Home

Verordening (EU) 2024/1834 van de Commissie van 3 juli 2024 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eisen inzake ecologisch ontwerp voor door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 327/2011 van de Commissie

Verordening (EU) 2024/1834 van de Commissie van 3 juli 2024 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eisen inzake ecologisch ontwerp voor door motoren aangedreven ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 327/2011 van de Commissie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(1), en met name artikel 15, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Krachtens Richtlijn 2009/125/EG moet de Commissie eisen inzake ecologisch ontwerp vaststellen voor energiegerelateerde producten met een significant omzet- en handelsvolume in de Europese Unie, een significant milieueffect en, door het ontwerp, een significant potentieel voor verbetering met betrekking tot het milieueffect zonder dat dit buitensporige kosten met zich meebrengt.

  2. De Commissie heeft voor het eerst in Verordening (EU) nr. 327/2011(2) eisen inzake ecologisch ontwerp voor bepaalde ventilatoren vastgesteld. Overeenkomstig artikel 7 daarvan heeft zij die verordening herzien en de technische, ecologische en economische aspecten van ventilatoren onderzocht. De herziening is in nauwe samenwerking met belanghebbenden en betrokken partijen uit de Unie en derde landen uitgevoerd. De resultaten zijn openbaar gemaakt en aan het conform artikel 18 van Richtlijn 2009/125/EG opgerichte overlegforum voorgelegd.

  3. Uit de resultaten van de herziening van Verordening (EU) nr. 327/2011 blijkt dat ventilatoren significante elektriciteitsverbruikers in de Unie zijn. Zonder Verordening (EU) nr. 327/2011 zouden ventilatoren in 2020 volgens ramingen 336 TWh elektriciteit hebben verbruikt, wat met 132 Mt CO2-equivalente emissies overeenkomt, en vanwege de verwachte toename van de marktpenetratie van ventilatoren stijgt dat in 2030 naar verwachting tot 384 TWh.

  4. Door motoren aangedreven ventilatoren zijn een belangrijk onderdeel van gasbehandelingsproducten en -systemen. Bij Verordening (EU) 2019/1781 van de Commissie(3) zijn minimumeisen inzake energie-efficiëntie voor elektromotoren vastgesteld. Die eisen zijn ook van toepassing op motoren die deel van een motorventilatorsysteem uitmaken. Veel ventilatoren worden echter gebruikt in combinatie met motoren die niet onder Verordening (EU) 2019/1781 vallen, en de aerodynamische prestaties van de ventilatoren om de passende luchtstroom te creëren, vormen een belangrijk onderdeel van de productefficiëntie, die evenmin door die verordening wordt gereguleerd. Daarom moeten er regels inzake de energie-efficiëntie van die ventilatoren worden vastgesteld of gehandhaafd.

  5. Rekening houdend met de mogelijke overlapping van energiebesparingen met andere maatregelen, zoals die van Verordening (EU) 2019/1781, zorgden de maatregelen van Verordening (EU) nr. 327/2011 in 2020 voor een nettobesparing van ongeveer 14 TWh. Naar verwachting zal dat in 2030 tot 27 TWh stijgen, wat per jaar met 5 Mt CO2-equivalente emissies in 2020 en 8 Mt CO2-equivalente emissies in 2030 overeenkomt.

  6. Uit de herziening blijkt dat er een significant extra besparingspotentieel voor kosteneffectieve verbeteringen van ventilatoren bestaat. Dat potentieel kan onder meer worden verwezenlijkt door de technologische vooruitgang op het gebied van energie-efficiëntieprestaties, een uitgebreider toepassingsgebied van de verordening, onder andere met stuwkrachtventilatoren, en een betere doeltreffendheid van de maatregel door nauwkeurigere definities.

  7. Voor de toepassing van deze verordening wordt het elektriciteitsverbruik als het belangrijkste milieuaspect van ventilatoren beschouwd.

  8. Het elektriciteitsverbruik van ventilatoren moet worden verbeterd door niet aan eigendomsrechten gebonden kosteneffectieve technologie toe te passen, waardoor de totale gecombineerde aankoop- en gebruikskosten van de ventilatoren kunnen dalen.

  9. Eisen inzake ecologisch ontwerp moeten de eisen inzake het energieverbruik van ventilatoren in de Unie harmoniseren en aldus tot de werking van de eengemaakte markt en de verbetering van de milieuprestaties van die producten bijdragen.

