Home

Besluit van de Commissie van 16 juli 2025 betreffende de goedkeuring van richtsnoeren voor de afsluiting van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten die zijn goedgekeurd voor bijstand uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor de periode 2014-2022

Besluit van de Commissie van 16 juli 2025 betreffende de goedkeuring van richtsnoeren voor de afsluiting van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten die zijn goedgekeurd voor bijstand uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor de periode 2014-2022

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten die zijn goedgekeurd voor bijstand uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor de programmeringsperiode 2014-2020, zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad(1) en verlengd tot en met 31 december 2022 bij Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad(2).

  2. Gezien het belang van een tijdige en efficiënte afsluiting van deze plattelandsontwikkelingsprogramma’s overeenkomstig met name Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad(3), Verordening (EU) nr. 1305/2013, Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4), Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie(5) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie(6) moeten passende richtsnoeren voor de afsluiting van die programma’s worden verstrekt.

  3. De afsluiting van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten voor 2014-2022 zal steunen op de ervaring met de afsluiting van de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2007-2013 en moet vereenvoudigde procedures voorstellen om voort te bouwen op de beste praktijken die tijdens de afsluiting van de vorige periode zijn vastgesteld.

  4. De richtsnoeren hebben ten doel het afsluitingsproces te vergemakkelijken door te voorzien in een methodologisch kader waarbinnen de afsluiting plaats moet vinden met het oog op de financiële afwikkeling van uitstaande begrotingsvastleggingen van de Unie door betaling van het eindsaldo, terugvordering van onverschuldigde betalingen en/of doorhaling van niet-gebruikte vastleggingen.

  5. De richtsnoeren moeten derhalve worden goedgekeurd,

BESLUIT:

Enig artikel

De in de bijlage opgenomen richtsnoeren van de Commissie inzake de afsluiting van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de lidstaten die zijn goedgekeurd voor bijstand uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor de periode 2014-2022, worden goedgekeurd.

Gedaan te Brussel, 16 juli 2025.

Voor de Commissie

Christophe Hansen

Lid van de Commissie

BIJLAGERICHTSNOEREN INZAKE DE AFSLUITING VAN DE PLATTELANDSONTWIKKELINGSPROGRAMMA’S 2014-2022

1. ALGEMENE BEGINSELEN VOOR AFSLUITING

De plattelandsontwikkelingsprogramma’s (POP’s) van de lidstaten die worden gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor de programmeringsperiode 2014-2020, zijn vastgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad(1). De in artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgestelde termijn is bij Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad(2) verlengd tot en met 31 december 2022. Deze richtsnoeren zijn derhalve van toepassing op de programmeringsperiode 2014-2022.

Deze richtsnoeren zijn van toepassing op de afsluiting van de POP’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1303/2013(3), Verordening (EU) nr. 1305/2013, Verordening (EU) nr. 1306/2013(4), Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie(5) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie(6), Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 van de Commissie(7) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie(8).

Bij de afsluiting van de programma’s worden de uitstaande begrotingsvastleggingen van de Unie financieel afgewikkeld (in EUR) met de betaling (in EUR) van het eindsaldo van elk POP aan de lidstaat of de terugvordering (in EUR) van bedragen die de Commissie ten onrechte aan een lidstaat heeft betaald, en met de doorhaling (in EUR) van een eindsaldo.

Alle rechten en verplichtingen van de Commissie en de lidstaten met betrekking tot financiële steun blijven geldig tot de afsluiting van de POP’s. De afsluiting van het POP doet geen afbreuk aan het recht van de Commissie om verdere financiële correcties vast te stellen of onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.

Zoals hierboven is uiteengezet, is bij Verordening (EU) 2020/2220 (“de overgangsverordening”), die is vastgesteld in 2020, de in artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgestelde termijn verlengd tot en met 31 december 2022 (zie artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2220).

De overgangsverordening introduceerde ook de mogelijkheid om POP’s te financieren met aanvullende financiering uit het herstelinstrument voor de Europese Unie (EURI)(9) voor de jaren 2021 en 2022 om de gevolgen van de COVID-19-crisis en de gevolgen daarvan voor de landbouwsector en de plattelandsgebieden van de Unie aan te pakken. De aanvullende EURI-middelen zijn echter onderworpen aan bepaalde voorwaarden en moesten dus los van de Elfpo-steun voor plattelandsontwikkeling worden geprogrammeerd en gemonitord. Ondanks deze scheiding zijn de voorschriften die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1305/2013, met inbegrip van de regels inzake wijzigingen van POP’s, in Verordening (EU) nr. 1306/2013, met inbegrip van de voorschriften inzake ambtshalve doorhaling, en in Verordening (EU) nr. 1307/2013, van toepassing, tenzij in de overgangsverordening anders is bepaald. Het EURI-deel van de POP’s 2014-2022 zal tegelijk met het Elfpo-deel worden afgesloten. Alle regels die van toepassing zijn op de Elfpo-middelen, zijn ook van toepassing op de EURI-middelen, tenzij anders vermeld.

Als gevolg van de overgangsverordening zijn de POP’s voor de periode 2014-2022 met twee jaar verlengd(10) (behalve voor het Verenigd Koninkrijk) met aanvullende Elfpo- en EURI-financiering en zullen zij tot eind 2025 worden voortgezet (het einde van de subsidiabiliteitsperiode voor de POP’s)(11).

2. VOORBEREIDING VAN DE AFSLUITING

2.1. Begeleiding en bijstand

De Commissie zal nauw samenwerken met de lidstaten om in de aanloop naar de afsluiting de nodige begeleiding en bijstand te bieden.

2.2. Uiterste termijnen voor het laatste verzoek om veranderingen in de programma’s

De procedures en uiterste termijnen voor wijzigingen in de POP’s zijn vastgelegd in artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 van de Commissie.

2.2.1 Artikel 4, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014:

  • Programmawijzigingen van het in artikel 11, punt a), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde soort mogen in de loop van de programmeringsperiode niet meer dan vier keer worden voorgesteld.

  • Per kalenderjaar en per programma mag een verzamelwijzigingsvoorstel voor alle andere soorten wijzigingen samen worden ingediend, met uitzondering van het jaar 2025, waarin meerdere wijzigingsvoorstellen mogen worden ingediend, op voorwaarde dat de verzamelwijzigingen uitsluitend betrekking hebben op de aanpassing van het financiële plan, met inbegrip van eventuele wijzigingen van het indicatorplan die daaruit voortvloeien. Tijdens de programmeringsperiode mogen voor alle andere soorten wijzigingen samen nog eens vier wijzigingsvoorstellen per programma worden ingediend. De lidstaten kunnen deze aanvullende wijzigingsvoorstellen in 2025 gebruiken, indien deze nog niet eerder zijn gebruikt.

