Home

Ontwerpvoorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van industire- en materiaaltechnologie (1994-98)

Ontwerpvoorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van industire- en materiaaltechnologie (1994-98)

Voorstel voor een beschikking van de Raad tot vaststelling van een specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie (1994-1998) (94/C 228/04) (Voor de EER relevante tekst) COM(94) 68 def. - 94/0082(CNS)

(Door de Commissie ingediend op 30 maart 1994)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 I, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat de Raad en het Europees Parlement bij Besluit . . ./ . . ./EG een vierde kaderprogramma voor communautaire acties op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (hierna OTO genoemd) hebben vastgesteld voor de periode 1994-1998, waarin met name de activiteiten zijn omschreven die moeten worden uitgevoerd op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie; dat deze beschikking wordt vastgesteld in het licht van de in de preambule van genoemd besluit uiteengezette overwegingen;

Overwegende dat in artikel 130 I, lid 3, is bepaald dat het kaderprogramma ten uitvoer wordt gelegd door middel van specifieke programma's die binnen elke activiteit worden ontwikkeld; dat in elk specifiek programma de nadere bepalingen voor de uitvoering ervan, de looptijd en de noodzakelijk geachte middelen worden vastgesteld;

Overwegende dat dit programma hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door middel van werkzaamheden voor gezamenlijke rekening, gecoördineerde werkzaamheden en begeleidende maatregelen;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 130 I, lid 3, een raming moet worden gemaakt van de voor de uitvoering van dit specifiek programma noodzakelijk geachte middelen; dat de definitieve bedragen worden vastgesteld door de begrotingsautoriteit overeenkomstig de relatieve prioriteit die aan het gebied waarop dit programma betrekking heeft, wordt toegekend binnen activiteit I van het vierde kaderprogramma;

Overwegende dat in Besluit . . ./ . . ./EG is bepaald dat het maximum totaalbedrag van het vierde kaderprogramma uiterlijk op 30 juni 1996 opnieuw wordt bekeken met het oog op een verhoging ervan; dat als gevolg hiervan het voor de uitvoering van dit programma noodzakelijk geachte bedrag kan worden verhoogd;

Overwegende dat een grotere samenwerking op het gebied van OTO betreffende industrie- en materiaaltechnologie noodzakelijk is voor de ontwikkeling van technieken, gericht op een duurzame ontwikkeling van de Europese industrie;

Overwegende dat dit programma in sterke mate kan bijdragen tot hernieuwde groei, versterking van de concurrentiepositie en ontwikkeling van de werkgelegenheid in de Gemeenschap zoals uiteengezet in het Witboek "Groei, concurrentievermogen, werkgelegenheid" (1);

Overwegende dat in Besluit . . ./ . . ./EG (vierde kaderprogramma) is bepaald dat een communautaire actie gerechtvaardigd is indien het onderzoek onder andere bijdraagt tot de versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap en de evenwichtige ontwikkeling daarvan ten goede komt, met inachtneming van de doelstelling van de wetenschappelijke en technische kwaliteit; dat dit programma wordt geacht tot het bereiken van deze doelstellingen bij te dragen;

Overwegende dat de inhoud van het vierde kaderprogramma voor communautaire OTO-acties is vastgesteld overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel; dat in dit specifiek programma de inhoud is omschreven van de overeenkomstig dit beginsel uit te voeren activiteiten op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie;

Overwegende dat dit programma en de uitvoering ervan bijdragen tot een grotere synergie tussen de OTO-activiteiten op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie door onderzoekcentra, universiteiten en bedrijven, met name het midden- en kleinbedrijf (MKB), in de Lid-Staten en tussen deze activiteiten en overeenkomstige communautaire OTO-activiteiten;

Overwegende dat bij de uitvoering van dit programma maatregelen moeten worden genomen ter bevordering van de deelneming van het MKB, met name technologische stimuleringsmaatregelen;

Overwegende dat de coördinatie tussen de onderzoekprojecten met gemeenschappelijke strategische doelstellingen moet worden vergroot; dat de totstandbrenging van thematische netwerken de synergie tussen fundamenteel onderzoek en industrieel onderzoek kan vergroten en coördinatie mogelijk kan maken met andere Europese initiatieven en programma's, zoals Eureka;

Overwegende dat de onderzoekwerkzaamheden gericht op innovatie van produkten en processen van de ijzer- en staalindustrie wellicht geleidelijk worden opgenomen in dit specifieke programma aangezien het EGKS-Verdrag binnenkort afloopt;

Overwegende dat de regels voor de deelneming van ondernemingen, onderzoekcentra, waaronder het GCO, en universiteiten alsmede de regels voor de verspreiding van de onderzoekresultaten als bepaald bij de maatregelen van artikel 130 J op dit specifiek programma van toepassing zijn;

Overwegende dat bij de uitvoering van dit programma, naast associatie met de betreffende landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), ook internationale samenwerking overeenkomstig artikel 130 M met andere derde landen en internationale organisaties wenselijk kan zijn;

Overwegende dat de tenuitvoerlegging van dit programma ook activiteiten behelst voor de verspreiding en de exploitatie van de onderzoekresultaten, met name ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf en in het bijzonder van ondernemingen in de Lid-Staten of regio's die het minst aan het programma deelnemen, alsmede activiteiten ter stimulering van de mobiliteit en de opleiding van onderzoekers, die binnen dit programma en voor zover nodig is voor de goede uitvoering ervan moeten worden ontwikkeld;

Overwegende dat het economisch en sociaal effect en de eventuele technologische risico's van de in het kader van dit programma uitgevoerde activiteiten moeten worden beoordeeld;

Overwegende dat de voortgang van dit programma voortdurend en systematisch moet worden bekeken ten einde het programma eventueel aan te passen aan de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen op dit gebied; dat te zijner tijd ook een onafhankelijke evaluatie van de voortgang van het programma moet worden verricht, waarmee alle nodige elementen moeten worden aangereikt om de doelstellingen van het vijfde OTO-kaderprogramma te kunnen bepalen; dat ten slotte na afloop van dit programma een eindevaluatie van de resultaten moet worden verricht in het licht van de in deze beschikking omschreven doelstellingen;

Overwegende dat het GCO kan deelnemen aan indirecte werkzaamheden in het kader van dit programma;

Overwegende dat het GCO via zijn eigen programma zelf ook bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het communautaire OTO op de door dit programma bestreken gebieden;

Overwegende dat het Comité voor wetenschappelijk en technisch onderzoek (Crest) is geraadpleegd,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de periode van (datum van goedkeuring van dit programma) tot 31 december 1998 wordt een in bijlage I nader omschreven specifiek programma voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van industrie- en materiaaltechnologie vastgesteld.

Artikel 2

1. Het bedrag dat noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het programma beloopt 1 623 miljoen ecu, waarvan 5,08 % voor personeels- en huishoudelijke uitgaven.

2. Een indicatieve verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage II.

3. Het hierboven genoemde noodzakelijk geachte bedrag voor de uitvoering van het programma zou kunnen worden verhoogd krachtens en in overeenstemming met de toewijzing als bedoeld in artikel 1, lid 3, van Besluit . . ./ . . ./EG.

4. De begrotingsautoriteit stelt de voor ieder begrotingsjaar beschikbare kredieten vast met inachtneming van de in het vierde kaderprogramma aangegeven wetenschappelijke en technologische prioriteiten.

Artikel 3

Bijlage III behelst de nadere regels voor de uitvoering van het programma, met uitzondering van die welke bedoeld zijn in artikel 5.

Artikel 4

1. De Commissie bekijkt voortdurend en systematisch, met passende hulp van onafhankelijke externe deskundigen, de voortgang van dit programma in het licht van de in bijlage I aangegeven doelstellingen. In het bijzonder gaat zij na of de doelstellingen, prioriteiten en financiële middelen altijd aangepast zijn aan de ontwikkeling van de situatie. In voorkomend geval dient zij aan de hand van de resultaten van dit onderzoek voorstellen in ter aanpassing of aanvulling van dit programma.

2. Als bijdrage tot de algehele evaluatie van de in artikel 4, lid 2, van het besluit betreffende het vierde kaderprogramma bedoelde communautaire werkzaamheden laat de Commissie te zijner tijd door onafhankelijke deskundigen een evaluatie uitvoeren van de werkzaamheden die in de loop van de vijf aan deze evaluatie voorafgaande jaren zijn uitgevoerd op het rechtstreeks onder dit programma vallende gebied, en van het beheer van dit programma in die periode.