  10. De fabrikanten moeten voldoende tijd hebben om hun producten zo nodig aan te passen. De timing moet zodanig zijn dat de negatieve gevolgen voor de werking van ventilatoren tot een minimum worden beperkt. Daarbij moet ook het gevolg van de kosten voor de fabrikanten, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen, in aanmerking worden genomen en moet de tijdige verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening worden gewaarborgd.

  11. Door middel van een extra overgangsperiode moeten marktdeelnemers die ventilatoren in hun producten integreren flexibiliteit krijgen om hun producten aan te passen nadat de conforme ventilatoren op de Uniemarkt worden aangeboden.

  12. De door de Commissie in haar mededeling over het werkplan inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering 2022-2024(4) beoogde maatregelen kunnen in 2030 volgens verwachting in totaal meer dan 440 TWh aan jaarlijkse energiebesparingen opleveren (170 TWh voor herziene en 270 TWh voor nieuwe producten). Ventilatoren zijn als productgroep in de lijst van het werkplan opgenomen en zijn in 2030 volgens ramingen goed voor 10 TWh aan jaarlijkse energiebesparingen(5).

  13. Deze verordening moet de marktpenetratie vergroten van technologie die het milieueffect van ventilatoren tijdens de levenscyclus verbetert, wat tot een geraamde jaarlijkse elektriciteitsbesparing van 4 TWh in 2030 en 12 TWh in 2040 leidt, vergeleken met een situatie waarin er geen extra maatregelen worden getroffen.

  14. Met Verordening (EU) nr. 327/2011 zou tot 2020 naar raming 34 TWh per jaar worden bespaard. Aangezien de wijzigingen bij deze verordening een modernisering van Verordening (EU) nr. 327/2011 inhouden, worden die besparingen gehandhaafd en komen de verwachte besparingen van deze verordening daar bovenop.

  15. De metingen van de betrokken productparameters moeten volgens betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare meetprocedures plaatsvinden waarbij de algemeen erkende, recentste meetmethoden in aanmerking worden genomen, waaronder, indien beschikbaar, de door de Europese normalisatieorganisaties vastgestelde geharmoniseerde normen die in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6) zijn genoemd.

  16. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2009/125/EG moet in deze verordening worden gespecificeerd welke overeenstemmingsbeoordelingsprocedures gelden.

  17. Ter ondersteuning van de nalevingscontroles moeten de fabrikanten, de importeurs of de gemachtigd vertegenwoordigers de informatie in de technische documentatie als bedoeld in de bijlagen IV en V van Richtlijn 2009/125/EG vermelden, voor zover die informatie op de eisen van deze verordening betrekking heeft.

  18. Om deze verordening doeltreffender te maken en de consumenten te beschermen, moet worden verboden dat producten waarvan de prestaties in een testomgeving automatisch veranderen om de opgegeven parameters te verbeteren, in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen.

  19. Om de nalevingscontroles te vergemakkelijken, moeten de markttoezichtautoriteiten grotere ventilatoren kunnen testen in gebouwen zoals die van de fabrikant, of daar getuige van de testen kunnen zijn.

  20. Veel ventilatoren zijn in andere producten geïntegreerd. Met het oog op een maximale kostenefficiënte besparing moet deze verordening op dergelijke ventilatoren van toepassing zijn.

  21. De eisen inzake ecologisch ontwerp moeten ook eisen inzake productinformatie omvatten, zodat potentiële kopers de juiste keuze kunnen maken en de lidstaten gemakkelijker markttoezicht kunnen uitoefenen.

  22. Het is met name van belang gekwantificeerde informatie over de ventilatorefficiëntie bij deellast te eisen, opdat de ontwerpers van ventilatorsystemen de energie-efficiëntie van dergelijke systemen optimaliseren.

  23. Om de herstelbaarheid van producten met ventilatoren te vergemakkelijken, moeten voor dergelijke producten bedoelde ventilatoren voor reserveonderdelen onder bepaalde voorwaarden gedurende een bepaalde termijn bepaalde vrijstellingen kunnen krijgen.

