Home

Besluit (EU) 2025/2630 van de Commissie van 16 december 2025 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen en tot intrekking van Besluit 2012/21/EU

Besluit (EU) 2025/2630 van de Commissie van 16 december 2025 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen en tot intrekking van Besluit 2012/21/EU

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 106, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

1) Overeenkomstig artikel 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“het Verdrag”) moet de Unie, onverminderd de artikelen 93, 106 en 107 van het Verdrag, haar bevoegdheden zodanig gebruiken dat er zorg voor wordt gedragen dat de diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”) functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die hen in staat stellen hun taken te vervullen.

2) Om bepaalde DAEB te laten functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die deze in staat stellen hun taken te vervullen, kan financiële steun van de overheid noodzakelijk blijken om enkele of alle uit de openbaredienstverplichtingen voortvloeiende specifieke kosten te dekken. In overeenstemming met artikel 345 van het Verdrag doet daarbij niet ter zake of die DAEB door overheidsbedrijven of particuliere ondernemingen worden beheerd.

3) In artikel 106, lid 2, van het Verdrag is dienaangaande bepaald dat de ondernemingen die met het beheer van DAEB zijn belast of die het karakter van een fiscaal monopolie dragen, onder de regels van het Verdrag vallen, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in rechte of in feite, van de toevertrouwde taken niet verhindert. Een en ander mag de ontwikkeling van het handelsverkeer niet beïnvloeden in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.

4) In zijn arrest in de zaak-Altmark(1) heeft het Hof van Justitie verklaard dat compensatie voor de openbare dienst geen staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag vormt, mits aan vier cumulatieve criteria is voldaan. In de eerste plaats moet de begunstigde onderneming daadwerkelijk met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen belast zijn en moeten die verplichtingen duidelijk zijn omschreven. In de tweede plaats moeten de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, vooraf op objectieve en transparante wijze zijn vastgesteld. In de derde plaats mag de compensatie niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen geheel of gedeeltelijk te dekken, rekening houdende met de opbrengsten en een redelijke winst. In de vierde plaats moet, wanneer de met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen te belasten onderneming in een concreet geval niet wordt gekozen in het kader van een openbare aanbesteding, waarbij de kandidaat kan worden geselecteerd die deze diensten tegen de laagste kosten voor de gemeenschap kan leveren, de noodzakelijke compensatie worden vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming die afdoende met de nodige middelen is uitgerust, zou hebben gemaakt.

5) Wanneer deze vier criteria niet zijn vervuld en aan de algemene criteria voor de toepassing van artikel 107, lid 1, van het Verdrag is voldaan, vormt compensatie voor de openbare dienst staatssteun en valt deze onder de artikelen 93, 106, 107 en 108 van het Verdrag.

6) Naast dit besluit zijn drie instrumenten van belang voor de toepassing van de staatssteunregels op compensaties ten behoeve van het verrichten van DAEB:

  1. de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op compensaties ten behoeve van het verrichten van DAEB(2) verduidelijkt de toepassing van artikel 107 van het Verdrag en de in het Altmark-arrest vastgelegde criteria op dit soort compensaties;

  2. Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun ten behoeve van DAEB(3) legt een aantal voorwaarden vast - waaronder het compensatiebedrag - waarop compensaties ten behoeve van de openbare dienst worden geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, te voldoen;

  3. een kaderregeling voor staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst(4) waarin nader wordt uiteengezet hoe de Commissie zaken zal beoordelen die niet onder het onderhavige besluit vallen, en die derhalve bij de Commissie moeten worden aangemeld.

7) In Besluit 2012/21/EU van de Commissie(5) worden de inhoud en de omvang van de afwijking van artikel 106, lid 2, van het Verdrag nader bepaald en worden regels vastgesteld die het mogelijk maken er daadwerkelijk op toe te zien dat aan de criteria van die bepaling wordt voldaan. In het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Besluit 2012/21/EU, de veranderingen in de economische omstandigheden, met name in verband met de huisvestingscrisis, en de marktontwikkelingen, moeten de regels van dat besluit worden herzien.

8) Besluit 2012/21/EU moet daarom worden ingetrokken en vervangen door dit besluit, dat bepaalt onder welke voorwaarden staatssteun in de vorm van compensatie voor een DAEB vrijgesteld is van de voorafgaande aanmelding van artikel 108, lid 3, van het Verdrag en geacht wordt verenigbaar te zijn met artikel 106, lid 2, van het Verdrag.

9) Staatssteun in de vorm van compensatie voor een DAEB kan slechts verenigbaar worden geacht indien de steun wordt verleend om het verrichten van DAEB in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag te verzekeren. Uit de rechtspraak(6) blijkt duidelijk dat de lidstaten, ingeval er ter zake geen sectorale Unieregelgeving bestaat, over een ruime beoordelingsmarge beschikken om diensten als DAEB aan te merken. In dat verband is het de taak van de Commissie ervoor te zorgen dat er geen kennelijke fout is bij de definitie van DAEB.

10) Mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, beïnvloeden geringe compensatiebedragen die worden toegekend aan met het beheer van DAEB belaste ondernemingen, de ontwikkeling van het handelsverkeer en de mededinging niet in een mate die strijdig is met het belang van de Unie. Voor de identificatie van de begunstigde van de steun in dit besluit moet het begrip “één onderneming” in de zin van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie(7) van toepassing zijn. Mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, hoeven steunmaatregelen dus niet afzonderlijk te worden aangemeld indien het compensatiebedrag onder een vastgesteld compensatiebedrag per jaar blijft. Het is ook passend die algemene compensatiedrempel te verhogen om rekening te houden met de inflatie sinds de vaststelling van Besluit 2012/21/EU.

11) Een onderneming kan worden belast met het beheer van meerdere DAEB en kan voor elke DAEB compensatie tot maximaal de toepasselijke compensatiedrempel ontvangen. Hetzelfde geldt wanneer een onderneming door meerdere lidstaten gezamenlijk of individueel met het beheer van een DAEB wordt belast. De met het beheer belaste onderneming moet daarom van elke toewijzende lidstaat waar de dienst wordt geleverd een compensatie kunnen ontvangen tot de algemene drempel.

12) Ziekenhuizen en in de socialedienstverlening actieve ondernemingen, ook als zij georganiseerd zijn als entiteit zonder winstoogmerk(8), die met taken van algemeen economisch belang zijn belast, vertonen specifieke kenmerken die in aanmerking moeten worden genomen. Met name moet rekening worden gehouden met het feit dat, in de huidige economische omstandigheden, sociale diensten ter compensatie van de kosten van de openbare dienst mogelijk een bedrag aan steun nodig kunnen hebben dat hoger is dan de in het onderhavige besluit vastgestelde algemene drempel, terwijl een hoger compensatiebedrag voor sociale diensten niet noodzakelijkerwijs een groter risico op concurrentieverstoring inhoudt. Bijgevolg moeten ook ondernemingen die met de verrichting van sociale diensten zijn belast onder de in dit besluit vastgestelde vrijstelling van de aanmeldingsverplichting vallen, zelfs indien het bedrag dat zij aan compensatie ontvangen, hoger ligt dan de algemene drempel. Dezelfde vrijstelling moet ook gelden voor ziekenhuizen die medische zorg bieden, daaronder begrepen, in voorkomend geval, spoedeisende hulp en het verrichten van ondersteunende diensten die rechtstreeks met hun hoofdactiviteiten verband houden, met name op het gebied van medisch onderzoek. Om onder de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting te vallen, moet het om duidelijk afgebakende sociale diensten gaan die tegemoetkomen aan sociale behoeften met betrekking tot gezondheidszorg en langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt en herintreding en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen. Het gaat daarbij onder meer om diensten ter ondersteuning van zelfstandig wonen en inclusie in de gemeenschap van personen met een handicap, zoals persoonlijke bijstand, centra voor zelfstandig wonen, diensten op het gebied van hulptechnologie, habilitatie- en rehabilitatiediensten.

13) Om dezelfde redenen kan de compensatie voor het verstrekken van DAEB op het gebied van sociale huisvesting voor kansarme huishoudens of sociaal kansarme groepen, waaronder daklozen, die door solvabiliteitsbeperkingen geen huisvesting tegen marktvoorwaarden kunnen vinden, worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, zelfs indien het bedrag van deze compensatie hoger ligt dan de algemene drempel. De compensatie voor diensten op het gebied van sociale huisvesting moet onder meer kunnen dienen ter dekking van de investeringskosten voor de bouw van nieuwe gebouwen, met inbegrip van de aankoop van grond, de aankoop van bestaande appartementen of gebouwen om te verbouwen of te renoveren, de verbouwing of renovatie van bestaande gebouwen (of individuele bouwelementen daarvan(9)), de kosten om de naleving te waarborgen van toegankelijkheidsvereisten voor ouderen of personen met een handicap, de kosten voor de naleving van milieunormen en de kosten voor adaptatie in functie van klimaatbestendigheid, met inbegrip van waterweerbaarheid, alsmede de exploitatiekosten, indien nodig voor het beheer van de dienst.

14) Sinds de vaststelling van Besluit 2012/21/EU is de betaalbaarheid van huisvesting in veel lidstaten een belangrijk probleem geworden, dat niet alleen kansarme huishoudens of sociaal kansarme groepen, maar ook de middeninkomensgroepen treft, waarbij steeds meer mensen het moeilijk hebben om kwaliteitsvolle huisvesting te vinden tegen een betaalbare prijs. Huisvestingsproblemen kunnen bijzonder acuut zijn op bepaalde locaties, zoals toeristische en grote steden met een grote vraag, snel groeiende stedelijke en economische hubs, afgelegen ultraperifere en geïsoleerde regio’s. Daarom moeten maatregelen worden genomen om de beschikbaarheid van woningen tegen betaalbare prijzen te vergroten door middel van huurwoningen of koopwoningen, om de druk op de lokale woningmarkten te verlichten. Om overheidsinitiatieven ter ondersteuning van betaalbare huisvesting te vergemakkelijken, is het passend specifieke voorwaarden vast te stellen voor DAEB op het gebied van betaalbare huisvesting die moeten worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

15) Hoewel kansarme huishoudens of sociaal zwakkere groepen, waaronder daklozen, kunnen profiteren van DAEB’s op het gebied van sociale huisvesting, kunnen dergelijke DAEB’s ook een beperkt aandeel niet-kansarme huishoudens huisvesten om ruimtelijke concentratie van armoede te voorkomen.

