rekening gehouden met de doelstellingen van de Europese Green Deal. Op basis daarvan acht de Commissie het noodzakelijk om voor graslandbedrijven te zorgen voor een voorspelbare overgangsperiode van maximaal 4 jaar totdat de geplande hervormingen zoals uiteengezet in het addendum volledig in de Nederlandse wetgeving zijn geïntegreerd, en om de geleidelijke uitvoering van de nieuwe hervormingen te begeleiden. De Commissie meent ook dat Nederland voor de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG aan strenge aanvullende voorwaarden moet voldoen, met name, maar niet alleen, in de met nutriënten verontreinigde gebieden. De gevraagde derogatie moet het in het addendum en in het Nationaal Programma Landelijk Gebied omschreven hervormingstraject ondersteunen.

(18) De bij dit besluit verleende derogatie doet geen afbreuk aan de verplichting van Nederland om Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(22) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-293/17(23), met name wat de uitlegging van artikel 6, lid 3, van die richtlijn betreft, alsmede Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/56/EG toe te passen; dit sluit ook niet uit dat aanvullende maatregelen nodig kunnen zijn om aan de uit die richtlijnen voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

(19) Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat het toestaan van extra hoeveelheden mest per hectare per jaar de verwezenlijking van de doelstellingen of naleving van de voorschriften van andere Uniewetgeving waarvoor stikstof- en fosforverontreiniging een belemmering kan vormen, niet vertraagt dan wel in gevaar brengt. Daarom mogen nationale vergunningen voor afwijkingen voor individuele landbouwers niet worden toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden en in Natura 2000-gebieden, noch binnen de bufferzones rond Natura 2000-gebieden zoals die zijn omschreven in het Nederlandse Nationaal Programma Landelijk Gebied en waarvan de omvang in 2023 zal worden gespecificeerd.

(20) De veedichtheid in Nederland blijft zeer hoog; in 2016 was deze de hoogste in de Unie, bijna vijf keer hoger dan het Uniegemiddelde. Volgens de door Nederland verstrekte gegevens daalde de totale veestapel in de periode 2019-2021 met 2,5 %, terwijl het aantal runderen toenam.

(21) De totale mestproductie van 2020 mag niet worden overschreden. Dit plafond voor de maximale mestproductie zal op 1 januari 2024 in de nationale wetgeving worden opgenomen. Bovendien moet de uitvoering van de hervormingen die in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied zijn gepland, leiden tot een geleidelijke vermindering van de mestproductie tegen het einde van de geldigheidsduur van het onderhavige besluit.

(22) Met name in met nutriënten verontreinigde gebieden is het noodzakelijk het 7e Nitraatactieprogramma en het addendum daarbij aan te vullen met specifieke maatregelen waarvan is erkend dat zij doeltreffend zijn bij het duurzaam nutriëntenbeheer op bedrijfsniveau en bij het verminderen van nutriëntenverliezen naar grondwater en zoet water.

(23) Nederland heeft een versterkte handhavingsstrategie vastgesteld om fraude bij de uitvoering van zijn mestbeleid beter te voorkomen. Die strategie werd uitgevoerd in de jaren 2020-2021, maar liep als gevolg van de COVID-pandemie ook enige vertraging op. De uitvoering van de hoofdlijnen van de strategie moet doeltreffend worden voortgezet en uitgebreid tot andere regio’s waar uit de onafhankelijke beoordeling blijkt dat er een aanzienlijk risico bestaat dat de regels inzake mestbeheer opzettelijk niet worden nageleefd. De overgangsperiode voor de geplande landbouwhervormingen kan ook tot meer fraude leiden, en daarom moeten de controles worden geïntensiveerd.

(24) Voor de verlening van vergunningen aan individuele landbouwers gelden bepaalde voorwaarden die tot doel hebben de bemesting op bedrijfsniveau in overeenstemming te brengen met de gewasbehoeften en stikstof- en fosfaatuitspoeling te voorkomen. De in dit besluit vastgestelde maatregelen moeten de maatregelen die reeds worden toegepast in het kader van het 7e Nitraatactieprogramma en het addendum daarbij aanvullen.

(25) Nederland moet alle in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad(24) vastgestelde maatregelen ter vermindering van de ammoniakemissies ten uitvoer leggen. In het verslag over het effect van Richtlijn 91/676/EEG op de uitstoot van gasvormige stikstof(25) werd geconcludeerd dat de derogatie in sommige regio’s met een hoge veedichtheid tot hogere gasvormige emissies kan leiden. Daarom moeten passende maatregelen ter vermindering van de ammoniakemissies worden genomen, waaronder emissiearme verspreidingstechnieken, zo nodig in combinatie met een maximale temperatuur waarbij mest mag worden opgebracht en een strikte verplichting om op akkers opgebrachte mest/drijfmest onmiddellijk in de bodem te brengen.