  24. In het EU-actieplan voor de circulaire economie(7) en het werkplan inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering 2022-2024 wordt het belang onderstreept van het gebruik van het kader voor ecologisch ontwerp ter ondersteuning van de overgang naar een hulpbronnenefficiëntere en circulairdere economie. Daarom moeten in deze verordening passende eisen worden vastgesteld die tot de doelstellingen van de circulaire economie bijdragen, met name door de beschikbaarheid van reserveonderdelen verplicht te stellen en de beschikbaarheid van belangrijke informatie, zoals over demontage, recycling of verwijdering aan het einde van de levensduur, te waarborgen.

  25. Naast de in deze verordening vastgestelde, wettelijk bindende eisen, moeten benchmarks voor de huidige beschikbare technologie worden vastgesteld om de informatie over de milieuprestaties tijdens de levenscyclus van onder deze verordening vallende producten breed beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk te maken, overeenkomstig bijlage I, deel 3, punt 2, bij Richtlijn 2009/125/EG.

  26. Bij een herziening van deze verordening moet worden beoordeeld of de bepalingen passend en doeltreffend zijn om de doelstellingen te verwezenlijken. Het tijdschema voor de herziening moet zodanig worden vastgesteld dat de bepalingen zijn uitgevoerd en de gevolgen op de markt waarneembaar zijn.

  27. Met het oog op de duidelijkheid en de transparantie betreffende de toepasselijke eisen voor verschillende ventilatoren moet Verordening (EU) nr. 327/2011 met ingang van de datum van toepassing van deze verordening worden ingetrokken.

  28. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2009/125/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.

Bij deze verordening worden eisen inzake ecologisch ontwerp vastgesteld voor het in de handel brengen of het in gebruik nemen van ventilatoren met een elektrisch ingangsvermogen tussen 125 W en 500 kW (≥ 125 W en ≤ 500 kW) op het beste-efficiëntiepunt, met inbegrip van dergelijke ventilatoren die in andere producten zijn geïntegreerd.

2.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  1. op de as van elektromotoren gemonteerde ventilatorwaaiers met als enige doel de motor zelf te koelen;

  2. in droogmachines en was-droogcombinaties geïntegreerde ventilatoren met een maximaal elektrisch ingangsvermogen van niet meer dan 3 kW;

  3. in afzuigkappen geïntegreerde ventilatoren met een totaal maximaal elektrisch ingangsvermogen van minder dan 280 W voor de ventilator(en);

  4. ventilatoren met een beste energie-efficiëntiepunt bij 8 000 of meer omwentelingen per minuut;

  5. stuwkrachtventilatoren met een maximaal elektrisch ingangsvermogen van minder dan 750 W.

3.

Deze verordening is niet van toepassing op ventilatoren die uitsluitend als volgt werken en specifiek als zodanig zijn ontworpen en in de handel zijn gebracht:

  1. op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(8);

  2. voor gebruik in noodsituaties, met betrekking tot de brandveiligheidsvoorschriften zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad(9), met een korte bedrijfscyclus van een uur of meer bij temperaturen van 300 °C en hoger;

  3. in kerninstallaties in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad(10);

  4. in militaire inrichtingen (bunkers) en inrichtingen voor civiele bescherming (schuilkelders);

  5. indien de bedrijfstemperatuur van het verplaatste gas hoger kan zijn dan 100 °C, lager dan -40 °C of beide;

  6. indien de omgevingstemperatuur voor de motor die de ventilator aanstuurt indien die zich buiten de gasstroom bevindt, hoger kan zijn dan 60 °C, lager dan -30 °C of beide;

  7. met een voedingsspanning van meer dan 1 000 V wisselstroom of meer dan 1 500 V gelijkstroom;

  8. voor het hanteren van giftige, zeer corrosieve of ontvlambare gassen of dampen in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad(11);

  9. voor materiaalvervoer dat wordt gekenmerkt door het werken met stoffen met een vastedeeltjesconcentratie van meer dan 10 mg/m3 en deeltjes met een gemiddelde grootte van ten minste 0,1 mm en een hardheid van ten minste 2 op de schaal van Mohs, en met een gemiddelde bladhoek van 50° tot 90°;

  10. voor het werken met gassen met biologisch gevaarlijke stoffen van risicogroepen 2, 3 en 4 zoals genoemd in Richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(12);

  11. voor het werken met gassen met carcinogene of mutagene agentia in de zin van Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad(13);