16) Wanneer de lidstaten huisvesting moeten verstrekken aan voornamelijk niet-kansarme huishoudens, kunnen zij DAEB’s voor betaalbare huisvesting opzetten die voornamelijk ten goede komen aan huishoudens die geen toegang hebben tot huisvesting tegen betaalbare prijzen vanwege de omstandigheden op de relevante markten, maar niet kansarm zijn. Toch kan een DAEB voor betaalbare huisvesting nog steeds een aandeel kansarme huishoudens omvatten. Bij het bepalen van de begunstigden van DAEB voor betaalbare huisvesting moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met het inkomen van huishoudens in vergelijking met de huizenmarktprijzen en de samenstelling van het huishouden, indien nodig gecombineerd met andere factoren. Zo kan de behoefte aan betaalbare huisvesting lager zijn wanneer leden van een huishouden eigenaar of mede-eigenaar zijn van residentieel vastgoed. De lidstaten moeten ook voorrang kunnen geven aan betaalbare huisvesting aan mensen die waarschijnlijk moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot de woningmarkten, met inbegrip van bijvoorbeeld mensen die een essentiële maatschappelijke rol vervullen, personen met een handicap, ouderen of studenten, of alleenstaande ouders.

17) Voorts moeten de lidstaten inclusieve wijken kunnen bevorderen met huisvestingsmodellen zoals Nieuw Europees Bauhaus(10), die prioriteit geven aan de toegang tot gesubsidieerde huisvesting op basis van doelstellingen van de sociale mix, en modellen die gesubsidieerde huisvesting (sociale of betaalbare huisvesting) en markthuisvesting combineren, alsook door de huisvestingsomgeving en wijken toegankelijk te maken voor de inclusie van personen met een handicap.

18) Om de huisvestingscrisis doeltreffend aan te pakken vergen DAEB voor het aanbieden van betaalbare huisvesting ter compensatie van de kosten van de openbare dienst mogelijk een bedrag aan steun dat hoger is dan de in het onderhavige besluit vastgestelde algemene drempel. Om de kloof tussen vraag en aanbod de komende tien jaar te overbruggen, zal Europa volgens ramingen van de Europese Commissie(11) ongeveer 650 000 woningen per jaar moeten toevoegen aan de 1,6 miljoen woningen die momenteel worden gebouwd. Die extra wooneenheden zouden jaarlijks ongeveer 153 miljard EUR kosten. Aanzienlijke investeringen in betaalbare huisvesting brengen niet noodzakelijkerwijs aanzienlijke risico’s op verstoring met zich mee. De compensatie voor het verstrekken van DAEB op het gebied van betaalbare huisvesting voor huishoudens die geen toegang hebben tot betaalbare huisvesting, moet daarom worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, zelfs indien het bedrag van deze compensatie hoger ligt dan de algemene drempel, mits voldoende waarborgen - zoals opgenomen in dit besluit en de bijlage - worden ingebouwd om verstoring van de mededinging te beperken.

19) Compensatie voor het verstrekken van DAEB op het gebied van betaalbare huisvesting mag niet leiden tot een ongeoorloofde inmenging in de normale marktomstandigheden, die particuliere investeringen zou kunnen verdringen en de mededinging significant zou kunnen verstoren. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de meest kwetsbare huishoudens blijven profiteren van DAEB op het gebied van sociale huisvesting. Daarom moeten de lidstaten bij het ontwerpen van DAEB voor sociale en betaalbare huisvesting aan een specifieke reeks vereisten voldoen.

20) De lidstaten moeten de betaalbaarheid van de huisvesting kunnen meten aan de hand van diverse indicatoren, zoals de verhouding tussen huurlasten en inkomen(12), de verhouding tussen hypotheekaflossingen en inkomen(13), de verhouding tussen prijs en inkomen(14), het percentage bovenmatige uitgaven voor huisvesting of hoeveel jaar inkomen nodig is om een huis te kopen(15). De benchmarkwaarden voor deze indicatoren, die situaties aangeven waarin huishoudens geen toegang hebben tot betaalbare huisvesting, op nationaal, regionaal of lokaal niveau, moeten door de lidstaten worden vastgesteld. Bij het bepalen van de betaalbaarheid moet rekening worden gehouden met energiekosten. De lidstaten moeten kunnen aantonen dat de vaststelling van de behoeften aan betaalbare huisvesting op deze indicatoren is gebaseerd.

21) De compensatie voor DAEB op het gebied van betaalbare huisvesting moet in principe gericht zijn op de kosten voor investeringen in de bouw van nieuwe gebouwen, met inbegrip van de aankoop van grond, de aankoop van bestaande appartementen of gebouwen om te verbouwen of te renoveren, de verbouwing of renovatie van bestaande gebouwen (of individuele onderdelen van een gebouw),de kosten om de naleving te waarborgen van toegankelijkheidsvereisten voor ouderen of personen met een handicap, de kosten voor de naleving van milieunormen en de kosten voor adaptatie in functie van klimaatbestendigheid, met inbegrip van waterweerbaarheid. Voor zover deze noodzakelijk zijn voor het beheer van de dienst, kan de compensatie ook exploitatiekosten omvatten.

22) Om misbruik van betaalbare huisvesting te voorkomen, bijvoorbeeld voor tweede woningen of kortetermijnverhuur, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de huisvesting voor het juiste doel wordt gebruikt en dat ook blijft.

