De bevoegde autoriteiten meten, rekening houdend met de rechtsvorm, het bedrijfsmodel, de bedrijfs- en risicostrategie en de omvang en complexiteit van de activiteiten van een beleggingsonderneming, tijdens hun toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder overeenkomstig artikel 36 van Richtlijn (EU) 2019/2034 het risico van een wanordelijke afwikkeling van de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming door het bedrag aan kapitaal te bepalen dat toereikend zou worden geacht om die onderneming in plausibele scenario’s op ordelijke wijze te kunnen ontbinden.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1668 van de Commissie van 25 mei 2023 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de meting van risico’s of aspecten van risico’s die niet of niet voldoende worden gedekt door de eigenvermogensvereisten van de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad en de indicatieve kwalitatieve maatstaven voor de bedragen van het aanvullend eigen vermogen (Voor de EER relevante tekst)
Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1668 van de Commissie van 25 mei 2023 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de meting van risico’s of aspecten van risico’s die niet of niet voldoende worden gedekt door de eigenvermogensvereisten van de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad en de indicatieve kwalitatieve maatstaven voor de bedragen van het aanvullend eigen vermogen (Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU(1), en met name artikel 40, lid 6, vierde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
Om de geharmoniseerde toepassing van het aanvullend-eigenvermogensvereiste in de hele Unie te waarborgen, is het noodzakelijk een uniforme benadering voor de meting van de risico’s en aspecten van risico’s vast te stellen ter ondersteuning van het bepalen van het kapitaalniveau dat toereikend is om alle materiële risico’s te ondervangen waaraan beleggingsondernemingen kunnen zijn blootgesteld. De bevoegde autoriteiten moeten er daarom voor zorgen dat beleggingsondernemingen voldoende aanvullend eigen vermogen aanhouden om elke risicocategorie (Risk-to-Client, Risk-to-Firm en Risk-to-Market) en alle andere materiële risico’s te dekken.
Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen het risicoprofiel van beleggingsondernemingen op passende wijze te monitoren en materiële risico’s te identificeren, te beoordelen en te kwantificeren, is het noodzakelijk een gedetailleerde en omvattende methodologie vast te stellen die in verhouding staat tot de aard, reikwijdte en complexiteit van de activiteiten van beleggingsondernemingen op basis van alle beschikbare informatiebronnen, met inbegrip van informatie die is verzameld voor de toepassing van artikel 36 van Richtlijn (EU) 2019/2034.
Het niveau van het aanvullend-eigenvermogensvereiste wordt toereikend geacht wanneer het de kans op faillissement van een beleggingsonderneming vermindert en het risico beperkt van een wanordelijke liquidatie die een bedreiging zou vormen voor de cliënten van de beleggingsonderneming en voor de ruimere markt, met inbegrip van andere financiële instellingen, marktinfrastructuren of de markt als geheel. Vanwege deze tweeledige doelstelling van het aanvullend-eigenvermogensvereiste en in overeenstemming met de structuur van de eigenvermogensvereisten zoals uiteengezet in de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad(2), moeten de bevoegde autoriteiten de risico’s die verbonden zijn aan lopende activiteiten van beleggingsondernemingen en het risico van een wanordelijke afwikkeling van de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming los van elkaar beschouwen.
Om ervoor te zorgen dat alle risico’s of aspecten van risico’s waaraan een beleggingsonderneming blootstaat of anderen blootstelt, naar behoren worden gedekt, moet een beleggingsonderneming voldoende eigen vermogen aanhouden, rekening houdend met het bedrijfsmodel, de schaal en de complexiteit van de door de beleggingsonderneming verrichte activiteiten, om extra operationele kosten in verband met een ordelijk liquidatieproces te kunnen dragen. Om ervoor te zorgen dat dergelijk eigen vermogen in specifieke economische omstandigheden toereikend zou zijn, moeten de bevoegde autoriteiten tijdens het overeenkomstig artikel 36 van Richtlijn (EU) 2019/2034 uitgevoerde toetsings- en evaluatieproces verschillende plausibele economische scenario’s in overweging nemen. Met name de bedrijfscontinuïteit, de beleggersbescherming en de marktintegriteit mogen tijdens het liquidatieproces niet in gevaar worden gebracht. Daartoe moet de beleggingsonderneming ook tijdens dat proces in staat zijn kosten en verliezen te absorberen waar niet voldoende winst tegenover staat. Aangezien de duur van het liquidatieproces naargelang van de specifieke omstandigheden aanzienlijk kan verschillen, moeten de bevoegde autoriteiten hiermee rekening houden bij het vaststellen van het aanvullend-eigenvermogensvereiste. Gezien de potentieel uiteenlopende rechtsvormen die beleggingsondernemingen kunnen aannemen, moeten de bevoegde autoriteiten bovendien rekening houden met de toepasselijke nationale insolventie-, vennootschaps- en handelswetgeving, die van invloed kan zijn op de duur van de liquidatieprocessen en op de daaraan verbonden kosten en risico’s.