  12. voor het werken met gassen met een samendrukbaarheidsfactor afgerond op de dichtstbijzijnde tweede decimaal, in het aangegeven druk- en temperatuurbereik van het toepassingsgebied dat niet gelijk is aan 1,00;

  13. in draadloze of op batterijen werkende apparaten;

  14. in draagbare apparaten waarvan het gewicht bij het gebruik met de hand wordt ondersteund;

  15. in met de hand geleide mobiele apparatuur die tijdens het gebruik wordt bewogen;

  16. luchtcirculatieventilatoren.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. “ventilator”: een machine met draaiende bladen die energie ontvangt die met een of meer waaiers wordt gebruikt om een continue lucht- of andere gasstroom in stand te houden die door de machine gaat, een specifieke verhouding van minder dan 1,1 en aan de uitgang een luchtsnelheid van minder dan 65 m/s heeft, tot de categorieën axiaal, centrifugaal, kruisstroom, gemengde stroom of stuwkracht behoort en uit ten minste een waaier, een motor en een stator bestaat, alsook uit andere meegeleverde significante elementen;

  2. “significante elementen”: de elementen van een ventilator die tot de continue omzetting van elektrisch vermogen in luchtvolumedebiet en -druk bijdragen of die de efficiëntie van die omzetting beïnvloeden, namelijk:

    1. de waaier(s), met inbegrip van de draaiende elementen met een aerodynamische invloed;

    2. de elektromotor;

    3. de stator;

    4. de andere stationaire aerodynamische elementen met een aerodynamische invloed, waaronder:

      1. de inlaatkelk;

      2. richtvinnen aan de inlaat en de uitlaat;

      3. de diffusor;

    5. andere stationaire elementen met aerodynamische invloed, waaronder:

      1. de mechanische transmissie (aerodynamische invloed en invloed op de efficiëntie);

      2. de elektrische transmissie (aerodynamische invloed en invloed op de efficiëntie), zoals de kabelleidingen, de frequentieomzetter, de snelheidsvariator, de aansluitkast en de wissel-/gelijkstroomomzetter;

      3. structurele onderdelen die het geheel op zijn plaats houden en de luchtstroom kunnen verstoren (zoals dragers van de motor of de lagers);

  3. “beste-efficiëntiepunt” (“BEP”): het beste energie-efficiëntiepunt voor de werking van de ventilator, zoals aangegeven door de fabrikant en bepaald door de ventilatorsnelheid, uitgedrukt in omwentelingen per minuut (rpm);

  4. “waaier”: het draaiende deel van de ventilator dat energie aan de gasstroom afstaat; wordt ook ventilatorwiel genoemd;

  5. “elektromotor” of “motor”: een apparaat dat elektrisch ingangsvermogen in mechanisch uitgangsvermogen omzet in de vorm van een rotatie met een toerental en een koppel die van factoren zoals de frequentie van de voedingsspanning en het aantal polen van de motor afhangen, naargelang het geval;

  6. “inlaatkelk”: een apparaat dat de lucht de waaier instuurt en de vena contracta (maximale insnoering) en de turbulentie vermindert die bij de ingang van de waaier zouden optreden; wordt ook inlaat van de venturibuis, inlaatkegel, aanzuigconus of inlaatconus genoemd;

  7. “richtvinnen aan de inlaat”: vóór de waaier geplaatste vinnen die de gasstroom naar de waaier leiden en al dan niet verstelbaar zijn;

  8. “richtvinnen aan de uitlaat”: achter de waaier geplaatste vinnen die de gasstroom van de waaier weg leiden en al dan niet verstelbaar zijn;

  9. “diffusor”: een apparaat dat de prestaties van de ventilator door middel van statisch herstel beïnvloedt;

  10. “veiligheidsafscherming”: een raster aan de ventilatorinlaat of -uitlaat dat is ontworpen om te voorkomen dat grote vreemde lichamen of menselijke lichaamsdelen met de bewegende onderdelen in aanraking komen;

  11. “stator”: het stationaire deel van de ventilator dat in contact komt met de lucht die door de waaier stroomt, met inbegrip van de delen binnen de geometrische luchtstroomomhulling tussen bepaalde elementen van de ventilatorinlaat en -uitlaat die de ventilatorefficiëntie kunnen verhogen, maar zonder de elementen die geen deel uitmaken van de ventilator zelf en die de efficiëntie kunnen verminderen;