(26) De in artikel 4 van dit besluit vastgestelde voorwaarden worden beschouwd als de versie van de in het nationale recht vastgestelde beheerseisen in de zin van artikel 12 en 13 van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad(26), en de voorwaarden van de artikelen 5 tot en met 9 van dit besluit worden voor de entiteiten waarvoor een derogatie geldt beschouwd als de versie van de in het nationale recht vastgestelde beheerseisen in de zin van artikel 12 en 13 van Verordening (EU) 2021/2115.

(27) Nederland moet voldoen aan de doelstellingen inzake broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030. Een omzetting van landgebruik van grasland in bouwland zou leiden tot een toename van de emissies van koolstof in de bodem en zou de naleving van artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad(27) belemmeren.

(28) Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(28) stelt algemene regels vast voor de oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Unie, ter ondersteuning van het milieubeleid van de Unie en beleidsmaatregelen of activiteiten van de Unie die van invloed kunnen zijn op het milieu. In voorkomend geval moet de in het kader van dit besluit verzamelde ruimtelijke informatie in overeenstemming zijn met de bepalingen van die richtlijn. Met het oog op minder administratieve lasten en meer coherente gegevens moet Nederland bij het verzamelen van de vereiste gegevens in het kader van dit besluit — waar passend — bovendien gebruikmaken van de informatie die is gegenereerd in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dat Nederland heeft ingesteld uit hoofde van artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad(29).

(29) Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2025.

(30) De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1 Derogatie

De derogatie waarom Nederland bij brief van 25 februari 2022 heeft verzocht teneinde toe te staan dat een grotere hoeveelheid stikstof uit mest van graasdieren op of in de bodem wordt gebracht dan die waarin is voorzien in punt 2, tweede alinea, eerste zin, van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG, wordt verleend als overgangsmaatregel ter begeleiding van de hervormingen van de landbouw- en veeteeltsector in Nederland, zodat kan worden voldaan aan de milieu- en klimaateisen van de EU met betrekking tot stikstofemissies (met inbegrip van ammoniak) en nutriënten in het water (met inbegrip van Richtlijn 91/676/EEG), en onder de in dit besluit vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2 Omvang van de derogatie

De derogatie geldt voor graslandbedrijven waarvoor overeenkomstig artikel 6 een vergunning is verleend.

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  1. “graslandbedrijf”: landbouwbedrijf waar ten minste 80 % van de oppervlakte die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest beschikbaar is, uit grasland bestaat;

  2. “graasdieren”: rundvee (met uitzondering van vleeskalveren), schapen, geiten, paarden, ezels, herten en waterbuffels;

  3. “landbouwgrond”: de grond die de landbouwer in eigendom of in pacht of op grond van een individuele schriftelijke overeenkomst in beheer heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is;

  4. “grasland”: blijvend grasland of tijdelijk grasland (d.w.z. grasland dat vijf jaar of minder grasland is geweest);

  5. “bemestingsplan”: een berekening van het geplande gebruik en de beschikbaarheid van nutriënten;

  6. “mestboekhouding”: de nutriëntenbalans op basis van het werkelijke gebruik en de opname van nutriënten;

  7. “mestregister”: een elektronisch systeem waarmee landbouwers verslag uitbrengen over het werkelijke nutriëntengebruik en het mestbeheer;

  8. “zuidelijke en centrale zandbodems”: bodems die als zuidelijke of centrale zandgronden zijn aangewezen in de Nederlandse wetgeving (artikel 1, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet(30));

  9. “lössbodems”: bodems die als lössgronden zijn aangewezen in de Nederlandse wetgeving (artikel 1, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet);

  10. “nutriënten”: stikstof en fosfaat.

Artikel 4 Algemene voorwaarden voor de derogatie

De derogatie wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

  1. Nederland zorgt uiterlijk op 1 januari 2024 voor een nieuwe aanwijzing en een nieuwe kaart van gebieden die verontreinigd zijn door nitraten en fosfor uit agrarische bronnen ( “met nutriënten verontreinigde gebieden” ), die alle stroomgebieden omvat waarvan de meetpunten aangeven dat de grond- en oppervlaktewateren gemiddeld of incidenteel met nitraten zijn verontreinigd, gevaar lopen te worden verontreinigd en een stijgende tendens vertonen, of eutroof zijn, of dreigen eutroof te worden.