2.2.2 Artikel 4, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014:

  • De lidstaten moeten hun laatste programmawijziging van het in artikel 11, punt a), iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde soort uiterlijk op 30 september 2022 bij de Commissie indienen.

  • Andere soorten programmawijzigingen moeten uiterlijk op 30 september 2025 bij de Commissie worden ingediend.

2.3. Indiening van driemaandelijkse uitgavendeclaratie vóór de afsluiting

De lidstaten moeten voor de door het betaalorgaan gedane uitgaven driemaandelijkse uitgavendeclaraties blijven indienen tot de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven overeenkomstig het in artikel 22, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 vastgestelde tijdschema. Daarom is de laatste driemaandelijkse uitgavendeclaratie die de Commissie moet ontvangen, de uitgavendeclaratie voor het vierde kwartaal van 2025, waarvoor uiterlijk op 31 januari 2026 een uitgavendeclaratie moet worden ingediend.

Het totaal van de door de Commissie voor het respectieve programma betaalde voorfinanciering en tussentijdse betalingen mag niet meer bedragen dan 95 % van de totale Elfpo- en EURI-bijdrage waarin het respectieve programma voorziet(12). Dit betekent dat de Commissie moet stoppen met de terugbetaling van de driemaandelijkse uitgavendeclaraties wanneer het cumulatieve bedrag dat aan een POP is betaald, 95 % van de totale gecombineerde Elfpo- en EURI-bijdrage heeft bereikt (zoals vastgesteld in de meest recente versie van het besluit tot goedkeuring van het desbetreffende programma).

Zodra het POP het niveau van 95 % van de totale gecombineerde bijdrage uit zowel het Elfpo als het EURI heeft bereikt, zal de Commissie overgaan tot de vereffening van de voorfinanciering bij elke volgende uitgavendeclaratie. Het eindsaldo voor het desbetreffende programma wordt betaald of teruggevorderd bij de afsluiting van het programma.

3. SUBSIDIABILITEIT VAN UITGAVEN

3.1. Uiterste datum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven en algemene toepasselijke regels

Overeenkomstig artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013(13) is de uiterste datum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven 31 december 2025, wat betekent dat de uitgaven door een begunstigde moeten worden gedaan en betaald vóór 31 december 2025. Bovendien komen de uitgaven alleen in aanmerking voor een bijdrage uit het Elfpo (en het EURI) als het betaalorgaan de desbetreffende steun daadwerkelijk vóór 31 december 2025 heeft betaald.

Betaling van voorschotten voor maatregelen die niet onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem vallen (niet-GBCS)(14), is toegestaan krachtens de artikelen 42 en 45 van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Overeenkomstig artikel 63 van die verordening moeten voorschotten worden gedekt door een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie van een overheidsinstantie. De garantie kan worden vrijgegeven wanneer het bevoegde betaalorgaan vaststelt dat het bedrag van de werkelijke uitgaven in verband met de overheidsbijdrage voor de concrete actie hoger is dan het bedrag van het voorschot.

Aangezien 2025 het laatste uitvoeringsjaar van het POP is, moeten de lidstaten voorschotten goedkeuren die aan begunstigden zijn betaald en betrekking hebben op projecten die zijn voltooid in het kader van de programmeringsperiode 2014-2022.

In het kader van overdrachten zoals gespecificeerd in punt 3.8, moeten voorschotten die eind 2025 nog niet door de lidstaten zijn goedgekeurd, worden gekoppeld aan lopende projecten waarvoor de financiering wordt gewaarborgd in het kader van het strategisch plan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) voor de periode 2023-2027 uit hoofde van artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115(15).

Niet vóór 31 december 2025 goedgekeurde/ongebruikte voorschotten voor de Elfpo-programmeringsperiode 2014-2022 of voor het EURI die geen verband houden met overdrachten in het kader van het strategisch GLB-plan, moeten van de begunstigde worden teruggevorderd om de bescherming van het financiële belang van de Unie te waarborgen. Indien de lidstaat geen terugvorderingsprocedures voor deze bedragen inleidt vóór de uiterste datum voor de indiening van de definitieve rekening of een zelfcorrectie in de definitieve rekeningen voor dit bedrag aangeeft, brengt de Commissie deze bedragen vóór de afsluiting in mindering op het eindsaldo in het kader van de procedure voor de financiële goedkeuring van de rekeningen.

De certificerende instantie in de respectieve lidstaat moet in het verslag over de uiterlijk op 30 juni 2026 verschuldigde definitieve rekeningen bevestigen dat de voorschotten die in het kader van de programmeringsperiode 2014-2022 aan de begunstigden zijn betaald, zijn goedgekeurd en dat alleen voorschotten in verband met projecten met eindafrekeningen in het kader van het strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 niet-vereffend blijven, of dat die lidstaat de nodige terugvorderingsprocedures heeft ingeleid.

3.2. Aanvullende nationale financiering

De uiterste datum voor subsidiabiliteit van 31 december 2025 is niet van toepassing op aanvullende nationale financiering. Daarom kunnen betalingen uit aanvullende nationale middelen aan begunstigden van het POP na 31 december 2025 worden verricht.

De lidstaten kunnen landbouwers ondersteunen met aanvullende nationale financiering buiten het POP om, met inachtneming van de staatssteunregels. Voor aanvullende nationale financiering die op grond van artikel 82 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 in de POP’s is opgenomen, moeten betalingen die na de afsluiting van het programma worden verricht, aan een afzonderlijke toetsing aan de staatssteunregels worden onderworpen. Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaat om deze toestemming vooraf te verkrijgen om ervoor te zorgen dat de betalingen aan de begunstigden in overeenstemming zijn met de staatssteunregels.

Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van de lidstaten ervoor te zorgen dat de begunstigden hun verbintenissen gedurende de gespecificeerde periode nakomen, ook al loopt een deel van de verbintenis door tot na de afsluiting van het POP. Dit vereist dat de lidstaten tot het einde van de verbintenisperiode de nodige controles uitvoeren overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013. Indien de verbintenissen tot het einde van de vastleggingsperiode niet of niet volledig worden nagekomen, moeten de lidstaten de overeenkomstige bedragen terugvorderen en terugbetalen aan de begroting van de Unie (zie de overgangsregels in artikel 104, lid 1, punt a), iv), van Verordening (EU) 2021/2116(16), en artikel 14, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie).

3.3. Financieel plan — plafonnering van de uitgaven per maatregel

De Commissie is verplicht om gedeclareerde uitgaven die de in het geldende financieringsplan geprogrammeerde bedragen overschrijden, overeenkomstig artikel 36, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 per maatregel te plafonneren.