  12. “aandrijfsysteem”: de elektromotor, de transmissie of directe aandrijving en, indien aanwezig, de snelheidsvariator;

  13. “directe aandrijving”: een aandrijfmechanisme van een ventilator waarbij de waaier rechtstreeks of met een coaxiale koppeling op de motoras is gemonteerd en de waaiersnelheid gelijk is aan het toerental van de motor;

  14. “transmissie”: een aandrijfmechanisme van een ventilator zonder directe aandrijving, zoals een aandrijving met een riem, een tandwielkast of een slipkoppeling;

  15. “snelheidsvariator” (“VSD”): een geïntegreerde of als afzonderlijke eenheid werkende elektronische vermogensomzetter die de frequentie en het voltage van de aan één of verscheidene motoren geleverde stroom continu aanpast om het mechanische uitgangsvermogen van de motor volgens het koppel of het toerental van de door de motor aangedreven last te regelen, met inbegrip van de interne regelaars van elektronisch omgepoolde motoren en de geïntegreerde beveiligings- en hulpapparatuur, maar zonder variabele spanningsregelaars waarin alleen de voedingsspanning van de motor varieert;

  16. “specifieke verhouding”: de isentrope druk gemeten bij de ventilatoruitlaat, gedeeld door de isentrope druk bij de ventilatorinlaat op het BEP;

  17. “ventilatorstroomhoek”: de hoek tussen de stroomrichting van het inkomende en het uitgaande gas van de ventilatorwaaier, uitgedrukt in graden, zoals beschreven in bijlage III;

  18. “axiale ventilator”: een ventilator met een ventilatorstroomhoek < 20°, zoals beschreven in bijlage III, punt 4;

  19. “centrifugale ventilator”: een ventilator met een stroomhoek ≥ 70°, zoals beschreven in bijlage III, punt 4;

  20. “ventilator met gemengde stroom”: een ventilator met een stroomhoek ≥ 20° en < 70°, zoals beschreven in bijlage III, punt 4;

  21. “centrifugale bladhoek”: de bladhoek β2 van een centrifugale ventilator, uitgedrukt in graden, zoals beschreven in bijlage III, punt 5;

  22. “ventilator met voorwaarts gebogen schoepen”: een centrifugale ventilator met een bladhoek β2 > 90°, zoals beschreven in bijlage III, punt 5;

  23. “ventilator met achterwaarts gebogen schoepen”: een centrifugale ventilator met een bladhoek β2 waarbij 0° < β2 ≤ 50°, zoals beschreven in bijlage III, punt 5;

  24. “achterwaarts hellende ventilator”: een centrifugale ventilator met een bladhoek β2 waarbij 50° < β2 ≤ 90°, zoals beschreven in bijlage III, punt 5;

  25. “kruisstroomventilator”: een ventilator waarin het gas een route door de waaier volgt die min of meer haaks op zijn as staat wanneer het de waaier langs de omtrek bereikt en verlaat;

  26. “stuwkrachtventilator”: een axiale, centrifugale of radiale ventilator, met inbegrip van radiale en centrifugale stuwkrachtventilatoren met een hoekingang van ≤ 90° naar de uitlaat, die in een ruimte een luchtstraal met een hoge snelheid produceert (stuwkracht), zonder kanalisering, waarbij de luchtstraal de omringende lucht in beweging brengt en zo een luchtstroom door de hele ruimte creëert, en die is ontworpen om met open inlaten en uitlaten in plaats van met tegendruk te werken, met inbegrip van radiale en centrifugale stuwkrachtventilatoren met een hoekingang van ≤ 90° naar de uitlaat;

  27. “opgegeven waarden”: de door de fabrikant, importeur of gemachtigd vertegenwoordiger verstrekte waarden voor de opgegeven, de berekende of de gemeten technische parameters voor de nalevingscontrole door de autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 4;

  28. “equivalent model”: een model met dezelfde technische eigenschappen die voor de te verstrekken technische informatie relevant zijn, maar door dezelfde fabrikant, importeur of gemachtigd vertegenwoordiger in de handel wordt gebracht of als een ander model met een andere typeaanduiding in gebruik wordt gesteld;