    Als overgangsmaatregel en totdat de nieuwe aanwijzing uiterlijk op 1 januari 2024 van kracht is, zullen met nutriënten verontreinigde gebieden de zuidelijke en centrale zandbodems en lössbodems omvatten, evenals, vanaf 1 januari 2023, de stroomgebieden van regionale waterlichamen die in de nationale analyse van de waterkwaliteit (2020)(31) door het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zijn aangemerkt als gebieden die slecht, ontoereikend of matig scoren voor nutriënten.

    Met ingang van 1 januari 2024 gelden een definitieve aanwijzing en kaart van met nutriënten verontreinigde gebieden, die ten minste de in 2023 aangewezen gebieden omvatten, alsmede elk ander extra gebied waar de bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenverontreiniging significant is, d.w.z. meer dan 19 % van de totale nutriëntenbelasting.

    Indien de definitieve aanwijzing en kaart van met nutriënten verontreinigde gebieden op 1 januari 2024 niet klaar zijn, moet gebruikgemaakt worden van de aanwijzing in het 7e Nitraatactieprogramma en het addendum daarbij, dat alle gebieden omvat waar enige of aanzienlijke inspanningen nodig zijn om de waterkwaliteitsdoelstellingen inzake nitraten en fosforconcentraties te halen, zoals bepaald in Richtlijn 91/676/EEG en in het Nederlandse stroomgebiedbeheersplan dat is vastgesteld in het kader van Richtlijn 2000/60/EG.

  2. Nederland monitort de geproduceerde hoeveelheid mest en zorgt ervoor dat de mestproductie op nationaal niveau, zowel wat stikstof als wat fosfaat betreft, niet meer teweegbrengt dan 489,4 miljoen kg stikstof en 150,7 miljoen kg fosfaat (in 2020 geproduceerde hoeveelheid) en dat als gevolg van de verwezenlijking van de in het addendum opgenomen hervormingen de geproduceerde hoeveelheid mest geleidelijk afneemt en in 2025 niet meer dan 440 miljoen kg stikstof en 135 miljoen kg fosfaat teweegbrengt.

  3. Met ingang van 1 januari 2023 verleent Nederland geen vergunningen voor afwijkingen als bedoeld in artikel 5 van dit besluit in Natura 2000-gebieden die zijn ingesteld overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(32) en Richtlijn 92/43/EEG, en vanaf 1 januari 2024 evenmin in bufferzones nabij Natura 2000-gebieden, als gespecificeerd in het Nationaal Programma Landelijk Gebied, waar de kritische stikstofbelasting voor stikstofdepositie wordt overschreden.

  4. Met ingang van 1 januari 2023 verleent Nederland geen vergunningen voor afwijkingen als bedoeld in artikel 5 van dit besluit in grondwaterbeschermingsgebieden. In gebieden waar het grondwater is verontreinigd door nitraten, wordt uiterlijk op 1 januari 2024 in de grondwaterbeschermingsgebieden een pakket verplichte maatregelen toegepast om de nutriëntenbelasting te verminderen.

  5. Nederland treft de volgende maatregelen:

    1. vanaf januari 2023 stellen alle landbouwbedrijven vóór het groeiseizoen een jaarlijks bemestingsplan op. In het bemestingsplan worden de gewasrotatie op de landbouwgrond en het geplande gebruik van dierlijke mest en andere stikstof- en fosfaatbevattende meststoffen beschreven;

    2. met ingang van 1 januari 2024 wordt een elektronisch mestegister ingevoerd waarin het op of in de bodem brengen van minerale meststoffen en de productie van mest en het op of in de bodem brengen ervan worden geregistreerd. Uiterlijk op 1 januari 2025 maken alle landbouwbedrijven gebruik van het elektronische register. De Nederlandse autoriteiten monitoren en analyseren de gebruikspercentages van meststoffen en verstrekken aan landbouwers advies over methoden om de totale gebruikspercentages te verlagen;

    3. bufferstroken op landbouwgrond langs waterlopen waarop bemesting verboden is. Dit geldt vanaf 1 januari 2023 voor alle waterlopen op landbouwpercelen in Nederland. De bufferstroken moeten:

      1. ten minste vijf meter breed zijn langs ecologisch kwetsbare beken en oppervlaktewaterlichamen als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG;

      2. ten minste drie meter breed zijn langs alle andere waterlopen in landbouwgebieden, met inbegrip van sloten.

