Home

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/973 van de Commissie van 23 mei 2025 tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 betreffende de toelating van bepaalde producten en stoffen voor gebruik in de biologische productie en de opstelling van de lijsten van die producten en stoffen

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/973 van de Commissie van 23 mei 2025 tot wijziging en rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 betreffende de toelating van bepaalde producten en stoffen voor gebruik in de biologische productie en de opstelling van de lijsten van die producten en stoffen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad(1), en met name artikel 24, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 verleent de Commissie de bevoegdheid om specifieke toelatingen te verlenen voor het gebruik van producten en stoffen in biologische producten die van oorsprong zijn uit derde landen en de ultraperifere gebieden van de Unie en waarvan het de bedoeling is dat ze in de Unie in de handel worden gebracht. Artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 van de Commissie(2) bevat de procedure voor het verlenen van dergelijke toelatingen, maar alleen met betrekking tot derde landen. Daarom moet de procedure worden vastgesteld voor het verlenen van specifieke toelatingen voor het gebruik van producten en stoffen in biologische producten die van oorsprong zijn uit de ultraperifere gebieden van de Unie. Omwille van de duidelijkheid moet de lijst van producten en stoffen die in de ultraperifere gebieden van de Unie zijn toegelaten, zodra die voorhanden is, worden toegevoegd aan bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165.

  2. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie(3) werd gewijzigd na de herbeoordeling van de werkzame stoffen lavandulylsenecioaat(4), kaliumwaterstofcarbonaat(5), onvertakte vlinderferomonen (acetaten)(6), schapenvet(7) en kwartszand(8). In verband met deze wijzigingen moeten de vermeldingen voor kaliumwaterstofcarbonaat, schapenvet en kwartszand uit punt 4 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden geschrapt en moeten de vermeldingen voor lavandulylsenecioaat, kaliumwaterstofcarbonaat, onvertakte vlinderferomonen (acetaten), schapenvet en kwartszand worden opgenomen in punt 2 van die bijlage, waarin werkzame stoffen met een laag risico zijn vermeld.

  3. Overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 7, van Verordening (EU) 2018/848 hebben de lidstaten aan de andere lidstaten en aan de Commissie dossiers over bepaalde stoffen toegezonden met het oog op de toelating ervan en op de opneming ervan in de bijlagen I, II, III en V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165. Die dossiers zijn onderzocht door de deskundigengroep voor technisch advies inzake de biologische productie (Egtop) en door de Commissie.

  4. Op basis van de recente beoordeling van onvertakte vlinderferomonen in Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1251 en de richtsnoeren voor signaalstoffen(9) worden feromonen en andere signaalstoffen gebruikt in vallen en zowel actieve als passieve verstuivers. Bovendien bevat artikel 24, lid 3, punt c), ii), van Verordening (EU) 2018/848 beperkingen op de aard van de producten die rechtstreeks op de eetbare delen van gewassen mogen worden gebruikt, en in het geval van signaalstoffen moeten vallen en verstuivers krachtens deel I, punt 1.10.3, van bijlage II bij die verordening zo zijn ontworpen dat contact met het gewas wordt voorkomen. Daarom moet de voorwaarde dat feromonen en andere signaalstoffen alleen in vallen en verstuivers mogen worden gebruikt, worden geschrapt uit de vermelding in de tabel voor “feromonen en andere signaalstoffen” in punt 4 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165.

  5. Overeenkomstig bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 mogen producten en bijproducten van plantaardige oorsprong worden gebruikt als meststoffen in de biologische productie, maar krachtens die bijlage mogen ze ook worden gebruikt als bodemverbeteraars en nutriënten. De vermelding “producten en bijproducten van plantaardige oorsprong voor bemesting” moet daarom worden verduidelijkt en dienovereenkomstig worden aangepast.

  6. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over kassen(10) en meststoffen(11) moet de vermelding betreffende steenmeel, klei en kleimineralen in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden gewijzigd in die zin dat bepaalde producten daaraan moeten worden toegevoegd. Aangezien steenmeel, klei en kleimineralen als inert medium bij de productie van gekiemde zaden mogen worden gebruikt, moet dat gebruik voorts in die vermelding worden opgenomen overeenkomstig de specifieke voorwaarden van deel I, punt 1.3, a), van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848.

  7. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over kassen en meststoffen(12) moet het gebruik van koolstofdioxide als nutriënt worden toegelaten voor de verrijking van water voor de productie van algen in gesloten systemen op het land en moet die stof van levensmiddelenkwaliteit zijn om waterverontreiniging te voorkomen. Daarnaast heeft de Egtop het gebruik van koolstofdioxide in de biologische kasteelt beoordeeld en is zij tot een positieve conclusie ter zake gekomen(13). Daarom moet een vermelding voor koolstofdioxide aan bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden toegevoegd.

