77/294/EEG: Besluit van de Raad en de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van 14 maart 1977 houdende vaststelling van het vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn
77/294/EEG: Besluit van de Raad en de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van 14 maart 1977 houdende vaststelling van het vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn
++++
BESLUIT VAN DE RAAD EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN , IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN ,
van 14 maart 1977
houdende vaststelling van het vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn
( 77/294/EEG )
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN , IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN ,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op de preambule en de artikelen 6 , 105 en 145 ,
Gelet op Beschikking 74/120/EEG van de Raad van 18 februari 1974 betreffende de verwezenlijking van een hoge mate van convergentie van de economische politiek van de Lid-Staten der Europese Economische Gemeenschap ( 1 ) , inzonderheid op artikel 6 ,
Gezien het ontwerp van de Commissie , opgesteld op de grondslag van het voorontwerp dat werd voorbereid door het Comité voor economische politiek ,
Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ) ,
Overwegende dat de door de Lid-Staten gevoerde economische politiek dient te beantwoorden aan de in artikel 104 van het Verdrag vermelde doelstellingen ,
BESLUTTEN :
Enig artikel
1 . Het in de bijlage opgenomen vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn wordt aanvaard . De Lid-Staten geven uitdrukking aan hun voornemen te handelen overeenkomstig de daarin neergelegde beleidslijnen .
2 . Het programma zal tijdens zijn geldigheidsduur bij voortduring worden gevolgd en herzien .
3 . Er zullen aanvullende analyses worden gemaakt ten einde de concrete toepassing van de beleidslijnen in deel III van het programma mogelijk te maken .
Gedaan te Brussel , 14 maart 1977 .
De Voorzitter
D . HEALEY
( 1 ) PB nr . L 63 van 5 . 3 . 1974 , blz . 16 .
( 2 ) PB nr . C 83 van 4 . 4 . 1977 , blz . 27 .
( 3 ) PB nr . C 56 van 7 . 3 . 1977 , blz . 56 .
BIJLAGE
VIERDE PROGRAMMA VOOR DE ECONOMISCHE POLITIEK OP MIDDELLANGE TERMIJN
INHOUD
* Paragraaf * Blz . *
VOORWORD * 1 tot 12 * 4 *
INLEIDING * 13 tot 16 * 7 *
DEEL 1 * * *
De elementen van de diagnose * 17 tot 43 * 7 *
A . De economische crisis * 17 tot 28 * 7 *
B . Zwakke punten van de Gemeenschap * 29 tot 43 * 9 *
DEEL II * * *
De problematiek op middellange termijn en de algemene beleidslijnen voor het economisch beleid * 44 tot 86 * 12 *
A . De problematiek op middellange termijn * 44 tot 66 * 12 *
a ) De internationale situatie * 45 * 12 *
b ) Groet en werkgelegenheid * 46 tot 51 * 12 *
c ) Prijsbeweging en extern evenwicht * 52 tot 55 * 13 *
d ) Aanwending van de produktiemiddelen * 52 tot 59 * 14 *
e ) Ontwikkeling van de primaire inkomens en van de openbare financiën * 60 tot 66 * 15 *
B . De kwantitatieve beledslijnen * 67 tot 75 * 16 *
C . Een gemeenschapsstrategie * 76 tot 86 * 17 *
DEEL III * * *
Toepassing van de beleidslijnen * 87 tot 149 * 20 *
A . Aanpassing van het beleid aan het conjunctuurverloop * 87 tot 91 * 20 *
B . Geleidelijke beteugeling van de inflatie * 92 tot 105 * 21 *
a ) Algemene beleidslijnen * 92 * 21 *
b ) Inkomensontwikkeling en vermogensvorming * 93 en 94 * 21 *
c ) Concurrentiepolitiek * 95 tot 101 * 22 *
d ) Consumentenbescherming * 102 tot 105 * 23 *
C . Openbare financiën * 106 tot 113 * 24 *
D . Politiek inzake investeringen , werkgelegenheid en arbeidsmarkt * 114 tot 128 * 25 *
a ) Bevordering van de investeringen * 115 tot 119 * 25 *
b ) Werkgelegenheidsbeleid en in het bijzonder arbeidsmarktbeleid * 120 tot 128 * 26 *
* Paragraaf * Blz . *
E . Versterking van de Gemeenschap * 129 tot 143 * 27 *
a ) Economische en monetaire organisatie * 129 en 130 * 27 *
b ) Extern economisch beleid * 131 tot 135 * 28 *
c ) Vermindering van de regionale ongelijkheden * 136 tot 141 * 29 *
d ) Ontwikkeling van het gemeenschappelijk beleid * 142 en 143 * 30 *
F . Sociale consensus * 144 tot 149 * 30 *
Bijlage : * TABELLEN EN GRAFIEKEN * *
Grafiek 1 : * Leeftijdsopbouw van de bevolking in de Gemeenschap in 1974 * 34 *
Tabel 2 : * Structuur van de besteding van het BBP van de Gemeenschap ( in % ) * 35 *
Grafiek 3 : * Gecorrigeerde loonquote ( in % BBP ) * 36 *
Grafieken 4 , 5 en 6 : * Openbare financiën * *
* Totale uitgaven , totale ontvangsten , financieringssaldo ( in % BBP ) * 37 *
Tabel 7 : * Het gewicht van de Gemeenschap in de wereld ( in 1974 ) * 40 *
VOORWOORD
1 . Het vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn moet het raamwerk vormen voor het handelen van de Gemeenschap op economisch gebied in de jaren 1976-1980 . In dit programma is de op middellange termijn wenselijke economische ontwikkeling aangegeven en worden de consequenties die daaruit voortvloeien voor de economische politiek uiteengezet . Uit dien hoofde vormt het een hechte onderbouw voor de in de jaren tot en met 1980 te treffen maatregelen om voortgang te maken op de weg naar de Economische en Monetaire Unie .
2 . In het vierde programma zijn de doelstellingen van de Driepartijenconferentie van juni 1976 overgenomen . In het bijzonder is herstel van de volledige werkgelegenheid volgens het programma het voornaamste doel van de economische politiek op communautair en nationaal niveau in de vier komende jaren . Om zowel sociale als economische en politieke redenen is voor de Gemeenschap het voortbestaan van de werkloosheidspercentages van 1975-1976 onaanvaardbaar . De volledige werkgelegenheid zou globaal bezien uiterlijk in 1980 in de Gemeenschap hersteld moeten zijn .
De vermindering van het aantal werklozen om deze ambitieuze en moeilijke doelstelling te verwezenlijken , impliceert dat ten minste twee andere fundamentele doelstellingen van de economische politiek tegelijkertijd worden bereikt :
- het BBP moet sneller en regelmatiger groeien dan in de afgelopen vijf jaar het geval was ;
- het inflatietempo moet worden teruggebracht tot een meer aanvaardbaar niveau .
3 . Onder deze omstandigheden vormt de in het onderhavige programma op middellange termijn voor de periode 1976-1980 aangehouden groeivoet van het BBP ( 4,5 tot 5 % per jaar ) een minimum .
De uitbreiding van de produktie van goederen en diensten met ten minste een kwart in die periode is zeker geen doel op zichzelf . Deze produktieverhoging lijkt evenwel noodzakelijk om de Gemeenschap in staat te stellen :
- de volledige werkgelegenheid te herstellen ;
- dringend noodzakelijke sociale hervormingen ten uitvoer te brengen ;
- beter te voorzien in de particuliere en collectieve behoeften ;
- de inkomstenverschillen tussen de regio's te verminderen en de produktiviteit in de minder begunstigde regio's te verhogen ;
- haar onafhankelijkheid op lange termijn ten aanzien van energie en grondstoffen te vergroten door de daartoe nodige investeringen te verrichten ;
- meer middelen te besteden aan de verbetering van het milieu in het algemeen en van het arbeidsmilieu in het bijzonder .
4 . Op middellange termijn vergemakkelijkt de in punt 3 aangehouden economische groei het herstel van het economisch evenwicht . Naar een groei in deze orde zullen de Lid-Staten slechts kunnen streven indien de inflatie wordt bedwongen .
In dit verband moet de vermindering van het inflatietempo in alle Lid-Staten tot een uiterlijk in 1980 te bereiken percentage van 4 tot 5 per jaar beschouwd worden als een minimumeis .
Dat ten aanzien van de stabilisering der prijzen een ambitieus doel wordt nagestreefd is onontbeerlijk :
- om redenen van buitenlandse economische politiek . Ook in een stelsel van zwevende wisselkoersen ten opzichte van de rest van de wereld kan de Gemeenschap haar concurrentievermogen op internationaal vlak - en daarmee haar invoercapaciteit - slechts in stand houden door zorg te dragen voor de grootst mogelijke stabiliteit van de interne prijzen ,
- om redenen van economische en sociale politiek . Slechts door het inflatietempo aanzienlijk terug te dringen zal het mogelijk worden de sociale spanningen die zich thans in vele Lid-Staten voordoen weg te nemen ;
- om redenen die verband houden met de integratiepolitiek . Zolang de inflatiepercentages van de Lid-Staten niet nader tot elkaar zullen zijn gebracht , zullen de pogingen om te komen tot een meer naar elkaar groeien van de economische politiek en een grotere monetaire stabiliteit belemmerd worden met alle gevolgen van dien voor de vooruitgang op de weg naar de Economische en Monetaire Unie .
5 . De terugkeer tot volledige werkgelegenheid kan derhalve berusten op een strategie die de volgende drie elementen bevat :
- een actief en zowel uit regionaal als sectorieel oogpunt evenwichtig groeibeleid : hoe hoger de groeivoet van het BBP en derhalve van de totale vraag is , des te beter zijn de vooruitzichten voor het verminderen van de werkloosheid ;
- een aanhoudend streven van de sociale partners om in hun gedrag ten aanzien van de inkomens rekening te houden met de , begrensde , economische mogelijkheden . Hiervan zijn het concurrentievermogen ten opzichte van et buitenland en de mogelijkheden om de werkgelegenheid binnen de Gemeenschap te handhaven en te vergroten , ten nauwste afhankelijk ;
- een actief en vooruitziend arbeidsmarktbeleid om een betere onderlinge aanpassing van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen .
6 . De terugkeer tot stabiliteit is in hoge mate afhankelijk van een verbetering in de relaties tussen de sociaal-economische groeperingen . Dit is een belangrijk bestanddeel van elke strategie van economische politiek ter bestrijding van de inflatie .
Het groepsegoïsme moet worden ingeperkt . Tegenover de eisen die aan de gemeenschap worden gesteld moeten overeenkomende tegenprestaties worden geleverd :
- de sociaal-economische groepetingen moeten in meerdere mate rekening houden met de belangen van de gemeenschap . Hiermee zou in vrijheid moeten worden ingestemd ; op dit gebied neemt de overheid de taak op zich met de nodige vasthoudendheid het algemeen belang te behartigen ;
- geen enkele groep moet de indruk hebben uitgebuit of achtergesteld te worden ;
- de Regeringen en de Gemeenschap , in overleg met de sociale partners , moeten daartoe de algemeen-economische voorwaarden bespreken en vastleggen .
Een betere sociale consensus in alle Lid-Staten is een conditio sine qua non voor de vermindering van de inflatoire druk .
7 . Een betere sociale consensus zal slechts tot stand kunnen komen op voorwaarde dat twee belangrijke maatschappelijke problemen snel worden aangepakt :
- versterking van de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming ;
- grotere rechtvaardigheid op het gebied van inkomens , vermogens en belastingen .
Ter gelegenheid van de Driepartijenconferentie van juni 1976 hebben de Regeringen en de sociale partners toegezegd maatregelen te zullen nemen om de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming en hun deelneming in de vermogensvorming te vergroten . Derhalve zouden de discussies in 1977 voornamelijk betrekking moeten hebben op deze twee thema's . Uiterlijk in 1980 zouden in de Lid-Staten concrete hervormingen in deze zin in werking moeten treden .
8 . Het succes van dit programma hangt mede af van concrete maatregelen inzake andere punten van economische en sociale politiek die , naast de betekenis die zij op zichzelf hebben , tevens bijdragen tot de verbetering van de sociale consensus . In dit opzicht moet bijzonder belang worden gehecht aan :
- het beleid op het gebied van de investeringen , de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt ;
- het concurrentiebeleid ;
- de consumentenbescherming .
In het bijzonder ten aanzien van de industriepolitiek moet de Commissie de instrumenten verschaffen die nodig zijn voor :
a ) een grondige kennis van de nationale industriële doelstellingen en van hun verenigbaarheid met de communautaire doelstellingen ,
b ) een betere kennis van de door de nationale overheid ter bevordering van deze doelstellingen aangewende middelen ,
c ) het aanwijzen - uitgaande van de communautaire en nationale industriële doelstellingen - van de te verwezenlijken hoofdprioriteiten ,
d ) het coordineren en concentreren van de communautaire middelen met het oog op de prioritaire doelstellingen .
Een voortdurende en regelm * raadpleging van en samenspel tussen de regeringsautoriteiten en de sociale partners zou moeten worden ontwikkeld . De Commissie zal bevorderen dat op nationaal vlak sectoriële analyses gemaakt worden die door de Lid-Staten gezamenlijk op het niveau van de Gemeenschap beoordeeld worden Daarbij wordt nagegaan in hoeverre deze analyses tot communautaire besluiten kunnen leiden .
Op deze gebieden zullen de in het programma geschetste beleidslijnen in de loop van 1977 geconcretiseerd moeten worden .
9 . De terugkeer tot een grotere stabiliteit vereist tevens een aanmerkelijke verlaging van de overheidstekorten en een aanzienlijk langzamere groei van de overheidsuitgaven dan in de afgelopen vijf jaar . Bij dit streven mag evenwel niet voorbijgegaan worden aan de problemen van conjunctuurpolitiek en begrotingspolitiek welke in sommige Lid-Staten een snelle normalisatie van het aandeel van de overheidsuitgaven in het BBP in de weg staan .
10 . Het onderhavige programma verandert niets aan de wil voort te gaan op weg naar de Economische en Monetaire Unie , een doel dat absoluut gehandhaafd moet worden .
Uit de in dit programma uitgevoerde analyse blijkt dat een afdoende oplossing van de problemen inzake de coordinatie van de economische politiek slechts van politieke en institutionele aard kan zijn . Het feit dat belangrijke institutionele vorderingen thans niet onmiddellijk kunnen worden verwezenlijkt neemt niet weg dat de instrumenten en de methoden van de coordinatie van de economische en monetaire politiek in het huidige politieke en institutionele kader dienen te worden verbeterd en uitgebreid .
De rechtstreekse verkiezing van het Europese Parlement zal een nieuwe impuls geven aan de Gemeenschap . Aldus zullen de vooruitzichten voor het dringend noodzakelijke hervatten van de werkzaamheden ter verwezenlijking van de Economische en Monetaire Unie gunstiger worden .
11 . Het is voorts van belang dat in de jaren 1977-1980 vooruitgang wordt gemaakt op de volgende punten :
a ) verwezenlijking van een grotere convergentie van de economische ontwikkeling van de Lid-Staten ;
b ) versterking van de interne en externe coordinatie van de economische politiek van de Lid Staten . Het economisch-politiek overleg op communautair niveau moet worden geïntensiveerd en alle belangrijke nationale besluiten omvatten . In concreto betekent dit dat :
- het economisch programma op middellange termijn van de Gemeenschap een referentie moet vormen voor de tenuitvoerlegging van de nationale economische politiek . De programma's voor de economische politiek op middellange termijn van de Lid-Staten , de belangrijke structurele hervormingen en de actieplannen op korte termijn zullen aan een onderzoek worden onderworpen om na te gaan of zij beantwoorden aan de in het vierde programma aanvaarde doelstellingen ;
- de jaarlijkse bijstelling van de projecties op middellange termijn aangevuld zal worden met kwantitatieve gegevens inzake de plaats van het conjunctuurverloop in de economie van de Lid-Staten . Bijzondere aandacht zal moeten worden besteed aan de werkgelegenheidssituatie ;
- de verenigbaarheid van de begrotingspolitiek met de doeleinden van stabiliteit en werkgelegenheid op middellange termijn en met de voornaamste macro-economische indicatoren regelmatig zal worden nagegaan ;
- op communautair niveau elk jaar beleidslijnen dienen te worden vastgesteld voor de binnenlandse monetaire politiek ;
c ) versterking van het streven om geleidelijk stabiele wisselkoersverhoudingen tussen de valuta van de negen Lid-Staten tot stand te brengen . Dit betekent in concreto :
- handhaving van het thans bestaande monetaire akkoord tussen vijf Lid-Staten ,
- versterking van de monetaire samenwerking tussen de deelnemers aan het bestaande monetaire akkoord en de vier andere Lid-Staten om geleidelijk te komen tot de hergroepering van alle communautaire valuta's binnen de " slang " ,
- ontwikkeling van het Europees Fonds voor monetaire samenwerking , in de zin van de resolutie van 22 maart 1971 betreffende de verwezenlijking in etappes van de Economische en Monetaire Unie de Gemeenschap ,
- verbetering van de werking en de organisatie van de kapitaalmarkt binnen de Gemeenschap ;
d ) nieuwe vorderingen gericht op minder omvangrijke en eenvoudigere douanecontroles op personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ;
e ) voortzetting en versterking van de externe economische politiek .
De Gemeenschap en de Lid-Staten moeten ernaar streven een stabiele internationale orde te bevorderen welke in het bijzonder garant staat voor :
- instandhouding en versterking van de vrijhandel in de wereld ,
- het streven naar vermindering van de wisselkoersschommelingen .
In dit verband moet de Gemeenschap in het bijzonder de bestaande overlegprocedures verstevigen . Het is de taak van de Gemeenschap , rekening houdend met de toenemende interdependentie van de economieën in internationaal verband en het streven naar een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom , een steeds grotere plaats in te ruimen voor de mogelijkheden van de ontwikkelingslanden hun verlangens inzake hun economische en sociale ontwikkeling te realiseren .
12 . Dit programma vormt een referentiekader dat vertaald zal moeten worden in concrete maatregelen van economische politiek ; de Commissie zal daartoe passende voorstellen indienen .
INLEIDING
13 . De omstandigheden waaronder het vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn , bestemd voor het tijdvak 1976-1980 , moet worden opgesteld , verschillen sterk van die welke tijdens de voorbereiding van de drie voorgaande programma's bestonden .
Ongeacht hun doelstel ingen en inhoud hadden de eerste drie programma's gemeen dat zij in een betrekkelijk gunstig klimaat werden ontworpen . De volkshuishoudingen der gemeenschapslanden maakten deel uit van een wereldeconomie welker onafgebroken groei verzekerd leek . Ondanks onvermijdelijke spanningen en tijdelijke verstoringen van het evenwicht werd de opbouw van de Gemeenschap voortgezet en werd aan zijn doelstellingen een steeds wijdere strekking gegeven . Voor het geïndustrialiseerde Westen en met name Europa waren de afgelopen tientallen jaren een tijdperk van uitzonderlijke groei die gepaard ging met een vooruitgang van het maatschappelijk welzijn en een verbreiding van kennis en cultuur , dit alles in een kader van binnenlandse stabiliteit en internationale samenwerking .
