Home

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2338 van de Commissie van 20 november 2025 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2338 van de Commissie van 20 november 2025 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(1), en met name artikel 20, lid 8, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Bij Verordening (EU) 2024/1623 van het Europees Parlement en de Raad(2) is deel drie, titel III, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervangen, waardoor alle bestaande benaderingen voor de raming van de eigenvermogensvereisten voor het operationeel risico van instellingen, met inbegrip van de geavanceerde meetbenadering, werden vervangen door één niet-modelgebaseerde methode, namelijk de nieuwe standaardbenadering voor operationeel risico.

  2. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie(3) specificeert het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen, waaronder de geavanceerde meetbenadering. Gezien de wijzigingen van deel drie, titel III, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en met name de vervanging van de geavanceerde meetbenadering door de nieuwe standaardbenadering voor operationeel risico, moet Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 worden gewijzigd om met die wijzigingen rekening te houden.

  3. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1496 van de Commissie(4) is in Verordening (EU) nr. 575/2013 een nieuw artikel 520 bis ingevoegd, op grond waarvan instellingen verplicht zijn deel drie, titel IV, en de marktrisicovereisten van de artikelen 430, 430 ter, 445 en 455 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de op 8 juli 2024 geldende versie tot en met 1 januari 2027 te blijven toepassen. Hieruit volgt dat de verwijzing naar artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende de toestemming om interne modellen te gebruiken voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor marktrisico in deze verordening moet worden behouden.

  4. Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Bankautoriteit (“EBA”) aan de Commissie heeft voorgelegd.

  5. De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(5) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 wordt als volgt gewijzigd:

  1. artikel 1 wordt vervangen door:

    Deze verordening bepaalt het gezamenlijke besluitvormingsproces als bedoeld in artikel 20, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot de aanvragen voor de toestemmingen als bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 9, artikel 283 en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van die verordening met het oog op het bevorderen van gezamenlijke besluiten.”

    ;

  2. in artikel 3 wordt lid 1 vervangen door:

    “1.

    De consoliderende toezichthouder kan besluiten toezichthoudende autoriteiten van derde landen die ingevolge artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791 van de Commissie(*****) aan het toezichtscollege deelnemen, te betrekken bij de beoordeling van aanvragen die worden ingediend ingevolge artikel 20, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 indien de aanvrager in dat derde land opereert en voornemens is de betrokken methodologieën op blootstellingen in dat derde land toe te passen. In dat geval stemmen zowel de consoliderende toezichthouder als de toezichthoudende autoriteiten van het derde land in met de reikwijdte van de betrokkenheid van deze autoriteiten voor de volgende doeleinden:

    1. de verstrekking door de toezichthoudende autoriteiten van het derde land aan de consoliderende toezichthouder van hun bijdrage aan het door de consoliderende toezichthouder opgestelde beoordelingsverslag;

    2. het als bijlage toevoegen van de bijdragen als bedoeld in punt a) van dit lid aan het door de consoliderende toezichthouder opgestelde beoordelingsverslag.

  3. artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

    1. lid 1 wordt vervangen door:

      “1.

      Bij ontvangst van een aanvraag voor toestemming als bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 9, artikel 283 en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zendt de consoliderende toezichthouder de aanvraag onverwijld en in ieder geval binnen tien dagen aan de betrokken bevoegde autoriteiten door.”

      ;

    2. lid 3 wordt vervangen door:

      “3.

      Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als zij alle informatie bevat die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de aanvraag te beoordelen in overeenstemming met de vereisten die zijn vermeld in artikel 143, artikel 144, artikel 151, artikel 283 en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van Verordening (EU) nr. 575/2013.”

      ;

  4. in artikel 5, lid 3, wordt punt c) vervangen door:

    1. het houdt, voor zover mogelijk, rekening met de andere activiteiten die door de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten worden ondernomen op grond van het programma voor onderzoek van het toezichthoudend college als bedoeld in artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/791.”;

  5. artikel 6, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:

    1. punt a) wordt vervangen door:

      1. een advies over het al of niet verlenen van de gevraagde toestemming op basis van de vereisten in artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 9, artikel 283, en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van Verordening (EU) nr. 575/2013, samen met de motivering van dat advies;”;

    2. punt c) wordt vervangen door:

      1. de beoordelingen met betrekking tot de kwesties die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen in overeenstemming met de vereisten die zijn vermeld in artikel 143, artikel 144, artikel 151, artikel 283 en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”;

  6. in artikel 7, lid 3, wordt punt i) vervangen door:

    1. in voorkomend geval, voorwaarden waaraan door de aanvrager moet worden voldaan, met inbegrip van de desbetreffende motivering, alvorens gebruik te maken van de toestemming als bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 9, artikel 283, en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”;

  7. in artikel 13 wordt lid 1 vervangen door:

    “1.

    Indien een aanvraag voor toestemming betrekking heeft op materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen in overeenstemming met artikel 143, lid 3, artikel 151, lid 9, artikel 283, en artikel 325 terquinquagies, of artikel 363 in de versie van kracht op 8 juli 2024, van Verordening (EU) nr. 575/2013, werken de consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de instellingen waarop deze materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen van invloed zijn, in volledig overleg samen om een besluit te nemen over het al dan niet verlenen van de toestemming gevraagd in overeenstemming met artikel 20 van Verordening (EU) nr. 575/2013, ingevolge het proces als vastgesteld in de artikelen 3 tot en met 9 van deze verordening.”

    .

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula von der Leyen