  8. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over meststoffen(14) moet het gebruik van calciumacetaat worden toegelaten, maar alleen voor bladbehandeling bij groenten in kassen en bij appelbomen om een calciumtekort te voorkomen. Op basis van die aanbevelingen moet ook het gebruik van calciumfosfaat in de biologische productie worden toegelaten, maar alleen wanneer het verkregen is uit rioolslibas en wanneer het deel uitmaakt van producten die voldoen aan Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad(15). Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  9. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over meststoffen(16) moet het gebruik van matten van plantaardige vezels zonder toegevoegde meststoffen, bodemverbeteraars of andere nutriënten worden toegelaten als inert medium bij de productie van gekiemde zaden overeenkomstig deel I, punt 1.3, a), van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848. Op basis van het ingediende dossier moet ook als eis worden gesteld dat dergelijke matten van plantaardige vezels alleen mechanisch mogen worden vervaardigd zonder gebruik te maken van additieven of bindmiddelen, en dat de gebruikte plantaardige vezels van biologische oorsprong moeten zijn. Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  10. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over meststoffen(17) moet het gebruik van calcium- en magnesiumgluconaat worden toegelaten onder strenge beperkingen en op voorwaarde dat het door microbiële fermentatie wordt verkregen. Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  11. Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 laat het gebruik van “calciumchloride” en “propyleenglycol” (voedermiddelen) en van “ijzerdextraan 10 %” (nutritioneel toevoegingsmiddel) toe als diervoeder met bijzonder voedingsdoel. De specifieke voorwaarden en beperkingen voor dat gebruik moeten worden verduidelijkt om een correct begrip van de desbetreffende vermeldingen te waarborgen. Er moet met name worden verwezen naar de definitie van “diervoeders met bijzonder voedingsdoel” in Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad(18) en naar het bijzondere voedingsdoel van die stoffen in het kader van Verordening (EU) 2020/354 van de Commissie(19).

  12. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over diervoeders(20)(21) moet toelating worden verleend voor eencellige eiwitten van Trichoderma viride en Aspergillus oryyzae en eiwitrijke producten van Bacillus subtilis die als voedermiddel worden gebruikt, voor lecithinen die als diervoederadditieven in diervoeder voor alle diersoorten worden gebruikt, en voor ethanol en papaïne die als technische hulpstoffen worden gebruikt. Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  13. Bij Verordening (EG) nr. 2277/2003 van de Commissie(22) werd toelating verleend voor het gebruik van calciumstearaat als diervoederadditief in de biologische productie. In Verordening (EU) nr. 892/2010 van de Commissie(23) werd calciumstearaat echter vermeld onder de producten die geen diervoederadditieven zijn. Bijgevolg werd calciumstearaat in 2012 uit de lijst van toegelaten diervoederadditieven van Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie(24) geschrapt bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 505/2012 van de Commissie(25). Momenteel valt calciumstearaat onder de voedermiddelen die zijn opgenomen in de tabel van deel C, punt 13, nummer 13.6.4, van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 68/2013 van de Commissie(26). Calciumstearaat moet daarom worden toegelaten als voedermiddel voor de biologische productie. Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  14. In deel B, punt 1, a), van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden diervoederadditieven geïdentificeerd aan de hand van het Europese levensmiddelenadditiefnummer (E-nummer). Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad(27) moeten diervoederadditieven aan de hand van hun functionele groep worden geïdentificeerd. Met het oog op consistentie moeten de diervoederadditieven in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 ook met de code van hun functionele groep worden geïdentificeerd. Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  15. In haar aanbevelingen over het gebruik van calciumpropionaat als conserveermiddel en als diervoeder met bijzonder voedingsdoel20 heeft de Egtop de opneming ervan als diervoederadditief niet aanbevolen, met als argument dat calciumchloride voor bijzondere voedingsdoelen kan worden gebruikt en dat calciumpropionaat niet als conserveermiddel mag worden gebruikt. Calciumpropionaat wordt echter langzamer geabsorbeerd dan calciumchloride en voorkomt de irriterende effecten die ontstaan wanneer alleen calciumchloride wordt gebruikt. In de tabel van deel B, vermelding “60”, van de bijlage bij Verordening (EU) 2020/354 is calciumpropionaat opgenomen als diervoeder met bijzonder voedingsdoel. Krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2022/415 van de Commissie(28) is calciumpropionaat een diervoederadditief. Calciumpropionaat moet daarom in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 als toegelaten diervoederadditief worden opgenomen voor zover het alleen wordt gebruikt als diervoeder met bijzonder voedingsdoel.