14 . Bij de opstelling van het onderhavige programma zal van radicaal andere omstandigheden moeten worden uitgegaan . De Gemeenschap heeft het volle gewicht van de economische crisis der laatste twee jaren te verduren gehad terwijl juist toen bleek hoe kwetsbaar de verworvenheden van de integratie waren .
De periode die door het vierde programma voor de economische politiek op middellange termijn bestreken wordt , zal dus voor de Gemeenschap van vitaal belang zijn . Voor de Lid-Staten zal het erom gaan , te zamen een herstel van de economische bedrijvigheid te bewerkstelligen doch tevens de daarmede verbonden risico's en beperkingen de baas te blijven , de uitbolling van de verworvenheden der Gemeenschap tot staan te brengen en nieuwe krachten ter bevordering van de integratie in het leven te roepen , de functie en de plaats van de Gemeenschap in een bestel van wisselende internationale betrekkingen te bepalen en te zoeken naar wegen om beter te beantwoorden aan de aspiraties in onze samenleving .
15 . Naast dit blijvende streven naar ontwikkeling en versterking der economische en sociale structuren behoort het programma bij voorrang op de volgende doelstellingen te worden gericht :
- beteugeling van de inflatie door herstel van het interne evenwicht op de belangrijkste punten en door specifieke maatregelen onder andere op structuurgebied alsook door het scheppen van omstandigheden voor een betere sociale consensus in de Gemeenschap ;
- terugkeer naar de toestand van volledige werkgelegenneid , voornamelijk door middel van een gelijkmatige en evenwichtige groei , een beperking van de kostenstijging en een stimulering van de investeringen alsmede door het voeren van een ad hoc beleid op specifieke gebieden ;
- voortgang in het herstel van het evenwicht in de betalingsbalansen .
16 . Het programma bestaat uit drie delen . Het eerste deel bevat de elementen van de diagnose . Het tweede deel geeft de macro-economische richtsnoeren waaraan de Gemeenschap zich bij haar optreden gedurende de door het programma bestreken periode zal houden en beschrijft een strategie voor de toepassing van deze richtsnoeren . Het derde deel wijdt bijzondere aandacht aan de gebieden waar de richtsnoeren snel uitgevoerd zouden moeten worden .
In verband met de nog bestaande onzekerheid omtrent de economische ontwikkeling moet het vierde programma voortdurend bijgesteld worden ; het onderhavige document vormt slechts de beginfase . Het is de bedoeling het programma tijdens de periode 1976-1980 voortdurend bij te werken en te verdiepen .
Gedurende dit onafgebroken proces dienen de verderop beschreven macro-economische richtsnoeren regelmatig te worden bezien en zonodig aangepast ten einde een grotere convergentie van de economische ontwikkeling in de Gemeenschap mogelijk te maken .
DEEL I
DE ELEMENTEN VAN DE DIAGNOSE
A . De economische crisis
17 . De wereldrecessie van de jaren 1974 en 1975 was van een ongekende hevigheid . Zij bleek in omvang noch in reikwijdte vergelijkbaar met de voorgaande recessieperioden sinds de laatste wereldoorlog .
Het bruto binnenlands produkt van de geindustrialiseerde OESO-landen groeiden in 1974 niet en ging in 1975 met 2 % achteruit terwijl het totale aantal ingeschreven werklozen een recordpeil van ongeveer 15 miljoen bereikte waarvan een derde in de Gemeenschap .
De repercussies van deze crisis zijn , zij het in uiteenlopende vorm , in alle economische gebieden van de wereld voelbaar . In het bijzonder de Gemeenschap is niet gespaard gebleven .
18 . De oorzaak van de recessie moet voornamelijk worden gezocht in de ononderbroken en versnelde voortgang van de inflatie die in het midden van de jaren '60 is begonnen . De toeneming is toe te schrijven aan het samenspel van een aantal factoren waarvan er enkele op hun beurt door de inflatie in het leven zijn geroepen . Hierbij kan gedacht worden aan de verhoging van de aardolieprijzen , het door de Lid-Staten gevoerde restrictieve beleid , en bepaalde structurele factoren zoals de verzadiging van de bouwmarkt .
19 . Terwijl de jaarlijkse stijging van het algemeen prijspeil in de industrielanden vroeger gemiddeld in de buurt van 3 tot 4 % lag , is deze thans verdrievoudigd . Deze inflatie moet worden toegeschreven aan het samenlopen van een aantal sterk uiteenlopende oorzaken welker betekenis en samenstelling in elk land anders was . Te noemen zijn o . a . :
- het onvoldoende en te laat doorgedrongen besef van de gevaren der inflatie ;
- een overmatige uitzetting van de binnenlandse en internationale liquiditeiten ;
- een te snelle stijging van de inkomens ;
- de buitengewoon snelle economische expansie sinds 1969 in alle industrielanden met daarnaast de toenemende synchronisatie van de conjunctuurbewegingen binnen de Gemeenschap ;
- het oplopen der grondstoffenprijzen ten gevolge van de economische overhitting , de schaarste aan bepaalde landbouwprodukten en vooral de plotselinge stijging van de aardolieprijs .
20 . Deze factoren , die de versnelling der inflatie in de afgelopen jaren verklaren , maken , vooral in bepaalde landen , deel uit van een al * anger bestaand proces van structurele inflatie . Een en ander is een uitvloeisel van de economische , sociale en politieke veranderingen die in de laatste 20 jaar zijn opgetreden , te weten :
- de aanspraken van de diverse sociale groeperingen die ten koste van eikaar een groter aandeel in het nationale produkt willen verkrijgen , alsmede de wijzigingen in de inkomensstuctuur ;
- een toeneming van de sociale spanningen en steeds groter wordende moeilijkheden bij het bewerkstelligen van politieke en maatschappelijke overeenstemming ;
- een toeneming in aantal en omvang van bedrijven die een machtspositie op de markt innemen waardoor , afgezien van de hieruit voortvloeiende voordelen , de mededingingsverhoudingen worden gewijzigd en een zekere verstarring in de economie optreedt ;
- gebrek aan flexibiliteit op de arbeidsmarkt .
Het feit dat het gewicht van deze structurele factoren van land tot land uiteenloopt , vormt althans ten dele een verklaring voor de tegenwoordige verschillen in inflatiepercentage tussen de Lid-Staten .
21 . Voor zover de inflatie structurele oorzaken heeft , kan niet worden volstaan met het traditionele beleid waarbij alleen aan de vraagzijde wordt ingegrepen .
In de meeste gemeenschapslanden is niet alleen het vereiste structuurbeleid achterwege gelaten maar daarenboven de ombuiging van het economisch beleid in restrictieve zin te laat ter hand genomen . In het bijzonder door de te sterke aanwas van de binnenlandse liquiditeiten kon de overmatige vraag te lang blijven voortbestaan en overstrof deze de omvang van het binnenlands produkt . Bij gebrek aan bewuste beleidskeuzes werd het aan de inflatie overgelaten botweg de verlangens in overeenstemming te brengen met de reële mogelijkheden , een economisch en sociaal uiterst kostbaar proces .
22 . De inflatie is mogelijk geworden en versterkt door de ontwikkeling van de internationale liquiditeiten . Terwijl deze tot in 1968 in betrekkelijk gematigd tempo toenamen , lag de gemiddelde stijging tussen 1969 en 1975 in de buurt van 20 % per jaar . Dit verloop ontstond aanvankelijk door het optreden van betalingsbalanstekorten in de landen met sleutelvaluta's , met name de Verenigde Staten . Eveneens dienen de problemen te worden vermeld die verband houden met de wijze van financiering van de tekorten en de ontwikkeling van de eurodeviezenmarkt .
Hoewel de gevaren van een uitholling van het internationale monetaire stelsel zeer vroeg onderkend werden , is in het begin op ruime schaal gebruik gemaakt van de door dit stelsel geboden mogelijkheden om de binnenlandse liquiditeiten zonder ernstige belemmering vanwege de betalingsbalans uit te breiden .
Vanaf het ogenblik , ongeveer in het midden van de jaren '60 , dat de Verenigde Staten niet langer het voornaamste stabiliteitscentrum in een stelsel van vaste wisselkoersen vormden , werd het voor de andere stabiliteitseilanden van de tweede orde voortdurend moeilijker om zich geheel aan het inflatoire milieu te onttrekken .
23 . Irreële wisselkoersen zijn al te lang gehandhaafd . Dit geldt voor een hele reeks munteenheden en in het bijzonder voor de dollar die lange tijd werd overgewaardeerd . Ondanks de vaststelling van een nieuwe pariteitenstructuur in december 1971 was het onmogelijk om evenwichtige verhoudingen tussen de onderscheidene wisselkoersen te handhaven . Dit leidde ertoe dat in februari 1973 een stelsel van zwevende wisselkoersen algemene ingang vond .
24 . Onder het stelsel van zwevende wisselkoersen kreeg het nationaal beleid een steeds grotere autonomie . De landen welker munteenheid een waardedaling onderging hebben evenwel moeten vaststellen dat een koerswijziging - afgezien nog van de in de verkeerde richting werkende effecten op korte termijn - niet tot verbetering van de betalingsbalans leidt indien geen adequaat binnenlands beleid wordt gevoerd . In deze landen maakte de druk om de nominale inkomens aan te passen , het moeilijk een reële verschuiving van middelen ten behoeve van de opvoering van de export te bewerkstellingen . De landen welker munteenheid een waardestijging onderging , konden de buitenlandse inflatie beter buiten de deur houden doch slaagden hierin niet geheel .
Doordat het door de Lid-Staten gevoerde beleid onderling sterke verschillen vertoonde , ontstonden in bepaalde gevallen wisselkoersschommelingen op korte termijn die veel verder gingen dan de werkelijke afwijkingen in kosten en in prijzen . Sommige munteenheden ondergingen een aanzienlijke waardedaling hetgeen aanleiding gaf tot versterking van de inflatie die reeds werd aangewakkerd door de algemene tendens van prijzen en nominale inkomens om vrijwel uitsluitend in opwaartse richting te worden aangepast .
Door de beweeglijkheid van de wisselkoersen konden de externe onevenwichtigheden evenwel beter worden opgevangen en kon een algemene invoering van beschermende maatregelen worden voorkomen .
25 . Dank zij de vrijmaking van het handelsverkeer , die in het begin van de jaren '60 reeds vrij sterk was voortgeschreden , kon de wereldhandel zich in aanzienlijke mate ontwikkelen en bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard . Daarnaast ontstonden - zij het vaak ongelijke - verhoudingen van wederzijdse afhankelijkheid op economisch en monetair terrein , zowel tussen geïndustrialiseerde landen onderling als tussen deze laatste en grondstoffen producerende ontwikkelingslanden .
26 . Eind 1973 werd de aardolieprijs aanzienlijk verhoogd . Deze prijsstijging heeft de dispariteiten in economische structuur tussen geïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden , alsook tussen deze laatste landen onderling , nog verscherpt . Het door de stijging der aardolieprijzen ontstane tekort is ongelijk over de verschillende importlanden verdeeld waardoor op wereldschaal betalingsbalansproblemen zijn ontstaan , resp . verergerd .
27 . De door de stijging der aardolieprijzen opgetreden verslechtering van de ruilvoet voor de landen die dit produkt importeren , leidde tot een vergroting van de buitenlandse schuld en in een later stadium tot overdrachten in de reële sfeer in de vorm van een grotere uitvoer naar mate de aardolie uitvoerende landen de aanwas van hun inkomsten in een toeneming van hun invoer konden omzetten . Dit aanpassingsmechanisme heeft tot op heden echter onvolkomen gefunctioneerd .
28 . Al deze factoren - en in het bijzonder de in de punten 18 tot en met 20 genoemde - leidden ten slotte tot het optreden van de wereldrecessie en een pijnlijke stijging van het werkloosheidscijfer .
Tijdens deze recessie is tevens gebleken dat het om een stabilisatie - en herstructureringscrisis ging . Aan het licht kwamen de ongunstige allocatie der produktiemiddelen over particuliere consumptie , investering en uitvoersaldo en de scheve verhoudingen tussen de diverse inkomenscategorieën , tussen de collectieve en de particuliere sector , tussen de diverse bedrijfstakken en ook tussen de diverse landen , alsmede de verzadiging van de markt in bepaalde sectoren . De arbeidskosten per eenheid produkt zijn in snel tempo gestegen en de winstcapaciteit van het bedrijfsleven is zo sterk achteruitgegaan dat de omvang der voor de werkgelegenheid van belang zijnde investeringen onvoldoende is gebleven . Nog maar nauwelijks heert het economisch herstel ingezet of de vrees ontstaat dat zich opnieuw een versnelling in het inflauetempo zal voordoen en dat bij een al bestaande inflatie in de Gemeenschap van bijna 10 % .
B . Zwakke punten van de Gemeenschap
29 . Hoewel tot nu toe het gevaar voor uiteenvallen kon worden bedwongen , wordt de Gemeenschap thansernstig bedreigd en de balans over de door het derde programma bestreken periode wijst op een terugslag . De doelstelling van een Gemeenschap van groei en stabiliteit werd niet bereikt , er werd geen vooruitgang geboekt op de weg naar een Economische en Monetaire Unie en de Gemeenschap is niet in staat gebleken gezamenlijk de crisis op een creatieve wijze te bestrijden .
30 . Ondanks de pogingen tot coordinatie van het economische en monetaire beleid bleek het onmogelijk om het gemiddelde inflatiepercentage van de Gemeenschap beperkt te houden , alsook om een uiteenlopen tussen de nationale percentages te voorkomen . Tijdens de uitvoering van het derde programma bedroeg het gemiddelde jaarpercentage der inflatie in het ene land soms het dubbele van dat in een ander land . In 1975 liepen de prijsverhogingen bij de particuliere consumptie uiteen van 6 tot 20 % . De vrijmaking van het kapitaalverkeer binnen de Gemeenschap werd in sommige gevallen stopgezet en in andere teruggedraaid - de liberalisatiegraad is thans lager dan in het begin van de jaren zestig - terwijl het onmogelijk bleek een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van het uit derde landen stammende kapitaal op te stellen . Het gemeenschappelijk landbouwbeleid stuitte onafgebroken op moeilijkheden . Van de overige or derdelen van het gemeenschapsbeleid zijn de meeste , or danks vooruitgang op bepaalde punten , beneden de minimumdrempel van doeltreffendheid gebleven . De douane-unie voor industriële en daarmee gelijkgestelde produkten blijft weliswaar het voornaamste bindmiddel voor het communautaire bestel maar de aanzienlijke tekorten op de lopende rekening van de betalingsbalans van enkele landen vormen nog steeds een bedreiging voor het vrije goederenverkeer tussen de Lid-Staten .
31 . Ten aanzien van de door de ontwikkeling van het internationale monetaire stelsel ontstane problemen kon de Gemeenschap op bepaalde punten zeer zeker tot gecoordineerde of gemeenschappelijke standpunten komen maar zij bleek niet in staat om een coherente allesomvattende oplossing te verdedigen , laat staan internationaal te doen accepteren . Zij was niet bij machte om de van buiten komende storingen op een afstand te houden en moest in feite van een noemenswaardige vooruitgang op de weg naar de Economische en Monetaire Unie afzien . Het slangarrangement was aan ernstige spanningen blootgesteld en omvat thans nog slechts een deel van de Gemeenschap .
32 . De oliecrisis begon op een ogenblik dat de divergenties tussen het economisch beleid der onderscheiden Lid-Staten bijzonder groot waren . Zij leidde tot een verdere vergroting van de verschillen in de betalingsbalanspositie .
De Gemeenschap is niet in staat geweest om een gemeenschappelijke strategie uit te werken en toe te passen ten aanzien van het olie-embargo en evenmin ten aanzien van de economische consequenties van de verhoging der aardolieprijzen . Tijdens de diverse internationale onderhandelingen die daarna plaatsvonden , kostte het de grootste moeite om naar buiten een gesloten front te vormen .
Weliswaar heeft de Gemeenschap tot nu toe kunnen voorkomen dat haar leden protectionistische maatregelen jegens elkaar nemen en heeft zij ook andere landen van een dergelijke houding weten te weerhouden doch zij is er niet in geslaagd om zich in internationaal verband voldoende te doen gelden noch om de onderdelen van het eigen beleid doeltreffend te coordineren . Tijdig door de Gemeenschap getroffen en uitgevoerde maatregelen zouden waarschijnlijk de met de crisis samenhangende kosten van economische en sociale aard voor alle betrokken landen hebben kunnen verminderen .
33 . De oorzaken van deze onmacht zijn complex doch niettemin kunnen drie groepen van factoren worden genoemd :
- de ongelijkheid in economische en sociale structuur en de verschillen in prioriteit die aan de diverse doelstellingen van het economisch beleid zijn toegekend ,
- de verschillen in aanpassing aan de maatschappelijke ontwikkeling en de uitholling van de sociale consensus in sommige landen ,
- de onvoldoende coordinatie van het beleid binnen de Gemeenschap .
34 . De gemeenschappelijke coordinatie wordt geremd doordat de Lid-Staten niet dezelfde prioriteiten aanhouden bij het ontwerpen van hun economisch beleid . De verschillen zijn het gevolg van een ongelijke structuur in economisch , institutioneel en sociaal opzicht ( 1 )
Voor een deel houden deze verschillen verband met bij voorbeeld demografische factoren , het produktie-apparaat en in het bijzonder de mate van industrialisatie , de internationale verschillen in reëel inkomen per hoofd en de mate van regionale onevenwichtigheden .
Deze situatie is zeer zeker niet nieuw maar er is nog niet voldoende rekening mee gehouden . De regionale verschillen en de daaruit voortspruitende inkomensverschillen zijn van bijzonder belang , vooral doordat zij bleven aanhouden en soms zelfs groter zijn geworden waardoor , ondanks de onafgebroken groei , de spanningen tussen de volkshuishoudingen of zelfs binnen ieder land afzonderlijk verergerden . Een onafgebroken groei is namelijk wel een noodzakelijke voorwaarde voor de oplossing van problemen van regionale ongelijkheid maar is niet voldoende indien daarnaast geen weloverwogen en doelbewust regionaal beleid wordt gevoerd . Het door de Gemeenschap uitgestippelde beleid is , alles bij elkaar genomen , onvoldoende gebleken .
35 . In nationaal verband zijn deze ongelijkheden , afzien van rechtstreeks ingrijpen door overheveling van financiële middelen , verminderd door het effect van allerlei spontane processen die ontstaan door de aanwezigheid van een geïntegreerd bankenstelsel , het bestaan van een voor het gehele land geldend stelsel van belastingen en sociale zekerheid e . d .
In het verband van de Gemeenschap konden de herverdelende effecten door middel van zulke spontane processen zich slechts voltrekken naarmate de geleidelijke integratie van het gehele economische bestel voortschreed . Een toenemende solidariteit in financieel opzicht veronderstelt evenwel een beheersing van het macro-economisch evenwicht en een vooruitgang op institutioneel terrein zonder welke het begrip solidariteit weinig inhoud heeft . In ieder geval dienen de thans bestaande instrumenten van de Gemeenschap op meer doeltreffende wijze gebruikt te worden .
36 . Andere structurele factoren hebben de graad van flexibiliteit van het economisch beleid der onderscheidene Lid-Staten in verschillende mate beïnvloed . Deze factoren - belastingstelsel , graad en vorm van sociale bescherming , inkomensvorming en -verdeling , omvang , samenstelling en financiering van de openbare uitgaven , mededingingsbestel - verschilden en verschillen nog steeds duidelijk van betekenis binnen de Gemeenschap .