Indien de uitgaven voor een maatregel zijn geplafonneerd en een lidstaat binnen de in artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 vastgestelde termijnen naar behoren gemotiveerde wijzigingen in zijn POP aanbrengt, kunnen de uitgesloten uitgaven later worden betaald na de aanvaarding van de wijziging van het POP door de Commissie (zoals vastgelegd in artikel 23, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014).

3.4. Bijzondere bepalingen betreffende uitgaven voor concrete acties als bedoeld in artikel 59, lid 4, punten e), f) en g), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

In het volgende deel worden de specifieke bepalingen voor uitgaven voor concrete acties als bedoeld in artikel 59, lid 4, punten e), f) en g), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 toegelicht, die voorzien in afwijkingen van de in artikel 59, lid 3, vastgestelde Elfpo-bijdragepercentages. Deze afwijkingen zijn van toepassing op specifieke gevallen waarin hogere medefinancieringspercentages zijn toegestaan onder bepaalde voorwaarden, die verificatie en mogelijke aanpassingen bij de afsluiting vereisen om de naleving van de regels te waarborgen.

In artikel 59, lid 4, punt e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 is bepaald dat het maximale medefinancieringspercentage 100 % bedraagt voor concrete acties die worden gefinancierd met financiële middelen die aan het Elfpo zijn overgedragen op grond van artikel 136 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 7, lid 2, en artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. De naleving van deze bepaling wordt derhalve bij de afsluiting gecontroleerd. Als de door de lidstaat gedeclareerde cumulatieve uitgaven hoger zijn dan de bedragen die zijn toegewezen als overdrachten uit andere fondsen naar het Elfpo, zal een betalingscorrectie (plafonnering) worden toegepast.

In artikel 59, lid 4, punt f), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 is bepaald dat het medefinancieringspercentage 100 % bedraagt voor een bedrag van 100 miljoen EUR (in prijzen van 2011) toegewezen aan Ierland, voor een bedrag van 500 miljoen EUR (in prijzen van 2011) toegewezen aan Portugal en voor een bedrag van 7 miljoen EUR (in prijzen van 2011) toegewezen aan Cyprus.

Bij afsluiting wordt de naleving van artikel 59, lid 4, punt f), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 gecontroleerd. Indien de cumulatieve totale door de betreffende lidstaat gedeclareerde uitgaven voor alle betrokken begrotingsonderdelen hoger zijn dan de bedragen die overeenkomstig artikel 59, lid 4, punt f), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn toegewezen, moet een betalingscorrectie (plafonnering) worden toegepast.

Op grond van artikel 59, lid 4, punt g), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 konden lidstaten (Griekenland en Roemenië) die overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU vanaf 1 januari 2014 financiële bijstand ontvingen, het Elfpo-bijdragepercentage met maximaal tien procentpunten verhogen tot in totaal 95 % voor uitgaven die waren gedaan in de eerste twee jaar van de uitvoering van een POP (d.w.z. tot en met het tweede kwartaal van 2017 voor Roemenië en het vierde kwartaal van 2017 voor Griekenland). In artikel 59, lid 4, punt g), is echter ook bepaald dat het Elfpo-bijdragepercentage dat zonder deze afwijking van toepassing zou zijn, in acht moet worden genomen voor de totale overheidsuitgaven die tijdens de programmeringsperiode worden gedaan.

Bij de afsluiting zal de Commissie nagaan of de betrokken lidstaten de tijdelijke afwijking uit hoofde van artikel 59, lid 4, punt g), correct hebben toegepast. De Commissie zal met name nagaan of het na de periode van twee jaar toegepaste bijdragepercentage niet hoger is dan de in artikel 59, lid 3, vastgestelde toepasselijke maximumpercentages voor de gehele programmeringsperiode. De naleving van artikel 59, lid 4, punt g), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt gecontroleerd en in geval van niet-naleving moeten correcties worden aangebracht.

3.5. Specifieke subsidiabiliteitsregels voor acties in het kader van financieringsinstrumenten uit hoofde van artikel 42 van Verordening (EU) nr. 1303/2013

In de programmeringsperiode 2014-2022 zijn door de beheersautoriteiten van het Elfpo alleen lenings- en garantiefondsen opgezet. Daarom wordt in deze richtsnoeren niet in detail ingegaan op eigenvermogensinstrumenten of op financieringsinstrumenten die op quasi-eigenvermogen zijn gebaseerd.

De subsidiabiliteit van de uitgaven van de financieringsinstrumenten bij afsluiting is gedefinieerd in artikel 42 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 (en in de desbetreffende bepalingen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie(17), zoals toegelicht in de volgende alinea’s). Overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zijn de subsidiabele uitgaven van het financieringsinstrument bij afsluiting van een programma gelijk aan het totale bedrag aan programmabijdragen dat in de subsidiabiliteitsperiode daadwerkelijk is betaald of, in het geval van garanties, door het financieringsinstrument is vastgelegd, en dat overeenkomt met:

  1. de betalingen aan eindontvangers en, in de in artikel 37, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde gevallen, de betalingen ten gunste van de eindontvangers;

  2. de middelen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, ongeacht of de garanties nog uitstaan of reeds verlopen zijn, om aan mogelijke aanspraken op garanties voor verliezen te kunnen voldoen, berekend op grond van een prudente voorafgaande risicobeoordeling, waarmee een meervoudig bedrag van onderliggende nieuwe leningen of andere risicodragende instrumenten voor nieuwe investeringen in eindontvangers wordt gedekt;

  3. gekapitaliseerde rentesubsidies of subsidies voor garantievergoedingen, te betalen gedurende een periode van ten hoogste tien jaar na de subsidiabiliteitsperiode, die in combinatie met financieringsinstrumenten worden gebruikt en op een specifiek voor dit doel ingestelde geblokkeerde rekening worden gezet om effectief te worden uitbetaald na de subsidiabiliteitsperiode, maar voor leningen of andere risicodragende instrumenten die worden gebruikt voor investeringen in eindontvangers in de subsidiabiliteitsperiode;

  4. de vergoeding van gemaakte beheerskosten of de betaling van beheersvergoedingen van het financieringsinstrument.

Alleen uitgaven overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 kunnen als subsidiabel worden beschouwd. Investeringen door de eindontvangers hoeven niet te zijn voltooid.

Programmamiddelen die in de financieringsovereenkomst voor de financieringsinstrumenten zijn vastgelegd en/of zijn betaald, maar die niet aan eindontvangers zijn uitbetaald of voor garantiecontracten zijn gereserveerd voor de uitbetaalde onderliggende leningen enz., zijn geen subsidiabele uitgaven.

De subsidiabiliteitsperiode en de daaropvolgende indiening van de definitieve rekeningen zijn onderworpen aan de overgangsbepalingen die zijn vastgelegd in artikel 1 en artikel 2, lid 1, van de overgangsverordening.