3. Na afloop van dit programma laat de Commissie door onafhankelijke deskundigen een eindevaluatie van de verkregen resultaten uitvoeren in het licht van de doelstellingen als omschreven in bijlage III van het vierde kaderprogramma en bijlage I van deze beschikking. Het verslag van de eindevaluatie wordt ingediend bij de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 5

1. Overeenkomstig de doelstellingen van bijlage I wordt door de Commissie een werkprogramma opgesteld en zo nodig bijgewerkt, waarin de wetenschappelijke en technologische doelstellingen, de verschillende fasen van de uitvoering van het programma en de financiële middelen voor iedere wijze van uitvoering nader worden omschreven.

Het werkprogramma kan ook voorzien in deelneming aan bepaalde activiteiten in het kader van Eureka.

2. De Commissie stelt op basis van dat werkprogramma uitnodigingen tot het indienen van voorstellen voor projecten op.

Artikel 6

1. De Commissie wordt belast met de uitvoering van het programma.

2. In de gevallen als bedoeld in artikel 7, lid 1, wordt de Commissie bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité. Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad, na verloop van een termijn van een maand na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 7

1. De procedure van artikel 6, lid 2, geldt voor:

- de opstelling en bijwerking van het werkprogramma als bedoeld in artikel 5, lid 1;

- de evaluatie van de voor communautaire financiering voorgestelde OTO-projecten en van het geraamde bedrag van deze financiering voor ieder project afzonderlijk wanneer deze meer bedraagt dan één miljoen ecu;

- de voor de evaluatie van het programma te nemen maatregelen;

- iedere aanpassing van de in bijlage II vermelde indicatieve verdeling van het bedrag waarover geen begrotingsbeslissing is genomen;

2. De Commissie licht het comité bij iedere vergadering daarvan in over het verloop van de uitvoering van het gehele programma.

Artikel 8

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 228, lid 1, onderhandelingen aan te knopen met het oog op het sluiten van internationale overeenkomsten met Europese derde landen, ten einde deze bij het gehele of een deel van het programma te betrekken.

Artikel 9

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten.

(1) COM(93) 700 def., van 5. 12. 1993.

BIJLAGE I

WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNOLOGISCHE DOELSTELLINGEN EN INHOUD

Dit specifiek programma is volledig in overeenstemming met de oriëntaties van het vierde kaderprogramma; de daarin aangegeven selectiecriteria worden hierin toegepast en de wetenschappelijke en technologische doelstellingen ervan worden hierin nader omschreven.

Punt 2, de gebieden a, b en c van bijlage III, eerste activiteit, van genoemd kaderprogramma vormt een integrerend deel van dit programma.

DOELSTELLINGEN

De mondialisering van de markten, de internationale concurrentie die met het opkomen van nieuwe industriële centra heviger wordt, de stijging van de ontwikkelingskosten van nieuwe technologieën en de kortere levenscyclus van de produkten verplichten de Europese bedrijven ertoe hun samenwerking te versterken om een voldoende breed spectrum van technologieën te beheersen en de OTO-activiteiten rendabel te maken. Daarnaast leiden de maatschappelijke veranderingen naar een ander ontwikkelingsmodel dat gekenmerkt wordt door een groter belang van de kwaliteit van het leven en een rationeler gebruik van menselijke en natuurlijke bronnen, waardoor omvangrijke steun aan O& O noodzakelijk is om de technieken te ontwikkelen en te introduceren die noodzakelijk zijn voor het ontwerp van milieuvriendelijke produkten en produktiesystemen, waarbij rekening wordt gehouden met menselijke factoren en wordt uitgegaan van "schone" technologieën. In deze omstandigheden kunnen de communautaire programma's als katalysator fungeren om het O& O op de middellange en lange termijn te stimuleren en de nationale activiteiten en de inspanningen van de bedrijven te ondersteunen.

Zoals aangegeven in het Witboek over de groei en het concurrerend vermogen en de werkgelegenheid is de versterking van het concurrentievermogen van de industrie één van de meest doeltreffende middelen tot behoud en uitbreiding van de werkgelegenheid, die één van de meest urgente problemen vormt waarvoor een oplossing moet worden gezocht indien men de toegang voor de nieuwe generatie tot de arbeidsmarkt wil garanderen.

De technologische onderzoekwerkzaamheden kunnen een belangrijke rol vervullen door het stimuleren van de innovatie van produkten, processen en bedrijfsorganisatie en door het ondersteunen en stimuleren van nieuwe industriële activiteiten waardoor de produktie van traditionele sectoren kan evolueren naar nieuwe sectoren die momenteel tot ontwikkeling komen en waarvoor de Europese exportcapaciteit thans nog te beperkt is. De communautaire actie voor industrieel onderzoek is een zeer geschikt hulpmiddel wanneer deze O& O-activiteiten het best worden uitgevoerd op basis van multidisciplinaire en grensoverschrijdende samenwerking die op aspecifieke technologieën is gericht, waardoor een snelle verspreiding naar de verschillende Lid-Staten en takken van industrie mogelijk is.

Ten einde de doelmatigheid en het effect van de communautaire actie te verhogen is gestreefd naar concentratie op vier niveaus: doelstellingen, technische en wetenschappelijke inhoud, uitvoering van het programma en beheer van de onderzoekprojecten:

a) De doelstellingen; het programma dat weliswaar multisectorieel is en openstaat voor verschillende industriële activiteiten, is op de volgende drie doelstellingen toegespitst:

- op korte termijn wordt prioriteit gegeven aan onderzoek gericht op aanpassing van bestaande technologieën of ontwikkeling van nieuwe technieken t.b.v. de industrie die de concurrentiepositie van sectoren met een zeer laag technologisch niveau versterken; het gaat hier om het midden en klein bedrijf (MKB) in sectoren die een groot deel van de Europese industrie vormen en die voor veel werkgelegenheid zorgen;

- op middellange termijn wordt het onderzoek toegespitst op industrieën die reeds technologieën en innoverende strategieën ontwikkelen waarbij beter gebruik wordt gemaakt van menselijke bronnen en gestreefd wordt naar vermindering van de nadelige effecten van de produktie op het milieu;

- op lange termijn wordt het onderzoek geconcentreerd op nieuwe produktietechnieken en produktontwerpmethoden waardoor nieuwe industrieën kunnen ontstaan of markten worden gecreëerd in het licht van een duurzame groei.

b) De inhoud; de onderzoekactiviteiten zijn geconcentreerd op de technologieën waaraan de Europese industrie behoefte heeft en die samenhangen met de kritische fasen van de produktiesystemen en met de produktkwaliteit:

- produktietechnieken voor de industrie van de toekomst: er zal prioriteit worden gegeven aan de verbetering van produktiesystemen, een gebied dat talloze mogelijkheden biedt voor technologische innovatie en duurzame concurrentiële voordelen. In verband met de zorg voor mens en milieu en de duurzame groei omvatten de onderzoekswerkzaamheden nieuwe methoden voor het ontwerpen van processen, nieuwe fabricagetechnieken, nieuwe controle-, diagnose-, onderhoud- en kwaliteitsgarantiesystemen, onderzoek naar de miniaturisatie van componenten in specifieke industriële systemen en naar nieuwe technologieën zoals nanotechnologieën en de integratie van nieuwe technologieën, met name de beschikbare informatie- en communicatietechnologieën (1), in fabriekswerkplaatsen, waarbij aandacht wordt besteed aan nieuwe modellen voor de organisatie van de produktie. Er zal speciale aandacht worden geschonken aan de bedrijfsorganisatie, de integratie van technologieën, gericht op verbetering van de sociale aspecten, de gezondheid en de veiligheid van de werknemers (arbeidsomstandigheden) en de ecologische aspecten (schone technologieën, rationale toepassing van hulpbronnen), waarbij rekening wordt gehouden met het economische en industriële effect hiervan;

- produktinnovatietechnieken: het onderzoek is gericht op nieuwe ontwerp- en produktontwikkelingstechnieken, waaronder systemen voor het rationeel gebruik van hulpbronnen, ter vermindering van fabricagekosten en de milieu-effecten en ter vergroting van de kwaliteit, betrouwbaarheid en veiligheid. Het onderzoek betreft de verbetering van de functionele eigenschappen van traditionele en geavanceerde materialen voor nieuwe en met behulp van innoverende ontwerp- en ontwikkelingstechnieken verbeterde produkten, waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe technieken voor recycling en hergebruik van industriële produkten die aan vervanging toe zijn. Er wordt speciale aandacht besteed aan hoogwaardige materialen, moleculaire technieken met name supramoleculaire chemie. Een en ander vindt plaats op basis van het beginsel van optimalisering van de materiaalcyclus, waarbij wordt voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van schadelijke materialen en dient als integrerend element tussen de verschillende onderzoeksactiviteiten;