37 . Een andere vorm van ongelijkheid houdt verband met de organisatie van de samenwerking en het overleg tussen de sociale groeperingen en met de medezeggenschap op de diverse niveaus waarvan de invloed van land tot land verschillend is . Sterker nog : terwijl in sommige landen de bestaande sociaal-economische structuur grotendeels wordt aanvaard , wordt deze in andere landen door belangrijke sociale groeperingen betwist ten aanzien van werking en doelstellingen .
38 . De onafgebroken groei van de naoorlogse jaren maakte een aanzienlijke verhoging van de levensstandaard en het kennispeil mogelijk maar veroorzaakte anderzijds diepgaande veranderingen in de economische en sociale structuur . Voor een groot deel van de bevolking betekende het een andere woonplaats , een ander beroep , een andere leef - en werkomgeving . Men denke bij voorbeeld aan de verhuizing vanuit afgelegen streken naar industriële centra , de trek van het platteland naar de stad , de overgang van kleine zelfstandige ondernemers , boeren , handolaren en handwerkslieden naar de status van loontrekkers binnen grotere organisaties in de industriële of de dienstverlenende sector . Daarnaast boetten de traditionele leefgemeenschappen , zoals het grote gezin en de dorpsgemeenschap , vaak aan betekenis in .
39 . Verder ging de economische opbloei gepaard met problemen die verband houden met de onvoldoende beheerste ontwikkeling der stedelijke agglomeraties , de milieuverontreiniging en het steeds ruimere gebruik van natuurlijke hulpbronnen die moeilijk vervangen kunnen worden . Dit proces deed de protesten en de eisen toenemen en de daarop gevolgde reacties sloten niet in alle landen goed bij elkaar aan , noch werden zij altijd als bevredigend ervaren .
In bepaalde gevallen worden de inkomens - en vermogensverschillen tussen en binnen de sociale groeperingen te groot geacht ; zij doen afbreuk aan de doeltreffendheid van het overheidsbeleid . In andere gevallen wordt juist het streven naar inkomensnivellering te kras en de toename in de activiteiten van de overheid te snel gevonden ; men vreest dan verlamming van de werklust en schade voor het particuliere initiatief .
40 . Door de recessie is de werkgelegenheidsproblematiek uiteraard op de voorgrond gekomen . Ongeacht de omvang en de voorwaarden van de door de diverse landen volgens de verschillende nationale systemen toegekende werkloosheidsuitkeringen wordt de status van ondersteunde toch sociaal en psychologisch als negatief ervaren , zelfs als de reden van werkloosheid van economische aard is , zoals tegenwoordig voor de meeste werklozen in de Lid-Staten het geval is . Dit betekent dat de aanvaarding van een hoog werkloosheidscijfer gedurende een middellange of lange periode veranderingen in het sociale bestel met zich zal brengen waarvan de sociaal-politieke consequenties niet te voorspellen zijn .
41 . Reeds in de afgelopen jaren van sterke economische groei ontstond er een afwijking tussen de structuur van de door de werknemers op de arbeidsmarkt aangeboden bekwaamheden en de structuur van de beschikbare arbeidsplaatsen . Voor deze steeds duidelijker wordende discrepantie zijn verschillende oorzaken aan te wijzen . Een daarvan is dat het gestegen peil van algemene ontwikkeling en opleiding der werknemers uit de aard der zaak tot hogere eisen leidt , niet alleen voor wat de beloning betreft maar ook ten aanzien van de hoedanigheid van het werk en de aard der arbeidsverhoudingen . Anderzijds gaat door de technische omschakeling de structuur van de aangeboden arbeidsplaatsen thans duidelijk een ander beeld vertonen : gevraagd worden , afgezien van personeel voor een beperkt aantal leidende posten , zeer geschoolde arbeiders en , daarnaast , in sommige landen , ongeschoolden die door een snelle opleiding geoefend kunnen worden in het verrichten van steeds dezelfde handelingen .
42 . Daarnaast verheffen zich de stemmen van hen die in grotere mate willen deelnemen aan beleidsbepaling en bestuur in de ondernemingen . In een meer algemeen verband geven de sociale partners uitdrukking aan hun wens om nauwer betrokken te worden bij de voorbereiding en uit voering der beslissingen van economisch beleid . Zoals ook op ander terrein , lopen de reacties van land tot land sterk uiteen .
Tenslotte zij opgemerkt dat de consument zijn rol van volwaardig deelgenoot in het economische leven niet altijd volledig kan vervullen . Op sommige gebieden functioneert de mededinging slechts gebrekkig en in sommige landen beschikt de consument over onvoldoende informatie om juist te kunnen reageren op de marktstrategieën van de bedrijven .
43 . De coordinatie binnen de Gemeenschap is onvoldoende gebleken .
De opstelling van een gemeenschappelijk beleid veronderstelt in de eerste plaats de aanwezigheid van een politieke wil en een politiek onderscheidingsvermogen die het gemeenschappelijke belang vorm kunnen geven . Anderzijds is de juistheid van de getroffen beslissingen niet altijd gewaarborgd zodat over een aanvaarding van de begrippen " gemeenschappelijk risico " en " solidariteit " geen twijfel mag bestaan .
Op nationale schaal wordt bij de opstelling en doorvoering van het economisch beleid aan deze eisen voldaan . Het risico van een verkeerde keuze vindt zijn tegenwicht in de aanwezigheid van een nationale solidariteit en in een politieke verantwoordelijkheid tegenover het Parlement en in laatste instantie tegenover de kiezers . Dientengevolge betekent het falen van de economische politiek in het algemeen nog geen aantasting van de nationale eenheid .
In het kader van de Gemeenschap stuit het vinden van een communautaire oplossing in geval van verschil van mening over de beoordeling van de toestand of de aard van het toekomstige beleid steeds op grote moeilijkheden ; omdat er geen echte politieke verantwoordelijkheid in gemeenschapsverband is , laat men de nationale belangen zwaarder wegen . Onder deze omstandigheden hebben begrippen als " gemeenschappelijk risico " en " solidariteit " noodzakelijkerwijze slechts een geringe draagwijdte . Er ontstaat dan kans op onderlinge verwijdering en spanningen die de eenheid van de Gemeenschap voortdurend in gevaar brengen . In deze situatie kan misschien tot op zekere hoogte verbetering gebracht worden door het maken van technische analyses van de problemen van de Gemeenschap , het echte antwoord op de problemen ligt echter in het politieke en institutionele vlak .
( 1 ) Een uiteenzetting van een deel dezer verschillen is te vinden in het document " Systeem van structurele indicatoren " .
DEEL II
DE PROBLEMATIEK OP MIDDELLANGE TERMIJN EN DE ALGEMENE BELEIDSLIJNEN VOOR HET ECONOMISCH BELEID
A . De problematiek op middellange termijn
44 . De problemen waarmee de Gemeenschap zich in de komende vijf jaar zal moeten bezighouden , zijn geanalyseerd aan de hand van de uitkomsten die de Studiegroep voor de economische vooruitzichten op middellange termijn bij haar werkzaamheden heeft verkregen .
a ) De internationale situatie
45 . Ten gevolge van de zeer sterke afhankelijkheid der Lid-Staten van de buitenwereld is de internationale situatie van grote invloed op de economische ontwikkeling in de Gemeenschap .
In het bijzonder zouden een zwakke groei van de wereldhandel , restricties in het internationale handelsverkeer en een bestendiging van het hoge inflatiepeil in het OESO-gebied de oplossing der economische problemen binnen de Gemeenschap aanzienlijk bemoeilijken en deze tot het voeren van een zeer forse eigen actie dwingen ten einde een al te ongunstige ontwikkeling tegen te gaan .
De aan de volgende probleemstelling ten grondslag liggende veronderstellingen houden dergelijke extreme ontwikkelingen niet in ; aangenomen is een groei van het volume der ongewogen wereldinvoer met gemiddeld 8 tot 8,5 % per jaar . Dit cijfer sluit aan bij de uitkomsten van de jaren '60 en de eerste jaren '70 . Wanneer in aanmerking wordt genomen dat de recessie door een inhaalbeweging wordt gevolgd , dan zal de trendmatige groeivoet lager liggen .
Aangenomen is verder dat de prijsindex van het bruto binnenlands produkt in de voornaamste industrielanden van het OESO-gebied met 7 à 8 % per jaar zal stijgen . Dit percentage sluit aan bij het verloop van de afgelopen jaren na correctie wegens het effect van de verhoging der aardolieprijzen op het algemene prijspeil . In de afgelopen periode was dit gemiddelde de resultante van een stijgend verloop . In de toekomst moet hierin echter een ommekeer komen , met als resultaat een duidelijke daling in het verloop van de inflatie tijdens de periode 1976-1980 .
b ) Groei en werkgelegenheid
46 . Gezien de onderbezetting der produktiefactoren in 1975 en het gewoonlijk tijdens een opleving optredende inhaaleffect de effectieve groei de potentiële groei tussen nu en 1980 moeten gaan overtreffen om daarna op een hoog peil te blijven .
Een deel van de produktiecapaciteit is evenwel definitief verloren gegaan door bedrijfssluitingen of te lange bedrijfsstilstand , terwijl een ander deel economisch verouderd is door wijzigingen in de relatieve prijzen en de vraagstructuur . Dit proces doet zich altijd gelden maar de recessie schijn : een versnelling te hebben bewerkstelligd . Dit betekent dat de potentiële groei een vlakker verloop gaat vertonen .
Daarnaast ondervindt de potentiële groei tussen nu en 1980 voornamelijk de invloed van de algemene daling der investeringen in de afgelopen twee jaar . In sommige landen , namelijk Duitsland , Italië , Nederland en het Verenigd Koninkrijk , was reeds lang voor de crisis van een vermindering der investeringsactiviteit sprake .
47 . Een wederopleving van de strijd om de verdeling en daardoor ook van de inflatie zou , mede gezien de moeilijkheden welke zich bij het oplossen van de onevenwichtigheden in de handelsbalansen op wereldniveau voor doen , uitlopen op een politiek van " stop and go " waaronder de investeringen te lijden zouden hebben zodat de potentiële groei opnieuw bedreigd zou worden . In het bijzonder dient te worden opgemerkt dat de gevolgen van de stijging van de aardolieprijs voor de betalingsbalansen ten dele door de recessie zijn gemaskeerd . Wanneer de opleving inzet , zal niet alleen het onvermijdelijke tekort van de aardolie invoerende landen toenemen maar wellicht ook het touwtrekken om de herverdeling van dit tekort tussen de invoerlanden opnieuw beginnen . Hierdoor ontstaat kans op een devaluatiewedren die nieuwe aanpassingen door de inflatie met zich brengt of een successievelijke verlangzaming van de expansie .
Alles bijeen genomen ziet het er niet naar uit dat de effectieve groei in de Gemeenschap ver boven het peil van 4 à 4,5 % zal uitkomen als niet alle krachten op economisch-politiek terrein worden ingespannen . De groeivoet zou dan enigszins beneden de trend van het verleden liggen terwijl van de in 1974 en 1975 geleden verliezen niets zou worden ingehaald .
48 . Het bewerkstelligen van een hoge groeivoet zal bijzonder moeilijk blijken voor Italië , Ierland en het Verenigd Koninkrijk . Hier rijst een probleem voor de Gemeenschap . Deze landen , die het laagste inkomen per hoofd hebben , zullen de kloof met de andere Lid-Staten niet weten te overbruggen .
49 . Het gevaar bestaat dat de werkloosheid in de komende jaren groot blijft . Dat het werkloosheidscijfer momenteel zo hoog is , komt in de eerste plaats door de recessie , maar in sommige landen had ook de sedert enkele jaren optredende vermindering van het aandeel der investeringen in het binnenlands produkt reeds tot een minder snelle uitbreiding van de werkgelegenheid geleid , vooral in de industrie . Het hoge aandeel van de arbeidskosten leidt , afgezien van het effect op de investeringen in het algemeen , tot een voorkeur voor diepte-investeringen . De wederinschakeling van de werklozen zal vermoedelijk langzaam verlopen omdat de bedrijven momenteel te maken hebben met een aanzienlijke onderbezetting van de factor arbeid .
Verlaging van de werkloosheidsgraad is moeilijker geworden door de verwachte ontwikkeling van het arbeidsaanbod . Als gevolg van bijzondere demografische factoren zal de toevloed van jongeren op de arbeidsmarkt namelijk een versnelling ondergaan terwijl anderzijds de leeftijdsklassen die eventueel voor vervroegd ouderdomspensioen in aanmerking komen , minder bezet zullen zijn ( zie grafiek 1 ) . Na het tijdvak 1980-1985 zal de tendentie omkeren door de sterke daling van het geboortecijfer die sinds enkele jaren is ingetreden . Deze vergrijzing van de bevolking van de Gemeenschap is een zaak die om aandacht en nadere studie vraagt .
Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de opwaartse beweging in het verloop van de vrouwenarbeid zal afvlakken , ook al oefent de arbeidsmarkt thans minder aantrekkingskracht uit . Wel mag een vertraging van de immigratie worden verwacht doch deze vertraging zal beperkt worden door de associatieovereenkomsten , de bijzondere afspraken van bepaalde Lid-Staten en het specifieke karakter van de behoeften die de geïmmigreerde arbeidskrachten vervullen .
50 . De overheid droeg in het verleden in belangrijke mate tot de schepping van werkgelegenheid bij doch een dergelijke bijdrage zal in de toekomst waarschijnlijk moeilijker zijn , voornamelijk in verband met de beperkingen in het kader van het beheer der openbare uitgaven . Aangezien de landbouw steeds minder behoefte aan werkkrachten heeft , zal de schepping van werkgelegenheid in grotere mate van de niet agrarische bedrijven moeten komen .
Verder wordt de onderlinge aanpassing van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beperkt doordat in de afgelopen jaren de soepelheid op allerlei punten is verminderd . In het bijzonder de weerstand tegen verhuizing naar een andere streek speelt een grote rol .
Deze weerstand schijnt zelfs toe te nemen wanneer het migratie binnen een bepaalde regio betreft . De in verband met het werk gestelde eisen , zowel ten aanzien van de beloning als van de taakinhoud , zijn omhooggegaan , vooral van de zijde der jongeren . Zo wordt de duur der werkloosheid verlengd door het zoeken naar een arbeidsplaats die aan de bekwaamheden en de wensen der werklozen beantwoordt .
Ten laatste , de opbouw der lonen naar bedrijfstak en bekwaamheid weerspiegelt niet altijd op juiste wijze de verschillen in aantrekkelijkheid , zwaarte en status tussen de diversevakken en beroepen . Een en ander heeft een verstorend effect op het arbeidsaanbod en leidt tegelijkertijd tot knelpunten in de arbeidsvoorziening en plaatselijke concentraties in de werkloosheid .
51 . Uit al deze analyses te zamen blijkt duidelijk dat het voornaamste vraagstuk van economisch beleid in de komende jaren het herstel van de volledige werkgelegenheid zal zijn . Met een werkloosheid in de Gemeenschap van ongeveer 4 % in 1975 als beginpunt zal een bijzonder actief beleid moeten worden gevoerd om het peil in 1980 beneden 3 % te brengen . Ter vergelijking diene dat het percentage in de jaren '60 tussen 1,5 en 2 lag .
c ) Prijsbeweging en extern evenwicht
52 . Het herstel van stabiele verhoudingen zal geleidelijk moeten geschieden . Het voortbestaan van hoge inflatiepercentages brengt evenwel ernstige gevaren voor de groei en de werkgelegenheid met zich , zoals het uit de hand lopen van inkomens en kosten , verscherping der sociale conflicten , een ongunstige allocatie der produktiemiddelen , gebrek aan evenwicht op de betalingsbalansen en de noodzaak tot het opnieuw invoeren van een restrictief beleid .
In verband met de zeer sterke onderlinge afhankelijkheid der volkshuishoudingen is het voor de Gemeenschap niet doenlijk , op prijzengebied met doelstellingen te werken die aanzienlijk van de op internationaal gebied verwachte uitkomsten afwijken zolang er geen sprake is van wisselkoerswijzigingen en een weloverwogen intern beleid . Het is duidelijk dat aanzienlijke divergenties in de Gemeenschap zullen optreden indien , zoals in het verleden is gebeurd , sommige landen zich bij het gemiddelde inflatiepercentage van hun voornaamste handelspartners aansluiten terwijl andere voor een krachtig stabiliseringsbeleid kiezen ten einde zich van de internationale inflatietendens los te maken .
53 . Andere divergenties tussen de inflatiepercentages kunnen veroorzaakt worden door het inhaaleffect van de recente koerswijzigingen . Vooral de landen met een sterk in waarde gedaalde munt hebben reden om zich af te vragen hoe het kostenverloop kan worden gestabiliseerd zodat terugkeer tot een meer bevredigend evenwicht op de betalingsbalans mogelijk wordt en het uitbreken van een wedloop tussen wisselkoersen en prijzen vermeden wordt .
Uit deze mogelijke divergenties in ontwikkeling tussen de diverse landen blijkt wel dat de problemen rondom de aanpassing der kosten en relatieve prijzen en de monetaire spanningen niet gemakkelijk bestreden kunnen worden .
De verwezenlijking van de Economische en Monetaire Unie zou door het aanhouden van belangrijk uiteenlopende ontwikkelingen van prijzen en kosten belemmerd kunnen worden . Sterker nog , de eenheid van de Gemeenschap loopt gevaar wanneer de bestaande divergenties niet worden verkleind of - wat nog erger zou zijn - mochten toenemen .
54 . In het verleden was een positief saldo op de lopende rekening ( goederen , diensten en factorinkomens ) in de orde van grootte van 1 % van het BBP voldoende voor de Gemeenschap om in evenwicht met de buitenwereld te blijven . Met dit overschot werden nl . de overmakingen van gastarbeiders en de ontwikkelingshulp gefinancierd .
Voor de toekomst zal in de eerste plaats rekening moeten worden gehouden met de ontwikkeling van de invoer van de olie producerende landen . Zolang deze landen niet in staat zijn om hun overschot ten opzichte van de industrielanden te absorberen , zal de Gemeenschap in haar geheel haar aandeel in het daardoor ontstane tekort moeten aanvaarden .
De verdeling der " olietekorten " dient eveneens in aanmerking te worden genomen . In 1975 had de Gemeenschap een overschot dank zij de conjuncturele situatie . Tekorten uit hoofde van aardolie-invoer werden in hoofdzaak bij andere industrielanden en voornamelijk bij de ontwikkelingslanden aangetroffen . Bij het economisch herstel moet deze situatie zich wijzigen ten gunste van de juist genoemde landen , de Gemeenschap dient dan een tekort op de betalingsbalans te aanvaarden .
55 . Tegen 1980 , zou opnieuw een positief uitvoersaldo ( goederen , diensten en factorinkomens ) kunnen worden bereikt , indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
- De lopende rekening van de OPEC-landen met de industrielanden is in 1980 in evenwicht . In verband met de onderlinge verhoudingen tussen de OPEC-landen betekent dit dat sommige olie producerende landen een tekort en andere nog een duidelijk overschot op hun lopende rekening zullen hebben .