23) Prijzen voor DAEB op het gebied van betaalbare huisvesting moeten binnen een bereik liggen dat de betaalbaarheid van woningen garandeert, zonder verder te gaan dan die doelstelling om een buitensporige verstoring van de concurrentie te voorkomen. De lidstaten kunnen ook rekening houden met energiekosten en andere huisvestingsgerelateerde uitgaven bij het bepalen van de prijzen voor betaalbare huisvesting, teneinde de totale financiële lasten voor huishoudens te weerspiegelen.

24) Om ervoor te zorgen dat DAEB op het gebied van sociale en betaalbare huisvesting worden aangepast aan de behoeften van huishoudens, moeten de lidstaten minimumcriteria inzake kwaliteit, milieuaspecten en toegankelijkheid toepassen voor dergelijke diensten. Dergelijke criteria omvatten bijvoorbeeld toegankelijkheid voor personen met een handicap en ouderen, klimaatbestendigheid, minimumoppervlakte, verwarming en koeling, ventilatie, energieprestaties, sanitaire voorzieningen en watervoorziening, stabiliteit van het gebouw en brandveiligheid, en breedbandparaatheid van het gebouw. De lidstaten kunnen bij het bepalen van de locaties voor sociale en betaalbare huisvestingsprojecten ook rekening houden met de toegankelijkheid, ook voor personen met een handicap, van betaalbaar vervoer tot essentiële diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en financiële diensten.

25) Om de concurrentie in het marktsegment voor betaalbare huisvesting in stand te houden, moeten DAEB’s voor betaalbare huisvesting onder gelijke voorwaarden openstaan voor alle marktdeelnemers die dergelijke diensten kunnen verlenen.

26) Sociale of betaalbare woningen die worden gesubsidieerd binnen DAEB moeten voldoende lang, minstens twintig jaar, voorbehouden blijven voor het verstrekken van sociale of betaalbare woning om speculatie te voorkomen. Tegelijkertijd kunnen in specifieke, naar behoren gemotiveerde omstandigheden, zoals het verstrekken van tijdelijke huisvesting in geval van extreme weers- en klimaatgebeurtenissen of andere natuurrampen, regelingen voor operationele steun of investeringsregelingen met weinig overheidssteun, regelingen met een kortere looptijd gerechtvaardigd zijn. Daarnaast is het gerechtvaardigd om aanbieders van DAEB op het gebied van sociale en betaalbare huisvesting vrij te stellen van deze verplichting om een minimumduur van twintig jaar in acht te nemen als hun activiteiten in wezen beperkt zijn tot het verrichten van die DAEB, eventueel met jaarlijkse commerciële inkomsten die niet meer bedragen dan 5 % van de totale jaarlijkse inkomsten tijdens de periode waarvoor de DAEB is toegewezen, die als bijkomstig bij de DAEB kunnen worden beschouwd, en die wettelijk verplicht zijn al hun winsten in het verrichten van die dienst te herinvesteren. Het doel van deze vrijstelling is deze aanbieders van DAEB op het gebied van huisvesting in staat te stellen sociale of betaalbare wooneenheden te verkopen om zo nodig te herinvesteren in geschiktere sociale of betaalbare huisvesting. Bij de toepassing van deze vrijstelling moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de commerciële inkomsten ondersteunend blijven, bijvoorbeeld door middel van steekproefsgewijze controles, met name in geval van een vermoeden van misbruik.

27) Een kritiek geneesmiddel is een geneesmiddel waarvan de ontoereikende levering leidt tot ernstige schade of een risico op ernstige schade voor patiënten. Er kunnen er risico’s en tekortkomingen binnen de toeleveringsketen van sommige kritieke geneesmiddelen bestaan die de continuïteit van de levering van kritieke geneesmiddelen aan patiënten in de Unie in het gedrang kunnen brengen, met name in crisissituaties, zoals een pandemie. Dergelijke risico’s en tekortkomingen rechtvaardigen gericht overheidsoptreden, met inbegrip van financiering, met name in productiecapaciteit voor kritieke geneesmiddelen, en de actieve stoffen en andere cruciale input daarvoor. Wanneer aan de hand van een kwetsbaarheidsbeoordeling wordt vastgesteld dat er op Unieniveau of op het niveau van een of meer lidstaten sprake is van een marktfalen met betrekking tot de voorzieningszekerheid van een specifiek kritisch geneesmiddel, moeten alle of enkele betrokken lidstaten ervoor kunnen kiezen exploitanten specifieke openbaredienstverplichtingen op te leggen om de voorzieningszekerheid voor dergelijke kritieke geneesmiddelen te vergroten. Compensatie voor een DAEB op het gebied van kritieke geneesmiddelen onder de algemene drempel moet daarom worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