- voor het vervoer toegepaste technieken: met het oog op de voltooiing van de interne markt en het communautaire beleid, met name de totstandbrenging van transeuropese netwerken, de ontwikkeling van nieuwe, snellere, veiligere, comfortabele en milieuvriendelijkere en concurrerende vervoermiddelen is omvangrijk onderzoek op communautair niveau ter aanvulling van het onderzoek op de voorgaande gebieden noodzakelijk om nieuwe ontwerp-, fabricage-, modellering-, simulatie- en onderhoudstechnieken te integreren en toe te passen, evenals geavanceerde materiaaltechnologieën en technieken, gericht op milieubescherming. Er zal speciale aandacht worden besteed aan het onderzoek op het gebied van de luchtvaart om te zorgen voor de continuïteit van reeds uitgevoerde werkzaamheden en synergie met andere vervoersectoren te realiseren.

c) De uitvoering van het programma; de onderzoekswerkzaamheden worden vastgesteld aan de hand van drie soorten werkzaamheden:

- industriegerichte activiteiten, met prioritaire, strategisch belangrijke doelstellingen voor de toekomst van de Europese industrie, die inspelen op de behoeften van de gebruikers;

- activiteiten door en voor het MKB: technologische stimuleringsmaatregelen die uitgaan van de ervaring met CRAFT-acties en uitvoerbaarheidspremies ten einde de deelneming van het MKB te stimuleren en te vergemakkelijken, met name in minder ontwikkelde gebieden;

- activiteiten die nodig zijn voor de ontwikkeling en de verspreiding van kennis, gericht op aspecifieke technologieën en die plaatsvinden in het kader van de thematische netwerken.

De nadruk wordt gelegd op projecten met een duidelijk multisectorieel en multidisciplinair karakter, zodat een optimale ontwikkeling en overdracht van kennis en technologieën kan worden gewaarborgd, met name die welke worden ontwikkeld en toegepast in geavanceerd technologische sectoren in basisindustrieën die meer dan andere aan het BNP bijdragen of waarvoor een industrieel beleid is uitgestippeld. Bij dit onderzoek worden leveranciers, fabrikanten, eindgebruikers, universiteiten en onderzoekcentra betrokken. Voor technieken waarvoor op nationaal of Europees niveau reeds onderzoek is verricht, wordt de verspreiding van kennis bevorderd door het opzetten van coördinatienetwerken. Bovendien zouden, aangezien het EGKS-Verdrag binnenkort vervalt, de onderzoeksactiviteiten met het oog op de innovatie van ijzer- en staalprodukten en -procédés, ten einde de ijzer- en staalsector die zich in een zeer kritische situatie bevindt te helpen, geleidelijk opgenomen kunnen worden in dit programma. Ten slotte voert het GCO zo mogelijk aanvullend onderzoek uit, in het bijzonder de in de thema's 2.1 Materiaaltechnologie en 2.4 Terugwinning van produkten aan het einde van hun levenscyclus, zoals hierna beschreven (2).

d) Het beheer van de geselecteerde projecten; de werkzaamheden worden voornamelijk geconcentreerd aan de hand van de verticale coördinatie waarbij rekening wordt gehouden met bepaalde industriële sectoren en de aanpak volgens "netwerken", waarbij wordt gestreefd naar coördinatie van alle projecten rond een zelfde thema. Aangezien het concurrentievoordeel wordt gerealiseerd vanaf het stadium van het basisonderzoek via de ontwerpfase langs de gehele fabricage- of produktieketen moet ernaar worden gestreefd de onderzoekprojecten te coördineren rond gemeenschappelijke industriële doelstellingen zodat de technologie kan worden geïntegreerd, de kennis kan worden overgedragen en de samenwerking tussen leveranciers, fabrikanten en afnemers en tussen bedrijfstakken kan worden bevorderd. Zodoende wordt een betere synergie tussen de deelnemers mogelijk alsook een betere coördinatie met andere complementaire programma's van de Gemeenschap (zoals op het gebied van informatica, telematica, energie, milieu en vervoer) en andere initiatieven op Europees niveau, met name het meer marktgerichte EUREKA, in het kader waarvan informatieuitwisseling tussen projecten en gemeenschappelijke conferenties worden georganiseerd.

WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNOLOGISCHE INHOUD

Thema 1. Produktietechnieken voor de industrie van de toekomst

1. Achtergrond

Overeenkomstig het Witboek betreffende "Groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid" moeten de activiteiten van de Europese Unie zich toespitsen op technologische gebieden en toepassingen die van invloed zijn op een groot deel van de industrie en gericht zijn op een duurzame economische groei, een rationeel gebruik van natuurlijke bronnen en een optimaal gebruik van menselijke bronnen. Dit thema heeft betrekking op de gehele verwerkende en procesindustrie. Het gaat er om aspecifieke industriële methoden en technologieën te ontwikkelen en toe te passen ten behoeve van het ontwerp, de engineering, de organisatie, de produktie en het behoud van een hoge kwaliteit en een grote toegevoegde waarde, waardoor de Europese industrie in staat wordt gesteld aan de spits van de technologische innovatie te blijven en de fabriek van de toekomst te ontwikkelen. De integratie van nieuwe en geavanceerde technologieën in de produktiesystemen, waaronder de infrastructuren en installaties, zal door het verlagen van de kosten en het verbeteren van de betrouwbaarheid, de veiligheid en de commercialiseringstermijnen, bijdragen tot het versterken van de industriële concurrentiepositie en tot het scheppen van nieuwe banen; dit zal tevens het verbeteren van het milieu, de gezondheid en de veiligheid op de werkplek ten goede komen.

2. Voorgestelde OTO-activiteiten

De onderzoekactiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling en integratie van de meest geavanceerde ontwerp- en engineeringsgereedschappen. Deze activerende technologieën zullen zodanig in produktiesystemen worden toegepast dat wordt voldaan aan de behoeften inzake interbedrijfsnetwerken, optimalisering van industriële installaties, de kosten/batenverhouding, produktkwaliteit en menseljik beheer. De groei van het concurrerend vermogen door verbetering van de produktiviteit, flexibiliteit en kwaliteit zal een belangrijke doelstelling vormen; het onderzoek zal streven naar het juiste evenwicht wanneer tussenoplossingen tussen volledige automatisering en uitsluitend gebruik van mankracht bestaan. Het accent zal worden gelegd op de integratie van intelligente en gecomputeriseerde technieken, op de meest recente vooruitgang inzake de snelle ontwikkeling van prototypen, op de toepassing van kennistechnologie en microsysteemtechnologie, op de ontwikkeling van nieuwe benaderingen van de organisatie van de produktie, op de interface mens/machine bij produktsystemen en op de technologieën die noodzakelijk zijn voor het oplossen van de kritische aspecten van produktiesystemen, met name die in verband met het concept van de milieuvriendelijke, flexibele en "flow"- of "lean"-produktie. In het concept van schone produktie staat het efficiënt en derhalve rendabel gebruik van energiebronnen en grondstoffen centraal. Eén en ander brengt met zich mee dat de onderzoeksinspanningen zich moeten richten op vermindering of eliminering van verontreinigde stoffen bij de bron, en gedeeltelijke of gehele vermindering van de uitstoot van verontreinigde stoffen in de natuur.

Thema 1.1. Integratie van nieuwe technologieën in produktiesystemen

Het feit dat de produktie voortdurend en snel moet kunnen inspelen op een veranderende vraag betekent dat de produktiesystemen flexibel moeten worden door de integratie van nieuwe technologieën.

Vooruitgang wordt voornamelijk gestimuleerd door integratie van nieuwe produktietechnologieën en informatie- en beheersystemen, waarbij beter rekening wordt gehouden met de bedrijfsomgeving. Bovendien leiden de toepassing van computergesteunde ontwerp- en fabricagetechnologieën (CAD/CAM) en de opkomende microsystemen die steeds meer in produkten en processen worden geïntegreerd tot wijzigingen in de traditionele industriële praktijken. Daarnaast moet ten slotte rekening worden gehouden met de optimalisering van het rendement, de kwaliteit, het milieu-effect of de aspecten in verband met werkgelegenheid, opleiding of gezondheid en veiligheid; de daaruit voortvloeiende technische eisen moeten in het kader van de volgende onderzoekwerkzaamheden worden aangepakt en opgelost:

- aspecifieke benaderingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van alle mogelijkheden die door de nieuwe technologieën worden geboden, met name de computergesteunde (CIME), nieuwe controlesystemen of de mechatronica of de microsystemen, met het oog op de optimale integratie daarvan in de produktiesystemen, bij voorbeeld in de sectoren gereedschapswerktuigen of bouw;

- onderzoek naar nieuwe fabricagetechnologieën (vormen, assembleren, microfabricage) die beter afgestemd zijn op de behoeften van verwerkende industrie uit een oogpunt van betrouwbaarheid en flexibiliteit, en die kunnen worden toegepast voor efficiëntere constructie, onderhoud en hergebruik van industriële installaties en systemen;

- onderzoek gericht op produktiesystemen van hoge kwaliteit die zijn gebaseerd op snelle identificatie, synthese en communicatie van de fabricagegegevens of gegevens over het gebruik van machines of industriële installaties, waarbij de produktie- of gebruikstijdparameters worden beschreven of referenties voor de permanente verbetering van industriële processen worden vastgesteld.

