Home

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/160 van de Commissie van 4 februari 2022 tot vaststelling van eenvormige minimumfrequenties van bepaalde officiële controles ter verifiëring van de naleving van diergezondheidsvoorschriften van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1082/2003 en (EG) nr. 1505/2006 (Voor de EER relevante tekst)

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/160 van de Commissie van 4 februari 2022 tot vaststelling van eenvormige minimumfrequenties van bepaalde officiële controles ter verifiëring van de naleving van diergezondheidsvoorschriften van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1082/2003 en (EG) nr. 1505/2006 (Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles)(1), en met name artikel 20, lid 3, eerste alinea, punt a),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Verordening (EU) 2017/625 bevat algemene regels voor officiële controles die bevoegde autoriteiten op basis van een risicoanalyse en met een passende frequentie verrichten om de naleving van regels op verschillende gebieden, waaronder diergezondheid, te verifiëren. In die verordening zijn ook methoden en technieken vastgesteld voor officiële controles, onder andere inspecties van gebouwen, dieren en goederen waarover exploitanten zeggenschap hebben.

  2. Op grond van Verordening (EU) 2017/625 moeten wat eenvormige minimumfrequenties van officiële controles betreft eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles worden vastgesteld, indien dat noodzakelijk is om de specifieke gevaren en risico’s voor de diergezondheid aan te pakken en de naleving van maatregelen voor de preventie en bestrijding van ziekten te verifiëren.

  3. Voor Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad(2) van toepassing was, bevatten een aantal rechtshandelingen inzake diergezondheid regels betreffende minimumfrequenties voor officiële controles, en met name inspecties. Die rechtshandelingen zijn met ingang van 21 april 2021 bij Verordening (EU) 2016/429 ingetrokken.

  4. Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie(3) bevat voorschriften voor de erkenning van onder andere broederijen en inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden, inrichtingen voor het verzamelen van hoefdieren en pluimvee, verzamelcentra voor honden, katten en fretten, dierenasielen voor honden, katten en fretten, controleposten, van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen voor hommels, quarantaine-inrichtingen en geconsigneerde inrichtingen voor landdieren.

  5. Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686 van de Commissie(4) bevat voorschriften voor de erkenning van inrichtingen voor levende producten voor runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen van waaruit levende producten van die dieren naar een andere lidstaat mogen worden verplaatst.

  6. Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/691 van de Commissie(5) bevat voorschriften voor de erkenning van bepaalde aquacultuurinrichtingen en groepen aquacultuurinrichtingen waar waterdieren worden gehouden die een significant risico voor de diergezondheid inhouden.

  7. Het is belangrijk dat de bevoegde autoriteit door middel van regelmatige officiële controles, en met name door middel van inspecties zoals bedoeld in artikel 14, punt b), van Verordening (EU) 2017/625, verifieert dat de dieren en levende producten verder worden gehouden en geproduceerd in overeenstemming met de eenvormige voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen, die bedoeld zijn om de risico’s en gevaren die voortvloeien uit de in de lijst in Verordening (EU) 2016/429 opgenomen ziekten en nieuwe ziekten, te beperken. Om de uit die ziekten voortvloeiende eenvormige gevaren en risico’s voor de volks- en de diergezondheid aan te pakken, moeten in deze verordening eenvormige minimumfrequenties voor inspecties in bepaalde erkende inrichtingen worden vastgesteld.

  8. Bij de vaststelling van eenvormige minimumfrequenties voor inspecties in erkende inrichtingen voor levende producten moet er rekening mee worden gehouden dat de winning van sperma van runderen en varkens niet seizoensgebonden is.

  9. Bij de vaststelling van eenvormige minimumfrequenties voor inspecties in bepaalde erkende aquacultuurinrichtingen en erkende groepen aquacultuurinrichtingen moet rekening worden gehouden met de risicoclassificatie van die inrichting of groep inrichtingen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie(6).

  10. Wat de identificatie en registratie van bepaalde dieren betreft, is in de Verordeningen (EG) nr. 1082/2003(7) en (EG) nr. 1505/2006(8) van de Commissie bepaald welke controles elk jaar minimaal moeten worden verricht in inrichtingen waar runderen, schapen en geiten worden gehouden en hoeveel dieren in elke inrichting moeten worden geïnspecteerd.

  11. Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bevat ook nadere voorschriften voor de identificatie en registratie van runderen, schapen en geiten om de traceerbaarheid van die dieren te waarborgen.

