Bij het identificeren van de belangrijkste risicodeterminant van een niet-afgeleide positie die aan de handelsportefeuille is toegewezen, identificeren instellingen eerst alle risicofactoren van die positie die de belangrijkste determinanten van de waardeverandering ervan zijn. Daartoe beoordelen zij ten minste de in de artikelen 325 terdecies tot en met 325 octodecies van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde risicofactoren. De door de instellingen vastgestelde risicofactoren zijn de risicodeterminanten van de positie.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1265 van de Commissie van 1 juli 2025 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de methode om de belangrijkste risicodeterminant van een positie te identificeren en om te bepalen of een transactie een lange dan wel korte positie vormt als bedoeld in artikel 94, lid 3, artikel 273 bis, lid 3, en artikel 325 bis, lid 2
Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1265 van de Commissie van 1 juli 2025 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de methode om de belangrijkste risicodeterminant van een positie te identificeren en om te bepalen of een transactie een lange dan wel korte positie vormt als bedoeld in artikel 94, lid 3, artikel 273 bis, lid 3, en artikel 325 bis, lid 2
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(1), en met name artikel 94, lid 10, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
De omvang van de activiteiten vormt een maatstaf voor de mate van complexiteit die instellingen bij hun kapitaalberekeningen moeten hebben. Om te bepalen of instellingen vereenvoudigde methoden mogen gebruiken voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor marktrisico en tegenpartijkredietrisico, moeten zij de omvang van de activiteiten binnen en buiten de balanstelling berekenen overeenkomstig artikel 94, lid 1, artikel 273 bis, leden 1 en 2, en artikel 325 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. De identificatie van de belangrijkste risicodeterminant van een positie en, op basis daarvan, de bepaling of een transactie een lange of een korte positie vormt, zijn van fundamenteel belang voor de correcte berekening van de omvang van de activiteiten. Gezien het belang van die berekeningen voor kleine en niet-complexe instellingen moet de methode voor het identificeren van de belangrijkste risicodeterminant van een positie en voor het bepalen of een transactie een lange of een korte positie vormt, in verhouding staan tot de mate van complexiteit van de instelling.
De methode om te bepalen of een transactie een lange of een korte positie vormt, moet consistent zijn met de methode om te bepalen of een transactie een long- of shortpositie is voor transacties als bedoeld in artikel 277, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en beschreven in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931 van de Commissie(2).
Om nauwkeurige resultaten op te leveren moet de methode voor het identificeren van de belangrijkste risicodeterminant van een niet-afgeleide positie gebaseerd zijn op de berekening van de risicogewogen deltagevoeligheden voor risicofactoren, zoals beschreven in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, afdelingen 2, 3 en 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Om de consistentie van de benadering te waarborgen, moet de methode voor het identificeren van de belangrijkste risicodeterminant van een positie bovendien consistent zijn met de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931 beschreven methode voor het identificeren van de primaire risicodeterminant en de meest substantiële risicodeterminant bij derivatentransacties.
De methode om te bepalen of een transactie een lange of een korte positie vormt, moet worden gebaseerd op de berekening van de risicogewogen deltagevoeligheid voor de belangrijkste risicodeterminant. Indien instellingen niet in staat zijn de risicogewogen deltagevoeligheid te berekenen, bepalen zij die gevoeligheid door het handels- of hedgingdoeleinde van de transactie te beoordelen.
Er moet een vereenvoudigde benadering worden vastgesteld voor kleine en niet-complexe instellingen die mogelijk niet in staat zijn de risicogewogen deltagevoeligheden te berekenen of die mogelijk niet in staat zijn de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931 beschreven methoden voor het identificeren van de primaire risicodeterminant en de meest substantiële risicodeterminant bij derivatentransacties te gebruiken. Die vereenvoudigde benadering moet geschikt zijn voor de instrumenten die kleine en niet-complexe instellingen gewoonlijk verhandelen. Grotere instellingen moeten ook de mogelijkheid hebben om die vereenvoudigde benadering te gebruiken wanneer zij eenvoudige instrumenten verhandelen die binnen het toepassingsgebied van die vereenvoudigde benadering vallen.
De vereenvoudigde benadering moet leiden tot resultaten die consistent zijn met de risicogewogen deltagevoeligheidsbenadering. Niettemin moeten vereenvoudigde aannames worden ingevoerd om de reken- en operationele lasten voor instellingen te verminderen, met name met betrekking tot instrumenten die in een andere valuta dan de rapportagevaluta van de instelling luiden. Daarom moet het instellingen worden toegestaan bij de bepaling van de belangrijkste risicodeterminant geen rekening te houden met de contante wisselkoers tussen de valuta waarin het instrument luidt en de rapportagevaluta van de instelling voor aandelen, obligaties en derivatentransacties waarvan de onderliggende waarde normaliter zou worden toegewezen aan de risicocategorieën rente-, krediet-, aandelen- of grondstoffenrisico.