Thema 1.2. Ontwikkeling van technologieën voor een schone produktie

In een totaal geïntegreerd produktiesysteem hangt de algehele kwaliteit van het eindprodukt steeds meer af van de vooruitgang die wordt geboekt op het gebied van materiaalkennis, van het procesbeheer en van het inzicht in de factoren die dit proces bepalen. Het is derhalve noodzakelijk de voor het inzicht en beheer van steeds ingewikkelder processen nodige kennis te vergroten en innoverende en "schone" technieken te ontwikkelen en toe te passen. Om een voorbeeld te geven, de chemische industrie, die een omzet heeft van rond de 200 miljard ecu, is een van de krachtigste sectoren in Europa. Dit neemt echter niet weg dat ondanks het feit dat deze industrie tot de beste ter wereld behoort, deze sector voortdurend onder druk staat en nog behoefte heeft aan fundamentele OTO met name voor de ontwikkeling van milieuvriendelijke processen. De onderzoekgebieden die prioriteit verdienen kunnen als volgt worden omschreven:

- verbetering van het ontwerp en het beheer van steeds ingewikkelder industriële processen waarbij wordt uitgegaan van de vorderingen met kunstmatige intelligentie en gebruik kan worden gemaakt van proefstrategieën, waarbij de produktiviteit en de veiligheid wordt verhoogd en de noodzaak van afvalbeheer wordt verminderd;

- onderzoek naar innoverende technieken op het gebied van de chemische technologie, biochemie en biotechnologie toegepast op industriële processen waardoor zowel de produktiviteit als het rendement kan worden verhoogd als gevolg van een beter inzicht in de fundamentele verschijnselen uitgaande van het beginsel van het voorkomen van vervuiling, en van recycling en de veiligheid van de processen.

Thema 1.3. Rationeel beheer van grondstoffen

Het rationeel beheer van grondstoffen moet worden ontwikkeld op mondiaal niveau waarbij gezorgd moet worden voor de continuïteit van de aanvoer van middelen en het milieu wordt ontzien. Gezien het belang van de werkgelegenheid in deze sector wordt de nadruk gelegd op technologieën die de werkgelegenheid behouden of vergroten tegen de achtergrond van veiligheid, gezondheid en zorg voor het totale systeem. De preventie van verontreiniging, waardoor de produktiviteit wordt verhoogd en die tegelijkertijd een efficiënter gebruik van de hulpbronnen mogelijk maakt, vormt eveneens een onmisbare industriële parameter. Er zal met name worden gestreefd naar vooruitgang van de technieken voor verwijdering van "probleem"-afval of voor hergebruik van afval. Bij het vaststellen van de volgende prioritaire onderzoekgebieden is uitgegaan van een totaalbeeld van de industriële systemen ten einde de volledige cyclus van materialen, van grondstoffen tot eindprodukt, te optimaliseren:

- nieuwe technologieën die een duurzame grondstoffenvoorziening mogelijk maken, met name voor de mijnbouw en exploratie;

- onderzoek naar nieuwe procédés en technieken voor ertsverwerking en in metaalbedrijven en de mineraalverwerkende industrie, ter verlaging van de produktiekosten en ter vermindering van de veiligheids-, milieu- en energieproblemen;

- multidisciplinaire aanpak met betrekking tot de produktie, de exploitatie en het gebruik van grondstoffen zodat reststoffen uit het produktieproces opnieuw kunnen worden gebruikt en als secundaire grondstof kunnen worden toegepast.

Thema 1.4. Betrouwbaarheid van produktiesystemen

In de Gemeenschap is een van de voornaamste doelstellingen van de industrie het waarborgen van de veiligheid van fabrieken, bouwterreinen, mijnen, offshore-installaties enz. alsmede die van de werknemers en hun gezin en de bescherming van hun gezondheid. Daarom dient het technologische onderzoek de nadruk te leggen op nieuwe diagnosemethoden voor mogelijk gevaarlijke storingen en op de permanente controle van de staat van installaties, constructies, infrastructuren en machines. Belangrijke doelstellingen voor de bedrijfseconomie zijn tevens het zorgen voor de middelen voor efficiënt onderhoud en het vermogen om op het juiste tijdstip in te grijpen. De volgende onderzoektaken zijn prioritair:

- onderzoek voor de controle van de levenscyclus van installaties en produktiesystemen, in samenhang met de veiligheids- en betrouwbaarheidseisen, waarbij wordt uitgegaan van de analyse van faalwijzen en de optimalisering van technieken voor controle, monitoring, diagnose, onderhoud en reparatie;

- onderzoek naar nieuwe controlesystemen die zijn gebaseerd op het inbouwen van intelligente materialen, sensoren, actuators en microsystemen en op de toepassing van geavanceerde technieken, met name beeldsystemen of de beschikbare informatie- en communicatietechnologie (ICT), voor controle en diagnose van grote installaties, en het toezicht op de produktie in de context van de "schone fabriek";

- onderzoek en ontwikkeling voor de toepassing van geïntegreerde en expertsystemen, bestemd voor de controle en het toezicht op installaties en industriële processen, met name met behulp van integratie van kennistechnologie, verbetering van de prestaties en de betrouwbaarheid en door de doelgerichte integratie van ondersteunende systemen voor de besluitvorming.

Thema 1.5. Menselijke factoren in de produktiesystemen

Verbetering van de bedrijfsorganisatie en van de mens/machine- en mens/werkplaats-interfaces is een van de voornaamste uitdagingen in het bedrijfsleven. Bij het sturen van processen doen zich talrijke situaties voor waarbij het gebruik van een systeem wordt beperkt door de mate waarin de bedieningspersoon vertrouwen heeft - of niet heeft - in het advies dat hem wordt gegeven. Het is niet alleen door een verhoogde automatisering van de systemen dat deze situatie kan worden verholpen, maar ook door het tot stand brengen van systemen die de bedieningspersoon kan begrijpen en waarvoor hij gemakkelijk kan worden opgeleid. De mens moet tevens worden bevrijd van repetitieve of weinig veilige taken om zich op meer interessante taken te kunnen concentreren. Alles dient in het werk te worden gesteld om tot een mate en een vorm van automatisering te komen die aan de verschillende bekwaamheden van het personeel is aangepast en die de bedieningspersoon op alle niveaus het gevoel geeft dat hij de machine bestuurt en niet omgekeerd. In het licht van de algehele kwaliteit en een grotere flexibiliteit zal rekening worden gehouden met de nieuwe benaderingen van de menselijke en organisatorische aspecten van produktie- en werksystemen alsmede het zoeken naar innoverende oplossingen. Het onderzoek heeft de volgende doelstellingen:

- verbetering van de kwaliteit van produktiesystemen door middel van onderzoek op het gebied van de ergonomie, arbeidsorganisatie en technologie, waarbij met name rekening wordt gehouden met culturele factoren, de vakbekwaamheden van het bedieningspersoneel en de randvoorwaarden van het werk in kwestie;

- verbetering van de arbeidsomstandigheden, de veiligheid, de gezondheid en de mens/machine- en mens/werkplaats-interfaces door harmonisatie van goede praktijkcodes met betrekking tot de bedrijfsorganisatie en optimale toepassing van geavanceerde fabricage-, produktie- en constructietechnologieën.

- onderzoek naar planning- en logistieke methoden en de integratie daarvan in het gehele bedrijf en de omgeving daarvan.

Thema 2. Technologieën voor produktinnovatie

1. Achtergrond

De concurrentiepositie van de Europese industrie hangt af van het vermogen nieuwe produkten met een hoge toegevoegde waarde te vervaardigen die voldoen aan het steeds hogere kwaliteitsniveau dat de markt verlangt. Deze doelstelling kan worden bereikt door middel van de ontwikkeling van nieuwe ontwerp- en engineeringmethoden gebaseerd op de levenscyclus van produkten die het aantal verschillende materialen en de complexiteit daarvan kunnen verminderen, alsmede de produktiekosten en -duur en kunnen leiden tot verhoging van de kwaliteit en de betrouwbaarheid van schone produkten waarbij het milieu wordt ontzien en wordt uitgegaan van een duurzame groei. Het materiaalonderzoek kan bijdragen tot nieuwe oplossingen die de toepassing van bepaalde beschikbare technologieën kunnen optimaliseren en de complexiteit van geavanceerde materialen kunnen verminderen alsmede de schadelijke emissies en de produktiekosten door gebruikte materialen terug te winnen en opnieuw te gebruiken, met name onderdelen met een hoge toegevoegde waarde.