      In gebieden met ontwaterings- en irrigatiesloten van betekenis mogen of moeten deze bufferstroken:

      • drie meter breed zijn langs oppervlaktewaterlichamen als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG, indien de totale oppervlakte op perceelniveau van een bufferstrook met een breedte van vijf meter meer dan 4 % van het perceel landbouwgrond zou omvatten. Indien de totale oppervlakte op perceelniveau van een bufferstrook met een breedte van drie meter langs oppervlaktewaterlichamen als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG die niet wijder zijn dan tien meter, meer dan 4 % van het perceel landbouwgrond beslaat, kan de bufferstrook worden teruggebracht tot één meter.

      • één meter breed zijn langs alle andere waterlopen in landbouwgebieden, indien de totale oppervlakte op perceelniveau van een bufferstrook met een breedte van drie meter meer dan 4 % van het perceel landbouwgrond zou omvatten. Indien de totale oppervlakte op perceelniveau van een bufferstrook met een breedte van één meter meer dan 4 % van het perceel landbouwgrond beslaat, kan de bufferstrook worden teruggebracht tot 0,5 meter;

      1. ten minste één meter breed zijn langs waterlopen die in de zomer droogvallen (deze waterlopen staan ten minste in de periode van 1 april tot en met 1 oktober droog);

    4. in met nutriënten verontreinigde gebieden geldt de volgende voorwaarde: de totale bemesting met organische en chemische meststoffen wordt geleidelijk verlaagd, zodat de percentages vanaf 1 januari 2025 20 procentpunten lager zijn dan de in de bijlage bij het 7e Nitraatactieprogramma gepubliceerde percentages. Indien bij de geplande herziening van de bemestingsnormen lagere waarden worden vastgesteld, hebben deze voorrang.

  6. Nederland geeft verder uitvoering aan de versterkte handhavingsstrategie, voortbouwend op de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van artikel 4, lid 3, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1073. De versterkte handhavingsstrategie omvat ten minste de volgende elementen:

    1. voortdurende onafhankelijke risicobeoordeling van fraudegevallen en identificatie van gebieden waar dierlijke mest wordt gebruikt en beheerd (en van de daarbij betrokken actoren) en waar een hoger risico bestaat op opzettelijke niet-naleving van de nationale mestregels, gespecificeerd bij of krachtens de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet(33), het Besluit gebruik meststoffen(34) en het Activiteitenbesluit milieubeheer(35), voor zover het gewasvrije zones betreft;

    2. voortzetting van de versterkte handhaving in De Peel, Gelderse Vallei en Twente, die zijn aangemerkt als gebieden met een hoog risico van opzettelijke niet-naleving van de nationale regels voor dierlijke mest; de versterkte handhavingsstrategie wordt vóór eind 2025 geleidelijk uitgebreid tot alle andere regio’s waar uit de beoordeling blijkt dat zij zich in een gebied met een hoog risico bevinden, rekening houdend met de opgedane ervaring en beste praktijken;

    3. bijzondere aandacht voor actoren met een hoog risico in de mestwaardeketen, met inbegrip van tussenpersonen en co-vergisters in alle regio’s;

    4. een geautomatiseerd systeem voor verantwoording in realtime van mesttransporten met ingang van 1 januari 2023;

    5. voortdurende versterking van de inspectie- en controlecapaciteit, die ten minste gelijk moet zijn aan 40 % van de capaciteit die nodig is voor de in artikel 11, lid 2, bedoelde inspecties ter plaatse op graslandbedrijven waarvoor een vergunning is verleend, met inbegrip van aselecte controles, en een betere afstemming van die capaciteit op gebieden waar mest wordt verwerkt en beheerd en waar een verhoogd risico bestaat;

    6. jaarlijkse individuele inspectie van ten minste 5,5 % van de varkenshouderijen.

Artikel 5 Vergunningsaanvragen

Artikel 6 Verlening van vergunningen

Artikel 7 Voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van dierlijke en andere meststoffen op graslandbedrijven waarvoor een afwijking is toegestaan

Artikel 8 Voorwaarden voor grondbeheer in graslandbedrijven waarvoor een afwijking is toegestaan

Artikel 9 Voorwaarden met betrekking tot de vermindering van ammoniakemissies om de depositie van nutriënten ook in water terug te dringen

Artikel 10 Monitoring

Artikel 11 Controles en inspecties

Artikel 12 Verslaglegging

Artikel 13 Toepassingsperiode

Artikel 14 Adressaat