  12. Runderen, schapen of geiten die niet zijn geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de voorschriften van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, kunnen een rol spelen bij de verspreiding van in de lijst in Verordening (EU) 2016/429 opgenomen ziekten en van nieuwe ziekten. Om die eenvormige gevaren en risico’s voor de volks- en de diergezondheid te beperken, om regelmatig te verifiëren of exploitanten de voorschriften van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 naleven en om de eenvormige uitvoering van Verordening (EU) 2017/625 te waarborgen, moeten eenvormige minimumfrequenties voor inspecties in het kader van officiële controles van de identificatie en registratie van runderen, schapen en geiten worden vastgesteld.

  13. De Verordeningen (EG) nr. 1082/2003 en (EG) nr. 1505/2006 zijn niet uitdrukkelijk ingetrokken bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035. Omwille van de rechtszekerheid moeten die verordeningen bij deze verordening worden ingetrokken.

  14. Overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, moeten de in deze verordening vastgestelde regels ook op het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn.

  15. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden eenvormige minimumfrequenties vastgesteld voor officiële controles, en met name inspecties, van dieren en levende producten en van de omstandigheden waarin zij worden gehouden of geproduceerd in de volgende inrichtingen:

  1. erkende inrichtingen voor gehouden landdieren en broedeieren zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

  2. erkende inrichtingen voor levende producten zoals bedoeld in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686;

  3. bepaalde aquacultuurinrichtingen die op grond van artikel 176, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 zijn erkend en groepen aquacultuurinrichtingen die op grond van artikel 177 van die verordening zijn erkend;

  4. geregistreerde inrichtingen voor gehouden landdieren zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 waar runderen, schapen of geiten worden gehouden.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende in Verordening (EU) 2016/429, Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686, Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688(9) en Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/990(10) vastgestelde definities:

  1. “inrichting”: zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 27, van Verordening (EU) 2016/429;

  2. “broederij”: zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 47, van Verordening (EU) 2016/429;

  3. “verzameling”: zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 49, van Verordening (EU) 2016/429;

  4. “verzamelcentrum voor honden, katten en fretten”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

  5. “dierenasiel”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 8, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

  6. “controlepost”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

  7. “van de omgeving geïsoleerde productie-inrichting”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

  8. “erkende quarantaine-inrichting”: zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 9, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688;

  9. “geconsigneerde inrichting”: zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 48, van Verordening (EU) 2016/429;

  10. “erkende inrichting voor levende producten”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686;

  11. “erkende aquacultuurinrichting”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/990;

  12. “erkende groep aquacultuurinrichtingen”: zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/990.

Artikel 3 Eenvormige minimumfrequentie van inspecties in bepaalde erkende inrichtingen

De bevoegde autoriteit van een lidstaat(11) verricht ten minste eenmaal per kalenderjaar officiële controles, en met name inspecties, van dieren en broedeieren en van de omstandigheden waarin die dieren en broedeieren worden gehouden of geproduceerd in de volgende typen inrichtingen op het grondgebied van de lidstaat die door de bevoegde autoriteit zijn erkend:

  1. broederijen en inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden;

  2. inrichtingen voor het verzamelen van hoefdieren en pluimvee;

  3. verzamelcentra voor honden, katten en fretten;

  4. dierenasielen voor honden, katten en fretten;

  5. controleposten;

  6. van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen voor hommels;

  7. erkende quarantaine-inrichtingen;

  8. geconsigneerde inrichtingen.

Artikel 4 Eenvormige minimumfrequentie van inspecties in erkende inrichtingen voor levende producten

De bevoegde autoriteit van een lidstaat verricht elk kalenderjaar officiële controles, en met name inspecties, van levende producten, met uitzondering van broedeieren, en van de omstandigheden waarin die levende producten worden geproduceerd in de volgende typen inrichtingen op het grondgebied van de lidstaat die door de bevoegde autoriteit zijn erkend:

  1. ten minste tweemaal per kalenderjaar: spermawinningscentra voor runderen en varkens;

  2. ten minste eenmaal per kalenderjaar:

    1. spermawinningscentra voor schapen, geiten en paardachtigen;

    2. embryowinnings- of embryoproductieteams;

    3. verwerkingsinrichtingen voor levende producten;

    4. opslagcentra voor levende producten.

Artikel 5 Eenvormige minimumfrequentie van inspecties in bepaalde erkende aquacultuurinrichtingen en in bepaalde erkende groepen aquacultuurinrichtingen

Artikel 6 Eenvormige minimumfrequentie van inspecties in inrichtingen waar runderen, schapen en geiten worden gehouden

Artikel 7 Intrekkingen

Artikel 8 Inwerkingtreding

BIJLAGEConcordantietabellen zoals bedoeld in artikel 7, lid 2