Tegen deze achtergrond spelen de bedrijfstakken op het gebied van materialen en de daarmee verband houdende technologieën een cruciale rol in de Europese industrie. De sector van geavanceerde materialen zelf vertegenwoordigt vanaf nu tot het jaar 2000 een markt van 200 miljard ecu in de gehele wereld. Europa moet zijn plaats behouden op dit strategische gebied, in de eerste plaats door de algemeen toegepaste processen in de fabrieken of de materiaalverwerkende industrie (metallurgie, constructie, textiel, enz.) te verbeteren; in de tweede plaats door er op toe te zien dat geavanceerde materialen economisch worden gebruikt zowel door de traditionele industrie als door geavanceerde bedrijven die de produkten van de toekomst maken en in de derde plaats door een bijdrage te leveren aan de concurrentiepositie en het evenwicht van het systeem als geheel.

2. Voorgestelde activiteiten

De onderzoekswerkzaamheden moeten zich m.b.v. een aanpak die rekening houdt met de gehele levenscyclus van een produkt richten op het aanwenden van de beste en meest geschikte middelen om te zorgen voor het behoud van de bronnen en te voldoen aan de eisen van de consument, zodat kwaliteitsprodukten worden vervaardigd tegen redelijke kosten en verantwoordelijk met het milieu wordt omgegaan. Er moet prioriteit worden gegeven aan onderzoeksthema's die verband houden met het ontwerp en de vervaardiging van produkten uitgaande van onderdelen en verbeterde of geavanceerde materialen (in het bijzonder intelligente materialen), schone verwerkingsprocessen en, op de lange termijn, processen die, naar het zich laat aanzien, waarschijnlijk snel tot praktische toepassing zullen leiden en die op deze wijze de technologische vooruitgang van de Europese industrie stimuleren, met name door de identificatie van produkten van de toekomst. Als voorbeeld kan gewezen worden op de moleculaire technologie en de biobehandeling die tien jaar geleden nog niet bestonden maar die in de komende tien jaar een belangrijke rol zullen spelen. De werkzaamheden betreffen eveneens fabricageprocessen waarmee de eigenschappen en de functiegerichtheid van traditionele materialen kunnen worden verbeterd en die kunnen uitmonden in een generatie nieuwe produkten. Het programma kent een belangrijke plaats toe aan de behandeling van afvalstoffen, aan recycling en aan het hergebruik van produkten als functie van de levenscyclus daarvan en omvat projecten op het gebied van de kwaliteit, gebruiksvriendelijkheid en de betrouwbaarheid van produkten.

Thema 2.1. Materiaaltechnologie

Geavanceerde materialen worden gebruikt in industriële componenten en hun kenmerken bepalen vaak de kritische drempel van deze steeds complexere systemen, zoals motoren, elektronische systemen, mechatronica of medische apparatuur. Er dient rekening te worden gehouden met hun gedrag tijdens de gehele levenscyclus van het produkt. Vaak is de vooruitgang die bij het materiaalonderzoek wordt geboekt bepalend voor de maximale snelheid waarmee de sleutelsectoren van de economie zich kunnen ontwikkelen. Dit geldt in het bijzonder voor hoogtechnologische sectoren, maar ook voor basisindustrieën zoals de chemie, bouw of de werktuigbouw. Daarom is OTO op het gebied van materiaaltechnologie, zoals bij voorbeeld moleculaire techniek, of op gebieden met een meer prospectief karakter, essentieel voor de toekomstige bloei van de industrie. De vraag van de markt dwingt de industrie het gebruik van de "exotische" materialen te verminderen en het onderzoek naar de verbetering van traditionele en bestaande geavanceerde materialen te intensiveren. Onderzoek en ontwikkeling moeten op de volgende gebieden worden toegespitst:

- innovaties en geïntegreerde benaderingen bij materiaalvervaardigings- en behandelingstechnieken, waaronder die voor traditionele materialen (bij voorbeeld "Near Net Shape" produktie, poedermetallurgie, oppervlaktebehandeling, enz.) met het oog op verbetering van de eigenschappen en functiegerichtheid van materialen, het rendement van processen en de kwaliteit van de produkten;

- functionele en intelligente materialen voor het verkrijgen van produkten met betere prestaties bij multisectoriële toepassingen zoals elektromotoren, actuators, sensoren en andere elektrische of mechanische voorzieningen waaronder supergeleiders;

- multidisciplinair onderzoek naar materialen met het oog op een rendabele introductie van natuurlijke materialen in industrieprodukten, de eliminering van eventuele schadelijke produkten, de geschiktheid voor recycling, en de prognose van de effecten van meermalige recycling op de structurele en functionele eigenschappen van deze materialen;

- onderzoek naar de synthese van hoogwaardige materialen en chemische produkten waarbij bij voorbeeld gebruik wordt gemaakt van computergesteunde technieken om de specifieke eigenschappen van de materialen op te bouwen, en waarbij de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid tot een minimum worden beperkt, met name in verband met de biologische afbreekbaarheid en de mogelijkheden tot recycling en hergebruik;

- steun ten behoeve van de ontwikkeling van produkten en materialen van de toekomst, met name met behulp van de moleculaire technologie en supramoleculaire chemie; het onderzoek zal zich eveneens toespitsen op biotechnologische materialen gericht op industriële produkten en processen in samenhang met specifieke onderzoekprogramma's op het gebied van de biotechnologie en de agro-industrie.

Thema 2.2. Nieuwe ontwerp- en fabricagemethoden

De concurrentiepositie van de industrie zal worden veilig gesteld door de optimale integratie van nieuwe technologieën en een betere synergie met de "grijze cellen"-activiteiten (bij voorbeeld diensten, engineering, opleiding). De uitdaging heeft voornamelijk betrekking op het verkorten van de termijn tussen het ontwerpstadium en het stadium van de commercialisering van een nieuw produkt of procédé. De concurrentiepositie op de markten wordt namelijk steeds meer een kwestie van tijd. Van de ingenieurs wordt dan ook vereist dat zij zich tegelijkertijd bezighouden met het ontwerpen en met de planning van de produktie en commercialisering. Bij het streven naar optimalisering van de prestaties moet evenwel tevens de gehele levenscyclus van produkten en procédés in aanmerking worden genomen en moet bijgevolg worden getracht alle daarmee samenhangende problemen op te lossen. Wel 75 % van de kosten die verband houden met de levenscyclus worden bepaald in deze kritische periode van het ontwerp van produkten. Hetzelfde geldt voor meer dan de helft van de problemen van de betrouwbaarheid en de kwaliteit. Voor het ontwerpen van produkten met zeer grote toegevoegde waarde en produkten van de toekomst dienen onderzoekwerkzaamheden te worden verricht die op de volgende punten zijn toegespitst:

- onderzoek, toepassing en integratie van nieuwe ontwerp- en engineeringmethodologieën, met name door toepassing van de recente ontwikkelingen op het gebied van de wetenschap en technologie, zoals computergesteund ontwerpen (CAD) en snelle prototyping, daarbij rekening houdend met de kritische fasen van de produktiesystemen en de gehele levenscyclus;

- onderzoek naar methoden voor analyse en modellering van verschijnselen in verband met de omzetting van materialen (bij voorbeeld stolling) of het gedrag van produkten (bij voorbeeld vervorming, trillingen, enz.);

- ondersteuning van de innovatie van produkten door ontwikkeling van een multidisciplinaire aanpak met geïntegreerde onderzoekwerkzaamheden naar materialen, ontwerp- en fabricagemethoden, het effect op de werkgelegenheid, de gezondheid en de veiligheid op de arbeidsplaats, kwaliteitscontrole en recycling van produkten, ten einde tot een betere kosten/batenverhouding te komen en het maatschappelijke en milieu-effect te verbeteren.

Thema 2.3. Betrouwbaarheid en kwaliteit van materialen en produkten

Het onderzoek naar verbeterde eigenschappen wat betreft betrouwbaarheid, veiligheid, gezondheid en rentabiliteit staat niet los van de toenemende behoefte aan een beter inzicht in het gedrag van materialen, componenten en produkten. Dit thema, dat in het verleden al ruimschoots is bestudeerd, is nog steeds cruciaal gezien de belangen die ermee zijn gemoeid uit economisch, sociaal en milieu-oogpunt. Het onderzoek dient, voornamelijk in de vorm van coördinatiewerkzaamheden, op de volgende onderwerpen te worden toegespitst:

- onderzoek waarbij de micro- en macrostructurele modellering worden gecombineerd, voor een verbeterde detectie van de microgebreken, ten einde inzicht in de verschijnselen te verwerven en de betrouwbaarheid van de materialen te verbeteren;

- multidisciplinaire aanpak ten einde de veroudering van produkten, van constructies en van industriële componenten (corrosie, vermoeiing enz.) te controleren, waarbij wordt uitgegaan van de modellering van het werkelijke gedrag en een beter inzicht in de relaties met de eigenschappen van de materialen waaruit zij zijn samengesteld.