- De industrielanden gaan voort met het verstrekken van omvangrijke ontwikkelingshulp . Daarnaast zal ook door de olie producerende landen en door tussenkomst van internationale organisaties hulp worden verstrekt om het tekort op de betalingsbalans ten gevolge van de invoer van olie van de armste ontwikkelingslanden te dekken , maar indien noodzakelijk zal ook de Gemeenschap hierin moeten bijdragen .
- De Gemeenschap geeft verdere uitbreiding aan haar handel met de landen met staatshandel .
- Het handelsverkeer van de Gemeenschap voltrekt zich op evenwichtige wijze ten opzichte van de andere industriegebieden .
Hoewel onder deze voorwaarden verwacht mag worden dat de Gemeenschap in haar geheel tegen 1980 in een bevredigende betalingsbalanspositie zal verkeren blijft het evenwichtsherstel voor de afzonderlijke Lid-Staten apart beschouwd evenwel een moeilijke zaak , gezien hun uitgangspositie en de mogelijke verschillen in ontwikkeling van kosten en prijzen .
d ) Aanwending van de produktiemiddelen
56 . De structuur van de bestedingen van het BBP tegen constante prijzen is gedurende de laatste jaren aanmerkelijk gewijzigd door de recente conjuncturele ontwikkeling doch ook door de werking van een aantal structurele factoren - stijging van de prijzen van aardolie en vooral de ontwikkeling van de lonen , de belastingen en met belastingen gelijk te stellen heffingen .
57 . Tussen 1970 en 1975 is het aandeel van de consumptie en van het overschot in het goederen - en dienstenverkeer met het buitenland in % van het BBP ( tegen prijzen van 1970 ) met 3,5 resp . 2,2 punten gestegen . De stijging van het overschot van goederen en diensten tegen constante prijzen komt overeen met de gedeeltelijke compensatie van de verslechtering van de ruilvoet door overdracht van reële middelen naar het buitenland ( zie tabel 2 ) . Daartegenover is het aandeel van de investeringen sterk gedaald , namelijk met 5,7 punten . Deze wijziging wordt ongeveer voor de helft verklaard door een zuiver conjuncturele vorraadvermindering . Ook voor de bruto-investeringen in vaste activa kan de verschuiving ten dele aan de conjuncturele ontwikkeling worden toegeschreven . Voor het overige gaat het om een trend die zich reeds enige jaren geleden heeft ingezet , in het bijzonder in Italië , Nederland en Duitsland ; in Duitsland geldt dit vooral voor de bedrijfsinvesteringen .
58 . Zoals men gedurende de afgelopen jaren heeft kunnen vaststellen , maakt de afzwakking van de bruto-investeringen in vaste activa het scheppen van werkgelegenheid moeilijker en heeft zij een ongunstige invloed op het groeipotentieel . Het aandeel van de produktieve investeringen in het BBP moet dus aanmerkelijk stijgen . De relatieve omvang van de overdracht van reële middelen naar het buitenland ( overschot van goederen en diensten ) moet nog groter worden , niet alleen om de in de internationale ruilvoet opgetreden verslechtering te dekken maar eveneens de interest op de aardolieschuld . In tegenstelling tot dat wat zich in 1974 en 1975 heeft voorgedaan , met al zijn uiterst ongunstige gevolgen voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid , moet deze toeneming niet plaatsvinden ten koste van de investeringen .
De last van de vereiste herverdeling van de bestedingen van het bruto binnenlands produkt moet dus rusten op de consumptie en vooral op de particuliere consumptie . De nadruk moet erop worden gelegd dat deze herverdelingen plaats moeten vinden op middellange termijn terwijl op korte termijn het beeld zich anders aftekent . Dit punt wordt behandeld in het derde deel .
59 . Deze algemene beoordeling behoeft schakeringen van land tot land . De landen die zich reeds voor de crisis in een moeilijke betalingsbalanspositie bevonden of door deze crisis het meest werden getroffen - Italië , Verenigd Koninkrijk , Ierland - moeten de particuliere consumptie het sterkst aanpassen . Voor de landen waarvan de betalingsbalanspositie solide was , met name Duitsland en de Benelux-landen , is deze eis vanzelfsprekend veel minder dringend . In Frankrijk draagt de aanpassing , hoewel niet onbelangrijk van omvang , een hoofdzakelijk conjunctureel karakter .
Het is zeer moeilijk om deze wijzigingen in de structuur van de bestedingen van het BBP te verwezenlijken want daarvoor zijn tot op zekere hoogte ten minste aanpassingen in de verdeling van de inkomens en in de ontwikkeling van de openbare financien nodig .
e ) Ontwikkeling van de primaire inkomens en van de openbare financiën
60 . Het terugbrengen van het gecorrigeerde loonaandeel tot een normaler peil vormt een van de voorwaarden voor het bereiken van een meer bevredigende groeivoet en een dito werkgelegenheidspeil . Het aandeel van de lonen en salarissen in het BBP , gecorrigeerd door de ontwikkeling van het aandeel van de werknemers in loondienst in de totale beroepsbevolking vormt bij benadering een maatstaf voor de verdeling van het inkomen over lonen en winsten .
Tot 1970 was deze verhouding relatief stabiel zowel voor de Gemeenschap als geheel als voor de meeste Lid-Staten afzonderlijk ( zie grafiek 3 ) . Van 1970 tot 1975 is zij voor de Gemeenschap als geheel continu gestegen ( van 52,5 % in 1970 tot 57,5 % in 1975 ) . De stijging van de loonkosten heeft gedurende deze periode de toeneming van het algemene prijspeil derhalve met meer dan 9 % overtroffen .
61 . Tal van factoren binnen het proces van de loonvorming hebben tot deze ontwikkeling bijgedragen : de gevolgen van de wijziging van de wisselkoersen , de verslechtering van de ruilvoet die nog niet op het reële inkomen van de werknemers heeft ingewerkt , de verhoging van de fiscale en sociale lasten in zoverre hun effect op het netto-inkomen van de werknemers door extra verhogingen van de brutolonen en salarissen werd gecompenseerd , de onderschatting van de effecten van de anti-inflatiepolitiek en van het recessierisico bij de afsluiting van de collectieve arbeidsovereenkomsten , enz . Een dergelijke ontwikkeling heeft de winstmarges der ondernemingen aanmerkelijk verkleind en haar investeringsneiging verminderd .
In Frankrijk , Ierland en Luxemburg lijkt de verhoging van de gecorrigeerde loonquote in hoofdzaak toe te schrijven aan de omstandigheid dat geen rekening is gehouden met de verslechtering van de ruilvoet en aan de recessie . Boven het cyclische effect uit is deze stijging in Duitsland , België en Italië en in zekere mate ook in het Verenigd Koninkrijk reeds in 1970 begonnen , terwijl zij in Nederland en in Denemarken in overeenstemming is met een trend op langere termijn . Voor de beide laatstgenoemde landen weerspiegelde deze trend in sterke mate de groeiende betekenis van de overheidsdiensten in het BBP .
62 . In alle Lid-Staten is het aandeel van de overheidsontvangsten en -uitgaven in het BBP van 1960 tot 1973 voortdurend gestegen ( zie grafieken 4 , 5 en 6 ) en in sommige landen zijn aanzienlijke tekorten ontstaan . De financiering van deze tekorten op de kapitaalmarkt leidt er toe dat minder ter beschikking komt voor de financiering van de bedrijfsinvesteringen . Wanneer de particuliere investeringen op middellange termijn weer zullen stijgen , hebben deze landen slechts de keuze tussen sanering van de overheidsfinanciën en een permanente schuld aan het buitenland , tenzij de particuliere besparingen zich op een hoog niveau bevinden . De verdeling over deze mogelijkheden hangt af van verschillende economische en politieke factoren in elk land doch ook van de eventueel op gemeenschapsniveau getroffen maatregelen .
63 . In de jaren 1974 en 1975 is de verslechtering van de situatie van de openbare financiën van alle Lid-Staten voor een groot deel aan de automatische effecten van de recessie , de prijsstijgingen en de maatregelen tot stimulering van de conjunctuur toe te schrijven . Sommige van deze maatregelen zijn slechts moeilijk te redresseren .
In grote lijnen is de groei van de uitgaven gedurende de laatste twee jaren veel sneller geworden , hoofdzakelijk wegens de sterke toeneming van de overdrachten en - in geringere mate - de overheidsconsumptie .
64 . De ontvangsten daarentegen hebben hiermede geen gelijke tred gehouden , vooral wegens de dalende economische bedrijvigheid en in sommige landen als gevolg van ontvangstendervingen door belastinghervormingen ; een uitzondering vormen enkele landen waarin de belastingen in het kader van een bewust beleid werden verhoogd . In 1975 hebben de ontvangsten hun groeitempo op lange termijn gehandhaafd of zich op hun relatieve niveau van 1973 gestabiliseerd . Daaruit zijn tekorten van vaak buitengewone omvang ontstaan . Weliswaar vullen deze tekorten , gezien de recessie , de ontbrekende investeringen aan , absorberen zij het tijdelijk overschot van de gezinsbesparingen en compenseren zij eventueel ook het tekort op de betalingsbalans zodat zij op korte termijn de vraag en de economische bedrijvigheid ondersteunen maar zij kunnen , als het herstel eenmaal is bereikt , op middellange termijn niet voortduren . In de eerste plaats zou dan het vraagstuk van de financiering van de aanzienlijk gestegen overheidsschulden rijzen . Het herstel van het externe economische evenwicht en de vereiste bedrijfsinvesteringen zouden eveneens in gevaar worden gebracht waaruit ernstige gevolgen zouden voortvloeien voor het groeipotentieel en de werkgelegenheid . Gezien deze kennelijke tegenstrijdigheid tussen de vereisten op de korte en de middellange termijn is de flexibiliteit van de financiële politiek van de overheid voor het groeipad van de economie in de komende twee of drie jaren van zeer groot belang .
65 . Behalve aan het probleem van de tekorten moet bijzondere aandacht worden gewijd aan de gestadige stijging van het aandeel van de overheid in het bruto binnenlands produkt . De beslissing over de omvang van de behoeften waarin collectief wordt voorzien en de daaruit voortvloeiende druk der belastingen en met belastingen gelijk te stellen heffingen is weliswaar van politieke aard , maar de economische consequenties ervan moeten ten volle worden onderkend .
66 . Gedurende de laatste jaren is gedeeltelijk onder invloed van de inflatoire ontwikkeling een wedloop ontstaan bij de stijging zowel van de collectieve als de particuliere behoeften . In de landen met sterk progresieve directe belastingen is de belastingdruk zonder uitdrukkelijke politieke beslissing gestegen door het eenvoudige samenspel van de door de inflatie bepaalde inkomensstijging en de progressie in de belastingen ( fiscal-drag ) . Veelvuldig had de toeneming van de lastendruk ( belasting en sociale premies ) extra verhogingen van de brutolonen tot gevolg om de groei van het netto-inkomen te handhaven .
Een dergelijk proces waarin eigenlijk een afwijzing van deze lastenverzwaring tot uitdrukking komt bevordert de inflatie of vormt als het ware een belasting voor bedrijven voor zover deze niet meer in staat zijn de gestegen kosten in de prijzen door te berekenen . In het laatste geval slinken de winstmarges en neemt de investeringsneiging af .
De voortzetting van het tempo van de relatieve groei der overheidsuitgaven stuit dus in vele Lid-Staten op de moeilijkheid om de collectieve druk nog verder te verzwaren zonder de normale functionering van de economie in gevaar te brengen . Dit geldt in het bijzonder voor België , Nederland , Luxemburg , Ierland en Denemarken , doch ook in Duitsland is het probleem dringend . Onder die omstandigheden dient het beroep op een verdere verhoging van de druk van belastingen en met belastingen vergelijkbare heffingen beperkt te blijven .
B . De kwantitatieve beleidslijnen
67 . Geplaatst tegenover de zojuist beschreven problematiek wil de Gemeenschap zich derhalve in het kader van het vierde middellange termijnprogramma doelen stellen die evenwichtig en tegelijkertijd ambitieus zijn , in het bijzonder met betrekking tot de duurzame veiligstelling van volledige werkgelegenheid en geleidelijke bedwinging van de inflatie . Deze doelstellingen moeten echter realistisch en geloofwaardig zijn .
68 . De werkelijkheidszin gebiedt dat rekening wordt gehouden met de beperkende omstandigheden die de activiteit van de Gemeenschap nog steeds bepalen :
- de mate van de sociale consensus is van land tot land verschillend ;
- de structurele dispariteiten binnen de Gemeenschap zijn nog steeds aanzienlijk ;
- in de Lid-Staten wordt aan de grote economisch-politieke doelstellingen een verschillende prioriteit toegekend .
Momenteel zijn niet alle politieke en institutionele voorwaarden vervuld die een gemeenschapsactie ter overwinning van deze hindernissen mogelijk maken . De verwezenlijking van de hier gestelde doelen zou echter bijdragen tot de vervulling van deze voorwaarden .
69 . Om de gekozen beleidslijnen geloofwaardig te doen zijn moeten tegelijkertijd de voor hun verwezenlijking noodzakelijke economisch-politieke voorwaarden worden vastgesteld . Verder is nodig dat niet alleen de overheid maar ook alle andere economische subjecten zich van de dreigende gevaren bewust zijn en bijgevolg de noodzaak inzien van een gemeenschappelijke aanvaarding van dit beleid .
Is dit niet het geval , dan moet een aanzienlijk ongunstigere ontwikkeling worden verwacht , die ernstige politieke en sociale consequenties zou hebben .
70 . De hierna volgende kwantitatieve oriëntaties zijn macro-economische referentiecijfers op middellange termijn ; zij moeten in een totale strategie worden ingepast en door algemene en specifieke maatregelen worden ondersteund .
Indien de onzekerheden tussen 1976 en 1980 geleidelijk afnemen , en de economische , sociale , politieke en institutionele realiseringsvoorwaarden worden vervuld , zouden deze oriëntaties ambitieuzer kunnen worden gemaakt .
Zij dienen jaarlijks aan een onderzoek te worden onderworpen en eventueel in het kader van het eerste onderzoek van de economische toestand van de Gemeenschap , overeenkomstig Beschikking 74/120/EEG , te worden bijgewerkt .
71 . Ter vermindering van de werkloosheid en een betere behoeftenbevrediging is een aanhoudende en krachtige groei noodzakelijk . Deze is voorwaarde voor het beëindigen van de toestand van onderbezetting van de produktiecapaciteit en de verspilling van produktiemiddelen , voor de betere oplossing van de allocatie - en verdelingsproblemen en voor de verwezenlijking van de sociale en maatschappelijke doelstellingen .
Naarmate de gemeenschappelijke actie de Lid-Staten grotere armslag kan geven kan de groeidoelstelling ambitieuzer worden geformuleerd . Geen Lid-Staat kan voor zich alleen een politiek van krachtige expansie volgen zonder aanzienlijke evenwichtsverstoringen te moeten vrezen . Evenmin is een land alleen in staat de ontwikkeling in de rest van de wereld te beïnvloeden . Derhalve is een geconcerteerde actie ter bereiking van een krachtigere en meer met de eisen van de stabiliteit overeenstemmende groei noodzakelijk , een en ander onder verzekering van een bevredigend evenwicht tussen de Lid-Staten .
Reeds enkel en alleen de aankondiging van een dergelijke politiek der Gemeenschap , die als geheel in de wereldeconomie een gewicht heeft dat in veel opzichten dat van de grote mogendheden overtreft , zou binnen en buiten de Gemeenschap positieve psychologische effecten hebben ( zie tabel 7 ) .
72 . De Gemeenschap heeft als oriëntatie voor de periode 1976 tot en met 1980 een gemiddelde jaarlijkse groei van het reële BBP van 4,5 % tot 5 % . Het groeipercentage van Frankrij zou bij 5,5 % kunnen liggen ; dit is gezien de stijging van de beroepsbevolking noodzakelijk en ook mogelijk daar in Frankrijk de daling van de investeringen minder sterk was dan in vele andere landen . Voor Italië , Belgie , Ierland en Denemarken zou de groei 4,5 % tot 5 % kunnen bedragen . In Duitsland en in Nederland zou de groei tussen 4 en 5 % kunnen liggen . In het Verenigd Koninkrijk is 4 % tot 4,5 % mogelijk als alles wordt gedaan om het groeipotentieel van het land op te voeren . Ten slotte zou de groei van de Luxemburgse economie , rekening houdend met haar structuur - een weinig gediversifieerde en zeer sterk op staal geconcentreerde industrie - 3 % tot 3,5 % kunnen bedragen .
73 . Een ambitieus richtsnoer voor de vermindering van de werkloosheid impliceert de realisatie van een aanzienlijke groei en tegelijkertijd de uitvoering van een specifiek werkgelegenheidsbeleid . Het conjuncturele herstel moet leiden tot een snelle verdwijning van de conjuncturele werkloosheid . De bevordering van de investeringen en het specifieke werkgelegenheidsbeleid moeten leiden tot een sterke groei die de structurele werkloosheid doet afnemen .
Het is moeilijk om de effecten te kwantificeren die de versnelde groei en het specifieke werkgelegenheidsbeleid op de produktiviteit en op de werkgelegenheid zelf hebben . Bovendien variëren de inhoud van het begrip werkloosheid en de wijze van meting van de werkloosheid naar tijdstip en land . In elk geval moet de Gemeenschap zich voor 1980 ten doel stellen wederom een toestand van volledige werkgelegenheid te bereiken , dat wil zeggen een toestand waarin iedereen die verlangend is een arbeidsplaats in te nemen deze ook kan vinden , zo nodig dank zij een aanvullende opleiding , en aldus aan allen een langdurige of herhaalde werkloosheid te besparen .
74 . Ten aanzien van de prijzen moet de Gemeenschap zich een tweevoudig doel stellen :
- aan de prijsontwikkeling moet een autonome waarde worden verleend , d.w.z . dat zij niet van de internationale prijsontwikkeling moet worden afgeleid , zulks om vooruitgang te bereiken in de richting van een " Gemeenschap van stabiliteit en groei " ;
- de divergenties van de prijsontwikkeling in de diverse Lid-Staten moeten worden verminderd om het gevaar van wisselkoerswijzigingen te verkleinen , en daarmede de intracommunautaire handel te bevorderen en de voorwaarden voor verdere vooruitgang op de weg naar de Economische en Monetaire Unie te scheppen .
In alle landen van de Gemeenschap zou het inflatiepeil geleidelijk moeten worden teruggebracht tot een peil dat met een duurzame stabiliteit verenigbaar is en dat op zijn laatst in 1980 ongeveer 4 % tot 5 % zou moeten zijn .
Voor sommige landen is een dusdanig doel ongetwijfeld uiterst ambitieus . Toch moet alles worden gedaan om dit doel te bereiken ; daartoe behoort in het bijzonder dat de in deel III van dit programma uiteengezette maatregelen , waar dit noodzakelijk blijkt te zijn , zoveel mogelijk worden versterkt .
75 . Voor het externe evenwicht van de Gemeenschap dient een meer flexibele oriëntatie te worden aangenomen , aangepast aan de betalingsbalanssituatie op mondiaal niveau .
In het eerste gedeelte van de prognoseperiode dient de Gemeenschap een betalingsbalanstekort te aanvaarden , maar in 1980 zou een positief uitvoersaldo ter hoogte van 0,5 tot 1 % van het BBP moeten worden bereikt ( goederen , diensten en factorinkomens ) .