  16. In haar aanbevelingen over het gebruik van ijzer(II)fumaraat als diervoeder met bijzonder voedingsdoel(29) heeft de Egtop niet aangegeven dat ijzer(II)fumaraat in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 zou moeten worden opgenomen, met als argument dat het bij die uitvoeringsverordening toegelaten ijzerdextraan het meest doeltreffende product was bij ijzertekort. IJzerdextraan en ijzer(II)fumaraat zijn echter geen alternatieven, maar zijn beide nodig vanwege de verschillende aggregatietoestand ervan: ijzerdextraan is vloeibaar en ijzer(II)fumaraat is vast. IJzer(II)fumaraat moet daarom als diervoederadditief in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden opgenomen.

  17. Een lijst van levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen voor levensmiddelen die worden gebruikt bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen, is opgenomen in twee aparte afdelingen van deel A van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165. Het gebruik van een product als levensmiddelenadditief of als technische hulpstof moet worden bepaald overeenkomstig de definities van levensmiddelenadditief en technische hulpstof in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad(30). Afhankelijk van de technologische functie ervan in het eindproduct moeten bepaalde producten die bij de technische hulpstoffen zijn ingedeeld, in plaats daarvan bij de levensmiddelenadditieven worden ingedeeld en moeten bepaalde andere producten op basis van het gebruik ervan zowel bij de levensmiddelenadditieven als bij de technische hulpstoffen voor levensmiddelen worden ingedeeld. Duidelijkheidshalve moeten de lijsten van levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen voor levensmiddelen in deel A, afdelingen A1 en A2, van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 daarom tot één lijst worden samengevoegd en moeten verdere specifieke voorwaarden worden gesteld aan technische hulpstoffen die ook als levensmiddelenadditief mogen worden gebruikt.

  18. In die samengevoegde lijst moet de specifieke voorwaarde dat het additief “calciumcarbonaat” niet mag worden gebruikt als kleurstof of voor verrijking met calcium worden geschrapt aangezien die voorwaarde reeds is opgenomen in deel IV, punt 2.2.2, c), d) en f), van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848.

  19. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop inzake levensmiddelen(31) moet gebufferde azijn als levensmiddelenadditief worden opgenomen in de lijst van toegelaten levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen in deel A van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165.

  20. In de lijst van toegelaten levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen in deel A van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moeten de maximumgehalten voor natriumnitriet en kaliumnitraat worden uitgedrukt als nitriet-ion en nitraat-ion, zulks in overeenstemming met de door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) vastgestelde aanvaardbare dagelijkse inname (ADI)(32). Daartoe moeten een conversiefactor tussen natriumnitriet en nitriet-ion van 0,67 en een conversiefactor tussen natriumnitraat en nitraat-ion van 0,73 worden toegepast.

  21. In deel A, afdeling A1, van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 is gellangom vermeld als toegelaten levensmiddelenadditief dat met ingang van 1 januari 2026 moet worden geproduceerd volgens de voorschriften voor de biologische productie. De productie van gellangom is afhankelijk van het behoud van de specifieke en consistente grondstofkwaliteiten voor het micro-organisme. Tot dusver zijn pogingen om gellangom te produceren met biologische landbouwgrondstoffen, mislukt. Gellangom wordt gebruikt als additief in verwerkte biologische levensmiddelen. Om verstoring van de productie van verwerkte biologische levensmiddelen te voorkomen, moet het gebruik van niet-biologisch gellangom in de biologische productie toegelaten blijven. Op grond daarvan moet gellangom in de samengevoegde lijst van toegelaten levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen in deel A van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden vermeld.

  22. In deel A, afdeling A1, van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 is het gebruik van zoutzuur, waterstofperoxide en ammoniumhydroxide voor de productie van gelatine toegelaten op voorwaarde dat de gelatineproductie voldoet aan de voorschriften voor de productie van gelatine die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad(33). Die specifieke voorwaarde hoeft niet te worden herhaald in de samengevoegde lijst van toegelaten levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen in deel A van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165.

  23. In haar aanbevelingen over op gisten gebaseerde nutriënten(34) bevestigde de Egtop dat nutriënten in de vorm van mineralen, vitaminen en aminozuren essentiële gistingsactivatoren zijn voor de gistproductie. De Egtop concludeerde echter dat het gebruik van synthetische nutriënten niet strookte met de beginselen van de biologische productie. De Egtop heeft daarom aanbevolen het gebruik van nutriënten uit alleen gistextract of autolysaat in een slechts beperkte hoeveelheid van maximaal 5 % van het betrokken substraat, berekend in gewicht aan droge stof, toe te laten voor de gistproductie. Gistingsactivatoren in de vorm van nutriënten uit gistextract of autolysaat moeten daarom, tot maximaal 5 % van het substraat, in deel C van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden opgenomen als toegelaten producten.