Om te zorgen voor evenredigheid bij het bepalen van het aanvullend-eigenvermogensvereiste, mogen risico’s en aspecten van risico die niet of niet voldoende worden gedekt door het K-factorvereiste als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) 2019/2033 alleen worden gemeten voor beleggingsondernemingen waarvoor het in dat artikel bedoelde K-factorvereiste geldt, en niet voor kleine en niet-verweven ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van die verordening. Voor beleggingsondernemingen bestaan er andere risico’s die helemaal niet onder de eigenvermogensvereisten van de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033 vallen, onder meer risico’s die uitdrukkelijk van die eigenvermogensvereisten zijn uitgesloten. Daarom moet worden gespecificeerd dat die risico’s door de bevoegde autoriteiten worden beoordeeld en gemeten op basis van de omvang en het bedrijfsmodel van de beleggingsonderneming en op basis van de omvang, de aard en de complexiteit van haar activiteiten.
Om te zorgen voor een correcte meting en dekking van alle risico’s waarnaar in de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033 wordt verwezen maar die niet volledig of adequaat door die vereisten worden gedekt, moeten dergelijke risico’s voor elke risicocategorie (Risk-to-Client, Risk-to-Market en Risk-to-Firm) afzonderlijk worden gemeten. Om dezelfde reden moeten de risico’s die niet onder de delen drie en vier van die verordening vallen, met inbegrip van de risico’s die uitdrukkelijk van die vereisten zijn uitgesloten, per risico worden gemeten. Indien de meting per risicocategorie of per risico echter te belastend is of niet haalbaar is voor beleggingsondernemingen waarvoor een aanvangskapitaalvereiste geldt dat lager is dan het vereiste van artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/2034, moet de meting van risico’s in die gevallen op geaggregeerd niveau worden uitgevoerd, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
Om het juiste evenwicht te vinden tussen prudentiële overwegingen en evenredige toepassing, mag de meting van risico’s op geaggregeerd niveau niet van toepassing zijn op beleggingsondernemingen waarvoor het in artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/2034 vastgestelde aanvangskapitaalvereiste geldt. Beleggingsondernemingen waarvoor hogere aanvangskapitaalvereisten gelden, moeten worden beoordeeld in termen van risico’s met een meting per risicocategorie en per risico.
Om te zorgen voor consistentie bij de meting van materiële risico’s die beleggingsondernemingen voor anderen kunnen inhouden of die zij zelf kunnen lopen, moeten de bevoegde autoriteiten zich baseren op een geharmoniseerde reeks indicatieve kwalitatieve minimummaatstaven. Aangezien de risico’s gedurende de gehele bedrijfscyclus van een onderneming evolueren, moeten de bevoegde autoriteiten niet alleen een statische beoordeling uitvoeren maar ook een analyse van historische trends van dergelijke maatstaven. Om alle relevante risico’s naar behoren te dekken, moeten verschillende maatstaven worden gebruikt voor beleggingsondernemingen met verschillende bedrijfsmodellen en activiteiten. Om alle relevante risico’s van de beleggingsonderneming naar behoren te dekken, rekening houdend met het specifieke bedrijfsmodel of de specifieke activiteit, de rechtsvorm en de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens, moeten de bevoegde autoriteiten, in bepaalde omstandigheden die met name verband houden met de specifieke kenmerken van het bedrijfsmodel of de gegevenskwaliteit van een onderneming, de maatstaven aanpassen en die aangepaste maatstaven gebruiken of, indien dat niet mogelijk is, alternatieve maatstaven gebruiken die in verhouding staan tot de omvang, de complexiteit, het bedrijfsmodel en het bedrijfsmodel van de beleggingsonderneming en die een passende risicobeoordeling waarborgen.