Voor leningen komen de subsidiabele uitgaven overeen met de programmamiddelen die daadwerkelijk aan eindontvangers zijn uitbetaald, zoals bepaald in artikel 42 van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Programmamiddelen die zijn vastgelegd in de contracten met eindontvangers en die niet zijn uitbetaald, zijn niet subsidiabel. Rentesubsidies, subsidies voor garantievergoedingen en technische ondersteuning die tijdens de subsidiabiliteitsperiode ten gunste van de eindontvangers worden betaald, zijn ook subsidiabele uitgaven.

Voor garanties zijn programmamiddelen die zijn vastgelegd voor garantiecontracten, alleen subsidiabel als de onderliggende leningen of andere risicodragende instrumenten aan eindontvangers zijn uitbetaald. Indien de financiële intermediair, of de entiteit die profiteert van de garanties, niet het geplande bedrag aan nieuwe leningen of andere risicodelingsinstrumenten aan de eindbegunstigden heeft vrijgegeven, moeten de subsidiabele uitgaven evenredig worden verlaagd (zoals vastgelegd in artikel 8, punt d), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014).

De subsidiabiliteit van uitgaven zoals gedefinieerd in artikel 42, lid 1, punt c), betreft het geval van een combinatie van subsidies en financieringsinstrumenten in één enkele concrete actie, zoals gedefinieerd in artikel 37, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Bij de berekeningen moet ook rekening worden gehouden met de desbetreffende financieringsovereenkomsten, zoals vereist op grond van artikel 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie.

Het op een geblokkeerde rekening te betalen bedrag omvat:

  1. de verdisconteerde betalingsverplichtingen in het geval van een gekapitaliseerde rentesubsidie of subsidies voor garantievergoedingen gedurende een periode van ten hoogste tien jaar na de subsidiabiliteitsperiode; en/of

  2. de verdisconteerde beheerskosten en -vergoedingen die moeten worden betaald na de subsidiabiliteitsperiode voor een periode van zes jaar in het geval van een microkrediet.

De aanpak voor de vaststelling van het op een geblokkeerde rekening te betalen bedrag kan verschillen, zolang er duidelijke onderbouwingen zijn voor de keuze van de methode. De mogelijkheden van lidstaten zijn om ofwel i) de projectfinancieringsbenadering te volgen en het percentage van 4 % te gebruiken in het geval van concrete acties die netto-inkomsten genereren (artikel 19 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie), ofwel ii) de door de Commissie vastgestelde basispercentages toe te passen(18).

Artikel 42, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 voorziet in een uitzondering voor microkredieten. Gekapitaliseerde beheerskosten of -vergoedingen die na de subsidiabiliteitsperiode gedurende een periode van ten hoogste zes jaar zullen moeten worden betaald voor investeringen in eindontvangers die binnen die subsidiabiliteitsperiode hebben plaatsgevonden en die niet onder de artikelen 44 of 45 vallen, kunnen als subsidiabele uitgave worden beschouwd wanneer zij op een specifiek voor dit doel ingestelde geblokkeerde rekening worden gezet. Bovendien moeten overeenkomstig artikel 14, leden 1, 2 en 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 gekapitaliseerde beheerskosten en -vergoedingen die als subsidiabele uitgaven moeten worden terugbetaald, overeenkomstig artikel 42, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode worden berekend als het totaal van de verdisconteerde beheerskosten en -vergoedingen die na de subsidiabiliteitsperiode moeten worden betaald voor de in artikel 42, lid 2, van die verordening genoemde periode, en overeenkomstig de bepalingen van de desbetreffende financieringsovereenkomsten. Gekapitaliseerde beheerskosten en -vergoedingen die na de subsidiabiliteitsperiode moeten worden betaald voor een financieel instrument dat microkrediet verstrekt, mogen niet meer bedragen dan 1 % per jaar van de programmabijdragen die aan eindbegunstigden zijn uitgekeerd in de zin van artikel 42, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 in de vorm van leningen, en die nog niet zijn terugbetaald aan het financieel instrument, berekend pro rata temporis vanaf het einde van de subsidiabiliteitsperiode tot aan de terugbetaling van de investering, het einde van de terugvorderingsprocedure in geval van verzuim of de in artikel 42, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde periode, indien deze datum eerder valt. Eventuele middelen die op de geblokkeerde rekening achterblijven na de in artikel 42, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgestelde periode, of als gevolg van een onverwachte opheffing van het financieel instrument voor het einde van die periode, moeten overeenkomstig artikel 45 van dezelfde verordening worden gebruikt.

Teruggestorte middelen die zijn geherinvesteerd of vrijgegeven zekerheden, d.w.z. fondsen die onder een tweede en daaropvolgende investeringscyclus vallen, kunnen niet worden gedeclareerd als subsidiabele uitgaven.

Voorts worden middelen uit kasmiddelenbeheer die op grond van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zijn geïnvesteerd, bij afsluiting ook als niet-subsidiabele uitgaven beschouwd. De rente op betalingen uit het POP aan het financieringsinstrument die zijn toe te rekenen aan de bijdrage uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), heeft betrekking op het kasbeheer van de aan het financieringsinstrument betaalde middelen uit het POP. Bij afsluiting van het POP moeten bedragen die niet overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zijn gebruikt, in mindering worden gebracht op de subsidiabele uitgaven.

Indien er sprake is van rente die netto negatief is, kan deze worden gedekt uit de middelen die zijn teruggestort overeenkomstig artikel 44, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

In alle gevallen moet de beheersautoriteit een administratie bijhouden.

De betaling van het eindsaldo is geregeld in artikel 41, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Op het hergebruik van middelen na afloop van de subsidiabiliteitsperiode is artikel 45 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van toepassing.

In de resterende periode tot aan afsluiting kunnen de lidstaten en de beheersautoriteiten bijdragen uit programma’s aan de in artikel 38, lid 1, punten a) en c), bedoelde financieringsinstrumenten en de in artikel 38, lid 1, punt b), bedoelde financieringsinstrumenten die zijn uitgevoerd overeenkomstig artikel 38, lid 4, punten a), b) en c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013, alleen intrekken als de bijdragen nog niet in een betalingsaanvraag zijn opgenomen, als bedoeld in artikel 41 van die verordening.

3.6. Overdracht van in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem opgenomen interventies uit de POP’s 2014-2022 naar de strategische GLB-plannen 2023-2027

Op grond van artikel 155, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2115 kunnen verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de in de artikelen 22, 28, 29, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 gespecificeerde meerjarige maatregelen (die overeenkomen met de maatregelen 8.1, 10, 11, 14 en 15 van de POP’s), worden overgedragen naar interventies op grond van artikel 70 van Verordening (EU) 2021/2116 van het strategisch GLB-plan (Elfpo). Daarnaast is bij artikel 155, lid 5, van Verordening (EU) 2021/2115 toegestaan dat verbintenissen uit hoofde van de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 (maatregelen 10 en 11 van de POP’s) steun ontvangen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ecoregelingen) in het strategisch GLB-plan, mits deze verbintenissen voldoen aan specifieke voorwaarden, zoals de subsidiabiliteit voor “ecoregelingen type b” uit hoofde van artikel 31, lid 7, eerste alinea, punt b).