28) Artikel 93 van het Verdrag vormt een lex specialis ten opzichte van artikel 106, lid 2, van het Verdrag. Het stelt de regels vast die voor compensaties voor de openbare dienst in de sector van het vervoer over land gelden. Wat het personenvervoer betreft, is artikel 93 ten uitvoer gelegd bij Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad(16), waarin de regels zijn vastgesteld die van toepassing zijn op de compensatie van openbaredienstverplichtingen in het openbaar personenvervoer. Of en hoe Verordening (EG) nr. 1370/2007 ook op het reizigersvervoer over de binnenwateren wordt toegepast, staat aan de lidstaten. Bij Verordening (EG) nr. 1370/2007 wordt alle compensatie in de sector van het vervoer over land die aan de voorwaarden van die verordening voldoet, vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag. Wat het goederenvervoer betreft, wordt dat artikel uitgelegd in de mededeling van de Commissie “Richtsnoeren voor staatssteun voor vervoer over land en multimodaal vervoer”, waarin de voorwaarden zijn vastgesteld waaronder op grond van artikel 93 van het Verdrag staatssteun die overeenkomt met de vergoeding van bepaalde met het begrip “openbare dienst” verbonden verplichtingen in de sector van het goederenvervoer per spoor met de interne markt verenigbaar kan worden verklaard. Overeenkomstig het arrest-Altmark kan compensatie in de sector van het vervoer over land die niet aan artikel 93 van het Verdrag voldoet, niet op grond van artikel 106, lid 2, van het Verdrag of enige andere Verdragsbepaling met het Verdrag verenigbaar worden verklaard. Bijgevolg mag dit besluit niet van toepassing zijn op de sector van het vervoer over land.

29) Anders dan het vervoer over land, vallen het zee- en luchtvervoer wel onder artikel 106, lid 2, van het Verdrag. Bepaalde regels die voor compensatie voor de openbare dienst in de sectoren van het lucht- en zeevervoer gelden, zijn te vinden in Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad(17) en in Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad(18). In tegenstelling evenwel tot Verordening (EG) nr. 1370/2007, wordt in die verordeningen betreffende het zee- en luchtvervoer geen melding gemaakt van de verenigbaarheid van mogelijke staatssteunelementen, noch bevatten zij een vrijstelling van de aanmeldingsverplichting op grond van artikel 108, lid 3, van het Verdrag. Daarom moet dit besluit van toepassing zijn op compensatie voor de openbare dienst in het zee- en luchtvervoer, op voorwaarde dat deze compensatie, behalve aan de voorwaarden van dit besluit, ook voldoet aan de sectorale regels die zijn vervat in de Verordening (EG) nr. 1008/2008 en Verordening (EEG) nr. 3577/92, voor zover van toepassing.

30) In de bijzondere gevallen van compensatie voor de openbare dienst ten behoeve van lucht- of zeeverbindingen met eilanden en ten behoeve van luchthavens en havens die DAEB in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag zijn, is het passend drempels vast te stellen op basis van de jaarlijkse gemiddelde passagiersaantallen. Wanneer de zeeverbindingen met eilanden ook goederenvervoer omvatten, is het bovendien passend drempels vast te stellen op basis van een gemiddeld jaarlijks goederenvolume op basis van de typische verhouding tussen de passagierscapaciteit en de voertuigcapaciteit. Dergelijke drempels weerspiegelen de economische realiteit van die activiteiten en hun karakter van DAEB. De ervaring die is opgedaan met de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014(19) leert ons bovendien dat zelfs luchthavens met een jaarlijks passagiersstroom van meer dan 200 000 passagiers vaak nog steeds niet winstgevend zijn. Om die economische realiteit te weerspiegelen, is het passend de in Besluit 2012/21/EU vastgestelde drempel van 200 000 passagiers te verhogen tot 500 000 passagiers. Rekening houdend met de rol van havens, en specifiek havens voor insulaire en ultraperifere gebieden, zoals benadrukt in de EU-havenstrategie, moet de huidige drempel tot slot worden verhoogd van 300 000 naar 400 000 passagiers. Havens in ultraperifere gebieden moeten vanwege hun cruciale rol voor de connectiviteit, vanwege de geografische afstand tot het vasteland van de lidstaat, onder de vrijstelling van de aanmeldingsverplichting vallen, ongeacht het jaarlijkse passagiers- of goederenverkeer.

31) In hoeverre een bepaalde compensatiemaatregel het handelsverkeer en de mededinging ongunstig beïnvloedt, hangt niet alleen af van het gemiddelde jaarlijks ontvangen compensatiebedrag en de betrokken sector, maar ook van de lengte van de periode waarvoor de DAEB is toegewezen. Behalve wanneer een langere periode gerechtvaardigd is door de noodzaak van aanzienlijke investeringen, bijvoorbeeld in de sector van de sociale of betaalbare huisvesting waar investeringen meestal over meer dan twintig jaar worden afgeschreven, moet het toepassingsbereik van dit besluit worden beperkt tot gevallen waarin de toewijzingsperiode maximaal tien jaar bedraagt.

32) Opdat artikel 106, lid 2, van het Verdrag van toepassing is, moet de betrokken onderneming specifiek door de lidstaat met het beheer van een bepaalde DAEB zijn belast.

33) Om te garanderen dat aan de in artikel 106, lid 2, van het Verdrag genoemde criteria wordt voldaan, moeten preciezere voorwaarden en vereisten worden vastgesteld waaraan moet worden voldaan wanneer het beheer van DAEB wordt toegewezen. Het compensatiebedrag kan slechts correct worden berekend en gecontroleerd indien de openbaredienstverplichtingen die op de ondernemingen rusten, en de eventuele verplichtingen die op de staat rusten, duidelijk in één of meer besluiten van de bevoegde overheidsorganen in de betrokken lidstaat zijn omschreven. De vorm van dit instrument kan van lidstaat tot lidstaat verschillen, maar het moet ten minste de betrokken ondernemingen en de precieze aard en duur van de opgelegde openbaredienstverplichtingen vermelden, alsook, in voorkomend geval, het grondgebied waarvoor die zijn opgelegd en alle verleende uitsluitende of bijzondere rechten, en een beschrijving omvatten van het compensatiemechanisme, en de parameters om de compensatie te bepalen en om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen.