De rentelast van de aardolieschuld is reeds in dit saldo opgenomen en de delging van deze schuld zal waarschijnlijk niet voor 1980 beginnen . Bovendien zullen de overdrachten vooral naar de ontwikkelingslanden , tenminste even hoog moeten blijven als in het verleden . Het gekozen oriënteringscijfer komt derhalve overeen met een betalingsbalans die in evenwicht of licht deficitair is zoals de ervaring tot dusver heeft geleerd . Deze richtlijn is van voorwaardelijke aard daar zij een vrij sterke verslechtering van de betalingsbalanspositie van enkele derde landen veronderstelt . Als dit niet zou gebeuren zou de Gemeenschap , ten behoeve van de prioritaire doelstellingen van groei en werkgelegenheid , zelfs een groter tekort moeten dragen . In dit geval zouden problemen rijzen wanneer het tekort zich bij bepaalde landen zou concentreren .
C . Een gemeenschapsstrategie
76 . De in het voorgaande aangeduide kwantitatieve beleidslijnen moeten in een strategie worden ingepast die aan de doelstellingen een rangorde toewijst en de economisch-politieke voorwaarden voor hun realisering duidelijk maakt . Deze strategie vormt het kader voor het beleid dat in het derde deel wordt uiteengezet .
In de huidige situatie moet aan het duurzame herstel van de volledige werkgelegenheid de hoogste prioriteit worden gegeven .
Voor een betere bevrediging van de behoeften en een optimale allocatie van de middelen zijn groei en prijsstabiliteit onontbeerlijk ; zij vormen echter tevens een fundamentele voorwaarde voor een bevredigende werkgelegenheid .
De beleidslijnen voor het uitvoersaldo zijn algemene evenwichtsvoorwaarden ; zij moeten overeenkomstig de internationale economische ontwikkeling en het conjunctuurverloop worden gespecificeerd .
77 . Deze vier kwantitatieve beleidslijnen kunnen vanzelfsprekend niet volledig representatief zijn voor alle socio-economische doelstellingen . In de verwachtingen van de bevolking en het denken van de politieke leiders nemen andere doelen , die vaak kwalitatief van aard zijn doch ook moeilijker systematisch te formuleren , een belangrijke plaats in . Tot deze doelen behoren vooral het bereiken van een meer evenwichtige regionale ontwikkeling , de milieubescherming , een meer rechtvaardige inkomensverdeling en vermindering van ongelijkheid van kansen , de verbetering van de levens - en arbeidsomstandigheden alsmede in het algemeen de sociale en maatschappelijke vooruitgang . Ook kan worden genoemd de behoefte om op energie en schaarse grondstoffen te besparen en hulp te bieden aan de ontwikkelingslanden .
78 . De huidige socio-economische situaties en de reeds verwezenlijkte vooruitgang op deze veeleer kwalitatieve gebieden zijn van land tot land verschillend . Verschillen bij de vaststelling van de prioriteit der doelstellingen ten aanzien van sociale vooruitgang en groei alsmede bij de keuze van de middelen moeten derhalve als normaal worden beschouwd . Ofschoon op deze gebieden niet naar gelijkvormigheid dient te worden gestreefd moet desalniettemin aan bepaalde voorwaarden inzake convergentie op gemeenschapsniveau worden voldaan .
79 . De in sommige landen en bepaalde maatschappelijke lagen van de bevolking ervaren tegenstrijdigheid tussen de macro-economische doelstellingen en evenwicht enerzijds en de verwezenlijking van meer kwalitatieve doelstellingen anderzijds moet worden overwonnen . Volledige werkgelegenheid berustend op een constante en krachtige groei met stabiliteit en inachtneming van de eisen van het macro-economische evenwicht is de voorwaarde voor de sociale vooruitgang en voor een betere verwezenlijking van de andere kwalitatieve doelen en vormt derhalve het fundament van de sociale stabiliteit .
Te trachten de kwalitatieve doelen door vertraging of zelfs stopzetting van de groei te verwezenlijken is , gezien de omvang van de nog niet bevredigde behoeften , onrealistisch ; naar sociale vooruitgang streven zonder rekening te houden met de grenzen van het economisch mogelijke vormt in zichzelf een tegenstrijdigheid . Het streven naar een teugelloze groei ter verwezenlijking van de volledige werkgelegenheid en ter uitbreiding van de mogelijkheden van de sociale vooruitgang is niet verenigbaar met de dwingende eis van het macro-economische evenwicht en inzonderheid het externe evenwicht : een sociale vooruitgang " op andermans kosten " kan niet duurzaam zijn . Dit alles kan alleen maar uitlopen op overmatige aanspraken en op conflicten inzake de verdeling van de beschikbare middelen die beperkt blijven . Maar tot mislukking gedoemd is eveneens het najagen van macro-economische doeleinden en macro-economisch evenwicht zonder een minimum aan overeenstemming tussen de maatschappelijke groeperingen onderling en tussen hen en de overheid over de definitie van het gemeenschappelijke belang op middellange termijn .
De eerste keuze heeft als enig resultaat op middellange termijn een versnelling van de inflatie , het voortduren van de werkloosheid en een economische neergang . De tweede keuze leidt tot een onbevredigende uitkomst van het economisch proces die de sociale vooruitgang beperkt of belemmert . Beide leiden ten slotte tot de aantasting van de democratische orde .
80 . Een essentiële voorwaarde voor de verwezenlijking van de richtsnoeren van het vierde programma is het bereiken van een echte overeenstemming tussen de sociale partners onderling en tussen hen en de overheid , niet alleen op nationaal vlak maar in grote lijnen ook op Europees vlak . Deze overeenstemming mag zich niet tot de doeleinden van volledige werkgelegenheid , groei en stabiliteit beperken . Zij moet ook de algemene doelstellingen van de kwalitatieve en sociale vooruitgang omvatten waarbij de verenigbaarheid met de eerstgenoemde doelstellingen moet zijn gewaarborgd .
81 . De praktische verwezenlijking van de beleidslijnen van dit programma hangt af van een conjunctuurpolitiek die een continue en krachtige groei onder grotere prijsstabiliteit mogelijk maakt . Bij dit conjunctuurverloop moet met de conjuncturele faseverschillen tussen de Lid-Staten rekening worden gehouden , een patroon dat voor het herstel van het macro-economisch evenwicht binnen de Gemeenschap noodzakelijk is . De bovengenoemde conjunctuurpolitiek moet door een beleid van globale maatregelen en met behulp van een verantwoorde opstelling van de sociale partners met betrekking tot de inkomenspolitiek , gestalte krijgen . Op dit conjunctuurverloop moet ook het tijdschema van de maatregelen van structuurpolitiek en van economische en sociale hervormingen worden afgestemd .
82 . Het herstel van de volledige werkgelegenheid en het bereiken van een constante en krachtige groei hangen voor een groot deel af van het succes van de inflatiebestrijding . De geleidelijke verdwijning van de inflatieverwachtingen van de economische subjecten moet in het bijzonder worden bereikt via een strengere en meer regelmatige geld - en kredietpolitiek . Eventueel ware te overwegen om tevoren de grenzen van de expansie van de geldhoeveelheid in verhouding tot de nagestreefde groei vast te stellen . Dit vindt in sommige landen reeds plaats en is in andere in studie . Aldus zouden de sociale partners en de overheid over een aanknopingspunt beschikken voor de macro-economisch mogelijke nominale expansie .
De nauwe coordinatie van de aldus opgezette geld - en kredietpolitiek der Lid-Staten zou eveneens een belangrijke factor zijn bij het geleidelijk dichter bij elkaar brengen van de kosten - en prijstrends en het stabiliseren van de wisselkoersen in de Gemeenschap .
83 . Aan begrotingspolitiek valt in deze totale strategie een hoofdrol toe . Zij moet aan de hand van de volgende criteria worden opgezet :
- bijdrage tot een consolidatie van de economische ontwikkeling en voortdurende bewaking van de plaats der financieringstekorten in het macro-economisch evenwicht ;
- verkleining of wel wegneming van de structurele tekorten ; de hiervoor noodzakelijke verlaging van het relatieve uitgavenaandeel of de verhoging van de belastingen of sociale verzekeringsbijdragen houden het gevaar in verdedigingsreacties van de betrokken sociale groepen op te wekken ;
- voortzetting van de voorziening in de collectieve behoeften via de openbare financiën ; de overheden dienen het voorbeeld te geven van een rationeel financieel beheer dat op een volledige bevrediging van de gerechtvaardigde behoeften is afgestemd doch het opwekken van onmogelijk te bevredigen aanspraken vermijdt en kostbare maatregelen die hun ratio hebben verloren intrekt .
Deze globale conceptie van de stabilisatiepolitiek moet worden aangevuld en ondersteund door specifieke maatregelen op het gebied van de concurrentiepolitiek en de consumentenbescherming alsmede door maatregelen die een rechtvaardiger inkomensverdeling en de sociale vooruitgang bevorderen .
84 . Met het oog op de prioriteit die aan de volledige werkgelegenheid wordt gegeven moet deze strategie voor de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen en de vermindering van de werkloosheid alsmede voor het behoud der bestaande arbeidsplaatsen door beperking van de kostenstijging een bijzondere plaats inruimen .
Schepping van nieuwe arbeidsplaatsen betekent bevordering van produktieve investeringen en dus de matiging van de binnenlandse consumptie ; een en ander vormt bovendien een voorwaarde voor het duurzame herstel van het externe evenwicht . Dit impliceert op korte termijn een geringere stijging van het beschikbare inkomen der gezinshuishoudingen in ruil voor een op middellange termijn sterkere stijging van het reële inkomen en de werkgelegenheid . Om de investeringsactiviteit der ondernemingen weer te doen opleven en haar arbeidsplaatsen te doen scheppen in plaats van arbeidsplaatsen te vernietigen moeten de winsten en de relatieve kosten van de factor arbeid weer genormaliseerd worden . De inkomensontwikkeling speelt de hoofdrol in dit proces . De verdelingsmoeilijkheden kunnen worden verminderd door een regulering van het conjunctuurverloop onder vermijding van abrupte wijzigingen in de inkomensverdeling alsmede door de uitvoering van een bezitsvormingsbeleid en maatregelen tot bevordering van het sparen .
85 . De oplossing van het werkgelegenheidsprobleem vereist intussen ook de uitvoering van een specifieke werkgelegenheids - en arbeidsmarktpolitiek .
Maatregelen ter vermindering van het aanbod van arbeidskrachten zoals bij voorbeeld de verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd en de verkorting van de werktijd bieden geen algemene oplossing voor het probleem van de werkloosheid ; de effecten daarvan op de sociale vooruitgang en de vermindering van de werkloosheid moeten vergeleken worden met hun kosten voor de maatschappij : vooral op grond van de demografische ontwikkeling op langere termijn , kunnen deze kosten zeer hoog oplopen .
Positieve maatregelen , zoals premies voor de beroepsopleiding van jongeren in de bedrijven , versnellen de vermindering van de conjuncturele werkloosheid en hebben in dit geval een hoge maatschappelijke rentabiliteit .
Meer algemene maatregelen ter verbetering van de beroepsopleiding of op het gebied van de omscholing en de mobiliteit dragen , in het bijzonder op middellange termijn , bij tot vermindering van de structurele werkloosheid en verhoging van de flexibiliteit der economie . De politiek van humanisering van het arbeidsmilieu moet worden voortgezet en geïntensiveerd .
Deze aspecten vormen bij uitnemendheid voorbeelden van thema's voor discussie en overleg met de sociale partners . Voorts moet aan de ondernemingen de nodige tijd worden gegund om zich aan de genomen maatregelen aan te passen .
86 . Als de belangrijkste elementen van de hier geschetste algemene strategie in alle Lid-Staten zouden kunnen worden verwezenlijkt zou dit een beslissende vooruitgang voor de versterking van de Gemeenschap betekenen .
Juist het gebruik van het gewicht en de dimensie van de Gemeenschap moet echter op zijn beurt een element vormen van de algemene strategie .
De buitenlandse economische politiek van de Gemeenschap moet aldus worden opgezet dat zij al haar bevoegdheden kan uitoefenen ; zij moet , terwijl de reeds vastgestelde richtsnoeren worden gevolgd , worden geïntensiveerd : bevordering van de liberalisatie en bescherming tegen de toenemende gevaren van het protectionisme , ontwikkelingshulp , overdrachten van reële middelen en technologie naar de ontwikkelingslanden , opening van de grenzen voor bepaalde produkten , streven naar een aanvaardbare ordening , berustende op multilaterale verdragen in het kader van de betrekkingen met de overige industrielanden , de ontwikkelingslanden , de OPEC-landen en de landen met staatshandel .
Boven deze belangrijke bijdrage tot een betere ordening van de wereldeconomie uit heeft de Gemeenschap een toereikende omvang om een krachtige groei in stabiliteit , ook tegen een eventuele ongunstige internationale economische ontwikkeling in , te handhaven . Dit veronderstelt natuurlijk dat de overige elementen van de algemene strategie worden verwezenlijkt en dat de samenhang van de Gemeenschap kan worden versterkt .
Het streven naar coordinatie , in het kader van de Gemeenschap , van de nationale maatregelen van economische politiek , moet worden voortgezet .
In een aldus verstevigd gemeenschappelijk kader , zouden de gemeenschapssolidariteit , de maatregelen tot vermindering van de regionale en structurele dispariteiten en meer in het algemeen alle vormen van gemeenschappelijke politiek gericht op versterking van de interne structuren van de Gemeenschap , zich alle gunstiger kunnen ontwikkelen .
DEEL III
TOEPASSING VAN DE BELEIDSLIJNEN
A . Aanpassing van het beleid aan het conjunctuurverloop
87 . De verwezenlijking van de algemene beleidslijnen van dit programma hangt in beslissende mate af van het conjunctuurverloop in de komende twee of drie jaren . De algemene economische politiek en de houding van de sociale partners ten aanzien van de inkomens zullen moeten uitgaan boven wat op korte termijn noodzakelijk is en van het begin af aan rekening moeten houden met de eisen die worden gesteld door een evenwichtigere groei op middellange termijn .
Gedurende deze periode moet een oplossing worden gezocht voor het voor de hand liggende conflict tussen de economisch-politieke doelstellingen op korte en die op middellange termijn . Immers , in tijden van recessie wordt de economische activiteit geschraagd door begrotingstekorten en de particuliere consumptie ; in een latere fase echter dient het aandeel van de consumptie van gezinnen en overheid te worden verminderd om plaats te maken voor investeringen , en het begrotingstekort moet , al naar gelang van de situatie van het betrokken land , sterk dalen of zelfs verdwijnen . De daartoe te treffen maatregelen zullen echter moeten worden genuanceerd ingeval de totale vraag zwak blijft .
Het uitvoersaldo zal bij het begin van de opleving waarschijnlijk teruglopen maar het evenwicht moet op middellange termijn worden hersteld . Dit mag niet ten koste van de investeringen gaan , zoals in 1975 het geval was . Om het conjunctuurherstel te vergemakkelijken moet de consumptie eerst worden gestimuleerd door een daling van de spaarquote van de gezinnen ; bij het aantrekken van de investeringen dienen evenwel spaargelden beschikbaar te zijn om deze te kunnen financieren ; en naarmate het externe evenwicht zich herstelt moeten binnenlandse besparingen de plaats innemen van de met het betalingsbalanstekort verbonden toevoer van buitenlandse besparingen .
88 . Iedere herstelfase houdt risico's in van onevenwichtigheden en sociale conflicten . Als het conjunctuurverloop niet onder controle gehouden wordt , bestaat er een grote kans op inflatoire oververhitting gevolgd door een voortijdige onderbreking van de groei , vooral wanneer deze situatie zich tegelijkertijd in verscheidene belangrijke landen voordoet .
Hoewel de vooruitzichten op korte termijn en deze schets van de verdere ontwikkeling aanzienlijke faseverschillen in het conjunctuurverloop tussen de voornaamste landen binnen en buiten de Gemeenschap impliceren , bestaat de mogelijkheid dat de economie in vrijwel alle industrielanden spoedig een krachtige expansie zal vertonen . Multiplier effecten zouden dan inflatoire spanningen op wereldniveau kunnen veroorzaken .
89 . De geplande groeivoeten zouden dan niet meer haalbaar zijn . Daarom moet een te snelle groei worden vermeden en een meer regelmatige groei worden nagestreefd . Hierdoor kunnen de gevoelens van vrees en het anticiperend gedrag die een onderbreking van de groei zouden oproepen worden vermeden zodat wordt bijgedragen tot een snel en duurzaam herstel van de investeringsquote . Een krachtig herstel van de investeringen is immers noodzakelijk voor de terugkeer tot volledige werkgelegenheid en het opheffen van de knelpunten , die in sommige sectoren reeds vroeg zouden ontstaan .
90 . Onder deze voorwaarden en gezien de sterke opleving die zich thans in enkele belangrijke landen voordoet , mag derhalve worden aangenomen dat de werkelijke groei in de Gemeenschap in 1977 en 1978 aanmerkelijk boven de potentiële groei zal liggen . Van belang is dat het beleid wordt gericht op het voorkomen van oververhitting . Aan het einde van de periode moet de effectieve groei weer overeenstemmen met de potentiële groei .
Noodzakelijkerwijze zullen zich afwijkingen van het berekende gemiddelde richtcijfer voor de Gemeenschap 4,5 - 5 % tussen 1976 en 1980 ) voordoen als gevolg van de bijzondere economische situatie in de verschillende Lid-Staten .
Het herstel in de Gemeenschap is begonnen in Duitsland , gevolgd door de Benelux-landen , Frankrijk en Denemarken , Italië , het Verenigd Koninkrijk en Ierland zullen in de eerste plaats moeten trachten hun prijzen en hun kosten onder controle te krijgen , zodat de uitvoer gangmaker van hun groei kan worden .
91 . In de landen waar een te scherpe stijging van de winsten gedurende de herstelperiode mogelijk lijkt dienen thans reeds maatregelen te worden voorbereid om , terwijl voorwaarden worden geschapen voor de terugkeer naar een normale rentabiliteit , nieuwe conflicten over de inkomensverdeling te voorkomen . De problemen in verband met de inkomensverdeling zijn gemakkelijker op te lossen , indien de economische ontwikkeling zodanig wordt gestuurd dat abrupte wijzigingen in de verdeling tussen produktiefactoren van het nationaal inkomen worden vermeden .
Meer in het algemeen zouden stappen moeten worden ondernomen om een grotere sociale consensus te bereiken en de sociale partners meer bij de economische besluitvorming te betrekken . Dit punt wordt hierna nog uitvoeriger behandeld .
B . Geleidelijke beteugeling van de inflatie
a ) Algemene beleidslijnen
92 . Voor het beteugelen van de inflatie moet alles in het werk worden gesteld om :
- de moeilijke problemen in verband met de regulering van de vraag , de dosering van de monetaire politiek en het evenwicht van de openbare financiën op te lossen ;
- de meer structurele oorzaken van de inflatie geleidelijk onder controle te krijgen .