Nieuwe conditionaliteitsvereisten zijn van toepassing op uitgaven die van lopende verbintenissen voor POP’s naar het strategisch GLB-plan worden overgedragen en die uit de begroting van dat plan (2023-2027) zullen worden gefinancierd. Op grond van artikel 48 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 kunnen landbouwers zich terugtrekken uit deze verbintenissen indien zij niet instemmen met de nieuwe voorwaarden, zoals die in verband met de conditionaliteit.

3.6.1. Betalingen over programmeringsperioden heen

Het betalen van voorschotten in het kader van het POP bij de afwikkeling van saldobetalingen in het kader van de strategische GLB-plannen mag alleen plaatsvinden in uitzonderlijke gevallen en in beperkte mate, zoals geregeld bij artikel 155 van Verordening (EU) 2021/2115.

Aangezien artikel 155 voorziet in de subsidiabiliteit van bepaalde uitgaven die in de vorige programmeringsperioden zijn gedaan, op voorwaarde dat dergelijke uitgaven in de strategische GLB-plannen worden opgenomen en de regels van het nieuwe wetgevingskader in acht worden genomen, kunnen de regels met betrekking tot hun verplichtingen en de regels inzake controles en verificaties voor begunstigden aanzienlijk veranderen in het geval van maatregelen in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem. Het combineren van betalingen voor een individuele verbintenis uit twee programmeringsperioden, waarvoor verschillende rechtskaders gelden, zorgt dus voor aanzienlijke administratieve complexiteit voor zowel beheersautoriteiten als begunstigden en moet zo veel mogelijk worden vermeden.

Om mogelijke financieringstekorten aan te pakken en de complexiteit van de toepassing van verschillende reeksen regels op de in de twee programmeringsperioden gedane uitgaven te vermijden, kunnen de lidstaten andere mogelijkheden onderzoeken, zoals de herverdeling van de financiële middelen voor het POP of het gebruik van aanvullende nationale financiering om ervoor te zorgen dat de saldobetalingen in het kader van het POP kunnen worden verwerkt.

De lidstaten moeten er ook rekening mee houden dat door begunstigden gemaakte kosten alleen subsidiabel zijn in het kader van strategische GLB-plannen indien deze zijn gemaakt vanaf 1 januari 2023 (artikel 86, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115).

3.6.2. Controles betreffende conditionaliteit en randvoorwaarden

Na de recente vereenvoudiging van artikel 83, lid 2, van Verordening (EU) 2021/2116 (gewijzigd bij Verordening (EU) 2024/1468(19)) zijn landbouwers met een bedrijf met een maximale omvang van tien ha landbouwareaal vrijgesteld van conditionaliteitscontroles. Bijgevolg zijn zij niet onderworpen aan het systeem van conditionaliteitscontroles en daarom zijn deze landbouwers niet vrijgesteld van controles met betrekking tot de randvoorwaarden overeenkomstig artikel 104, lid 1, tweede alinea, punt a), iv), van Verordening (EU) 2021/2116. Met andere woorden, landbouwers met een bedrijf met een maximale omvang van tien ha landbouwareaal worden onderworpen aan controles op de naleving van de randvoorwaarden wanneer zij de desbetreffende steun uit POP’s ontvangen.

Voorafgaand aan de recente wijziging van artikel 104, lid 1, tweede alinea, punt a), iv), van Verordening (EU) 2021/2116 zijn in artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 overgangsregels vastgesteld ter verlichting van buitensporige administratieve kosten en lasten in verband met controles voor bepaalde begunstigden, die tegelijkertijd onderworpen zijn aan randvoorwaarden en conditionaliteit. Voor begunstigden die areaalgebonden betalingen ontvangen, beperkt de regel in artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 de controles alleen tot conditionaliteitsvereisten. Alleen wanneer een niet-naleving van de conditionaliteitsvereisten werd vastgesteld, zou de overeenkomstige randvoorwaardenverplichting moeten worden gecontroleerd. Na de wijziging van artikel 104, lid 1, tweede alinea, punt a), iv), van Verordening (EU) 2021/2116 hoeven dergelijke overeenkomstige randvoorwaardenverplichtingen echter niet te worden gecontroleerd in geval van niet-naleving van de conditionaliteitsvereisten (aangezien de artikelen 96 en 97 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn ingetrokken).

3.7. Overdracht van niet in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem opgenomen interventies uit de POP’s 2014-2022 naar de strategische GLB-plannen 2023-2027

Op grond van artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115 kunnen uitgaven in verband met juridische verbintenissen jegens begunstigden die zijn gedaan in het kader van de in dat artikel(20) genoemde maatregelen, in aanmerking komen voor een Elfpo-bijdrage in het kader van de strategische GLB-plannen onder de volgende voorwaarden:

  • de uitgaven a) waren na 31 december 2025 gedane uitgaven (onder gedane uitgaven worden de door het betaalorgaan gedane uitgaven verstaan) en b) zijn opgenomen in het strategisch GLB-plan overeenkomstig de regels van Verordening (EU) 2021/2115, met uitzondering van artikel 73, lid 3, eerste alinea, punt f), en c) zijn in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/2116;

  • het in het strategisch GLB-plan vastgestelde Elfpo-bijdragepercentage van de interventie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2115 ter dekking van deze maatregelen is van toepassing.

In dit verband worden onder juridische verbintenissen verstaan verbintenissen jegens de begunstigden die subsidiebesluiten of andere administratieve handelingen van de nationale autoriteit zijn die bij de begunstigde legitieme verwachtingen wekken.

De lidstaten kunnen de overgedragen uitgaven opnemen in hun strategische GLB-plannen(21) door een afzonderlijke interventie te plannen of door de uitgaven op te nemen in een bestaande interventie met een afzonderlijk eenheidsbedrag. De overgedragen uitgaven moeten in het financieel plan worden vermeld. Dit zal vervolgens door de Europese Commissie worden goedgekeurd in het kader van een wijziging van het strategisch GLB-plan.

Uitgaven in verband met vastleggingen voor investeringen in grootschalige infrastructuur die subsidiabel zijn op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013, maar niet in het kader van de strategische GLB-plannen op grond van artikel 73, lid 3, eerste alinea, punt f), van Verordening (EU) 2021/2115, kunnen in het strategisch GLB-plan worden opgenomen, maar alleen met het oog op overdracht. Deze uitzondering is opgenomen in artikel 155, lid 4, punt a), van Verordening (EU) 2021/2115. Een dergelijke interventie kan derhalve niet worden gebruikt voor nieuwe verbintenissen in het kader van het strategisch GLB-plan, maar alleen voor de financiering van resterende verbintenissen in het kader van het POP. Dit kan gebeuren door een afzonderlijke interventie in het strategisch GLB-plan te plannen of door, binnen een bestaande interventie, een actie/subinterventie te plannen die voorziet in de financiering van de investering in grootschalige infrastructuur die in het kader van het POP is opgestart.