Contante posities in de rapportagevaluta mogen niet in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de omvang van de activiteiten, aangezien zij hun marktwaarde niet veranderen onder invloed van veranderingen in risicodeterminanten.
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit (EBA) bij de Commissie heeft ingediend.
De Europese Bankautoriteit heeft open publieke consultaties georganiseerd over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies ingewonnen van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(3) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1 Methode voor het bepalen van de belangrijkste risicodeterminanten van een niet-afgeleide positie
Instellingen die overeenkomstig lid 1 slechts één risicodeterminant van een aan de handelsportefeuille toegewezen niet-afgeleide positie hebben geïdentificeerd, nemen die risicodeterminant als de belangrijkste risicodeterminant van die positie.
Instellingen die overeenkomstig lid 1 meer dan één risicodeterminant van een aan de handelsportefeuille toegewezen niet-afgeleide positie hebben geïdentificeerd, identificeren de belangrijkste risicodeterminant van die positie door de volgende stappen in volgorde te doorlopen:
-
instellingen berekenen de deltarisicogevoeligheden overeenkomstig de artikelen 325 novodecies en 325 unvicies van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor elke overeenkomstig lid 1 van dit artikel geïdentificeerde risicodeterminant;
-
instellingen berekenen de gewogen gevoeligheden aan de hand van de in artikel 325 septies, lid 6, van die verordening vastgestelde formule aan de hand van de overeenkomstig punt a) van dit lid berekende gevoeligheden;
-
instellingen identificeren de belangrijkste risicodeterminant als de risicodeterminant die overeenkomt met de hoogste absolute waarde van de gewogen gevoeligheden berekend overeenkomstig punt b) van dit lid.
Artikel 2 Methode om te bepalen of een niet-afgeleide transactie een lange of een korte positie vormt in de belangrijkste risicodeterminant
Bij het bepalen of een niet-afgeleide positie een lange of een korte positie vormt in haar belangrijkste risicodeterminant als bedoeld in artikel 94, lid 3, en artikel 325 bis, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, passen instellingen een van de volgende methoden toe:
-
zij berekenen de deltarisicogevoeligheid van de belangrijkste risicodeterminant overeenkomstig artikel 325 novodecies van Verordening (EU) nr. 575/2013 en identificeren de transactie als:
-
een lange positie in die risicodeterminant wanneer de overeenkomstige deltarisicogevoeligheid positief is, of
-
een korte positie in die risicodeterminant wanneer de overeenkomstige deltarisicogevoeligheid negatief is;
-
-
zij beoordelen de afhankelijkheid van de waarde van de positie van de belangrijkste risicodeterminant door het handels- of afdekkingsdoeleinde van de transactie ten opzichte van die risicodeterminant in aanmerking te nemen en identificeren de transactie op basis van die beoordeling als lange of korte positie in haar belangrijkste risicodeterminant.
Artikel 3 Vereenvoudigde methode om de belangrijkste risicodeterminant van een niet-afgeleide positie te identificeren en om te bepalen of de niet-afgeleide transactie een lange of een korte positie vormt in haar belangrijkste risicodeterminant
In afwijking van de artikelen 1 en 2 kunnen instellingen de belangrijkste risicodeterminant van de in de leden 2 tot en met 8 van dit artikel bedoelde niet-afgeleide posities identificeren en bepalen of die posities lange of korte posities vormen in de belangrijkste risicodeterminant door de in die leden beschreven benaderingen toe te passen.
Voor obligaties die bestaan uit vastrentende schuldinstrumenten zonder optionaliteitskenmerken, gebruiken instellingen de volgende benadering:
-
zij identificeren de belangrijkste risicodeterminant, afhankelijk van de kredietkwaliteitscategorie en sector van de obligatie als bedoeld in artikel 325 quintricies van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de resterende looptijd van de obligatie, op basis van één van de volgende criteria:
-
tabel 1 in de bijlage bij deze verordening, indien de kasstromen van de obligatie niet functioneel afhankelijk zijn van inflatiepercentages;
-
tabel 2 in de bijlage bij deze verordening, indien de kasstromen van de obligatie functioneel afhankelijk zijn van inflatiepercentages;
-
-
indien de overeenkomstig punt a) van dit lid geïdentificeerde belangrijkste risicodeterminant de risicovrije rente is, is die belangrijkste risicodeterminant in de valuta waarin de obligatie luidt en heeft hij een van de in artikel 325 terdecies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven looptijden die zijn geselecteerd om zo dicht mogelijk bij de looptijd van de obligatie te liggen;
-
indien de overeenkomstig punt a) van dit lid geïdentificeerde belangrijkste risicodeterminant de creditspread van de uitgevende instelling is, is die belangrijkste risicodeterminant de creditspread van de uitgevende instelling van de obligatie en heeft hij een van de in artikel 325 quaterdecies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven looptijden die zijn geselecteerd om zo dicht mogelijk bij de looptijd van de obligatie te liggen;
-
instellingen bepalen of de positie een lange of een korte positie vormt in haar belangrijkste risicodeterminant op basis van het volgende:
-
wanneer de in de punten a), b) en c) genoemde belangrijkste risicodeterminant de risicovrije rente of de creditspread van de uitgevende instelling is, is de positie lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer de obligatie wordt verkocht, en kort wanneer de obligatie wordt gekocht;
-
wanneer de in de punten a), b) en c) genoemde belangrijkste risicodeterminant de inflatie is, is de positie lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer de obligatie wordt gekocht, en kort wanneer de obligatie wordt verkocht.