Met betrekking tot het beheersen van de liquiditeitenmassa en de ontwikkeling van de openbare financiën worden hier de voor de Gemeenschap wenselijke beleidslijnen kort samengevat :
- de expansie van de binnenlandse liquiditeitenmassa zou beter in de hand moeten worden gehouden ;
- de begrotingstekorten dienen geleidelijk te worden teruggedrongen , in het bijzonder door een strenge controle van de uitgaven , om een nieuwe toeneming van de inflatie ten gevolge van een te sterke stijging van de collectieve lastendruk te voorkomen ;
- op internationaal vlak zouden handhaving van het vrije handelsverkeer en een betere samenwerking met de rest van de wereld moeten bijdragen tot het indammen van de prijsstijgingen ;
- de wisselkoersschommelingen zouden , voor zover de regeringen deze kunnen beïnvloeden , beperkt moeten blijven tot wat economisch verantwoord is .
Bovendien verdienen de volgende problemen bijzondere aandacht :
- beheersen van de inkomensontwikkeling en het laten deelnemen van brede lagen van de bevolking aan de vermogensvorming ;
- de doelmatigheid van het mededingingsbeleid .
b ) Inkomensontwikkeling en vermogensvorming
93 . De inflatiebestrijding vereist aanvullende maatregelen , die er voor een deel op gericht moeten zijn de inkomens beter in toom te houden ; van belang is namelijk dat de algemene ontwikkeling en de verdeling van de inkomens worden afgestemd op de werkelijke resultaten van de groei en de voorwaarden voor verdere economische groei . Dit veronderstelt in de eerste plaats dat winsten weer een normaal niveau bereiken , ten einde de noodzakelijke produktieve investeringen mogelijk te maken , en dat vervolgens de sociale partners ermee instemmen niet te streven naar een maximaal aandeel in het nationale inkomen op korte termijn , maar zich de optimale ontwikkeling van hun reële inkomens op middellange termijn ten doel stellen . Een dergelijke optimale ontwikkeling is slechts mogelijk , indien zij bereid zijn de kosten verbonden aan de terugkeer naar een evenwichtige groei op adequate wijze mede te dragen in de vorm van een geringere inkomensstijging .
Wegens haar belangrijke aandeel in het geheel van de inkomens is de ontwikkeling van de gecorrigeerde loonquote ten opzichte van het binnenlands produkt op dit punt van beslissende betekenis . De stijging van de reële lonen en salarissen welke de reële groei van het bruto binnenlands produkt per hoofd van de beroepsbevolking mogelijk maakt mag niet volledig beslag leggen op deze groei ; de loontrekkenden zullen ook een billijk deel van de prijsverhogingen of inkomensbesnoeiingen in verband met een eventuele verslechtering van de ruilvoet en met eventuele fiscale of parafiscale maatregelen moeten dragen .
De aldus van de sociale partners verlangde zelfdiscipline met betrekking tot de inkomens ligt des te meer binnen het bereik naarmate het gevoerde beleid gericht is op een bevredigende lastenverdeling .
In enige Lid-Staten zou een aanpassing van de loon - en salarisschalen ten einde de spreiding te verkleinen , de handarbeit op te waarderen en de verschillen tussen mannen - en vrouwenlonen te beperken om redenen van sociale rechtvaardigheid en om economische redenen op haar plaats zijn .
Meer in het algemeen is het noodzakelijk de inkomensverschillen tussen de regio's te verkleinen , rekening houdende met punt 136 en volgende .
Wat betreft de individuele niet-looninkomens , zou door uitschakeling van bepaalde ongerechtvaardigde verdiensten - in het bijzonder via een verruiming van de concurrentie in verschillende beroepen - niet alleen een van de oorzaken van inflatie rechtstreeks kunnen worden bestreden , maar ook de aanvaarding door de andere sociale categorieën van de van hen gevraagde zelfdiscipline kunnen worden vergemakkelijkt .
Een betere inkomensverdeling om de meest belangrijke ongelijkheden te verminderen en een meer rechtvaardige verdeling van de uit de aanpassing voortvloeiende lasten te verkrijgen vereist een vergroting van de kennis van de werkelijke inkomens . In een aantal gevallen is deze kennis namelijk zo beperkt en lopen de individuele situaties zo zeer uiteen , dat men geen duidelijk beeld heeft van de toestand en van de wijze waarop de collectieve inspanning over de sociale categorieën en binnen een zelfde categorie over de individuen moet worden verdeeld .
94 . Deze zelfdiscipline kan worden bemoeilijkt door de relatieve ontwikkeling van de verschillende inkomenscategorieën tijdens de conjunctuurcyclus . Zo dienen in de landen waar een te plotselinge stijging van de weer op peil gekomen winsten in de loop van de herstelperiode mogelijk lijkt thans reeds maatregelen te worden voorbereid om , terwijl voorwaarden worden geschapen voor de terugkeer naar een normale rentabiliteit , nieuwe conflicten over de inkomensverdeling te vermijden . Indien de feitelijke economische ontwikkeling sterk verschilt van die welke bij het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten werd verwacht , moeten de sociale partners kunnen onderhandelen over noodzakelijke aanpassingen om rekening te houden met onjuistheden in de ramingen .
In dit verband dient een sterkere deelneming van de loontrekkenden aan de vermogensvorming te worden aangemoedigd , evenwel zonder de investeringsactiviteit te schaden . Het kan daarbij gaan om winstverdelingsregelingen ( door toekenning van aandelen of andere eigendomstitels ) of regelingen op het gebied van " investeringsloon " ( volgens welke een gedeelte van het loon moet worden gespaard en opnieuw geïnvesteerd ) . Een actief beleid tot ontwikkeling van de gezinsbesparingen , waarbij gebruik wordt gemaakt van diverse stimulansen ( premies , spaarplannen , enz . ) zou in het algemeen gunstigere omstandigheden doen ontstaan voor het financieren van de investeringen en tevens bijdragen tot de totstandkoming van een betere sociale consensus .
c ) Concurrentiepolitiek
95 . De uitvoering van dit programma dient te steunen op een actief mededingingsbeleid , dat de doeltreffendheid van de instrumenten voor globale regulering kan verhogen en in het bijzonder kan bijdragen tot de inflatiebestrijding . Deze politiek moet er in het algemeen belang op gericht zijn :
- een zo rationeel mogelijke micro-economische allocatie van de produktiefactoren tot stand te brengen , door met name voortdurend druk uit te oefenen op kosten en prijzen ;
- een permanente aanpassing van het produktieapparaat te bevorderen door een snelle herallocatie van arbeid en kapitaal naar sectoren met grotere toekomstmogelijkheden te stimuleren ;
- te voorkomen dat de ondernemingen , door restrictieve maatregelen of misbruik , de markt kunnen verdelen of domineren , of zelfs de vraag kunnen manipuleren .
96 . Om de inflatoire effecten van onvoldoende concurrentie in de particuliere of overheidssector te vermijden , moeten in drie richtingen maatregelen worden getroffen :
- het verbeteren van de informatie en versterken van de controle over machtsposities ;
- het bevorderen van de oprichting en instandhouding van rendabele kleine en middelgrote ondernemingen ;
- meer in het algemeen het bestrijden van alle kunstmatige belemmeringen die de concurrentie vervalsen .
Toezicht op concentraties
97 . In sommige sectoren en landen brengt de bereikte hoge concentratiegraad , niet alleen wat de economische prestaties van deze ondernemingen betreft , maar ook in verband met de sociale en politieke repercussies van de economische macht , problemen met zich mee . Zo kan een onderneming die een machtspositie op de markt inneemt daarvan misbruik maken ten nadele van de consumenten ( met name door starheid met betrekking tot prijsverlagingen ) , de toeleverende of afnemende bedrijven en haar minder belangrijke concurrenten . In het geval van zeer grote ondernemingen kan zelfs afbreuk worden gedaan aan de sectoriële en algemene economische politiek van de overheid .
Op dit gebied moet een realistische aanpak leiden tot verbetering van de informatie over en in voorkomende gevallen verscherping van het toezicht op concentraties .
98 . Met inachtneming van met name de door de Raad van de OESO gedane aanbeveling inzake de invloed van multinationale ondernemingen , zou de mogelijkheid moeten worden overwogen op communautair vlak maatregelen te treffen ter versterking van de nationale maatregelen .
Met betrekking tot de informatie , hoofdvoorwaarde voor een betere controle , dient te worden nagegaan op welke wijze de gegevens waarover de overheid van elk land beschikt kunnen worden verzameld , uitgewerkt en onder dezelfde noemer gebracht . De mogelijkheid zou kunnen worden onderzocht bepaalde ondernemingen , in die sectoren waar sterke vermoedens bestaan dat zich een machtspositie voordoet , aan een bijzondere informatieplicht te onderwerpen .
99 . Toezicht betreffende ongeoorloofde gedragingen van dominerende ondernemingen is niet voldoende om het ontstaan van machtsposities te voorkomen . Zonder een gelijktijdig toezicht op concentraties blijft de controle van misbruiken louter symptoombestrijding .
Met de huidige rechtsvoorschriften van de Gemeenschap kunnen deze problemen niet op bevredigende wijze worden ondervangen . Derhalve dient de Gemeenschap te worden uitgerust met de nodige controlemiddelen om te kunnen nagaan of een concentratie effectieve concurrentie in de weg staat .
Het toezicht op beperkende praktijken , gevallen van misbruik en belangrijke concentraties vereist een gecoordineerd optreden op communautair en nationaal vlak . De Lid-Staten dienen dan ook de beschikking te krijgen over de daartoe noodzakelijke beleidsinstrumenten door adequate wettelijke regelingen te treffen of het toepassingsgebied van bestaande regelingen uit te breiden .
Aanmoediging van rendabele kleine en middelgrote ondernemingen
100 . Zowel een evenwichtige en dynamische economische ontwikkeling als een gezonde concurrentie pleiten voor het bestaan van een groot aantal kleine en middelgrote ondernemingen . Steeds moeilijker wordt het echter dergelijke ondernemingen op te richten en zelfs in stand te houden . Daarbij komt dat het kunstmatig in leven houden van marginale bedrijven de inflatie kan versterken .
De rentabiliteit van kleine en middelgrote ondernemingen kan wellicht worden verbeterd door :
- de beroepsopleiding en bijscholing alsmede de technische bijstand verder te ontwikkelen en te coordineren ;
- de financiële voorzieningen te treffen waardoor de kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker toegang tot risicodragend kapitaal en krediet verkrijgen , zonder han onafhankelijkheid te verliezen ;
- de verspreiding van technische kennis onder alle kleine en middelgrote ondernemingen via gemeenschappelijke onderzoekcentra te vergemakkelijken en , in verband daarmee , het stelsel van octrooien en licenties te herzien ; hierbij zouden de innoverende ondernemingen in aanmerking kunnen komen voor een bijzondere regeling .
Afschaffing van kunstmatige voordelen
101 . Wil de concurrentie haar functie kunnen vervullen , dan dienen de kunstmatige voordelen die haar vervalsen zoveel mogelijk te worden afgeschaft . Middelen daartoe zijn :
- degenen die aan het hoofd staan van overheidsbedrijven verantwoordelijkheid geven door hen in de gelegenheid te stellen reële prijzen te berekenen ; dit kan tot een vermindering van overheidssubsidies aan deze bedrijven leiden , en wel door :
- een meer algemene toepassing van het beginsel dat de kosten , met inbegrip van afschrijvingen en schuldaflossing en rentebetaling volledig zelf worden gedekt ;
- beperking van de subsidies tot de van overheidswege opgelegde lasten ( bij voorbeeld om sociale redenen ) ;
- afschaffing van de compensatie van tekorten en overschotten tussen verschillende overheidsbedrijven ;
- de overheidssubsidies aan ondernemingen sterker onder controle brengen door een strikte toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag van Rome ;
- alle ongewenste beperkingen van de toegang tot de markt verbieden , en in het bijzonder :
- de beperkingen van de toegang tot een bepaald beroep , die door de beroepsorganisatie zelf zijn vastgesteld , exclusiviteitsafspraken en toelatingsbeperkingen opnieuw bezien ;
- de door de overheid geregelde of goedgekeurde honoraria van bepaalde beroepen periodiek onderzoeken , met name voor zover via de tarieven een monopoliepositie in stand wordt gehouden ( notarissen , architecten , artsen , naar gelang van het land , enz . ) ;
- streven naar een zo groo mogelijke openstelling van overheidsopdrachten ;
- de aanwending van arbeidskrachten wier beloning lager ligt dan in de nationale voorschriften is bepaald , vermijden .
d ) Consumentenbescherming
102 . Een politiek van consumentenbescherming die erop gericht is een beter overzicht van de verschillende keuzemogelijkheden te verschaffen kan een waardevolle bijdrage tot de bestrijding van de inflatie betekenen . Een eerste stap daartoe zou zijn toepassing van de resolutie van de Raad van 14 april 1975 betreffende het eerste programma van de Europese Economische Gemeenschap voor een beleid inzake bescherming en voorlichting van de consument ( 1 ) .
103 . Bijzondere aandacht moet worden besteed aan verkooppraktijken , reclame en commerciële informatie , ten einde de werkelijke openheid en de doorzichtigheid van de markten te bevorderen .
De wettelijke voorschriften op dit gebied zouden ten doel moeten hebben de inspanningen tot zelfdiscipline in de sector aan te vullen . Zo nodig kan de overheid de minimumregels vaststellen die in een gedragscode moeten worden opgenomen . Excessen dienen met de volgende middelen te worden bestreden :
- uitbreiding van de preventieve overheidsmaatregelen ;
- ontwikkeling van de activiteiten van consumentenorganisaties .
104 . Tussen de landen van de Gemeenschap bestaan voor dezelfde of gelijksoortige produkten soms aanzienlijke prijsverschillen , die de variatie in belastingsystemen of in de structuur van de handel ver te boven gaan .
De mogelijkheid van de consument om te kopen waar hij dat wenst , met name in andere landen van de Gemeenschap , moet derhalve worden verruimd . Hiertoe zal een studie dienen te worden gemaakt van de instelling van een communautair systeem voor het bijeenbrengen en de publikatie van de prijzen van een aantal belangrijke identieke produkten , opdat de consument werkelijk voordeel heeft bij de openstelling van de markten .
105 . Het geheel van de hierbovengenoemde maatregelen dient te worden aangevuld met een actie waarmede wordt beoogd :
- meer rekening te houden met alle aspecten van de kwaliteit van het bestaan ten einde hiermede een tegenwicht te bieden tegen zuiver kwantitatieve verlangens ;
- de verspillingen te bestrijden , ten einde het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod van relatief schaarse goederen ( in het bijzonder energiebronnen , grondstoffen ) te voorkomen .
Het onderzoek naar de problemen in verband met de voorlichting en bescherming van de consument dient tijdens de door dit programma bestreken periode te worden voortgezet .
C . Openbare financiën
106 . Naast het probleem van de omvang van de tekorten bestaat ook het vraagstuk van het beslag van de overheidsuitgaven op het nationale inkomen .
De hypothese van een verdere sterke verhoging van het aandeel van de overheidsuitgaven wordt in verscheidene Lid-Staten aangevochten , ten eerste omdat een dergelijke verhoging een overeenkomstige verzwaring van de collectieve lasten met zich zou brengen , ten tweede omdat aldus teveel produktiemiddelen aan het marktmechanisme zouden worden onttrokken en ten slotte omdat zij een factor van kosteninflatie zou vormen doordat de economische subjecten zullen trachten hun beschikbare inkomens te handhaven .
107 . Tegelijkertijd is sprake van een toenemende vraag naar collectieve goederen . Deze betreft in de eerste plaats traditionele functies ( gezondheidszorg , sociale zekerheid ) maar ook nieuwe sociale eisen ( milieubescherming , aanpassing van de levensomstandigheden in de grote steden , cultuur , beroepsopleiding ) .
Voorts staat de ontwikkeling van de openbare financiën duidelijk onder invloed van het streven de ongelijkheid van kansen en levensvoorwaarden te verminderen . In een aantal Lid-Staten houdt dit streven niet slechts aan doch wordt het krachtiger ; zonder belangrijke wijzigingen in de rol die de openbare financiën hier vervullen zou deze doelstelling in de betrokken landen tot een verdere vergroting van het aandeel van de overheidssector kunnen leiden .
Ten slotte wordt van de overheid een grote inspanning verwacht bij het terugdringen van de structurele werkloosheid , die de komende jaren dreigt te blijven bestaan . Hoewel een gedeelte van de daartoe benodigde middelen wellicht vrij zal komen door een vermindering van de uitgaven in verband met de conjuncturele werkloosheid , kunnen overheidsmaatregelen om direct of indirect meer arbeidsplaatsen te scheppen additionele uitgaven met zich brengen .
108 . Ten einde deze tegengestelde eisen met elkaar in overeenstemming te brengen , moet de bij het gebruik van de openbare financiën gevolgde strategie de komende jaren geleidelijk worden aangepast .
Gezien de beperkingen waaraan de openbare financiën zijn onderworpen , is een betere verdeling van de uitgaven waardoor deze zo goed mogelijk beantwoorden aan de meest gewettigde collectieve aanspraken noodzakelijk .
Tussen de verschillende uitgavencategorieën dient een strenge afweging plaats te vinden . Begeleidende maatregelen zullen moeten worden getroffen om de wet van de traagheid , die vermoedelijk tot instandhouding van de budgettaire verdelingen zal leiden , te overwinnen . Ook dient het herverdelingseffect van de openbare financiën doeltreffender te worden gemaakt in het bijzonder wat de ontvangsten en uitgaven op het gebied van de sociale zekerheid betreft , waarvan dikwijls een regressieve invloed uitgaat op de inkomens .
109 . Naar gelang van het land dient de begrotingspolitiek er de volgende jaren op gericht te zijn :
- het financieringstekort van de overheid te verminderen ;
- het herverdelingseffect van de openbare financiën te versterken ;
- bij te dragen tot het scheppen van werkgelegenheid ;
- de toeneming van het beslag van de overheidsuitgaven op het nationale inkomen te beperken en de doelmatigheid van de overheidsuitgaven te verbeteren .
110 . De uit de economische moeilijkheden voortvloeiende onevenwichtigheden zullen gemakkelijker kunnen worden opgeheven naarmate de beoogde groei wordt bereikt .
Deze algemene vaststelling dient echter voor elk afzonderlijk land te worden genuanceerd . Terwijl in sommige landen het evenwicht waarschijnlijk voor een belangrijk deel dank zij de economische opleving werd hersteld , zullen in andere landen ingrijpende veranderingen ten aanzien van zowel de ontvangsten als de uitgaven noodzakelijk zijn .
Uitgaande van de vraagontwikkeling in de verschillende Lid-Staten en in de veronderstelling dat aan het einde van de beschouwde periode sprake is van een normale conjuncturele situatie , zouden voor de financiering behoeften van de gehele overheid in 1980 de volgende richtcijfers kunnen worden aangehouden : financieringstekort nihil of vrijwel nihil in Frankrijk , Denemarken en Luxemburg , 1 tot 2 % van het BBP in Duitsland , ongeveer 2 % in België , nog hoger in Italië , Nederland en het Verenigd Koninkrijk , Ierland moet ernaar streven , het ernstige tekort in de openbare financiën nog verder te verminderen in een tempo dat verenigbaar is met de doelstellingen inzake algemene groei , werkgelegenheid en prijzen .