- ontwikkeling van een nieuwe aanpak om te zorgen voor de kwaliteit van produkten en materialen.

Thema 2.4. Terugwinning van produkten aan het eind van hun levenscyclus

In het verleden heeft de technologische vooruitgang vaak negatieve gevolgen voor het milieu gehad, hetgeen bij de behandeling van materialen, de fabricage of bij de verwijdering van verouderde produkten kon zijn. Het is echter mogelijk om materiaal, processen en produkten te ontwikkelen die zowel aan de behoefte van de economie voldoen als aan die van het milieu hetgeen aansluit bij het verlangen van de maatschappij voor een duurzame ontwikkeling. Wetenschap en technologie bieden tegenwoordig mogelijkheden voor het ontwerp van produkten waarbij rekening wordt gehouden met de gehele levenscyclus en het hergebruik van materialen aan het eind van deze levenscyclus. Eén en ander houdt in dat het onderzoek zich moet richten op het ontwerp van nieuwe produkten en materialen die voortdurend kunnen worden gerecycleerd en de ontwikkeling van nieuwe produkten met een langere levenscyclus waarbij bij voorbeeld gebruik wordt gemaakt van reparatietechnieken of gedeeltelijk of totaal hergebruik. De onderzoekwerkzaamheden dienen zich voornamelijk te richten op:

- steun aan onderzoek naar nieuwe technieken en methoden voor ontwerp van produkten gericht op de mogelijkheid van hergebruik of reparatie, met name door vereenvoudiging van de assemblage en de demontage en het verminderen van de verscheidenheid van materialen en van het aantal onderdelen van een produkt;

- nieuwe terugwinnings- en recyclingstechnieken voor materialen uitgaande van produkten aan het eind van hun levenscyclus, en vaststelling van een kwaliteitsgarantiemethode om te voldoen aan normen en specificaties voor hergebruik;

- intensivering van het onderzoek naar rendabele en betrouwbare constructie-, reparatie- en demontagetechnieken waardoor gedeeltelijk of totaal hergebruik van onderdelen van industriële systemen, constructies en produkten mogelijk wordt;

Thema 3. Technologie voor de transportsector

1. Achtergrond

De Europese integratie en de huidige economische tendensen leiden tot een toenemende behoefte aan flexibele en efficiënte vervoersystemen. De evolutie van de verschillende wijzen van vervoer draagt ongetwijfeld bij aan de economische ontwikkeling van de Europese regio's en landen, maar terzelfdertijd worden de milieu- en mobiliteitsproblemen waarmee men thans wordt geconfronteerd steeds erger. De invloed van de verschillende transportvormen op het milieu is een factor die grenzen stelt aan de groei van deze sector. De maatschappij aanvaardt toekomstige wijzen van transport als er oplossingen worden geboden op de middellange en lange termijn voor de problemen van energieverbruik en vervuiling op plaatselijke en op wereldschaal. Het rationeel gebruik van de verschillende transportvormen vormt een sleutelelement dat moet leiden tot verbetering van de capaciteit, de vermindering van energieverbruik, de kosten/batenverhouding, het comfort, de kwaliteit, de veiligheid, de omvang, de snelheid en de milieuvriendelijkheid in samenhang met het overige Europese beleid op het gebied van industrie, vervoer, milieu en energie. Dit geldt met name voor de Europese automobiel-, scheepvaart-, spoorweg- en luchtvaartindustrie.

2. Voorgestelde activiteiten

De voornaamste doelstelling is versterking van de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese vervoermiddelenindustrie. Dit thema wordt afgestemd op de twee voorgaande thema's en op andere specifieke programma's zoals dat betreffende telematica, energie en vervoer. Op het gebied van de luchtvaart, de automobielindustrie, de spoorwegen en de scheepvaart zijn de prioritaire onderzoekswerkzaamheden toegespitst op het ontwerp, geavanceerde materialen en de produktie en het onderhoud van geavanceerde vervoermiddelen met het oog op verbetering van de rentabiliteit, de kwaliteit, de capaciteit en de commercialiseringstermijn en het milieu-effect. Speciale aandacht zal worden besteed aan het onderzoek op luchtvaartgebied om tegemoet te komen aan de behoefte van deze industrie en aan te tonen dat geavanceerde aspecifieke technologieën kunnen worden overgedragen naar andere vervoersectoren. Er zal gezorgd worden voor de continuïteit van reeds uitgevoerde werkzaamheden in de bij het vierde kaderprogramma behorende specifieke programma's al naargelang de aard daarvan.

Of een vervoermiddel kan concurreren is afhankelijk van het vermogen voertuigen te produceren voor een concurrerende prijs en te zorgen voor de veiligheid, de toegankelijkheid en het comfort van de passagiers en een optimale autonomie, snelheid, betrouwbaarheid en rendement. De voertuigen van de toekomst moeten derhalve voldoen aan nieuwe behoeften hetgeen het totstandbrengen van transeuropese netwerken zoals voorzien in het Witboek vereist. Hiertoe moeten onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden worden verricht op de volgende gebieden:

Thema 3.1. Ontwerp van voertuigen en integratie van systemen

Een hoogstaand ontwerp is een belangrijk middel om het concurrerend vermogen van de industrie en de rentabiliteit te verhogen. Het ontwerp van vervoermiddelen vormt een bijzondere uitdaging vanwege de verschillende te vervullen functies en het effect van zowel de integratie in de praktijk als de interactie tussen complexe boord- en externe systemen. Het doel van het onderzoek is derhalve gericht op het combineren van multidisciplinaire modelleringstechnieken en analyse- en simuleringsinstrumenten ten behoeve van een geïntegreerd voertuigontwerp waarbij gebruik wordt gemaakt van zeer geavanceerde technologieën, krachtige berekeningsmethoden en multimediale communicatieapparatuur. Het betreft hier de volgende gebieden:

- ontwikkeling van ontwerpinstrumenten en ondersteunende systemen voor de vaststelling van de configuratie en het ontwerp van voertuigen, uitrusting, subsystemen en interfaces, waarbij snel en gemakkelijk rekening kan worden gehouden met de behoeften van de gebruiker en de specificaties van de produkten;

- ontwikkeling van een methodologie voor de totstandbrenging van een synthese tussen de know-how op het gebied van materialen, veiligheid, normen, milieubescherming, fabricage en onderhoud ten einde het algehele ontwerp van voertuigen te optimaliseren;

- ontwikkeling van multidisciplinaire analyse-instrumenten en optimaliserende instrumenten ter ondersteuning van de besluitvormingsprocedure voor de gehele cyclus vanaf het eerste ontwerp tot aan de uiteindelijke beoordeling van het prototype. Deze hebben onder andere betrekking op modellering, fabricagemethoden en op de kostenraming van de levenscyclus;

- toepassing van uitgewerkte technieken voor beproeving van prototypes zoals virtual reality en stereolithografie voor de evaluatie van het ontwerp, de functionele simulatie van uitrusting en het optimaal gebruik van voertuigen;

- onderzoek naar geavanceerde materialen, zoals staal en non-ferrometalen, composietmaterialen of multimaterialen, met name voor toepassingen bij hoge temperaturen;

- onderzoek naar lichte constructies, waaronder samengestelde constructies ter vermindering van het voertuiggewicht en van specifieke subsystemen zoals ophanging, besturing, transmissie en hulpsystemen.

Thema 3.2. Voertuigproduktie

De produktie van transportvoertuigen verschilt sterk in termen van produktiesnelheid, hoeveelheid en nauwkeurigheid. De mogelijkheid om snel te kunnen inspelen op speciale orders van voertuigen voor een bepaalde afnemer wordt uit oogpunt van de concurrentie steeds belangrijker en pleit voor een meer modulegerichte en flexibele benadering van de fabricage en de assemblage. De vraag naar lichtere en snellere voertuigen met een grotere effectiviteit en voor een concurrerende prijs stimuleert het gebruik van andere materialen voor constructies zoals composietmaterialen en vormt een nieuwe uitdaging voor de produktieomvang of de flexibiliteit van de produktielijn. Het desbetreffende onderzoek heeft derhalve betrekking op:

- de ontwikkeling van modulaire en flexibele systemen met een aanpasbare configuratie voor de produktie van onderdelen en subsystemen uitgaande van homogene of heterogene materialen zoals composiet- en geavanceerde materialen;

- de ontwikkeling van produktie- en fabricagetechnieken voor geavanceerde materialen voor gerichte toepassingen op voertuigen zoals uitrusting voor opslag of omzetting van energie, zoals accu's, brandstofreservoirs en hulpuitrusting;

- de ontwikkeling en evaluatie van efficiëntere en goedkopere procédés voor de kwaliteitscontrole en de beproeving van complexe en grote constructieonderdelen.