-
Voor obligaties die bestaan uit schuldinstrumenten met variabele rente zonder optionaliteitskenmerken, gebruiken instellingen de in lid 2 uiteengezette benadering. Wanneer de overeenkomstig lid 2, punt a), geïdentificeerde belangrijkste risicodeterminant de risicovrije rente is en de resterende looptijd van de obligatie langer is dan één jaar, is de belangrijkste risicodeterminant in plaats daarvan de creditspread van de uitgevende instelling, bepaald overeenkomstig lid 2, punt c).
Voor een aandelenpositie is de belangrijkste risicodeterminant de contante aandelenkoers.
De positie is lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer het aandeel wordt gekocht, en kort wanneer het aandeel wordt verkocht.
Voor een kaspositie in een andere valuta dan de rapportagevaluta van de instelling is de belangrijkste risicodeterminant de contante wisselkoers tussen de valuta van die kaspositie en de rapportagevaluta van de instelling.
De positie is lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer de kaspositie een actiefpost is, en kort wanneer het een passiefpost betreft.
Voor posities in een fysieke grondstof is de belangrijkste risicodeterminant de contante grondstoffenprijs die overeenstemt met het grondstoffentype van de positie.
De positie is lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer de fysieke grondstof een actiefpost is, en kort wanneer het een passiefpost betreft.
Voor een positie in een instelling voor collectieve belegging (icb) is de belangrijkste risicodeterminant de risicofactor die overeenstemt met die icb in de subklasse “Andere sector” in tabel 8 van artikel 325 terquadragies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
De positie is lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer de aandelen of rechten van deelneming in de icb worden gekocht, en kort wanneer de aandelen of rechten van deelneming van de icb worden verkocht.
Voor een positie in een retrocessietransactie waarbij de instelling of haar tegenpartij effecten overdraagt als bedoeld in de leden 2, 3 en 4, is de belangrijkste risicodeterminant de overeenkomstige algemene rente of het overeenkomstige aandelenrepotarief.
De positie is lang in haar belangrijkste risicodeterminant wanneer de retrocessietransactie wordt geregeld door een retrocessieovereenkomst, en kort wanneer deze wordt geregeld door een omgekeerde retrocessieovereenkomst.
Artikel 4 Methode voor het bepalen van de belangrijkste risicodeterminanten van een derivatenpositie
Bij het identificeren van de belangrijkste risicodeterminant van een derivatenpositie identificeren instellingen eerst:
-
alle risicodeterminanten van de transactie overeenkomstig artikel 1 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931;
-
of de transactie een of meer substantiële risicodeterminanten heeft, overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van die gedelegeerde verordening;
-
de substantiële risicodeterminanten van de transactie en de meest substantiële van die risicodeterminanten, overeenkomstig artikel 4 van die gedelegeerde verordening.
Instellingen die overeenkomstig lid 1 een derivatentransactie met slechts één substantiële risicodeterminant hebben geïdentificeerd, nemen die risicodeterminant als de belangrijkste risicodeterminant.
Instellingen die overeenkomstig lid 1 een derivatentransactie met meer dan één substantiële risicodeterminant hebben geïdentificeerd die tot slechts één risicocategorie als bedoeld in artikel 277, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 behoren, nemen de meest substantiële risicodeterminant in die risicocategorie als belangrijkste risicodeterminant aan.
Instellingen die overeenkomstig lid 1 een derivatentransactie met meer dan één substantiële risicodeterminant hebben geïdentificeerd die tot twee of meer risicocategorieën als bedoeld in artikel 277, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 behoren, identificeren de belangrijkste risicodeterminant aan de hand van een van de volgende methoden:
-
indien instellingen substantiële risicodeterminanten hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, lid 2, of artikel 4, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931, is de belangrijkste risicodeterminant de meest substantiële risicodeterminant die overeenkomt met de hoogste van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde opslagfactoren voor de risicocategorie;
-
indien instellingen substantiële risicodeterminanten hebben geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931, is de belangrijkste risicodeterminant de meest substantiële risicodeterminant die overeenkomt met de hoogste absolute waarde van de in de artikel 4, lid 3, punt b), van die gedelegeerde verordening bedoelde gewogen gevoeligheden.
Een instelling die voor de berekening van de blootstellingswaarde van een bepaalde derivatentransactie een van de in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/931 beschreven methoden toepast, gebruikt dezelfde methode om de belangrijkste risicodeterminant van die transactie te identificeren.