111 . Deze richtcijfers impliceren in een aantal landen een zekere versterking van de druk van de collectieve lasten .
Zulks geldt vooral voor Frankrijk , waar in het vooruitzicht van een hoge en gestadige groei slechts een geringe verzwaring van de belastingdruk behoeft te worden overwogen , en Italië , waar de belastingdruk aanmerkelijk lager ligt dan in de andere landen van de Gemeenschap .
Voor de andere Lid-Staten zijn de mogelijkheden tot opvoering van de overheidsinkomsten beperkt .
In talrijke Lid-Staten is voor terugkeer naar een beter begrotingsevenwicht eveneens een duidelijke groeivertraging van het aandeel van de collectieve uitgaven in het BBP of zelfs een verlaging van dit aandeel noodzakelijk . Deze vermindering moet in de eerste plaats op de lopende uitgaven worden toegepast .
112 . In twee Lid-Staten , Frankrijk en Italië , is het aandeel van de directe belastingen in de totale overheidsontvangsten gering . De vereiste aanpassing van het ontvangstenniveau zou hier met name kunnen worden bereikt door de grondslag van inkomstenbelasting te verbreden en door een meer efficiënte invordering waardoor belastingfraude en -ontduiking worden beperkt . Dit is het doel van wijzigingen of maatregelen die onlangs in deze twee landen zijn door gevoerd .
113 . De in het voorafgaande geschetste beleidslijnen dienen te worden gepreciseerd in overeenstemming met de programma's voor economische politiek die door de Lid-Staten zijn vastgesteld of worden voorbereid en in het licht van het conjuncturele tijdpad van de begrotingen in de komende jaren . Voor de beschouwde periode moet men zoveel mogelijk beschikken over kwantitatieve indicaties betreffende de belangrijkste begrotingsposten , de belangrijkste uitgavencategorieën waarvoor een bijzondere snelle of trage groei wordt verwacht en de financiële tekorten of overschotten .
Daarnaast dient een steeds groter gedeelte van de begrotingen te worden beheerst door doelstellingen op middellange en lange termijn . Aldus zal de uitvoering van prioriteiten beter worden gewaarborgd zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de noodzakelijke conjuncturele flexibiliteit van de overheidsuitgaven .
D . Beleid inzake investeringen , werkgelegenheid en arbeidsmarkt
114 . De bevordering van de werkgelegenheid zal in de komende jaren maatregelen op verschillende gebieden vereisen ; in dit hoofdstuk wordt in het bijzonder de nadruk gelegd op het stimuleren van de investeringen en het beperken van de arbeidskosten per eenheid produkt alsmede op een specifiek beleid inzake werkgelegenheid en arbeid .
a ) Bevordering van de investeringen
115 . Om eer snelle en duurzame terugkeer tot volledige werkgelegenheid te verzekeren moeten de investeringen in de komende jaren in een sneller tempo groeien dan het BBP . Een duurzame verbetering van het aandeel der investeringen vereist echter dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan .
In de eerste plaats dient een klimaat van vertrouwen dat bevorderlijk is voor investeringen tot stand te worden gebracht . Door positieve en realistische vooruitzichten te schetsen kan de Gemeenschap de ondernemers helpen hun pessimisme te overwinnen . De motieven die aan investeringen ten grondslag liggen kunnen verlerlei zijn : van doorslaggevende betekenis zijn daarbij de markt - en rentabiliteitsvooruitzichten alsmede de financieringsvoorwaarden , zowel in het algemeen als binnen bedrijfstakken en op het niveau van de individuele onderneming . De totale financieringscapaciteit voor investeringen is evenwel verminderd en de rentabiliteit is , afgezien van enkele bedrijfstakken , in de afgelopen jaren teruggelopen . Vele ondernemingen bevinden zich in een moeilijke financiële positie en zouden geen nieuwe investeringsmiddelen kunnen vinden ofwel zouden er de voorkeur aan kunnen geven over te gaan tot schuldaflossing alvorens nieuwe produktiecapaciteit tot stand te brengen . Meer in het algemeen moet gezocht worden naar de beste vormen van financiering ( eigen middelen , leningen , kapitaalverhoging ) en naar een passend fiscaal beleid ter zake . De noodzakelijke politiek tot bevordering van produktieve investeringen dient zodanig te zijn dat inflatoire financieringsmethoden worden vermeden . Dit impliceert het beschikbaar komen van besparingen op lange termijn tegen rentetarieven die afgestemd zijn op een optimale combinatie van kapitaal en arbeid . Bovendien kan het in bepaalde landen wenselijk zijn produktieve investeringen te stimuleren door middel van begrotingsmaatregelen .
116 . In de meeste landen van de Gemeenschap dragen programma's tot stimulering van de vraag reeds bij tot de verbetering van de marktvooruitzichten en van de rentabiliteitsverwachtingen .
Bovengenoemde maatregelen moeten in sterke mate worden begeleid door maatregelen ten aanzien van het niveau van de produktiekosten ter ondersteuning van het herstel van de investeringen en de verbetering van de werkgelegenheidssituatie . De actie op laatstbedoeld gebied lijkt des te meer van belang daar de gevolgen van de kostenstijgingen niet beantwoorden aan de doelstellingen van het stabilisatiebeleid . In sommige opzichten kunnen de produktiekosten evenwel niet beïnvloed worden door het economische beleid ( b.v . grondstoffenprijzen ) of nauwelijks worden verlaagd ( b.v . kapitaalkosten ) . Onder deze omstandigheden komt op middellange termijn met het oog op de terugkeer tot een beter aangepast groeitempo en het herstel van een hoog niveau van werkgelegenheid een grotere betekenis toe aan de begrotingspolitiek en het inkomensbeleid .
117 . Het beheer van de overheidsfinanciën zou zodanig moeten zijn dat de druk van de belastingen en daarmee gelijk te stellen heffingen in de komende jaren slechts langzaam wordt verzwaard , althans voor zover zulks nodig is . Naarmate het herstel voortschrijdt zal de stijging van de loonkosten per eenheid produkt ongetwijfeld vanzelf langzamer worden , dank zij de produktiviteitsverbeteringen als gevolg van een betere capaciteitsbezetting . Het is evenwel de vraag of de winststijgingen die daaruit voortvloeien een voor de uitbreiding van de investeringen en tevens voor het dekken van het investeringsrisico voldoende rentabiliteit zullen opleveren . Een bijzondere matiging van de looneisen is dan ook van doorslaggevend belang voor de versterking van de investeringsneiging en het tot stand komen van nieuwe arbeidsplaatsen . In het bijzonder zou ervoor gezorgd moeten worden dat een verzwaring van de druk der belastingen en andere heffingen niet leidt tot nieuwe loonsverhogingen .
118 . Naast de gebruikelijke oorzaken die de ondernemingen verplichten tot voortdurende aanpassingen heeft een reeks van nieuwe , zowel nationale als internationale , factoren aan het probleem van de industriële omschakeling een grotere dimensie gegeven dan het in het verleden had .
Om deze reden moeten in de Gemeenschap de ondernemingen kunnen beschikken over een ruimere informatie inzake de lopende ontwikkelingen . Een helderder inzicht in structurele wijzigingen zou bij de ondernemers kunnen leiden tot een meer op de toekomst gericht beleid . In dit verband zouden op communautair niveau de beschikbare nationale bedrijfstaksprognoses vergeleken en bestudeerd moeten worden . Dit zou een betere evaluatie van het vereiste beleid mogelijk maken .
119 . Gezien de huidige internationale situatie zullen de industrieën van de Gemeenschap uitsluitend met een permanent streven naar vernieuwing de beste kansen op succes hebben in de concurrentie met de rest van de wereld . Door verbeterde of nieuwe produkten aan te bieden kunnen zij nieuwe activiteiten ontwikkelen en meer arbeidskrachten tewerkstellen . Om deze reden dient de versterking van het vermogen tot innovatie en technologische ontwikkeling van de Europese industrie prioriteit te krijgen .
b ) Werkgelegenheidsbeleid en in het bijzonder arbeidsmarktbeleid
120 . In de eerste plaats zou gestreefd moeten worden naar versterking en uitbreiding van de beleidsmaatregelen die kunnen leiden tot een betere onderlinge aanpassing van aanbod en vraag op de arbeidsmarkt . De uitvoering van dit beleid zal evenals de maatregelen ter bevordering van nieuwe werkgelegenheid leiden tot uitgaven en kunnen verplichten tot het maken van een keuze uit verschillende begrotingsposten . Daarbij zullen de kosten van de te nemen maatregelen beoordeeld moeten worden ten opzichte van de lasten welke een groter aantal werklozen voor de collectiviteit met zich zou brengen .
121 . In sommige Lid-Staten zijn de relatieve zwakte en de spreiding van de instellingen die zich met arbeidsmarktzaken bezig houden oorzaken van de gebrekkige werking van deze markt . Gezien de grote betekenis van de functie die deze instellingen vervullen zou de overheid in deze landen hun werkterrein nog moeten uitbreiden .
Zo nodig moeten de arbeidsbureaus hun operationele taak met betrekking tot de individuele plaatsing beter vervullen door de reeks diensten die zij bieden aan de werkzoekenden ( informatie , oriëntatie , advies , opleiding ) uit te breiden en door in sterkere mate dan tot nu toe de mogelijkheden voor banen bij bestaande ondernemingen en potentiële investeerders te onderzoeken . Voorts is een intensivering van de maatregelen op het gebied van opleiding en omscholing nodig met het oog op de ongelijkmatige ontwikkelingen van de beroepsbevolking en de arbeidsmarkt , alsmede de rationalisering van het produktieapparaat . Ook op regionaal niveau moeten de banden tussen hen die verantwoordelijk zijn voor de werkgelegenheid , het onderwijs en de investeringen versterkt worden .
122 . Onverminderd hetgeen met betrekking tot het regionaal beleid in het derde programma en in de navolgende paragraaf 138 wordt gesteld , moet de vrijwillige geografische mobiliteit worden bevorderd . In alle Lid-Staten bestaan ter zake , in omvang verschillende , steunmaatregelen . Deze steunmaatregelen zouden echter het karakter moeten hebben van een werkelijke aansporing in plaats van alleen maar een financiële compensatie .
Gezien de grenzen van de geografische mobiliteit moeten de regionale maatregelen gericht zijn op een diversificatie van de geboden werkgelegenheid ten einde de mobiliteit tussen bedrijfstakken , welke noodzakelijk is voor de voortzetting van de groei , te bevorderen .
123 . Sommige tekortkomingen van de arbeidsmarkt hebben bijzondere oorzaken ( fragmentatie , groeiende afstand tussen de aard van de aangeboden arbeidsplaatsen en de geschiktheid of wensen van de werknemers ) en behoeven derhalve specifieke en blijvende maatregelen . De opwaardering van het handwerk en de aanpassing van de produktietechnieken zouden in sommige landen aan een onderzoek moeten worden onderworpen .
124 . Op het gebied van de vermindering van het arbeidsaanbod moet behoedzaam te werk gegaan worden . Op korte termijn zou het effect van deze vermindering zeer beperkt zijn , met name als gevolg van de onderbezetting van het personeelsbestand in de ondernemingen en van de termijnen die voor de reorganisatie van deze laatste nodig zijn . Op langere termijn zouden de bestrokken maatregelen , als zij niet omkeerbaar zouden zijn , de groeimogelijkheden kunnen aantasten en de lasten die drukken op de werkende bevolking kunnen verzwaren .
Rekening houdend met deze grenzen kunnen bepaalde maatregelen worden genomen die zowel van het werkgelegenheidsbeleid als van het beleid tot verbetering van de arbeidsomstandigheden deel uitmaken .
125 . Ofschoon een algemene vervroeging van de pensioengerechtigde leeftijd in de Gemeenschap niet wenselijk lijkt , zouden niettemin in de landen die in dit opzicht een achterstand hebben ten opzichte van hun partners , maatregelen op vrijwillige basis kunnen worden genomen , zulks voor zover de financiële mogelijkheden dit toestaan . Naar inhoud zouden deze maatregelen aangepast moeten zijn aan de nationale omstandigheden , waarbij het doel moet zijn de maatregelen in de eerste plaats ten goede te laten komen aan diegenen die gedurende lange tijd zwaar werk verricht hebben .
Hetzelfde beginsel van selectiviteit zou moeten gelden voor de verkorting van de arbeidsduur , zowel van de dagelijkse arbeidsduur als van de wekelijkse of jaarlijkse arbeidsduur . Deze verkorting doet evenwel een moeilijk probleem rijzen betreffende de daarmee verband houdende loonaanpassingen . Volledige handhaving van het loon zou een kostenstijging met zich brengen , maar een evenredige vermindering kan moeilijk in overweging worden genomen en zou trouwens de vraag te sterk kunnen doen verminderen .
126 . Door de komst van vele jongeren op de arbeidsmarkt zouden in de komende jaren , als zij geen werk zouden vinden , aanzienlijke economische en sociale moeilijkheden kunnen ontstaan . Een systematische verlenging van de scholing lijkt geen antwoord te zijn op dit probleem , al was het alleen maar vanwege de termijnen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging daarvan en de hoge kosten die ermee gemoeid zijn . Ook hier moet dus gezocht worden naar maatregelen die aan specifieke problemen beantwoorden , b.v . het toekennen van premies voor opleidingen in het bedrijf of bepalingen ten gunste van ongeschoolde jongeren .
127 . In de afgelopen jaren werd de combinatie van produktiefactoren beïnvloed door de sterke loonstijging en door negatieve reële rentetarieven : rationalisatie investeringen werden daardoor aangemoedigd , evenals de totstandbrenging van zeer kapitaalintensieve produktie-eenheden . Het doel van de werkgelegenheidspolitiek is niet kunstmatig en dwingend de verhouding kapitaal/arbeid voor de gehele economie te veranderen . De vertraging van de inflatie en de matiging van de lonen moeten geleidelijk ten gunste van de factor arbeid wijziging brengen in de combinatie van produktiefactoren .
Voorzover , op regionaal gebied b.v . , speciale investeringssteun wordt verleend dient er voor gezorgd te worden dat daarmee het scheppen van arbeidsplaatsen zoveel mogelijk wordt bevorderd . Communautaire interventies zouden geconcentreerd moeten worden in de gebieden waar de werkloosheid waarschijnlijk zeer groot zal blijven en waar niet verwacht kan worden dat met nationale middelen alleen een verlaging tot een aanvaardbaar niveau kan worden bereikt .
De aanwending van de bestaande financiële instrumenten van de Gemeenschap moet gericht zijn op een belangrijke uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen : het voorbeeld is reeds gegeven door het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds dat bij zijn steunmaatregelen rekening houdt met de verhouding tussen de toegekende steun en het geïnvesteerde kapitaal enerzijds en het aantal nieuwe arbeidsplaatsen anderzijds .
128 . De werkgelegenheidsvooruitzichten verschillen van die welke in de afgelopen twintig jaar bestonden . Deze vooruitzichten vereisen een krachtig ingrijpen , en in vele opzichten nieuwe vormen van ingrijpen , om een oplossing te geven aan het conjuncturele dilemma tussen inflatie en werkloosheid .
De bovengeschetste beleidslijnen vormen nog maar een eerste aanzet voor mogelijke oplossingen . Op gemeenschapsniveau wordt getracht deze nader uit te werken , te verdiepen en aan te vullen . Het verdient aanbeveling deze beleidslijnen verder te ontwikkelen en daarbij nauwkeurig het oog te houden op zowel de economische als de social aspecten van de werkgelegenheid .
Deze verdere ontwikkeling van de beleidslijnen zou o.m . betrekking kunnen hebben op de vijf volgende thema's die de arbeidsmarktvraagstukken in de komende jaren zullen beheersen :
- het toekomstig potentieel aan nieuwe arbeidsplaatsen ,
- de kapitaalproduktiviteit en de kapitaalintensiteit ,
- de gedragshouding met betrekking tot verandering van arbeidsplaats ,
- de tendenzen en de wijzigingen met betrekking tot de inhoud van het werk en de vereiste vakbekwaamheid ,
- de werkomstandigheden .
E . Versterking van de Gemeenschap
a ) Economische en monetaire organisatie
129 . Om voortgang te maken op de weg naar een verder ontwikkelde economische en monetaire organisatie van de Gemeenschap is een zowel doelbewuste als realistische benadering nodig , d.w.z . een benadering die de verscheidenheid van de nationale situaties in aanmerking neemt maar een plaats heeft in een welomschreven communautair kader . Dit laatste moet een stabiliserende factor en tevens een instrument van economische discipline vormen .
In de eerste plaats dient door een nauwe en doeltreffende coordinatie van de economische en monetaire politiek een voldoende convergentie van de economische ontwikkelingen te worden verkregen . Zonder deze coordinatie zou het streven naar een grotere stabiliteit der wisselkoersen vergeefs zijn .
130 . De bepalingen van Beschikking 74/120/EEG en van Beschikking 71/142/EEG van de Raad van 22 maart 1971 betreffende de versterking van de samenwerking tussen de centrale banken van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap ( 2 ) dienen strikt te worden toegepast . Elk jaar dienen op communautair niveau beleidslijnen te worden vastgesteld voor de binnenlandse monetaire politiek en de begrotingspolitiek . Daarbij moeten uiteraard geen gelijkluidende doelstellingen worden bepaald en evenmin moet voor alle Lid-Staten het gebruik van dezelfde instrumenten worden voorgeschreven ; het gaat erom richtsnoeren vast te stellen die nader op elk van de bijzondere situaties zijn afgestemd . Ook al kunnen de doelstellingen van land tot land variëren , de verplichting de doelstellingen na te leven moet gelijkelijk voor alle landen gelden .
Voor zover de tenuitvoerlegging van dit beleid tot een voldoende stabilisatie in de Gemeenschap zal voeren zal het mogelijk zijn opnieuw de werkzaamheden betreffende de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie ter hand te nemen en de geleidelijke hergroepering van alle communautaire valuta's binnen de " slang " te verzekeren .
b ) Extern economisch beleid
131 . In de internationale discussies over de verschillende aspecten van de wereldeconomie moet de Gemeenschap streven naar een meer stabiele internationale orde . Zij moet zich inzetten voor het instandhouden van de vrijhandel en voor het verbeteren van de onderlinge afstemming van de economische politiek om geleidelijk minder grillige wisselkoersverhoudingen te verkrijgen . De pogingen te komen tot een gemeenschappelijk standpunt op monetair gebied zouden moeten worden versterkt . Bij het streven naar dit doel moet de Gemeenschap haar actiemogelijkheden uitbreiden : deze actiemogelijkheden zijn reeds aanzienlijk op handelsgebied en van toenemend belang in de economische betrekking tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden .
132 . De Gemeenschap heeft zich krachtig ingezet voor het instandhouden van een stelsel van vrije wereldhandel .
