Home

Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1311 van de Commissie van 3 juli 2025 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen die de voorwaarden specificeren voor het beoordelen van het materiële karakter van de uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, en van de veranderingen in de subset van de modelleerbare risicofactoren

Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1311 van de Commissie van 3 juli 2025 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen die de voorwaarden specificeren voor het beoordelen van het materiële karakter van de uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, en van de veranderingen in de subset van de modelleerbare risicofactoren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(1), en met name artikel 325 terquinquagies, lid 8, eerste alinea, punt a), en derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Of instellingen van hun bevoegde autoriteiten toestemming krijgen om gebruik te maken van de alternatieve internemodellenbenadering van titel IV, hoofdstuk 1 ter, van Verordening (EU) nr. 575/2013, hangt af van de vraag of die instellingen voldoen aan de vereisten van deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 ter, van die verordening, waaronder vereisten inzake methoden, processen, controles, gegevensverzameling, organisatie van de afdeling risicobeheersing en interne validatiefunctie, en IT-systemen. instellingen mogen de methoden, processen, controles, gegevensverzameling, organisatie van de afdeling risicobeheersing en interne validatiefunctie en IT-systemen, zoals goedgekeurd door hun bevoegde autoriteiten, veranderen als dergelijke veranderingen, afhankelijk van de aard ervan, zijn gemeld of zijn goedgekeurd door hun bevoegde autoriteit, overeenkomstig artikel 325 terquinquagies, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Dat geldt ook voor veranderingen die het gevolg zijn van de toepassing van wettelijke vereisten, wanneer die veranderingen betrekking hebben op het gebruik van methoden of benaderingen die geen deel uitmaken van de bestaande toestemming van de bevoegde autoriteit.

  2. De keuze van de subset van de in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde modelleerbare risicofactoren maakt deel uit van de goedgekeurde en in documentatie vastgelegde reeks interne beleidslijnen en procedures van de instelling. Indien de instelling haar beleidslijnen en procedures met betrekking tot de keuze van modelleerbare risicofactoren verandert, moet die verandering worden goedgekeurd door of gemeld aan de bevoegde autoriteit, aangezien zij een verandering inhoudt in de keuze van de subset van de modelleerbare risicofactoren. Veranderingen in de samenstelling van de lijst van risicofactoren die zijn opgenomen in de subset van modelleerbare risicofactoren als bedoeld in artikel 325 sexquinquagies, lid 2, van die verordening, die plaatsvinden binnen de goedgekeurde gedragslijnen en procedures, ook in het geval van een vermindering van de beschikbaarheid van data, mogen daarentegen niet worden beschouwd als veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van modelleerbare risicofactoren.

  3. De toestemming van de bevoegde autoriteit heeft betrekking op de methoden, processen, controles, gegevensverzameling en IT-systemen van de alternatieve internemodellenbenadering. Daarom mogen instellingen niet worden verplicht hun bevoegde autoriteit in kennis te stellen van de voortdurende afstemming van de gebruikte alternatieve interne modellen op de gebruikte gegevensbronnen, van de correctie van fouten of van kleine aanpassingen die nodig zijn voor het dagelijks onderhoud van de modellen, die zich voordoen binnen de reeds goedgekeurde methoden, processen, controles, gegevensverzameling en IT-systemen en dienovereenkomstig worden geregistreerd.

  4. Uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, of veranderingen in de subset van de modelleerbare risicofactoren, moeten worden geclassificeerd als “materieel”, waarvoor dus voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is, of als “niet-materieel”, waarvoor dus kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten vereist is, op basis van zowel kwalitatieve als kwantitatieve criteria. Sommige uitbreidingen en veranderingen, waaronder organisatorische veranderingen, interne proceswijzigingen of veranderingen in het risicobeheerproces, hebben mogelijk geen directe kwantitatieve gevolgen voor de alternatieve interne modellen, maar kunnen van invloed zijn op de nauwkeurigheid, de soliditeit en het gebruik van dat alternatieve interne model. In die gevallen gebruiken instellingen en bevoegde autoriteiten, gezien de moeilijkheid om een kwantitatief effect te bepalen, alleen de kwalitatieve criteria voor de beoordeling van de materialiteit van die veranderingen.