Thema 3.3. Technieken ter verbetering van de doelmatigheid van voertuigen

Het rendement en de kosten/batenverhouding van transportvoertuigen zijn cruciale elementen om een efficiënt vervoersysteem te ontwikkelen en om het concurrerend vermogen van de respectievelijke leveranciers te vergroten. Het onderzoek spitst zich toe op:

- de ontwikkeling van technieken voor het ontwerp en de produktie van zeer efficiënte aandrijfsystemen met weinig nadelige gevolgen voor het milieu en minder onderhoud;

- de ontwikkeling van modellerings- en beproevingstechnieken ter verbetering van de kennis van complexe verschijnselen op het gebied van de aerodynamica, aerothermodynamica en hydrodynamica, waaronder aspecten zoals verbranding, beheersing van laminaire stroming, de voortplanting van de schokgolven en de interactie tussen de constructie en het medium;

- de ontwikkeling van optimaliseringstechnieken van de vorm en het profiel ter vermindering van de weerstand en verbetering van de stabiliteit en de dynamische eigenschappen van het voertuig;

- geavanceerde, sterk geïntegreerde subsystemen voor de controle met een zeer betrouwbare gegevensverwerking voor het optimaal gebruik van voertuigen waarbij beschikbare informatie- en communicatietechnologie wordt toegepast;

- ontwikkeling van methoden en instrumenten voor de integratie van aandrijving en transmissie om een optimale voortstuwing te realiseren.

Thema 3.4. Technologieën ten behoeve van het milieu

Al naar gelang het aanbod aan vervoer toeneemt, moeten de rendements- en economische criteria gepaard gaan met een verminderd milieu-effect. Het onderzoek op dit gebied betreft tevens de behoefte van de gebruikers op het gebied van comfort en effectiviteit waarbij speciale aandacht wordt besteed aan maatregelen ter verbetering van de aanvaardbaarheid door de gebruiker van transportmiddelen. Het onderzoek betreft:

- de vermindering van de emissies tot een zeer laag niveau of tot nul van het schadelijk effect voor de atmosfeer, door toepassing van concepten die gebaseerd zijn op variabele cycli en het ontwerp van geavanceerde verbrandingskamers;

- de ontwikkeling van milieubewakingstechnieken voor de detectie van in-situ storingen die een verhoging van de vervuiling kunnen veroorzaken;

- de identificatie van lawaaibronnen en de analyse van de voortplanting van het geluid en actieve en passieve controle- en bestrijdingsmethoden voor geluid en trillingen;

- de ontwikkeling van technieken ter verbetering van de dynamische eigenschappen, het comfort en de ergonomie van voertuigen waaronder ophangsystemen, zetels en bagageruimte;

- de ontwikkeling van nieuwe lichte uitrusting ter verbetering van het comfort van de passagiers, met inbegrip van airconditioning en luchtdrukregeling.

Thema 3.5. Veiligheidstechnieken voor voertuigen

Het doel van het onderzoek is een bijdrage te leveren aan een significante verbetering van de veiligheid van het vervoer door middel van een gestructureerde benadering van de verschillende elementen in het vervoersysteem waaronder voertuigen, de menselijke factor, en de operationele infrastructuren. Eén en ander omvat alle analyses van de veiligheid en operationeliseringstechnieken, cognitief onderzoek, reparatie- en onderhoudstrategieën van voertuigen, waaronder de verschillende benaderingen van het operationeel en menselijk beheer die de voor de veiligheid bepalende factoren en prestaties aan het licht brengen. Het onderzoek omvat de ontwikkeling van:

- gestructureerde benaderingen gericht op de evaluatie van het risico bij het gebruik van voertuigen en de daarbij behorende operationele systemen hetgeen moet leiden tot de ontwikkeling van gecomputeriseerde instrumenten ter ondersteuning van de veiligheidsanalyse;

- passieve en actieve veiligheidstechnieken die bepaalde aspecten verbeteren, zoals brand- en schokbestendigheid en de overleving van de inzittenden;

- methodes en instrumenten voor de identificatie en de controle van menselijke fouten, waaronder de ontvangst van gegevens en de ontwikkeling van vergissingsscenario's die een bijdrage leveren aan de analyse van de factoren en methodologieën ter evaluatie van de invloed daarvan;

- inspectie-, onderhoud- en reparatiestrategieën en -technieken voor kritische systemen en onderdelen, waardoor het ontwerp van produkten met inbegrip van grote constructies kan worden verbeterd;

- de ontwikkeling van simulators voor de instructie van bedieningspersoneel met weergave van hun gedrag, bestaande uit elektro-mechanische componenten; een en ander moet worden opgenomen in voorlichtingsprogramma's voor controlesystemen.

Thema 3.6. Bedieningstechnieken voor voertuigen

Een belangrijk element van de effectiviteit van een vervoersysteem ligt besloten in de controlesystemen voor de vervoermiddelen en de operationele systemen waarbinnen de vervoermiddelen worden gebruikt. Het onderzoek betreft:

- het geavanceerd ontwerp van in het voertuig geïntegreerde besturings- en controleuitrusting en -systemen, waarbij rekening wordt gehouden met behoefte aan integratie van navigatie- en communicatiesystemen zoals die welke in het kader van het telematicaprogramma zijn ontwikkeld;

- de ontwikkeling van geïntegreerde en intermodale overslagsystemen die een gemakkelijke grensovergang mogelijk maakt en waardoor een lading gemakkelijk kan worden getraceerd;

- geavanceerde technieken en methoden voor het preventief onderhoud, de controle van de gezondheid en de slijtage op een bepaald moment, waaronder geavanceerde technieken voor de niet-destructieve controle en "intelligente" structuren.

* * *

Bij de ontwikkeling van de bovenvernoemde technologieën zal rekening worden gehouden met de verschillende eisen van de vervoersindustrieën:

Voor wat betreft de luchtvaart richt het onderzoek zich op geavanceerde technologieën, met name in verband met milieubescherming om zowel het lawaai als de uitstoot van verontreinigde stoffen te verminderen en op het niveau van het ontwerp om het totale energieverbruik te verlagen. Het onderzoek is gericht op de verbetering van de veiligheid, vergroting van de capaciteit van het luchttransportsysteem en het vergemakkelijken van de produktie, de exploitatie en het onderhoud van toekomstige generaties apparatuur (ter aanvulling van de activiteiten van het telematicaprogramma en onderzoek op het gebied van het vervoerbeleid).

In de autobranche wordt het accent gelegd op efficiënte en flexibele produktietechnologieën en op de ontwikkeling van voor schone en bedrijfszekere voertuigen noodzakelijke technologieën, waarbij rekening wordt gehouden met het onderzoek in het kader van andere specifieke programma's.

Bij de spoorwegen wordt het onderzoek toegespitst op technieken gericht op intermodaliteit, en interoperabiliteit alsmede de effectiviteit van hogesnelheidstreinen en stadstreinen (elektrische aandrijving, controle/besturings- en remsystemen aan boord).

In de scheepsbouw betreft het onderzoek voornamelijk de ontwikkeling van een nieuwe generatie schepen met specifieke geautomatiseerde en geïntegreerde functies (intermodaliteit, interoperabiliteit en interface met haveninfrastructuren).

(1) Het onderzoekprogramma industrietechnologie is gebaseerd op de informatica en op andere aspecifieke technologieën, ten einde innovatie en concrete toepassingen op het gebied van de produktie-industrie mogelijk te maken; het resulteert op zijn beurt in gegevens, kennis en expertise voor het onderzoekprogramma informatie- en communicatietechnologie (ICT) dat de ontwikkeling van nieuwe ICT-oplossingen voor geavanceerde engineering- en fabricagesystemen tot doel heeft; door nauwe coördinatie en via specifieke interfaces wordt gezorgd voor de complementariteit van beide programma's.

(2) Een meer gedetailleerde beschrijving van de onderzoekactiviteiten van het GCO, die bepaald zijn in een voorstel voor een aparte beschikking van de Raad, is te vinden in bijlage IV om hun complementariteit met de analoge indirecte werkzaamheden duidelijk te maken.

BIJLAGE II

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

VOORWAARDEN VOOR UITVOERING VAN HET PROGRAMMA

1. De voorwaarden voor de financiële deelneming van de Gemeenschap zijn bepaald in bijlage IV van het besluit betreffende het vierde kaderprogramma.