Dit doel moet ook in de lopende multilaterale handelsbesprekingen worden nagestreefd . Bovendien moet de Gemeenschap zich blijven verzetten tegen protectionistische tendensen in de wereld - hetgeen veronderstelt dat zij erin slaagt zelf daaraan weerstand te bieden - en er voor zorgen dat de voor de handel met haar diverse partners geldende handelsvoorwaarden ( met name ten aanzien van de prijzen en de toegang tot de markt ) gelijk en rechtvaardig zijn . De nog steeds bestaande zwakke punten in de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid dienen te worden weggenomen . Ten einde een wanordelijke concurrentie tussen Lid-Staten te vermijden moet voorkomen worden dat in elk land afzonderlijk een ongecoordineerd beleid tot bevordering van de export wordt gevoerd . In concreto dient de harmonisatie en , waar nodig , de definitie op communautair niveau van de instrumenten van het handelsbeleid al naar het geval te worden aangevangen , voortgezet of versneld . Dit geldt in het bijzonder voor de uitvoerkredieten en -verzekeringen , alsmede voor de kaderovereenkomsten voor commerciële en economische samenwerking en nieuwe vormen van internationale economische samenwerking .
133 . De Gemeenschap neemt , gezien haar geografische ligging , haar potentiële aanbod , haar aandeel in de invoer van deze landen en haar internationale bankstelsel ten opzichte van de landen van het Oostblok een sleutelpositie in . Om op deze markten beter de concurrentie met de andere industrielanden aan te kunnen zou de Gemeenschap haar samenhang moeten versterken .
134 . In haar politiek ten opzichte van de niet aardolie producerende ontwikkelingslanden moet de Gemeenschap rekening houden met verschillende uit de crisis voortvloeiende gebiedende eisen . In het algemeen moet langs verschillende wegen de groei van deze landen - voorwaarde voor hun vermogen goederen uit de geïndustrialiseerde landen in te voeren - worden nagestreefd : gediversifieerde expansie van hun industriële uitvoer , grotere stabiliteit van de inkomsten van deze landen uit grondstoffen , financiële overheidssteun , particuliere inbreng van kapitaal in de vorm van kredieten en directe investeringen . Gezien het grote verlies aan middelen dat deze landen als gevolg van de recessie hebben geleden zullen de niet aardolie producerende ontwikkelingslanden slechts een voldoende groeiniveau in stand kunnen houden voor zover de industrielanden en de OPEC-landen in staat zullen zijn een passende combinatie van de bovengenoemde actiepunten te bieden .
135 . De Gemeenschap moet haar markt ruimer openstellen voor de produkten van de ontwikkelingslanden . Van de andere mogelijkheden de economie van deze landen te bevorderen moet in de eerste plaats worden genoemd de ontwikkelingshulp , welke de niet aardolie producerende ontwikkelingslanden extra middelen moet verschaffen en in het bijzonder de armste landen . De landen met een gunstige betalingsbalanssituatie zouden in dit verband een bijzondere bijdrage moeten leveren , met name door hun kapitaalmarkten open te stellen voor de internationale financiële instellingen die zich toeleggen op het financieren van projecten in de ontwikkelingslanden . In de tweede plaats zou een uitgebreider beleid van technisch-commerciële bijstand de niet aardolie producerende ontwikkelingslanden in staat kunnen stellen zowel meer baat te hebben bij de tariefvoordelen die zij reeds hebben verkregen als hun onderlinge handel te ontwikkelen .
c ) Vermindering van de regionale ongelijkheden
136 . De vermindering van de voornaamste regionale ongelijkheden in de Gemeenschap vormt een belangrijk doel van het vierde programma . Een beter regionaal evenwicht leidt immers tot een betere aanwending van de beschikbare middelen en een vermindering van de economische en maatschappelijke kosten .
De bijzondere moeilijkheden die sommige Lid-Staten ondervinden en die tot uiting komen in een sterk afwijkende ontwikkeling van de algemene produktiviteitsgroei moeten voor een deel worden toegeschreven aan de omstandigheid dat deze landen de lasten moeten dragen van de onderontwikkeling of van de noodzaak tot omschakeling van belangrijke delen van hun grondgebied .
De gewenste convergentie van de economische politiek van alle Lid-Staten vereist derhalve een vermindering van de voornaamste regionale ongelijkheden . De economisch sterkste landen zouden de zwakste landen moeten helpen bij hun inspanningen op dit punt .
137 . Het regionaal beleid zal slechts volledig doeltreffend zijn als het uitgaat van een algemene benadering welke niet alleen financiële instrumenten omvat maar het probleem ook vanuit andere oogpunten aanpakt en gericht is op een herstel van het evenwicht tussen de economische bedrijvigheden in de gehele Gemeenschap . Dit impliceert de ontwikkeling van gebieden met een achterstand , de omschakeling van gebieden die te kampen hebben met achteruitgang van de economische bedrijvigheid , alsmede een betere beheersing van de groei in zones van overconcentratie .
Deze doelstellingen moeten worden bereikt met een gehele reeks van maatregelen , ook al worden bepaalde financiële instrumenten meer in het bijzonder gebruikt voor het oplossen van bepaalde typen problemen of in bepaalde typen gebieden .
Alle maatregelen dienaangaande moeten in meerdere mate strekken tot het bevorderen van de investeringen en het scheppen van arbeidsplaatsen in de minst begunstigde zones van de Gemeenschap .
138 . De algemene maatregelen van economisch beleid zouden in samenhang met de regionale behoeften zo flexibel mogelijk dienen te zijn .
De gebieden die moeilijkheden ondervinden zouden zoveel mogelijk prioriteit moeten krijgen bij de toekenning van de begrotingsmiddelen welke zijn uitgetrokken in het kader van de stimuleringsplannen ; vooral de werken die de infrastructuur in deze gebieden verbeteren , zullen weloverwogen moeten worden bevorderd .
Het landbouwbeleid zou in meerdere mate bij moeten dragen tot de modernisering van de landbouw en de verhoging van het landbouwinkomen in de minder begunstigde gebieden met een overwegend agrarisch karakter ; dit streven moet echter gepaard gaan met het streven naar extra bronnen van werkgelegenheid .
In het vervoerbeleid dient eveneens rekening te worden gehouden met de regionale aspecten bij het vaststellen van prioriteiten op het gebied van de infrastructuur . De Commissie zal in het kader van de Verdragen het onderzoek van de vervoerprijzen en -voorwaarden voortzetten , met name rekening houdend met de eisen van een passend regionaal beleid en met de behoeften van de achtergebleven regio's .
De nieuwe geografische verdeling van energie welke zal voortvloeien uit het thans ontworpen of gevoerde beleid zal een meer evenwichtige ontwikkeling van de Gemeenschap mogelijk moeten maken ; zeer bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de keuze van de nieuwe vestigingsplaatsen voor de produktie en de distributie van de energie , met name kernenergie .
139 . Met het oog op een meer doeltreffende coordinatie van de financiële instrumenten van de Gemeenschap zou de definitie van regionale ontwikkelings - en omschakelingsdoelstellingen moeten leiden tot een duidelijker regionale invloed van de verschillende financiële maatregelen van de Gemeenschap . In dit verband dient in het bijzonder de EIB genoemd te worden welke voort zou moeten gaan een belangrijk deel van de door haar te verstrekken leningen te reserveren voor projecten met regionale strekking .
Deze coordinatie moet echter niet beperkt blijven tot de financiële instrumenten en tot de sectoren waarvoor de Gemeenschap een beleid heeft . Zij kan slechts volledig doeltreffend zijn als ook het regionale beleid op nationaal niveau wordt omvat , zodat het tegen elkaar opbieden van en de discriminatie tussen de Lid-Staten kunnen worden voorkomen . De regionale ontwikkelingsprogramma's die thans in de Lid-Staten worden voorbereid volgens het in 1975 opgestelde gemeenschappelijke schema ( 3 ) vormen het meest geschikte kader voor de concrete tenuitvoerlegging van een goed geleide coordinatie .
140 . Ook in de Lid-Staten zouden bij de tenuitvoerlegging van maatregelen van algemeen en sectorieel beleid de regionale consequenties onderzocht moeten worden . Dit vormt de tegenhanger op nationaal niveau van de algemene benadering in het regionale beleid op het niveau van de Gemeenschap .
141 . Zeer bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de doeltreffendheid van de steunmaatregelen van het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds ( EROF ) . In deze periode van wederaanpassing moeten de steunmaatregelen van dit fonds bijzonder streng en zeer selectief worden gekozen opdat zij meer inhouden dan alleen maar een overdracht van middelen ten behoeve van de achtergebleven regio's ; zij dienen bij te dragen tot de oplossing van zowel de regionale moeilijkheden als de algemene economische problemen van de Gemeenschap .
d ) Ontwikkeling van het gemeenschappelijk beleid
142 . In dit programma werden een aantal hoofdlijnen voor acties geschetst voor het mededingingsbeleid , het werkgelegenheidsbeleid , het regionaal beleid en de buitenlandse economische politiek . Het is van belang dat deze beleidslijnen snel nader worden uitgewerkt en concrete acties worden geformuleerd .
143 . De verwezenlijking van de doelstellingen van dit programma zou tevens vergemakkelijkt kunnen worden door het beleid op andere gebieden .
Het industriebeleid heeft tot taak gunstige voorwaarden te scheppen voor de voortdurende aanpassing van de structuur aan de ontwikkeling van de economische omstandigheden en daarbij de ongewenste sociale en regionale bijeffecten van zeer snelle veranderingsprocessen af te wenden . In dit verband is een bewust beleid tot industriële omschakeling noodzakelijk .
De doelmatigheid van het landbouwbeleid , zowel op lange als op korte termijn zou moeten worden verhoogd .
Het energiebeleid moet op verschillende punten verder gevoerd worden : ontwikkeling van alternatieve energiebronnen ; energiebezuiniging , solidariteit in geval van crisis .
Het milieubeleid houdt nauw verband met het economisch beleid ; de beperktheid van de economische middelen vereist immers een doeltreffend milieubeleid tegen de geringste kosten . Tevens leidt het in aanmerking nemen van de doelstellingen van het milieubeleid tot een wijziging van het kader waarbinnen de economische bedrijvigheid zich afspeelt . Het succes van het beleid ter bestrijding van de vervuiling en ter vermindering van de verspilling is een steeds duidelijker voorwaarde voor de economische groei . Dit beleid moet er met name toe bijdragen dat niet alleen aan de kwalitatieve verlangens van de bevolking wordt voldaan maar tevens de nieuwe aan het bedrijfsleven opgelegde beperkingen tegen de laagst mogelijke kosten worden geharmoniseerd . Dit zal in het bijzonder worden nagestreefd door een strakke toepassing van het beginsel van de aansprakelijkheid van de vervuiler . Dit doel zou des te makkelijker kunnen worden bereikt als op communautair niveau doelstellingen zouden worden bepaald en prioriteiten aangewezen .
Om het inzicht in deze beleidsterreinen te vergroten zou het nuttig zijn naast de traditionele nationale rekeningen grotere aandacht te besteden aan systemen van structurele , sociale en welzijnsindicatoren .
F . Sociale consensus
144 . Zoals reeds werd opgemerkt zullen de in dit programma geformuleerde doelstellingen slechts kunnen worden verwezenlijkt als de Lid-Staten van de Gemeenschap er in slagen de voorwaarden te scheppen voor een betere sociale consensus .
In de afgelopen jaren zijn verlangens tot uiting gekomen die in verschillende richtingen gaan , soms tegenstrijdig zijn en sterk van land tot land verschillen . Zij betreffen in het bijzonder de terugkeer tot volledige werkgelegenheid , de verwezenlijking van een meer volwaardige werkgelegenheid , de inflatiebestrijding , de vermindering van de ongelijkheden en een grotere medezeggenschap bij het besluitvormingsproces in het bedrijfsleven .
145 . In het proces van communautaire integratie is de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt ver vooruit gelopen op de ontwikkeling van gemeenschappelijke gedragspatronen . De van deze integratie verwachte economische en sociale vooruitgang s afhankelijk van een zekere verenigbaarheid van de sociale gedragspatronen . De convergentie zelf van de economische politiek hangt van deze gedragspatronen af die door de houdingen welke de regeringen aannemen worden bepaald en weer op hun beurt daarvoor bepalend zijn .
146 . Het is dus van belang het stelsel van communautaire concertatie met de sociale partners over de voornaamste aspecten van de economische politiek te versterken . Deze concertatie moet in de eerste plaats de onderlinge uitwisseling van gegevens over de problemen van de economische politiek op Europees vlak mogelijk maken . De concrete inhoud van de coordinatie zou aldus makkelijker omschreven kunnen worden , dank zij in het bijzonder een onderlinge toenadering van de opvattingen binnen de sociale groepen en tussen de regeringen .
147 . Het vraagstuk van de medezeggenschap van de werknemers in de ondernemingsbeslissingen wordt , in verschillende vormen , in alle Lid-Staten aan de orde gesteld .
Thans kan worden geconstateerd dat er in vele kringen een groeiende overeenstemming ontstaat over de noodzaak de werknemers een grotere invloed te geven in de besluitvorming bij de ondernemingen waar zij werkzaam zijn . De noodzaak de werknemers voor te lichten en te raadplegen over alle besluiten die voor hen van betekenis zijn wordt meer en meer erkend . Grote verschillen van mening bestaan evenwel nog in de vakbeweging over de wenselijkheid deel uit te gaan maken van het economisch systeem en er dus verantwoordelijkheid voor op zich te nemen . De vormen en methoden welke de werknemers gebruiken om de ondernemingsbesluiten te beïnvloeden verschillen thans van land tot land in de Gemeenschap . De Commissie heeft onlangs een groenboek gepubliceerd over de medezeggenschap van de werknemers en de structuur van de vennootschappen . Dit initiatief heeft tot doel in de betrokken kringen van de Gemeenschap een breed debat uit te lokken ten einde te komen tot brede overeenstemming op Europees vlak ten aanzien van het einddoel , daarbij rekening houdend met de van land tot land verschillende situaties .
148 . Op ander vlak vereist het toenemend belang van de multinationale ondernemingen een betere informatie op nationaal niveau van de werknemers en hun vertegenwoordigers ten einde het bereiken van evenwichtige oplossingen , door middel van onderhandelingen , voor belangrijke problemen , zoals de werkgelegenheid of de arbeidsvoorwaarden , te vergemakkelijken . Deze betere voorlichting is onontbeerlijk ter bevordering van de bewustwording van de werknemers aangaande de problemen van multinationale onderlinge afhankelijkheid in de huidige wereld .
149 . Naast het doel van een grotere sociale rechtvaardigheid vormt een krachtige actie tegen de zeer grote ongelijkheden in bepaalde landen een noodzakelijke voorwaarde voor de strijd tegen de inflatie . De Gemeenschap heeft reeds bepaalde maatregelen in deze richting genomen . Naast de problemen inzake de inkomens - en vermogensverdeling , die in het hoofdstuk betreffende de inflatie en de overheidsfinanciën werden aangesneden , kunnen de sociale ongelijkheden velerlei vormen aannemen : zij betreffen bij voorbeeld de toegang tot collectieve goederen en diensten , tot de opleiding en tot de werkgelegenheid , de discriminatie en de verschillen in status in het arbeidsleven . Een minimum aan overeenstemming op deze punten is nodig om een verslechtering van de concurrentievoorwaarden van de ondernemingen binnen de Gemeenschap te voorkomen .
De Gemeenschap heeft reeds vooruitgang gemaakt in deze richting in de vorm van een eerste begin van wetgeving tot opheffing van bepaalde ongelijkheden : richtlijnen inzake de werkgelegenheid en de lonen van vrouwen en actieprogramma voor migrerende werknemers . Andere mogelijke communautaire bijdragen , bij voorbeeld inzake de werkomstandigheden en de arbeidsduur , dienen onderzocht te worden .
( 1 ) PB nr . C 92 van 25 . 4 . 1975 , blz . 1 .
( 2 ) PB nr . L 73 van 27 . 3 . 1971 , blz . 14 .
( 3 ) PB nr . C 69 van 24 . 3 . 1976 , blz . 2 .
BIJLAGE
TABELLEN EN GRAFIEKEN
GRAFIEK 1
Leeftijdsopbouw van de bevolking van de Gemeenschap in 1974 : zie P.b .
TABEL 2
Structuur van de besteding van het BBP van de Gemeenschap ( 1 )
- Prijzen en wisselkoersen van 1970 -
( in % )
* diam . 1961 - 1965 * diam . 1966 - 1970 * diam . 1971 - 1975 * 1960 * 1965 * 1970 * 1975 *
Consumptie particulieren * 61,2 * 60,7 * 61,3 * 61,3 * 60,7 * 60,3 * 62,9 *
Consumptie overheid * 15,3 * 14,4 * 14,1 * 15,4 * 14,9 * 13,8 * 14,7 *
Investeringen totaal * 23,2 * 24,1 * 23,0 * 22,4 * 24,0 * 25,2 * 19,5 *
Uitvoersaldo ( 2 ) * 0,3 * 0,8 * 1,6 * 0,9 * 0,4 * 0,7 * 2,9 *
BBP * 100,0 * 100,0 * 100,0 * 100,0 * 100,0 * 100,0 * 100,0 *
( 1 ) Definitie : ESER .
( 2 ) Uitsluitend goederen en diensten .
GRAFIEK 3
Gecorrigeerde loonquota ( 1 ) in % BBP : zie P.b .
( 1 ) Gecorrigeerd met de wijziging van het aandeel van de loontrekkenden in de beroepabevolking - 1970 = 100 .
GRAFIEK 4
Openbare financiën in % BBP : zie P.b .
GRAFIEK 5 : zie P.b .
GRAFIEK 6 : zie P.b .
TABEL 7
Het gewicht van de Gemeenschap in de wereld
1974 - Ramingen
* Absolute cijfers * % wereld *
* EUR-9 * USA * Japan * USSR * China * Wereld * EUR-9 * USA * Japan * USSR * China * Wereld *
Bevolking ( miljoenen ) * 258 * 212 * 110 * 252 * 920 * 4 000 * 6,4 * 5,3 * 2,8 * 6,3 * 23,0 * 100,0 *
Oppervlakte ( miljoenen km2 ) * 1,53 * 9,4 * 0,37 * 22,4 * 9,6 * 135,8 * 1,1 * 6,9 * 0,3 * 16,5 * 7,1 * 100,0 *
Bevolking/km2 * 168,8 * 22,6 * 297,3 * 11,2 * 95,8 * 29,5 * 5,7 * 0,8 * 10,1 * 0,4 * 3,2 * 1,0 *
BNP ( miljarden dollar ) * 1 130 * 1 397 * 431 * 710 * 205 * 5 560 * 20,3 * 25,1 * 7,8 * 12,8 * 3,7 * 100,0
BNP per hoofd ( dollar ) * 4 380 * 6 590 * 3 927 * 2 817 * 223 * 1 390 * 3,2 * 4,7 * 2,8 * 2,0 * 0,16 * 1,0 *
Handel ( miljarden dollar ) ( % BNP ) * * * * * * * * * * * * *
- EUR-9 intra * 284 * 100 * 59 * 26 * 5,5 * 840 * 33,8 * 11,9 * 7,0 * 3,1 * 0,7 * 100,0 *
inbegrepen * ( 25,1 % ) * ( 7,2 % ) * ( 13,7 % ) * ( 3,7 % ) * ( 2,7 % ) * ( 15,1 % ) * * * * * * *
- zonder * 145 * 100 * 59 * 26 * 5,5 * 700 * 20,7 * 14,3 * 8,4 * 3,7 * 0,8 * 100,0 *
EUR-9 intra * ( 12,8 % ) * ( 7,2 % ) * ( 13,7 % ) * ( 3,7 % ) * ( 2,7 % ) * ( 12,6 % ) * * * * * *