  5. Om een prudente benadering te waarborgen en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, of veranderingen in de subset van de modelleerbare risicofactoren, te evalueren voordat deze ten uitvoer worden gelegd, moeten instellingen hun bevoegde autoriteit ten minste vier weken voor de uitvoering in kennis stellen van dergelijke niet-materiële uitbreidingen en veranderingen. Die kennisgevingstermijn mag echter niet gelden voor gevallen waarin instellingen niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 325 sexquinquagies, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013. In dergelijke gevallen moeten instellingen de mogelijkheid hebben onmiddellijk maatregelen te nemen om de naleving van de wettelijke vereisten te herstellen, maar moeten zij de bevoegde autoriteiten ook naar behoren en onverwijld in kennis stellen voordat zij deze verandering doorvoeren.

  6. De bevoegde autoriteiten kunnen uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen en veranderingen in de subset van de modelleerbare risicofactoren alleen toetsen wanneer zij van de betrokken instellingen alle voor een dergelijke toetsing benodigde informatie ontvangen. Daarom moet worden gespecificeerd welke inhoud de informatie die de instellingen daartoe moeten verstrekken, moet hebben.

  7. De kwantitatieve maatstaven en bijbehorende drempels die worden gebruikt om materiële uitbreidingen en veranderingen te identificeren, moeten zodanig worden ontworpen dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor sommige relevante risicowaarden en voor de gecombineerde kapitaalvereisten voor marktrisico. Om de berekening van die kwantitatieve maatstaven te vergemakkelijken en de meest informatieve resultaten te waarborgen, mogen alleen de meest recente risicowaarden in aanmerking worden genomen.

  8. Om rekening te houden met het effect van mogelijke grote veranderingen in posities in de handelsportefeuille, die doorgaans dagelijks plaatsvinden, moeten instellingen de vereiste risicowaarden berekenen op basis van een waarnemingsperiode van 15 opeenvolgende werkdagen, in plaats van op basis van één enkel tijdstip. Om echter een zekere mate van evenredigheid op te nemen in de beoordeling van de vraag of veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen en veranderingen in de subset van de modelleerbare risicofactoren materieel zijn, moet op die waarnemingsperiode van 15 opeenvolgende werkdagen een uitzondering mogelijk zijn indien het beoordeelde kwantitatieve effect op de eerste testdatum zeer gering is en er een vermoeden bestaat dat de kwantitatieve drempels tijdens die periode van 15 opeenvolgende werkdagen niet zullen worden overschreden.

  9. De bevoegde autoriteiten mogen instellingen niet verplichten de vereiste risicowaarden te berekenen wanneer zij instellingen initiële toestemming verlenen om hun eigenvermogensvereisten te berekenen met behulp van alternatieve interne modellen. Om de materialiteitsbeoordeling van die uitbreidingen en veranderingen te motiveren en te onderbouwen, moeten instellingen de vereiste risicowaarden berekenen wanneer zij hun alternatieve interne modellen uitbreiden of veranderen en de subset van de modelleerbare risicofactoren veranderen.

  10. Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten te allen tijde passende toezichtmaatregelen nemen met betrekking tot uitbreidingen van en veranderingen in de alternatieve interne modellen en veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van de modelleerbare risicofactoren, beschouwen zij een groep gerelateerde uitbreidingen van of veranderingen in een alternatief intern model waarvan een instelling afzonderlijk kennis heeft gegeven, als één enkele uitbreiding of verandering. In dat geval moeten de bevoegde autoriteiten beoordelen of uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van de alternatieve interne modellen materieel zijn op het niveau van die ene uitbreiding of verandering.

  11. Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Bankautoriteit (“EBA”) bij de Commissie heeft ingediend.

  12. De Europese Bankautoriteit heeft open publieke consultaties gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en heeft het advies van de in overeenstemming met artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen(2),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1 Voorwaarden voor het beoordelen van het materiële karakter van de uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen

Artikel 1 Categorieën van uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen

1.