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd.
De Europese Bankautoriteit heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en de bij artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdersgroep bankwezen om advies verzocht(3),
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1 Risico van wanordelijke liquidatie
De in lid 1 bedoelde meting staat in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en de reikwijdte van de activiteiten van de beleggingsonderneming en tot het potentiële effect van haar liquidatie op cliënten en markten, en omvat het volgende:
-
een raming van het realistische tijdsbestek voor de liquidatie van de beleggingsonderneming;
-
een beoordeling van de operationele en juridische taken van de beleggingsonderneming tijdens het liquidatieproces in een realistisch tijdsbestek;
-
de identificatie en beoordeling van materiële vaste en variabele kosten;
-
de identificatie en beoordeling van materiële risico’s of aspecten van risico’s die zich tijdens het afwikkelingsproces kunnen voordoen;
-
alle andere aspecten die relevant zijn voor het afwikkelingsproces.
Waar Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(4) van toepassing is, houden de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van lid 2, punten b) en c), rekening met de beschikbare informatie over herstelmaatregelen en governanceregelingen in het herstel- of groepsherstelplan van de beleggingsonderneming, indien de bevoegde autoriteiten die informatie voldoende geloofwaardig en betrouwbaar achten.
Voor beleggingsondernemingen waarvoor het in artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/2034 neergelegde aanvangskapitaalvereiste geldt, nemen de bevoegde autoriteiten in hun meting het volgende op:
-
de afsluitkosten, met inbegrip van proceskosten voor de toepassing van lid 2, punt c), van dit artikel;
-
het verlies aan inkomsten en het verlies in de netto realiseerbare waarde van activa die naar verwachting zullen ontstaan als gevolg van het liquidatieproces voor de toepassing van lid 2, punt d), van dit artikel.
De bevoegde autoriteiten identificeren en kwantificeren materiële kosten, risico’s of aspecten van risico’s en bepalen het kapitaal dat toereikend wordt geacht om deze te absorberen overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel.
De bevoegde autoriteiten maken gebruik van de relevante indicatieve kwalitatieve maatstaven als bedoeld in artikel 6, lid 1, en combineren deze met een analyse van statische en historische trends, waarbij zij zo nodig een deskundig oordeel geven.
Het overeenkomstig dit artikel gemeten kapitaal dat toereikend wordt geacht om het risico van een wanordelijke afwikkeling van de bedrijfsactiviteiten van een beleggingsonderneming te dekken, is ten minste gelijk aan het overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2019/2033 berekende vastekostenvereiste van die beleggingsonderneming.
Artikel 2 Materiële risico’s of aspecten van risico’s die niet of niet volledig worden gedekt door het K-factorvereiste van deel drie, titel II, van Verordening (EU) 2019/2033
Indien de beleggingsonderneming niet voldoet aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming in de zin van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, meten de bevoegde autoriteiten, rekening houdend met het bedrijfsmodel, de rechtsvorm, de bedrijfs- en risicostrategie en de schaal en complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming, tijdens hun overeenkomstig de artikelen 36 en 37 van Richtlijn (EU) 2019/2034 uitgevoerde toetsingen, elk materieel risico of materieel risicoaspect dat uit de lopende activiteiten van de beleggingsonderneming voortvloeit en dat zij zichzelf, haar cliënten en de markt oplevert en dat niet of niet volledig wordt gedekt door het K-factorvereiste van deel drie, titel II, van Verordening (EU) 2019/2033.
De bevoegde autoriteiten bepalen welk kapitaal toereikend zou worden geacht om de relevante risico’s in verband met het K-factorvereiste te dekken.