34) Om ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging te voorkomen, mag de compensatie niet hoger zijn dan hetgeen nodig is om de door de onderneming voor het beheer van de dienst gemaakte nettokosten te dekken, met inbegrip van een redelijke winst.

35) De in aanmerking te nemen nettokosten moeten worden berekend als het verschil tussen de met het beheer van de DAEB gemaakte kosten en de uit de DAEB behaalde inkomsten, dan wel, als alternatieve mogelijkheid, als het verschil tussen de nettokosten van een beheer mét een openbaredienstverplichting en de nettokosten of -winst bij een beheer zonder openbaredienstverplichting. Met name, indien de openbaredienstverplichting leidt tot een daling van de inkomsten, bijvoorbeeld als gevolg van gereguleerde tarieven, maar zonder dat dit een invloed op de kosten heeft, moet het mogelijk zijn om de bij de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen gemaakte nettokosten te bepalen op basis van de gederfde inkomsten. Om ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging te voorkomen, moeten alle met de DAEB verworven inkomsten (d.w.z. alle inkomsten die de dienstverrichter niet had verworven indien hij niet met het beheer van de dienst was belast) in aanmerking worden genomen om het compensatiebedrag te berekenen. Beschikt de betrokken onderneming over bijzondere of uitsluitende rechten die zijn verbonden aan andere activiteiten dan de DAEB waarvoor de steun wordt verleend, welke een hogere winst opleveren dan een redelijke winst, of geniet zij andere door de staat toegekende voordelen, dan worden deze winsten of baten tot haar inkomsten gerekend, ongeacht de kwalificatie daarvan voor de toepassing van artikel 107 van het Verdrag.

36) Om mogelijke kruissubsidiëring tussen diensten te controleren, moeten, wanneer een onderneming activiteiten verricht die zowel binnen als buiten de DAEB vallen, in de interne boekhouding de met de DAEB verband houdende kosten en inkomsten, en die van de andere diensten, gescheiden worden opgenomen, net als de parameters voor de toerekening van die kosten en inkomsten.

37) Compensatie die verder gaat dan hetgeen nodig is ter dekking van de nettokosten die de betrokken onderneming maakt, bij het beheer van de DAEB vormt onverenigbare staatssteun die met rente aan de staat moet worden terugbetaald. Compensatie die ten behoeve van het beheer van de DAEB wordt verleend, maar die in feite door de betrokken onderneming wordt gebruikt om op andere markten actief te zijn voor andere doeleinden dan die welke zijn bepaald in het toewijzingsbesluit, is niet noodzakelijk voor het beheer van de DAEB en kan dus ook onverenigbare staatssteun vormen die met rente aan de staat moet worden terugbetaald.

38) Winst van de dienstverrichter die niet meer bedraagt dan de relevante swaprente, met een opslag van 100 basispunten, mag niet als onredelijk te worden beschouwd. In dat verband wordt de relevante swaprente als een passend rendementspercentage voor een risicovrije investering beschouwd. De opslag van 100 basispunten dient onder meer om het liquiditeitsrisico te compenseren dat verband houdt met de beschikbaarstelling van kapitaal dat voor het beheer van de dienst wordt vastgelegd gedurende de toewijzingsperiode.

39) In gevallen waarin de dienstverrichter geen substantieel zakelijk risico draagt, bijvoorbeeld omdat de kosten die hij maakt bij het beheer van de dienst volledig worden gecompenseerd, mag winst die hoger uitkomt dan de benchmark van de relevante swaprente met een opslag van 100 basispunten, niet als redelijk worden beschouwd.

40) Wanneer het wegens bepaalde omstandigheden niet passend is het rendement op kapitaal te gebruiken, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om voor het bepalen van wat als redelijke winst geldt, gebruik te maken van andere winstgevendheidsindicatoren, zoals het gemiddelde rendement op eigen vermogen, de return on capital employed, de return on assets of de return on sales.

41) Om te bepalen wat een redelijke winst is, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben stimulerende criteria in te voeren met betrekking tot, met name, de kwaliteit van de dienstverlening en de winst op het punt van productie-efficiëntie. Efficiëntiewinsten mogen niet ten koste te gaan van de kwaliteit van de dienstverlening. Zo moeten de lidstaten bijvoorbeeld de mogelijkheid te hebben om in het toewijzingsbesluit doelstellingen inzake productie-efficiëntie vaststellen waarbij de hoogte van de compensatie afhankelijk is van de mate waarin die doelstellingen inzake productie-efficiëntie worden gehaald. In het toewijzingsbesluit kan worden bepaald dat, indien de onderneming de doelstellingen niet haalt, de compensatie moet worden verlaagd volgens een in dat besluit nader bepaalde berekeningsmethode, terwijl, ingeval de onderneming de doelstellingen overtreft, de compensatie kan worden verhoogd volgens een in dat besluit nader bepaalde methode. Beloningen die zijn gekoppeld aan winst op het punt van productie-efficiëntie, moeten op een zodanig niveau worden vastgesteld dat die winst evenwichtig kan worden verdeeld tussen de onderneming en de lidstaat en/of de gebruikers.