Instellingen wijzen uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van hun alternatieve interne modellen toe aan een van de volgende categorieën:

  1. materiële uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, geïdentificeerd overeenkomstig artikel 2, lid 1 en lid 2, waarvoor toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is;

  2. niet-materiële uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, die aan de bevoegde autoriteiten moeten worden gemeld.

2.

Instellingen wijzen niet-materiële uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van hun alternatieve interne modellen als bedoeld in lid 1, punt b), toe aan een van de volgende subcategorieën:

  1. uitbreidingen en veranderingen, geïdentificeerd overeenkomstig artikel 3, lid 1 en lid 2, waarvoor kennisgeving met aanvullende informatie vereist is;

  2. uitbreidingen en veranderingen waarvoor kennisgeving met basisinformatie vereist is.

Artikel 2 Materiële veranderingen in en materiële uitbreidingen van het gebruik van alternatieve interne modellen

1.

Instellingen categoriseren veranderingen in het gebruik van hun alternatieve interne modellen als materieel als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt a), indien die veranderingen aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

  1. zij voldoen aan een van de in deel I van de bijlage vermelde kwalitatieve criteria;

  2. zij resulteren in een verandering van 1 % of meer, in absolute termen, berekend voor de eerste werkdag van het testen van de impact van de verandering, van een van de in lid 4 beschreven risicowaarden Rn i die overeenkomstig lid 5 relevant worden geacht, en leiden tot een van de volgende zaken:

    1. een verhoging van 15 % of meer, in absolute termen, van de volgende som:

      S IMA = Rn 1 • m c  + Rn 2 + Rn 3

      waarbij Rn1, Rn2en Rn3 respectievelijk, de in lid 4 van dit artikel bedoelde risicowaarden zijn en mc de vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt b), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is;

    2. een verlaging van 10 % of meer, in absolute termen, van de in punt b), i), van dit lid bedoelde som S IMA ;

    3. een verhoging van 20 % of meer, in absolute termen, van een van de in lid 4 bedoelde risicowaarden Rn i die overeenkomstig lid 5 relevant worden geacht;

    4. een verlaging van 15 % of meer, in absolute termen, van een van de in punt b), iii), van dit lid bedoelde de risicowaarden Rn i .

2.

Instellingen categoriseren uitbreidingen van het gebruik van hun alternatieve interne modellen als materieel als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt a), indien die uitbreidingen aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

  1. zij voldoen aan een van de in deel I van de bijlage vermelde kwalitatieve criteria;

  2. zij resulteren in een verandering van 1 % of meer, in absolute termen, berekend voor de eerste werkdag van het testen van de impact van de uitbreiding, van een van de in lid 4 beschreven risicowaarden Rn i die overeenkomstig lid 5 relevant worden geacht, en leiden tot een van de volgende zaken:

    1. een verandering van 10 % of meer, in absolute termen, van de in lid 1, punt b), i), bedoelde som S IMA ;

    2. een verandering van 15 % of meer, in absolute termen, van een van de in lid 4 bedoelde risicowaarden Rn i die overeenkomstig lid 5 relevant worden geacht.

3.

In afwijking van de leden 1 en 2 categoriseren instellingen uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van hun alternatieve interne modellen waar door hun bevoegde autoriteit om is verzocht, niet als materieel.

4.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), en lid 2, punt b), is voldaan, houden instellingen rekening met de volgende risicowaarden Rn i :

  1. Rn1, de in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde “expected shortfall”- risicomaatstaf voor de vorige dag van de instelling (ESt-1) voor de portefeuille van alle in lid 10 van dit artikel bedoelde posities;

  2. Rn2, de stressscenariorisicomaatstaf voor de vorige dag van de instelling (SSt-1) als bedoeld in artikel 325 quaterquinquagies, lid 1, punt a), ii), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor de portefeuille van alle in lid 10 van dit artikel bedoelde posities;

  3. Rn3, het meest recente eigenvermogensvereiste voor het wanbetalingsrisico als bedoeld in artikel 325 quaterquinquagies, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor de portefeuille van alle in lid 10 van dit artikel bedoelde posities.