De in lid 1 bedoelde meting wordt afzonderlijk verricht voor elke risicocategorie “Risk-to-Client” (RtC), “Risk-to-Market” (RtM) en “Risk-to-Firm” (RtF) als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) 2019/2033.
In afwijking van de eerste alinea wordt voor beleggingsondernemingen waarvoor een aanvangskapitaalvereiste geldt dat lager is dan het vereiste van artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/2034, indien de bevoegde autoriteiten een gedetailleerdere kwantificering niet haalbaar of te belastend achten, de meting op geaggregeerd niveau uitgevoerd.
Bij de in lid 2 bedoelde meting worden materiële risico’s of aspecten van risico’s voor elke risicocategorie geïdentificeerd en gekwantificeerd, met inbegrip van risico’s die voortvloeien uit het gebruik van de alternatieve internemodellenbenadering als bedoeld in artikel 22, punt c), van Verordening (EU) 2019/2033, op basis van de indicatieve kwalitatieve maatstaven als bedoeld in artikel 6, lid 2, lid 3 en lid 4, van deze verordening en op basis van deskundig oordeel van de bevoegde autoriteiten.
De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het kapitaal dat toereikend wordt geacht om materiële risico’s in verband met het K-factorvereiste te dekken, niet lager is dan het totale K-factorvereiste.
Artikel 3 Materiële risico’s of aspecten van risico’s die niet volledig worden gedekt door het eigenvermogensvereiste van de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033
Indien de beleggingsonderneming niet voldoet aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming in de zin van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, meten de bevoegde autoriteiten, rekening houdend met het bedrijfsmodel, de rechtsvorm, de bedrijfs- en risicostrategie en de schaal en complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming, tijdens hun toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder overeenkomstig artikel 36 van Richtlijn (EU) 2019/2034, elk materieel risico of materieel risicoaspect dat voortvloeit uit de lopende activiteiten van een beleggingsonderneming, ander dan bedoeld in artikel 2 van deze verordening en niet al gedekt door het eigenmiddelenvereisten van die onderneming als bepaald in de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033, door per risico het aanvullend kapitaal te bepalen dat voldoende wordt geacht om materiële risico’s of aspecten van risico’s te dekken.
De in lid 1 bedoelde meting omvat de identificatie, beoordeling en, in voorkomend geval, kwantificering van de volgende risicogebieden:
-
de risico’s voor de beveiliging van het netwerk en de informatiesystemen die beleggingsondernemingen gebruiken om te zorgen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van hun processen, gegevens en activa;
-
het renterisico en het kredietrisico die voortvloeien uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.
Voor beleggingsondernemingen waarvoor een aanvangskapitaalvereiste geldt dat lager is dan het vereiste van artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/2034, wordt de meting op geaggregeerd niveau uitgevoerd indien de bevoegde autoriteiten een gedetailleerdere kwantificering niet haalbaar of te belastend achten.
Bij het uitvoeren van de in de leden 1 en 2 bedoelde meting, maken de bevoegde autoriteiten gebruik van de in artikel 6, lid 5, bedoelde relevante indicatieve kwalitatieve maatstaven, en combineren zij deze met een analyse van statische en historische trends, waarbij zij zo nodig een deskundig oordeel geven.
Artikel 4 Totale materiële risico’s die niet of niet volledig worden gedekt door het eigenvermogensvereiste van de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033
Het totale bedrag aan aanvullend kapitaal dat toereikend wordt geacht ter dekking van materiële risico’s of aspecten van risico’s die voortvloeien uit de lopende activiteiten van de beleggingsonderneming, wordt door de bevoegde autoriteiten berekend als de som van het overeenkomstig de artikelen 2 en 3 berekende toereikend geachte kapitaal.
De bevoegde autoriteiten meten het totale materiële risico dat niet of niet volledig wordt gedekt door de eigenvermogensvereisten van de delen drie en vier van Verordening (EU) 2019/2033 door het niveau van het vereiste aanvullend eigen vermogen te bepalen als het verschil tussen het hoogste van de overeenkomstig artikel 1 of lid 1 van dit artikel berekende bedragen en de eigenvermogensvereisten van deel drie of deel vier van Verordening (EU) 2019/2033.