De overdracht van uitgaven in verband met verbintenissen in het kader van Leader is wettelijk mogelijk op grond van artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115. Aangezien Leader echter betrekking heeft op door plaatselijke actiegroepen in het kader van strategieën voor lokale ontwikkeling uitgevoerde projecten die zijn goedgekeurd krachtens de POP’s 2014-2022, en die tegen het einde van de programmeringsperiode moeten zijn afgerond, moet een dergelijke overdracht worden beperkt en gekoppeld aan naar behoren gemotiveerde specifieke omstandigheden.

In beginsel staat artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115 de overdracht van alle soorten Leader-steun (met inbegrip van voorbereidende acties) toe. In de praktijk heeft deze overdracht van verbintenissen echter met name betrekking op projecten met juridische verbintenissen in het kader van submaatregel 19.2 van het POP (steun voor de uitvoering van concrete acties in het kader van de vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingsstrategie), waarbij specifieke projecten om gegronde redenen niet vóór eind 2025 kunnen worden afgerond, hoewel aanvankelijk was gepland dat zij op tijd zouden worden afgerond. De lidstaten moeten echter in hun beheers- en controlesystemen voor het strategisch GLB-plan informatie verstrekken over de betalingen en controles van dergelijke projecten.

In het algemeen worden de lidstaten aangeraden de bedragen van de overgedragen vastleggingen zo veel mogelijk te beperken en de oproepen af te stemmen op het nog beschikbare budget in het kader van de POP’s, zodat de projecten vóór eind 2025 kunnen worden uitgevoerd. Om echter optimaal gebruik te maken van de beschikbare middelen en het risico op ongebruikt Elfpo-/EURI-budget tot een minimum te beperken, is een bepaald niveau van overboeking en mogelijke overdrachten aanvaardbaar, mits aan de voorwaarden van artikel 155, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115 is voldaan.

3.8. Renteopbrengsten op de voorfinanciering

Overeenkomstig artikel 35, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet de Commissie het totale voorfinancieringsbedrag goedkeuren in het besluit tot goedkeuring van de rekeningen voordat het POP wordt afgesloten. Daartoe worden de lidstaten vriendelijk verzocht de rente op de ontvangen voorfinanciering ter beschikking te stellen van het POP en deze in mindering te brengen op het bedrag van de overheidsuitgaven dat in de definitieve uitgavendeclaratie is vermeld.

4. INDIENING VAN DOCUMENTEN VOOR AFSLUITING

4.1. Door de lidstaten te verstrekken documenten voor afsluiting

De Commissie keurt jaarlijks de rekeningen van de erkende betaalorganen goed(22). Bijgevolg zal de afsluiting van een programma gebaseerd zijn op de jaarrekeningen voor alle opeenvolgende begrotingsjaren (2015-2025) en de desbetreffende besluiten tot financiële goedkeuring.

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de jaarrekeningen van een erkend betaalorgaan vergezeld gaan van een beheersverklaring die is ondertekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het erkende betaalorgaan. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, moet de certificerende instantie een oordeel geven over de volledigheid, nauwkeurigheid en waarheidsgetrouwheid van de jaarrekeningen van het betaalorgaan, over de goede werking van het interne controlesysteem van het betaalorgaan, en over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven waarvoor bij de Commissie om terugbetaling is verzocht. De certificerende instantie moet dat oordeel opstellen op basis van de auditbeginselen en -methoden zoals uiteengezet in de artikelen 6 en 7 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014. Dat oordeel moet worden ondersteund door een verslag waarin de bij artikel 5, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 vereiste verklaringen worden opgenomen. In artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 is vastgesteld welke informatie de jaarrekeningen van het betaalorgaan moeten bevatten.

De Commissie zal specificeren welke informatie de lidstaten moeten verstrekken met betrekking tot de afsluiting van de Elfpo-programmeringsperiode 2014-2022 (goedkeuring van de laatste jaarrekeningen) en specifieke richtsnoeren vaststellen met richtlijnen voor de certificerende instanties van de lidstaten met betrekking tot de certificeringsaudit en rapportage die moeten worden uitgevoerd voor de afsluiting van de Elfpo-programmeringsperiode 2014-2022(23).

Overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kan een programma pas worden afgesloten na ontvangst van het laatste jaarlijkse voortgangsverslag over de uitvoering (d.w.z. het jaarlijkse uitvoeringsverslag).

4.2. Uiterste datum voor het indienen van documenten voor afsluiting

De uiterste datum voor de indiening van het laatste jaarlijkse uitvoeringsverslag is 30 juni 2026 (artikel 75, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013).

De voor de goedkeuring van de rekeningen benodigde documenten met betrekking tot het begrotingsjaar 2025 moeten uiterlijk op 15 februari 2026 aan de Commissie worden toegezonden(24). Elk begrotingsjaar heeft betrekking op de uitgaven van de betaalorganen vanaf 16 oktober (n–1) tot en met 15 oktober (n). Bovendien moeten de lidstaten voor het laatste jaar van uitvoering (16 oktober 2024 tot en met 31 december 2025) de rekeningen over de tot en met 31 december 2025 gedane uitgaven uiterlijk zes maanden na de uiterste datum voor subsidiabiliteit, d.w.z. uiterlijk op 30 juni 2026, bij de Commissie indienen(25).

Indien de lidstaat de bovengenoemde documenten niet uiterlijk op 30 juni 2026 bij de Commissie heeft ingediend, wordt het saldo ambtshalve doorgehaald(26).

4.3. Wijziging van documenten na de uiterste datum van indiening

In het algemeen mogen de lidstaten geen van de in punt 4.2 vermelde documenten na de uiterste datum voor de indiening ervan wijzigen, tenzij de Commissie hierom verzoekt na toelichting tijdens het reconciliatieproces, behalve voor het corrigeren van schrijf- en rekenfouten.

Op verzoek van de Commissie of op initiatief van de lidstaat kunnen verdere gegevens met betrekking tot de goedkeuring van de rekeningen aan de Commissie worden toegezonden binnen een termijn die door de Commissie wordt bepaald met inachtneming van de voor het verstrekken van die gegevens benodigde hoeveelheid werk. Bij ontstentenis van die gegevens kan de Commissie de rekeningen goedkeuren op basis van de gegevens die in haar bezit zijn(27).

