Home

Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/70 van de Commissie van 21 november 2024 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten

Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/70 van de Commissie van 21 november 2024 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad(1), en met name artikel 7, lid 2, artikel 13, lid 1, tweede alinea, en artikel 15, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Uit de ervaring die bij de uitvoering van de voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s betreffende landbouwproducten is opgedaan, is gebleken dat de instanties van de agrovoedingssector waaraan de lidstaten een duidelijk omschreven openbaredienstverleningstaak hebben toevertrouwd om voorlichting te verstrekken over en de afzet te bevorderen van landbouwproducten, representatief worden geacht voor de sectoren waarop het programma betrekking heeft. Daarom is artikel 1, lid 1, punt d), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 van de Commissie(2), op grond waarvan instanties van de agrovoedingssector representativiteit voor de sectoren moeten aantonen met andere middelen dan de toewijzing van een duidelijk omschreven openbaredienstverleningstaak om voorlichting te verstrekken over en de afzet te bevorderen van landbouwproducten, zoals vereist op grond van artikel 7, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 1144/2014, niet langer noodzakelijk.

  2. De voorwaarden waaronder indienende organisaties een voorstel voor een voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma betreffende landbouwproducten kunnen indienen, moeten een brede toegang voor indienende organisaties bevorderen. Die voorwaarden moeten ook waarborgen dat indienende organisaties geen steun ontvangen voor meer dan twee voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s voor hetzelfde product of dezelfde regeling die op het grondgebied van hetzelfde doelland, of een deel daarvan, opeenvolgend of parallel worden uitgevoerd. Daartoe moet de in artikel 1, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 vervatte regel worden gewijzigd die een organisatie verbiedt meer dan twee opeenvolgende malen steun te ontvangen voor eenzelfde voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma dat op eenzelfde markt wordt uitgevoerd.

  3. Op basis van de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van de voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s betreffende landbouwproducten, moeten de voorwaarden ter preventie van belangenconflicten worden aangescherpt. Daarom moet van indienende organisaties worden verlangd dat ze bij de voorbereiding van het op grond van artikel 11 en artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1144/2014 ter evaluatie ingediende voorstel, alsook tijdens de uitvoering van een programma, de afwezigheid van belangenconflicten waarborgen.

  4. Om de preventie van belangenconflicten te verbeteren, moeten de voorwaarden voor vergelijkende procedures voor de selectie van uitvoeringsinstanties voorts voorschrijven dat indienende organisaties de lidstaten in kennis stellen van de maatregelen die zijn genomen om de onpartijdige en objectieve selectie van voor de uitvoering van monoprogramma’s verantwoordelijke instanties verder te versterken.

  5. Overeenkomstig artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 moeten de subsidies de vorm aannemen van vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door de indienende organisatie. Om te zorgen voor vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten bij het financiële beheer van de programma’s, moet in dat artikel een alternatieve methode worden ingevoerd voor de berekening van subsidiabele kosten op basis van het gebruik van vaste bedragen.

  6. Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1829 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

    1. in lid 1 wordt punt d) geschrapt;

    2. lid 4 wordt vervangen door:

      “4.

      Met uitzondering van programma’s die worden uitgevoerd om normale marktomstandigheden te herstellen in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen, ontvangt een indienende organisatie geen steun voor meer dan twee voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s voor hetzelfde product of dezelfde regeling die parallel of opeenvolgend op het grondgebied van hetzelfde doelland, of een deel daarvan, worden uitgevoerd. Na steun te hebben ontvangen voor twee voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s die parallel of opeenvolgend voor hetzelfde product of dezelfde regeling zijn uitgevoerd, kan de indienende organisatie alleen steun voor voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s ontvangen indien aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

      1. de indienende organisatie vraagt een nieuw programma aan na het einde van de uitvoering van de vorige programma’s, en

      2. de begindatum van de uitvoering van het nieuwe programma is ten minste twaalf maanden na het einde van de uitvoering van de vorige programma’s.

      Voor de toepassing van de eerste alinea worden twee voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s parallel uitgevoerd wanneer de uitvoeringsperioden elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen, en worden ze opeenvolgend uitgevoerd wanneer de uitvoering van het tweede programma minder dan twaalf maanden na het einde van de uitvoering van het eerste programma van start is gegaan.”

      ;

    3. het volgende lid 5 wordt toegevoegd:

      “5.

      De indienende organisatie waarborgt de afwezigheid van belangenconflicten tijdens de voorbereiding van een op grond van artikel 11 en artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1144/2014 ter evaluatie ingediend voorstel, alsook tijdens de uitvoering van het programma.”

      .

  2. In artikel 2 wordt lid 1 vervangen door:

    “1.

    Bij de selectie van uitvoeringsinstanties voor monoprogramma’s moeten de indienende organisaties rekening houden met de kosteneffectiviteit en de afwezigheid van belangenconflicten waarborgen. Daarbij nemen de indienende organisaties alle noodzakelijke maatregelen, inclusief bij de voorbereiding van het voorstel, ter voorkoming van situaties waarin de onpartijdige en objectieve uitvoering van het programma in het gedrang komt als gevolg van een economisch belang, politieke of nationale binding, familiale of emotionele banden of andere gedeelde belangen.

    De indienende organisaties stellen de lidstaten in kennis van de maatregelen die zijn genomen om de beste prijs-kwaliteitverhouding bij het selecteren van de voor de uitvoering van monoprogramma’s verantwoordelijke instanties en de afwezigheid van belangenconflicten te waarborgen, vóór de sluiting van de contracten voor de uitvoering van monoprogramma’s.”

    .

  3. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

    1. aan lid 1 worden de volgende alinea’s toegevoegd:

      “In afwijking van de eerste alinea van dit lid gelden de in de punten a) en d) van die alinea vermelde criteria niet voor vaste bedragen.

      In afwijking van de eerste alinea van dit lid gelden de in de punten b), c), e) en f) van die alinea vermelde criteria voor vaste bedragen ten behoeve van de evaluatie van voorstellen op grond van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1144/2014.”;

    2. de volgende leden 4 en 5 worden toegevoegd:

      “4.

      In de in artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1144/2014 bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen wordt vermeld welke van de volgende subsidievormen voor financiering door de Unie in aanmerking komt:

      1. vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk door een begunstigde zijn gemaakt tijdens de uitvoering van het programma, met uitzondering van de kosten voor eindverslagen en evaluaties alsook vergoeding van indirecte subsidiabele kosten als bedoeld in lid 3;

      2. vaste bedragen.

      5.

      De indienende organisatie stelt de bedragen voor de in lid 4, punt b), bedoelde subsidie vast op een van de volgende wijzen:

      1. een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode op basis van:

        1. statistische gegevens, andere objectieve informatie of een deskundigenoordeel;

        2. de geverifieerde historische gegevens van individuele begunstigden, of

        3. de toepassing van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van individuele begunstigden;

      2. overeenkomstig de regels voor de toepassing van overeenkomstige, vaste bedragen die in beleid van de Unie gelden voor soortgelijke activiteiten;

      3. overeenkomstig de regels voor de toepassing van overeenkomstige vaste bedragen die worden toegepast in het kader van volledig door de lidstaat gefinancierde subsidieregelingen voor soortgelijke activiteiten.”

      .

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 november 2024.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula von der Leyen