42) Op basis van de ervaring die met de toepassing van Besluit 2012/21/EU is opgedaan, moet de verplichting inzake controles achteraf van overcompensatie worden aangepast om de administratieve lasten voor de lidstaten te verlichten. Daarom moet de frequentie van die controles worden verlaagd en moeten de lidstaten van dergelijke controles worden vrijgesteld wanneer de compensatie vooraf is vastgesteld op basis van een geloofwaardig bedrijfsplan. Wanneer de activiteit van de verrichter van de DAEB in wezen beperkt blijft tot het leveren van DAEB, met jaarlijkse commerciële inkomsten die niet meer bedragen dan 5 % van de totale jaarlijkse inkomsten tijdens de periode waarin de verrichter met de DAEB is belast, die als bijkomstig bij de DAEB kunnen worden beschouwd, en de verrichter wettelijk verplicht is al zijn winst in de DAEB te herinvesteren, is het et risico op verstoringen in verband met overcompensatie bovendien beperkt. In dat geval is het ook niet nodig controles achteraf uit te voeren om na te gaan of er geen sprake is van overcompensatie. Bij de toepassing van deze vrijstelling moeten de lidstaten er evenwel voor zorgen dat de commerciële inkomsten ondersteunend blijven, bijvoorbeeld door middel van steekproefsgewijze controles, met name in geval van een vermoeden van misbruik.

43) Om de administratieve lasten te verminderen, moeten de bij Besluit 2012/21/EU opgelegde rapportageverplichtingen worden geschrapt. Evenzo moet ter vereenvoudiging ook de verplichting om in het toewijzingsbesluit naar dat besluit te verwijzen, worden geschrapt. Om een voldoende mate van transparantie te behouden met betrekking tot de compensaties die worden toegekend voor DAEB, moeten de transparantieverplichtingen van Besluit 2012/21/EU worden aangepast. Met betrekking tot de bekendmaking van informatie over de toekenning van individuele steun moeten drempels worden vastgesteld waarboven die bekendmaking, rekening houdend met het bedrag van de steun, als evenredig kan worden beschouwd.

44) De vrijstelling van de verplichting tot voorafgaande aanmelding voor bepaalde DAEB mag niet uitsluiten dat de lidstaten een bepaalde steunmaatregel kunnen aanmelden. Bij dit soort aanmeldingen, of indien de Commissie de verenigbaarheid van een specifieke steunmaatregel na een klacht of ambtshalve onderzoekt, moet de Commissie nagaan of aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan. Is dat niet het geval, dan wordt de maatregel getoetst aan de beginselen van de mededeling van de Commissie betreffende een kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst(20).

45) Deze beschikking moet van toepassing zijn onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie(21).

46) Dit besluit moet de Unievoorschriften op het gebied van mededinging, en met name de artikelen 101 en 102 van het Verdrag, onverlet laten.

47) Dit besluit moet de Unievoorschriften op het gebied van overheidsopdrachten onverlet laten.

48) Dit besluit moet strengere voorwaarden met betrekking tot openbaredienstverplichtingen die in sectorale Uniewetgeving zijn vastgesteld, onverlet laten.

49) Steunregelingen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit in overeenstemming met Besluit 2012/21/EU van kracht werden, moeten gedurende een periode van nog eens twee jaar met de interne markt verenigbaar blijven en vrijgesteld blijven van de aanmeldingsverplichting. Steunmaatregelen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit niet in overeenstemming met Besluit 2012/21/EU van kracht werden, maar die aan de voorwaarden van dit besluit voldoen, moeten worden geacht met de interne markt verenigbaar en van de aanmeldingsverplichting vrijgesteld te zijn. Aangezien bij dit besluit nieuwe voorwaarden met beperkte gevolgen worden ingevoerd, moeten voor DAEB op het gebied van sociale huisvesting in afwijking hiervan en om de begunstigden van deze bestaande sociale DAEB te beschermen, rekening houdend met het beperkte risico op concurrentieverstoring van dergelijke DAEB, de vóór de inwerkingtreding van dit besluit van kracht geworden steunregelingen of individuele steunmaatregelen voor sociale DAEB die verenigbaar waren met de interne markt en waren vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, tot het einde van de looptijd van het toewijzingsbesluit verenigbaar blijven met de interne markt.

50) De Commissie moet dit besluit zo nodig herzien, rekening houdend met de ervaring die bij de uitvoering ervan is opgedaan.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp

In dit besluit worden de voorwaarden vastgesteld waaronder staatssteun die in de vorm van compensatie voor de openbare dienst wordt verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”) belaste ondernemingen, verenigbaar is met de interne markt en vrijgesteld is van de in artikel 108, lid 3, van het Verdrag neergelegde aanmeldingsverplichting. Voor de identificatie van de begunstigde van de steun in dit besluit is het begrip “één onderneming” in de zin van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van toepassing.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1.