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie een verzoek om gegevens later te mogen indienen, inwilligen indien dat verzoek is ontvangen voordat de betrokken indieningstermijn is verstreken(28).

4.4. Beschikbaarheid van documenten(29)

De bewijsstukken betreffende de door het Elfpo (met inbegrip van het EURI) gefinancierde uitgaven en de door dit fonds te innen bestemmingsontvangsten moeten gedurende ten minste drie jaar na het jaar waarin de eindbetaling door het betaalorgaan heeft plaatsgevonden, ter beschikking van de Commissie worden gehouden.

In geval van onregelmatigheden of nalatigheid moeten de bewijsstukken ter beschikking van de Commissie worden gehouden gedurende ten minste drie jaar na het jaar waarin de bedragen volledig van de begunstigde zijn teruggevorderd en aan het Elfpo (met inbegrip van het EURI) zijn gecrediteerd of waarin de financiële gevolgen van de niet-inning zijn bepaald overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

In het geval van een conformiteitsgoedkeuringsprocedure als bedoeld in artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, moeten de bewijsstukken, met uitzondering van gevallen van onregelmatigheden, worden bewaard gedurende ten minste één jaar na het jaar waarin die procedure met of zonder een financiële correctie is afgesloten, of, indien tegen een conformiteitsbesluit een gerechtelijke procedure bij het Hof van Justitie is ingesteld, gedurende ten minste één jaar na het jaar waarin die gerechtelijke procedure is afgesloten.

De bewijsstukken kunnen worden bewaard in papieren vorm, in elektronische vorm of in beide vormen.

Deze bewijsstukken mogen alleen in uitsluitend elektronische vorm worden bewaard indien de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat het gebruik van elektronische documenten als bewijs van onderliggende verrichtingen in de nationale rechtsgang toestaat.

Als de bewijsstukken uitsluitend in elektronische vorm worden bewaard, moet het daartoe gebruikte systeem voldoen aan bijlage I, punt 3, onder B, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/127.

5. AFSLUITING VAN DE PROGRAMMA’S

5.1. Goedkeuring van de rekeningen

Het laatste besluit tot goedkeuring van de rekeningen voorafgaand aan de afsluiting van een POP zal gebaseerd zijn op dezelfde documentatie (artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014) als elk eerder jaarlijks goedkeuringsbesluit, maar zal andere termijnen hebben en betrekking hebben op vijf “kwartalen” in plaats van vier.

In het laatste besluit tot goedkeuring van de rekeningen dat aan de afsluiting voorafgaat, worden de bedragen vastgesteld van de uitgaven die in de lidstaat zijn gedaan in de periode van 16 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 en die ten laste komen van het Elfpo op basis van de in artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bedoelde rekeningen. In het laatste besluit tot goedkeuring van de rekeningen worden ook de subsidiabele uitgaven voor de in artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde financieringsinstrumenten en eventuele verlagingen en schorsingen op grond van de artikelen 41 en 42 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgesteld.

Als gevolg van het besluit tot goedkeuring van de rekeningen zal het bedrag dat moet worden teruggevorderd van of betaald aan de lidstaat, worden vastgesteld door de tussentijdse betalingen voor de periode van 16 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 af te trekken van de uitgaven voor diezelfde periode die als ten laste van het fonds komend worden erkend. Wanneer de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen echter 95 % van de totale Elfpo- en EURI-bijdrage bereiken (zie punt 2.3 van deze richtsnoeren), zal de Commissie overgaan tot vereffening van de voorfinanciering bij elke volgende uitgavendeclaratie. In dit geval wordt het terug te vorderen of te betalen bedrag vastgesteld door de tussentijdse betalingen voor de periode van 16 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 en het goedgekeurde bedrag van de voorfinanciering voor de desbetreffende periode in mindering te brengen op de uitgaven voor diezelfde periode die als ten laste van het fonds komend worden erkend.

De Commissie stelt de lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van de definitieve rekeningen in kennis van de resultaten van haar onderzoek van de rekeningen en van eventuele wijzigingen die zij voorstelt.

Indien de Commissie, om redenen die aan de lidstaat zijn toe te schrijven, de rekeningen niet binnen vier maanden na ontvangst ervan kan goedkeuren, stelt de Commissie de lidstaat in kennis van de aanvullende onderzoeken die zij voorstelt.

5.2. Berekening van het saldo bij afsluiting

In het in punt 5.1 van deze richtsnoeren bedoelde besluit tot goedkeuring van de rekeningen zal de Commissie ook het bij de afsluiting van een POP te betalen of terug te vorderen saldo berekenen en opnemen. Er zij echter op gewezen dat indien er jaarrekeningen voor voorgaande begrotingsjaren zijn die na het goedkeuringsbesluit voor het laatste jaar van uitvoering nog niet zijn goedgekeurd, het programma niet kan worden afgesloten en het saldo niet kan worden betaald.

Eventuele uitstaande invorderingsopdrachten van de Commissie zullen worden verrekend met de betaling van het eindsaldo.

Wanneer een lidstaat naar aanleiding van zijn controles financiële aanpassingen heeft doorgevoerd en de desbetreffende bedragen heeft teruggevorderd, moet deze de bedragen opnieuw toewijzen aan het betrokken programma. Overeenkomstig artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de ingetrokken bedragen aan Uniefinanciering uit het Elfpo en de terugbetaalde bedragen, met de rente daarop, opnieuw aan het betrokken programma worden toegewezen. Daarom kunnen bedragen die zijn teruggevorderd naar aanleiding van onregelmatigheden met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2022, niet worden gebruikt voor de financiering van concrete acties van het strategisch GLB-plan, noch opnieuw worden toegewezen aan concrete acties/projecten waarop een financiële aanpassing is toegepast(30). Bij de afsluiting van een POP moeten de bedragen die de lidstaat niet heeft hergebruikt, terugvloeien naar de begroting van de Unie en zullen zij derhalve in mindering worden gebracht op het eindsaldo.

Bij de afsluiting van een POP zal de Commissie ook rekening houden met het laatste jaarlijkse voortgangsverslag over de uitvoering van een POP als bedoeld in artikel 75 van Verordening (EU) nr. 1305/2013. De Commissie stelt de lidstaat binnen vijf maanden in kennis van de resultaten van haar onderzoek van dit verslag(31).

De Commissie neemt uitstaande betalingen die op grond van de artikelen 41 en 42 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden verlaagd of geschorst, in aanmerking in het saldo bij afsluiting door de eindbetaling te verminderen met deze bedragen van de verlagingen en schorsingen.

De Commissie stelt de lidstaat schriftelijk in kennis van haar voorstel voor het te betalen of terug te vorderen saldo.

Tabel 1 van deze richtsnoeren bevat een voorbeeld van de berekening van het eindsaldo.