  29. “typeaanduiding”: de doorgaans alfanumerieke code waarmee een specifiek productmodel van andere modellen met hetzelfde handelsmerk of dezelfde naam van de fabrikant, importeur of gemachtigd vertegenwoordiger wordt onderscheiden;

  30. “motor met diverse snelheden”: een motor waarvan het toerental kan worden aangepast door verschillende motorwindingen onder spanning te brengen;

  31. “luchtcirculatieventilator”: een ventilator zonder kanalisering, zonder stator of met een stator die niet met een kanalisering kan worden verbonden, die wordt gebruikt om lucht te verplaatsen in een ruimte, zoals een kamer of een openluchtruimte. Er is geen scheiding tussen de inlaat en de uitlaat en de lucht circuleert vrij van de uitlaat naar de inlaat, er is geen externe druk en de ventilator is geen stuwkrachtventilator en wordt evenmin als zodanig in de handel gebracht. De meetapparatuur is opgesteld volgens meetcategorie E. Ventilatoren waarvan op de website of in de catalogi, de brochures, de technische documentatie of andere middelen van de fabrikant de prestatie-informatie bij een andere druk dan 0 Pa wordt verschaft, zijn geen luchtcirculatieventilatoren.

Artikel 3 Eisen inzake ecologisch ontwerp

De eisen inzake ecologisch ontwerp voor ventilatoren zijn beschreven in bijlage II en gelden met ingang van de aldaar vermelde data.

Artikel 4 Overeenstemmingsbeoordeling

1.

De in artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG genoemde overeenstemmingsbeoordelingsprocedure bestaat uit de in bijlage IV bij die richtlijn beschreven interne ontwerpcontrole of het in bijlage V bij die richtlijn beschreven beheersysteem voor de overeenstemmingsbeoordeling.

2.

Ten behoeve van de overeenstemmingsbeoordeling overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG bevat de technische documentatie een exemplaar van de opgegeven waarden van de parameters in bijlage II, punt 2.2, de opgegeven waarden van de parameters van de testpunten in bijlage II, punt 3 en, indien van toepassing, de productinformatie die overeenkomstig bijlage II, punten 2, 3 en 4 bij deze verordening is verstrekt, alsmede de details en de resultaten van de in bijlage III vermelde berekeningen.

3.

Indien de informatie in de technische documentatie voor een bepaald model op een van de volgende wijzen is verkregen, bevat de technische documentatie de details van de berekening, de beoordeling door de fabrikant om de nauwkeurigheid van de berekening te controleren en, in voorkomend geval, de verklaring van overeenkomstigheid tussen de modellen van verschillende fabrikanten:

  1. op basis van een model met dezelfde technische eigenschappen die voor de te verstrekken technische informatie relevant zijn, maar dat door een andere fabrikant wordt geproduceerd;

  2. door berekeningen op basis van het ontwerp of door extrapolatie van een ander model van dezelfde of een andere fabrikant, of beide.

4.

De technische documentatie omvat een lijst van equivalente modellen, met inbegrip van de typeaanduidingen.

5.

Indien de fabrikant de in bijlage III, punt 2 beschreven opties voor nalevingsbeoordelingen heeft gebruikt, worden de verwijderde niet-significante elementen, de schaalmodellen en de omstandigheden, berekeningen en plaats van de test naar behoren in de technische documentatie gerapporteerd.

6.

Indien er krachtens deze verordening prestatiecurven bij verschillende snelheden beschikbaar moeten zijn overeenkomstig bijlage II, punt 3, worden in de technische documentatie de kenmerken van de gebruikte snelheidsregelingsapparatuur en de snelheid (als percentage van de inherente snelheid) voor die curven vermeld.

7.

Een ventilator waaraan een VSD is toegevoegd, wordt niet beschouwd als een nieuw ventilatormodel waarvoor een nieuwe overeenstemmingsbeoordeling vereist is, indien:

  1. de VSD zodanig is geplaatst dat hij de luchtstroom niet verstoort;

  2. de VSD ter controle uit de ventilator kan worden verwijderd zonder de ventilator of de VSD te beschadigen.

Artikel 5 Controleprocedure voor markttoezicht

Artikel 6 Omzeiling

Artikel 7 Indicatieve benchmarks

Artikel 8 Herziening

Artikel 9 Intrekking en overgangsbepalingen

Artikel 10 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V