De vrijstelling van de in artikel 108, lid 3, van het Verdrag vastgelegde aanmeldingsverplichting als bepaald in dit besluit is van toepassing op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die wordt verleend aan ondernemingen die zijn belast met het beheer van DAEB in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag en die onder een van de volgende categorieën valt:

  1. compensatie van maximaal 20 miljoen EUR per jaar ten behoeve van het verrichten van DAEB in sectoren niet zijnde het vervoer en de vervoersinfrastructuur, waaronder sociale diensten die niet worden bedoeld in punt c), en kritieke geneesmiddelen;

  2. compensatie ten behoeve van het verrichten van DAEB door ziekenhuizen die medische zorg bieden, daaronder begrepen, in voorkomend geval, spoedeisende hulp; het verrichten van rechtstreeks met de hoofdactiviteiten verband houdende ondersteunende activiteiten, met name op het gebied van onderzoek, laat de toepassing van dit punt echter onverlet;

  3. compensatie ten behoeve van het verrichten van DAEB waarmee wordt voldaan aan sociale behoeften wat betreft gezondheidszorg en langdurige zorg, kinderopvang, toegang tot de arbeidsmarkt en herintreding, en de zorg voor en sociale inclusie van kwetsbare groepen, met inbegrip van toegankelijkheid en diensten voor hulptechnologie voor mensen met een beperking;

  4. compensatie ten behoeve van DAEB op het gebied van sociale huisvesting, indien de diensten inzake sociale huisvesting voldoen aan de vereisten van de bijlage;

  5. compensatie ten behoeve van DAEB op het gebied van betaalbare huisvesting, indien de diensten inzake betaalbare huisvesting voldoen aan de vereisten van de bijlage;

  6. compensatie ten behoeve van het verrichten van DAEB wat betreft lucht- of zeeverbindingen met eilanden waar het gemiddelde jaarlijkse verkeersvolume gedurende de twee boekjaren voorafgaande aan het boekjaar waarin de onderneming met het beheer van de DAEB werd belast, maximaal 300 000 passagiers bedraagt, en wanneer de zeeverbindingen met eilanden goederenvervoer omvatten, 75 000 strekkende meter vracht(22);

  7. compensatie ten behoeve van het verrichten van DAEB wat betreft luchthavens en havens waar het gemiddelde jaarlijkse verkeersvolume gedurende de twee boekjaren voorafgaande aan het boekjaar waarin de onderneming met het beheer van de DAEB werd belast, maximaal 500 000 passagiers bedraagt in het geval van luchthavens en maximaal 400 000 passagiers in het geval van havens, of voor havens in ultraperifere gebieden ongeacht het gemiddelde jaarlijkse verkeersvolume.

2.

Wanneer het in lid 1, punt a), bedoelde compensatiebedrag varieert gedurende de toewijzingsperiode, wordt dit jaarlijks bedrag berekend als het gemiddelde van de jaarlijkse compensatiebedragen die naar verwachting gedurende die toewijzingsperiode zullen worden toegekend.

De in lid 1, punt a), bedoelde jaarlijkse drempel geldt per DAEB die aan een onderneming is toegewezen. Bij gezamenlijke of individuele toewijzing in verschillende lidstaten geldt de drempel voor elke lidstaat waar de dienst wordt geleverd.

3.

Dit besluit is van toepassing wanneer de onderneming met het beheer van de DAEB wordt belast, voor een periode van maximaal tien jaar. Wanneer die toewijzingsperiode langer is dan tien jaar, is dit besluit alleen van toepassing voor zover van de dienstverrichter een aanzienlijke investering wordt gevergd die, in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen, over een langere periode moet worden afgeschreven.

4.

Indien gedurende de toewijzingsperiode de voorwaarden voor de toepassing van dit besluit niet langer zijn vervuld, wordt de steunmaatregel overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag aangemeld.

5.

In de sector van het zee- en luchtvervoer geldt dit besluit uitsluitend voor staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die wordt verleend aan ondernemingen die zijn belast met het beheer van DAEB in de zin van artikel 106, lid 2, van het Verdrag en die, in voorkomend geval, voldoet aan, onderscheidenlijk, Verordening (EG) nr. 1008/2008 en Verordening (EEG) nr. 3577/92.

6.

Dit besluit is niet van toepassing op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die wordt verleend aan ondernemingen in de sector van het vervoer over land.

Artikel 3 Verenigbaarheid en vrijstelling van de aanmeldingsverplichting

Staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden voldoet, is met de interne markt verenigbaar en is van de verplichting tot voorafgaande aanmelding van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de staatssteun ook aan de uit het Verdrag of uit de desbetreffende sectorale wetgeving van de Unie voortvloeiende verplichtingen voldoet.

Artikel 4 Toewijzing

De onderneming wordt met het beheer van de DAEB belast door middel van één of meer besluiten, waarvan de vorm door elke lidstaat kan worden bepaald. In dat besluit of in die besluiten wordt met name de volgende informatie opgenomen:

  1. de inhoud en de duur van de openbaredienstverplichtingen;

  2. de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, het betrokken grondgebied;

  3. de aard van alle uitsluitende of bijzondere rechten die de onderneming door het toewijzende overheidsorgaan zijn verleend;

  4. een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensatie;

  5. de regelingen om overcompensatie te vermijden en terug te betalen.

Artikel 5 Compensatie

Artikel 6 Redelijke winst

Artikel 7 Controle op overcompensatie

Artikel 8 Transparantie

Artikel 9 Overgangsbepalingen

Artikel 10 Intrekking

Artikel 11 Inwerkingtreding

BIJLAGE