5.3. Verlagingen wegens niet-naleving van de betalingstermijn bij de afsluiting van het programma

De controle van de naleving van de laatste betalingstermijn voor betalingen aan de begunstigden in het kader van de POP’s voorafgaand aan de afsluiting van een POP zal gebaseerd zijn op dezelfde bepalingen (artikel 75, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en artikel 5 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014) als elke jaarlijkse betalingstermijn, maar zal andere termijnen hebben, net als bij het laatste besluit tot goedkeuring van de rekeningen.

De berekening van de drempel van 5 % bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 voor het laatste jaar van uitvoering zal niet veranderen, d.w.z. de reserveperiode houdt rekening met de volgende kwartalen: derde kwartaal 2024 tot en met het tweede kwartaal 2025. Het derde en vierde kwartaal van 2025 worden behandeld als kwartalen van betalingsachterstand en de reserve wordt hierdoor niet gewijzigd.

De laatste berekening van de verlaging van de betalingstermijnen voor een bepaald programma zal worden gebaseerd op vijf in plaats van op vier kwartalen, d.w.z. het vierde kwartaal van 2025 zal in aanmerking worden genomen.

5.4. Betaling van het saldo

De Commissie betaalt het saldo, afhankelijk van de beschikbaarheid van middelen, uiterlijk zes maanden nadat de laatste jaarrekeningen en het jaarlijkse voortgangsverslag ontvankelijk worden bevonden en alle jaarrekeningen zijn goedgekeurd(32). Deze betaling van het eindsaldo doet geen afbreuk aan eventuele conformiteitsbesluiten die na de afsluiting van een programma worden genomen.

5.5. Doorhalingen

Het deel van de vastleggingen in de begroting dat nog openstaat op de uiterste datum van subsidiabiliteit voor uitgaven (31 december 2025) waarvoor de lidstaat op 30 juni 2026 nog geen uitgavendeclaratie heeft ingediend, zal door de Commissie ambtshalve worden doorgehaald(33).

Na betaling van het saldo zal de Commissie alle uitstaande openstaande vastleggingen binnen zes maanden na de afsluiting doorhalen(34).

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (“het Financieel Reglement”)(35) kunnen doorgehaalde (daar “vrijgemaakte”) kredieten opnieuw ter beschikking worden gesteld in geval van een kennelijke fout die uitsluitend aan de Commissie kan worden toegeschreven.

6. VERANTWOORDELIJKHEDEN NA AFSLUITING

6.1. Follow-up van onverschuldigde betalingen die zijn ontdekt na de indiening van de documenten voor afsluiting

De verantwoordelijkheid om onverschuldigd betalingen terug te vorderen, eindigt niet bij de afsluiting van een POP, maar de lidstaten moeten doorgaan met de terugvordering van onverschuldigde betalingen die zijn ontdekt na de afsluiting van de programma’s wanneer middelen van de Unie aan de begunstigden zijn betaald, overeenkomstig artikel 59, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2021/2116(36).

De betrokken bedragen moeten aan de Commissie worden gerapporteerd overeenkomstig de bijlagen II en III bij Verordening (EU) nr. 908/2014 en de “50/50”-tabel, voor de toepassing van artikel 54, lid 2, eerste en tweede alinea, en artikel 54, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is van toepassing op de lopende terugvorderingsprocedures en op de terugvorderingsprocedures die moeten worden ingeleid met betrekking tot de onverschuldigde betalingen die voortvloeien uit de Elfpo-programmeringsperiode 2014-2022.

Een lidstaat kan besluiten de terugvorderingsprocedure stop te zetten in gevallen waarin de gemaakte kosten hoger zijn dan het in artikel 54, lid 3, punt a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde te innen bedrag of wanneer de terugvordering onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht geregistreerde en erkende insolventie van de debiteur of de persoon die juridisch aansprakelijk is voor de onregelmatigheid, zoals gespecificeerd in artikel 54, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

De bedragen die ten laste van de lidstaten moeten worden gebracht in verband met in behandeling zijnde onregelmatigheden die na het afsluitingsbesluit onder de 50/50-regel(37) vallen, zullen jaarlijks aan de begroting van de Unie moeten worden terugbetaald.

6.2. Conformiteitsgoedkeuring na afsluiting

De afsluiting van een POP loopt niet vooruit op eventuele latere conformiteitsgoedkeuringsbesluiten, die bedragen kunnen omvatten die na audits door de Commissie aan de lidstaat in rekening moeten worden gebracht.

6.3. Beoordeling van het prestatiekader bij afsluiting

De verwezenlijking van het einddoel van het prestatiekader van het POP wordt in 2026 beoordeeld op basis van het definitieve jaarlijkse uitvoeringsverslag. Bij deze beoordeling gaat de Commissie na in welke mate de einddoelen zijn bereikt en brengt zij eventuele ernstige tekortkomingen in de verwezenlijking ervan in kaart.

Een ernstige tekortkoming bij de verwezenlijking van een prioriteit van het prestatiekader houdt in dat het verwezenlijkingspercentage van een of meer streefdoelen (wanneer er meer dan twee streefdoelen per prioriteit zijn) lager is dan een bepaald percentage zoals gedefinieerd in artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie. Voor de bevinding van een ernstige tekortkoming bij de verwezenlijking van een prioriteit gelden voorts een aantal cumulatieve voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 22, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Voordat de Commissie een ernstige tekortkoming bij de verwezenlijking van een prioriteit kan vaststellen, moet zij vaststellen dat de ernstige tekortkoming te wijten is aan een zwak punt in de uitvoering en dit mededelen aan de beheersautoriteit, die de mogelijkheid moet krijgen corrigerende maatregelen te treffen.

De Commissie kan een financiële correctie toepassen als er een ernstige tekortkoming is vastgesteld bij de verwezenlijking van een prioriteit van het prestatiekader, maar is daartoe niet verplicht.

De Commissie past geen financiële correcties toe als de prioriteit van het prestatiekader niet is verwezenlijkt als gevolg van sociaaleconomische of milieufactoren, ingrijpende veranderingen in de economische of milieuomstandigheden in de betrokken lidstaat, of gevallen van overmacht met ernstige gevolgen voor de uitvoering van de prioriteiten in kwestie(38).

TABEL 1: voorbeeld van een berekening van het eindsaldo

Berekening van het eindsaldo van een POP

I — Verificatie van de inachtneming van het financiële plan per maatregel:

  1. Totale in de jaardeclaraties gedeclareerde uitgaven voor de programmeringsperiode 2014-2022

  1. Aanpassingen

  1. Minus totale plafonnering op maatregelniveau

II — Aftrek van aan het POP betaalde bedragen:

  1. Betaalde voorfinanciering

  1. Tussentijdse betalingen

= Verschuldigd eindsaldo

– Schorsingen/onderbrekingen

= te betalen of terug te vorderen EINDSALDO