De voorwaarden voor de deelneming van bedrijven, onderzoekcentra en universiteiten, alsmede de regels voor de verspreiding van de onderzoekresultaten zijn bepaald in de maatregelen van artikel 130 J van het Verdrag.

Voor de tenuitvoerlegging van dit programma gelden evenwel de volgende verduidelijkingen/afwijkingen:

1.1. Het programma staat open, met financiële steun van Gemeenschap,

a) voor alle rechtspersonen die gevestigd zijn en gewoonlijk OTO-activiteiten verrichten

- in de Gemeenschap,

- in een derde land dat geheel of gedeeltelijk bij de tenuitvoerlegging van het desbetreffende programma is betrokken krachtens een tussen de Gemeenschap en dat derde land gesloten overeenkomst,

b) voor het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek.

1.2. Het programma staat open, zonder financiële steun van de Gemeenschap, en op voorwaarde dat deze deelneming van belang is voor het communautaire beleid,

a) voor rechtspersonen die gevestigd zijn in een land dat met de Gemeenschap een overeenkomst heeft gesloten inzake wetenschappelijke en technische samenwerking met betrekking tot activiteiten die onder het programma vallen, mits deze deelneming in overeenstemming is met de bepalingen van de desbetreffende overeenkomst,

b) voor rechtspersonen die gevestigd zijn in een Europees land,

c) voor internationale onderzoekorganisaties.

1.3. De deelneming van Europese internationale organisaties kan in wel omschreven gevallen op dezelfde basis als die van communautaire organisaties worden gefinancierd.

2. Dit programma wordt uitgevoerd in de vorm van indirecte acties, d.w.z. financiële deelneming door de Gemeenschap aan OTO-activiteiten die door derden of door GCO's in samenwerking met derden worden uitgevoerd:

2.1. Werkzaamheden voor gezamenlijke rekening, onder de volgende voorwaarden:

- OTO-projecten uitgevoerd door ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten, waaronder ook consortia voor geïntegreerde acties, waarbij deze rond een gemeenschappelijk thema worden samengebracht;

- onderzoekprojecten in het kader van thematische netwerken die rond strategisch belangrijke aspecifieke technologieën voor de Europese industrieën worden opgezet en waarbinnen ondernemingen, onderzoekcentra en universiteiten worden samengebracht;

- technologische stimuleringsmaatregelen die, via onderzoek in samenwerkingsverband, erop gericht zijn de deelneming van het MKB te stimuleren en te vergemakkelijken door toekenning van een premie voor de verkennende fase van een OTO-project. Een dergelijke premie wordt toegekend na een eerste selectie van de voorstellen die te allen tijde kunnen worden ingediend.

2.2. Gecoördineerde werkzaamheden, die bestaan in het samenbrengen, vooral via coördinatienetwerken, van OTO-projecten die reeds door de overheid of door particuliere instanties worden gefinancierd. De Lid-Staten assisteren de Commissie bij de identificatie van laboratoria of instituten die bij de activiteiten betrokken zijn om te voorkomen dat belangrijke werkzaamheden buiten de coördinatie vallen.

In het kader van het programma kan eveneens gebruik worden gemaakt van gecoördineerde werkzaamheden als voorbereidend instrument om de haalbaarheid van werkzaamheden voor gezamenlijke rekening vast te stellen of de inhoud daarvan te bepalen.

2.3. Specifieke maatregelen gericht op de totstandbrenging van instrumenten voor algemene doeleinden ten behoeve van onderzoekcentra, universiteiten en ondernemingen en maatregelen ter ondersteuning van het Gemeenschappelijk beleid. Deze maatregelen hebben voornamelijk tot doel netwerken te laten functioneren die fabrikanten, gebruikers, universiteiten en onderzoekcentra rond een zelfde technologisch of industrieel thema scharen met het oog op vergemakkelijking van de integratie en de overdracht van kennis, ook in minder begunstigde gebieden, waarbij beter rekening wordt gehouden met de behoeften van de markt. Deze activiteiten kunnen de uitwisseling van informatie of van personeel omvatten en eventuele financiering van de coördinatie van onderzoekprojecten die niet alleen betrekking hebben op het specifieke programma maar ook op andere Europese programma's of initiatieven (bij voorbeeld Eureka) of nationale programma's.

2.4. Voorbereidende, begeleidende en ondersteunende maatregelen, onder de volgende voorwaarden:

De begeleidende maatregelen zijn gericht op vergroting van de effectiviteit van het programma door het beter toegankelijk te maken en de effecten daarvan te vertienvoudigen. Deze maatregelen worden steeds gegroepeerd gedurende het programma en zijn in sterke mate afgestemd op de aanvullende werkzaamheden van het derde kaderprogramma op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. De inspanningen zijn vergroot om de technische integratie en de uitwisseling van kennis tussen de projecten en de sectoren te vergemakkelijken alsmede met andere Europese initiatieven zoals Eureka of de ESA-programma's. Om te zorgen voor een optimale exploitatie moet van meet af aan en tijdens de uitvoering van de OTO-projecten rekening worden gehouden met factoren die een uiteindelijke toepassing van de resultaten kunnen bevorderen. De uitvoering vindt als volgt plaats:

- studies ter ondersteuning van dit programma en ter voorbereiding van eventuele latere acties;

- bevordering van uitwisseling van gegevens, conferenties, studiebijeenkomsten, workshops of andere wetenschappelijke of technische bijeenkomsten, waaronder ook vergaderingen voor intersectoriële of multidisciplinaire coördinatie;

- gebruik van externe deskundigheid, waaronder toegang tot wetenschappelijke databases;

- studies ter beoordeling van de sociaal-economische gevolgen en de eventuele technologische risico's van alle projecten van dit programma, in het kader van het programma "doelgericht sociaal-economisch onderzoek";

- opleidingsactiviteiten in verband met onder dit programma vallend onderzoek:

- onafhankelijke evaluatie (studies ingebrepen) van het beheer en de uitvoering van de activiteiten van het programma;

- bekendmaking en benutting van de resultaten van het onderzoek;

- steunmaatregelen ten behoeve van voorlichtingsnetwerken en gedecentraliseerde steunverlening ten behoeve van het MKB in nauwe samenhang met de actie Euromanagement-audits;

- studietoelagen en subsidies ten behoeve van de overdracht van technologie naar de industrie in het kader van lopende onderzoekprojecten.

BIJLAGE IV

BESCHRIJVING VAN DE WETENSCHAPPELIJKE ACTIVITEITEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJKE CENTRUM VOOR ONDERZOEK (GCO) BETROKKEN OP GEBIEDEN DIE HET ONDERWERP VORMEN VAN DIT SPECIFIEKE PROGRAMMA EN HET VOORSTEL VOOR EEN BESCHIKKING VAN DE RAAD VOOR HET PROGRAMMA VAN HET GCO (COM(94)68 - FINAL - 94/0095 (CNS))

De bijdrage van het GCO aan deze sector is gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van de Europese industrie, hetgeen gebeurt in nauw overleg met de overeenkomstige actieprogramma's voor gezamenlijke rekening. Een en ander wordt toegespitst op normvoorbereidend onderzoek dat, uitzonderingen daargelaten, wordt uitgevoerd in het kader van netwerken van Europese organisaties met belangstelling en bekwaamheden voor dit soort onderzoek, alsmede in samenwerking met normalisatie-instanties, in het bijzonder met het Europees Comité voor normalisatie (CEN). Dit garandeert dat van bij het begin rekening wordt gehouden met de algemene behoeften van de industrie.

Het materiaalonderzoek zal hoofdzakelijk worden geconcentreerd op de hierna volgende sectoren die worden gekenmerkt door een prenormatief karakter en die belangrijke mogelijkheden bieden voor de ontwikkeling van activerende technologieën; hierbij zal de nadruk worden gelegd op schone technologie:

- keramiek, metalen en composietmaterialen: ontwikkeling van procédés, onderzoek van raakvlakken en hechtingen, verbetering van de technologische eigenschappen, karakterisering en demonstratie;

- technieken voor oppervlaktekarakterisering en -modificatie: ionenimplementatie en laserbundels, beschermende bekleding, niet-destructieve evaluatiemethoden;

- prenormatief onderzoek met het oog op het opstellen van normen voor de recycleerbaarheid van materialen; in dit verband zal onder meer een database voor recycleerbare materialen worden ontwikkeld (milieu-eigenschappen en raming van de levensduur).

In nauwe samenwerking met de betrokken nationale laboratoria moet zodoende de nodige wetenschappelijke kennis worden verkregen om deze materialen industrieel te kunnen toepassen en om de normalisatie-instellingen de gegevens te verschaffen die nodig zijn voor hun normalisatiewerkzaamheden.