5.

Instellingen beschouwen de in lid 4 bedoelde risicowaarde Rn i als relevant indien die risicowaarde aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  1. op ten minste één dag gedurende de in lid 9 bedoelde periode:

    Rn i S IMA > 5%

  2. op de eerste werkdag van het testen van de gevolgen van de uitbreiding of verandering:

    Rn i S IMA > 1%

    waarbij S IMA het in lid 1, punt b), i), bedoelde bedrag is.

Instellingen controleren de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden zowel met als zonder de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen.

6.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), i) of punt b), iii), is voldaan, bepalen instellingen het effect van de verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen door de hoogste stijging, in absolute termen gedurende de in lid 9 bedoelde periode, van de in lid 7 respectievelijk lid 8 bepaalde ratio’s te nemen.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), ii) of punt b), iv), is voldaan, bepalen instellingen het effect van de verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen door de grootste daling, in absolute termen gedurende de in lid 9 bedoelde periode, van de in lid 7 respectievelijk lid 8 bepaalde ratio’s te nemen.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 2, punt b), i) of b), ii), is voldaan, bepalen instellingen het effect van de uitbreiding van het gebruik van hun alternatieve interne modellen door de grootste verandering, in absolute termen gedurende de in lid 9 bedoelde periode, van de in lid 7 respectievelijk lid 8 bepaalde ratio’s te nemen.

7.

Instellingen berekenen de ratio die moet worden gebruikt om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), i) en ii), of lid 2, punt b), i), is voldaan, als volgt:

  1. in de teller, het verschil tussen de som S IMA bedoeld in lid 1, punt b), i), zowel met als zonder de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen;

  2. in de noemer, de som S IMA bedoeld in lid 1, punt b), i), zonder de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen.

8.

Instellingen berekenen de ratio die moet worden gebruikt om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), iii) en iv), of lid 2, punt b), ii), is voldaan, als volgt:

  1. in de teller, het verschil tussen de relevante risicowaarde Rn i bedoeld in lid 4, zowel met als zonder de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen;

  2. in de noemer, de relevante risicowaarde Rn i bedoeld in lid 4, zonder de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen.

9.

Instellingen berekenen de in de leden 7 en 8 bedoelde ratio’s voor een periode van 15 opeenvolgende werkdagen vanaf de eerste werkdag van het testen van het effect van de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen.

De keuze voor de periode van 15 opeenvolgende werkdagen is representatief voor de handels- en hedgingactiviteit onder normale marktomstandigheden voor de portefeuille van posities die worden beïnvloed door de uitbreiding van of verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen. Die periode maakt deel uit van de negen maanden voorafgaand aan de kennisgeving of het verzoek om toestemming aan hun bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 325 terquinquagies, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

10.

Instellingen berekenen de in lid 4 bedoelde risicowaarden voor de portefeuille van alle posities die zijn toegewezen aan tradingafdelingen die voldoen aan alle vereisten van artikel 325 terquinquagies, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 op het moment van kennisgeving of verzoek om toestemming aan hun bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 325 terquinquagies, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 3 Niet-materiële veranderingen in en niet-materiële uitbreidingen van het gebruik van de alternatieve interne modellen waarvoor kennisgeving met aanvullende informatie vereist is

1.

Instellingen categoriseren niet-materiële veranderingen in het gebruik van hun alternatieve interne modellen als verandering waarvoor kennisgeving met aanvullende informatie vereist is, als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt a), indien die veranderingen aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

  1. zij voldoen aan een van de in deel II van de bijlage vermelde kwalitatieve criteria;

  2. zij resulteren in een verandering van 1 % of meer, in absolute termen, berekend voor de eerste werkdag van het testen van de impact van de verandering, van een van de in artikel 2, lid 4, beschreven risicowaarden Rn i die overeenkomstig artikel 2, lid 5, relevant worden geacht, en leiden tot een van de volgende zaken:

    1. een verhoging van 10 % of meer maar minder dan 15 %, in absolute termen, van de in artikel 2, lid 1, punt b), i), bedoelde som S IMA ;

    2. een verlaging van 5 % of meer maar minder dan 10 %, in absolute termen, van de in artikel 2, lid 1, punt b), i), bedoelde som S IMA ;

    3. een verhoging van 15 % of meer maar minder dan 20 %, in absolute termen, van een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde risicowaarden Rn i die overeenkomstig artikel 2, lid 5, relevant worden geacht;

    4. een verlaging van 10 % of meer maar minder dan 15 %, in absolute termen, van een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde risicowaarden Rn i die overeenkomstig artikel 2, lid 5, relevant worden geacht.

2.

Instellingen categoriseren niet-materiële uitbreidingen van het gebruik van hun alternatieve interne modellen als uitbreiding waarvoor kennisgeving met aanvullende informatie vereist is, als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt a), indien die uitbreidingen aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

  1. zij voldoen aan een van de in deel II van de bijlage vermelde kwalitatieve criteria;

  2. zij resulteren in een verandering gelijk aan of groter dan 1 %, in absolute termen, berekend voor de eerste werkdag van het testen van de impact van de verandering, van een van de in artikel 2, lid 4, beschreven risicowaarden Rn i die overeenkomstig artikel 2, lid 5, relevant worden geacht, en leiden tot een van de volgende zaken:

    1. een verandering van 5 % of meer maar minder dan 10 %, in absolute termen, van de in artikel 2, lid 2, punt b), i), bedoelde som S IMA ;

    2. een verandering van 10 % of meer maar minder dan 15 %, in absolute termen, van een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde risicowaarden Rn i die overeenkomstig artikel 2, lid 5, relevant worden geacht.

3.

Overeenkomstig artikel 325 terquinquagies, lid 7, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, stellen instellingen hun bevoegde autoriteiten vier weken voor de uitvoering ervan in kennis van niet-materiële uitbreidingen van of veranderingen in het gebruik van hun alternatieve interne modellen.

4.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), i) of punt b), iii), is voldaan, bepalen instellingen het effect van de verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen door de hoogste stijging, in absolute termen gedurende de in artikel 2, lid 9, bedoelde periode, van de in artikel 2, lid 7 respectievelijk lid 8, bedoelde ratio’s te nemen.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, punt b), ii) of punt b), iv), is voldaan, bepalen instellingen het effect van de verandering in het gebruik van hun alternatieve interne modellen door de grootste daling, in absolute termen gedurende de in artikel 2, lid 9, bedoelde periode, van de in artikel 2, lid 7 respectievelijk lid 8, bedoelde ratio’s te nemen.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 2, punt b), i) of b), ii), is voldaan, bepalen instellingen het effect van de uitbreiding van het gebruik van hun alternatieve interne modellen door de grootste verandering, in absolute termen gedurende de in artikel 2, lid 9, bedoelde periode, van de in artikel 2, lid 7 respectievelijk lid 8, bedoelde ratio’s te nemen.

HOOFDSTUK 2 Voorwaarden voor de beoordeling van de materialiteit van veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van de modelleerbare risicofactoren

Artikel 4 Categorieën van veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van de modelleerbare risicofactoren

Artikel 5 Materiële veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van de modelleerbare risicofactoren

Artikel 6 Niet-materiële veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van de modelleerbare risicofactoren

HOOFDSTUK 3 Algemene bepalingen voor de beoordeling van de materialiteit van uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, en veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van modelleerbare risicofactoren

Artikel 7 Beginselen voor de classificatie van uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, en veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van modelleerbare risicofactoren

Artikel 8 Tenuitvoerlegging van uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen, en van veranderingen in de keuze van de instelling voor de subset van modelleerbare risicofactoren

Artikel 9 Documentatie van uitbreidingen van en veranderingen in het gebruik van alternatieve interne modellen en veranderingen van de keuze van de instelling voor de subset van de modelleerbare risicofactoren

Artikel 10 Inwerkingtreding

BIJLAGE