  24. Overeenkomstig deel VI, punt 3.4, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 heeft een lidstaat een dossier ingediend voor een toelating van het gebruik van gist en melkzuurbacteriën als zuurteregelaars in de biologische wijnproductie. Overeenkomstig deel D van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 zijn wijngist en melkzuurbacteriën toegelaten als gistingsmiddel. Deze gistingsmiddelen hebben ook zuurteregelende eigenschappen. Aangezien deze gistingsmiddelen geschikte alternatieven zijn voor andere zuurteregelaars die reeds voor de biologische wijnproductie zijn toegelaten, moet het gebruik ervan als zuurteregelaar worden toegelaten en moet deel D van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  25. Op basis van de aanbevelingen van de Egtop over gewasbeschermingsmiddelen(35) moet zowel het gebruik van ethyleen voor bloei-inductie bij ananas als het gebruik in biologische teelten van micro-organismen die niet afkomstig zijn van genetisch gemodificeerde organismen, als werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten voor gebruik in de biologische productie in derde landen. Daarom moeten die stoffen en de specifieke voorwaarden en beperkingen voor het gebruik ervan in bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 worden opgenomen.

  26. De basisstof “magnesiumwaterstofmetasilicaat | silicaatmineraal (talk E553b)” is opgenomen in de tabel in punt 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165. De specifieke voorwaarde in de kolom “Specifieke voorwaarden en beperkingen” houdt echter geen extra beperking van het gebruik van die basisstof in. Deze fout moet dan ook worden gerectificeerd.

  27. Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd.

  28. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de biologische productie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 wordt als volgt gewijzigd:

  1. het volgende artikel 10 bis wordt ingevoegd:

    1.

    Wanneer een lidstaat van mening is dat aan een product of een stof een specifieke toelating voor gebruik in een ultraperifeer gebied van de Unie moet worden verleend wegens in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 vermelde specifieke omstandigheden, kan die lidstaat de Commissie verzoeken een beoordeling uit te voeren. Daartoe stelt die lidstaat de Commissie in kennis van een dossier waarin het betrokken product of de betrokken stof wordt beschreven, de redenen voor een dergelijke specifieke toelating, die verband houden met de in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 genoemde specifieke omstandigheden, worden vermeld en wordt toegelicht waarom de krachtens deze verordening toegelaten producten en stoffen wegens de specifieke omstandigheden in het betrokken ultraperifere gebied niet geschikt zijn om te worden gebruikt. De lidstaat zorgt ervoor dat het dossier geschikt is om te worden bekendgemaakt, met inachtneming van de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving van de lidstaten inzake gegevensbescherming.

    2.

    De Commissie publiceert alle in lid 1 bedoelde verzoeken.

    3.

    De Commissie analyseert het in lid 1 bedoelde dossier. Zij laat het product of de stof toe in het licht van de in het dossier vermelde specifieke omstandigheden, mits zij op basis van haar analyse in haar geheel tot de conclusie komt dat:

    1. een dergelijke specifieke toelating in het betrokken ultraperifere gebied gerechtvaardigd is;

    2. het product dat of de stof die in het dossier is beschreven, voldoet aan de beginselen van hoofdstuk II, de criteria van artikel 24, lid 3, en de voorwaarde van artikel 24, lid 5, van Verordening (EU) 2018/848, en

    3. het gebruik van het product of de stof in overeenstemming is met de desbetreffende bepalingen van het recht van de Unie, en met name, voor werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen, met Verordening (EG) nr. 396/2005.

      Het toegelaten product of de toegelaten stof wordt opgenomen in bijlage VI bij deze verordening.

    4.

    Wanneer de in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 bedoelde termijn van twee jaar verstrijkt, wordt de toelating automatisch verlengd met nog eens twee jaar, mits geen nieuwe elementen beschikbaar zijn en geen lidstaten of krachtens artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) 2018/848 erkende controleautoriteiten of controleorganen bezwaar hebben gemaakt dat ertoe leidt dat de in lid 3 bedoelde conclusie van de Commissie opnieuw moet worden beoordeeld.”

    ;

  2. bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening;

  3. bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening;

  4. bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening;

  5. bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening;

  6. bijlage VI wordt vervangen door de tekst in bijlage V bij deze verordening.

Artikel 2 Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165

In de tabel in punt 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 wordt de vermelding “19C” vervangen door:

“19C

14807-96-6

Magnesiumwaterstofmetasilicaat | silicaatmineraal (talk E553b)”

Artikel 3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula von der Leyen

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V

BIJLAGE VIProducten en stoffen die op grond van artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 in derde landen en in de ultraperifere gebieden van de Unie in de biologische productie mogen worden gebruikt