Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD tot vijfde wijziging van Verordening (EEG) nr.1866/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund
Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD tot vijfde wijziging van Verordening (EEG) nr.1866/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund
Voorstel voor een verordening van de Raad tot vijfde wijziging van Verordening (EEG) nr. 1866/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de OEresund
(95/C 91/05)
COM(95) 70 def. - 95/0068(CNS)
(Door de Commissie ingediend op 22 maart 1995)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,
Overwegende dat in de artikelen 2 en 4 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (1) is bepaald dat de Raad, in het licht van wetenschappelijke adviezen, de instandhoudingsmaatregelen vaststelt die nodig zijn voor een rationele en verantwoorde exploitatie op duurzame basis van de levende mariene aquatische bestanden; dat de Raad daartoe technische maatregelen kan vaststellen betreffende het vistuig en de wijze waarop het dient te worden gebruikt;
Overwegende dat de beginselen en uitvoeringsbepalingen met betrekking tot deze technische maatregelen op communautair niveau moeten worden vastgesteld, opdat iedere Lid-Staat zorg kan dragen voor het beheer van de visserij in de maritieme wateren onder zijn jurisdictie of soevereiniteit;
Overwegende dat in Verordening (EEG) nr. 1866/86 (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2156/91 (3), technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de OEresund zijn vastgesteld;
Overwegende dat de bij het Verdrag van Gdansk ingestelde internationale visserijcommissie voor de Oostzee, hierna "Oostzeevisserijcommissie" te noemen, de voorschriften voor de visserij in de betrokken wateren vaststelt;
Overwegende dat de Oostzeevisserijcommissie de Verdragsluitende Staten bij brieven van 20 september 1993 en 20 september 1994 in kennis heeft gesteld van een aantal aanbevelingen die respectievelijk zijn aangenomen tijdens haar 19e en haar 20e vergadering en die o.a. wijzigingen in de technische maatregelen betreffen;
Overwegende dat de Gemeenschap krachtens genoemd verdrag gehouden is in de Oostzee, de Belten en de OEresund aan deze aanbevelingen uitvoering te geven, tenzij zij bezwaren maakt volgens de procedure van artikel XI van genoemd verdrag; dat er geen aanleiding is voor dergelijke bezwaren,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EEG) nr. 1866/86 wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 2 wordt het volgende lid 1 bis toegevoegd:
"1 bis. Van 1 juni tot en met 31 augustus 1995 is de kabeljauwvisserij in de Oostzee, de Belten en de OEresund verboden.".
2. In artikel 3 wordt lid 4 vervangen:
"4 In afwijking van lid 3 mag ondermaatse kabeljauw aan boord worden gehouden tot ten hoogste 5 gewichtspercenten van de totale hoeveelheid van kabeljauw aan boord van het vaartuig.".
3. Aan artikel 3 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:
"5. De bijvangst van kabeljauw bij de visserij op haring en sprot mag niet meer bedragen dan 10 gewichtspercenten van de totale vangst. Van de toegestane bijvangst van kabeljauw aan boord mag niet meer dan 5 % ondermaats zijn.".
4. Artikel 6, lid 1, wordt vervangen door:
"1. Bij het controleren van de netten wordt de wijdte van de mazen bepaald met een platte, 2 mm dikke maaswijdtemeter die vervaardigd is van duurzaam, vormvast materiaal. De maaswijdtemeter heeft hetzij een aantal zones met parallelle zijkanten en daartussen zones met zijkanten met een schuinte van 1:8, hetzij uitsluitend een aantal zones met de genoemde schuinte. Op de maaswijdtemeter wordt op de voorkant, zowel op eventuele zones met parallelle zijkanten als op de zones met schuine zijkanten, de breedte in millimeters vermeld. Op maaswijdtemeters met uitsluitend zones met schuine zijkanten wordt een millimeterverdeling aangebracht en op regelmatige afstanden de breedte vermeld.".
5. Aan artikel 8 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:
"3. In afwijking van lid 1 mag bij de kabeljauwvisserij alleen vistuig aan boord zijn dat voor deze visserij mag worden gebruikt of vistuig waarvan de maaswijdte groter is dan de in bijlage IV vastgestelde maaswijdten. Indien er ander vistuig aan boord is, mag geen kabeljauw worden aangeland.".
6. In bijlage I worden alle vermeldingen "Duitse Democratische Republiek" vervangen door "Bondsrepubliek Duitsland".
7. Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
8. Bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
9. Er wordt een bijlage V toegevoegd, zoals vastgesteld in bijlage III bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
(1) PB nr. L 389 van 31. 12. 1992, blz. 1.
(2) PB nr. L 162 van 18. 6. 1986, blz. 1.
(3) PB nr. L 201 van 24. 7. 1991, blz. 1.
BIJLAGE I
"BIJLAGE III
MINIMUMMAAT BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 3
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
".
BIJLAGE II
"BIJLAGE IV
MINIMUMMAASWIJDTE BEDOELD IN ARTIKEL 5
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
> RUIMTE VOOR DE TABEL>
".
BIJLAGE III
"BIJLAGE V
SPECIALE VOORZIENINGEN VOOR SELECTIVITEIT
Om de selectiviteit van sleepnetten, Deense zegennetten en soortgelijke netten met een specifieke maaswijdte vermeld in bijlage IV te waarborgen, mogen ontsnappingspanelen van de twee volgende modellen worden gebruikt:
Ontsnappingspaneel (model 1)
Bij de kabeljauwvisserij moeten in de kuil van trawlnetten en Deense zegennetten twee ontsnappingspanelen worden aangebracht met door middel van plastic coating geheel open gefixeerde ruitvormige mazen. De maasopening moet ten minste 108 mm bedragen. De ontsnappingspanelen moeten worden bevestigd met een stuk net (tussen de gewone ruitvormige mazen en de mazen van het ontsnappingspaneel). De maaswijdte van dit tussenstuk moet gelijk zijn aan de lengte van de maaswijdte van het netwerk van het ontsnappingspaneel, vermenigvuldigd met de vierkantswortel van 2.
Het ontsnappingspaneel moet worden bevestigd aan beide zijden van de kuil en de afstand tussen het achtereind van de kuil en het ontsnappingspaneel moet 40-50 cm bedragen. De lengte van het ontsnappingspaneel moet gelijk zijn aan 80 % van de totale lengte van de kuil en de hoogte moet gelijk zijn aan 50 cm. Het ontsnappingspaneel moet zo worden aangebracht dat de opening tussen de naadlijn aan de bovenkant en de onderkant van het paneel 15-20 cm bedraagt.
Ontsnappingspaneel (model 2)
Omschrijving
De ontsnappingspanelen zijn rechthoekige stukken net in de kuil. Er moeten twee ontsnappingspanelen in een kuil zijn.
Grootte
Elk ontsnappingspaneel is tenminste 45 cm breed over de gehele lengte. Elk paneel moet ten minste 3,5 m lang zijn (afbeelding 1 van diagram 2).
Netwerk
De mazen in het ontsnappingspaneel moeten een maaswijdte van ten minste 105 mm hebben. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de snit AB (uitgesneden langs alle benen - afbeelding 2 van diagram 2). Het netwerk moet zo worden aangebracht dat de benen evenwijdig lopen met, respectievelijk loodrecht staan op de lengterichting van de kuil (afbeelding 2). Het ontsnappingspaneel moet 8 open vierkante mazen breed zijn. De lengte moet gelijk zijn aan 57 tot 62 vierkante mazen (afbeelding 2 van diagram 2).
Plaats van bevestiging
De kuil moet door middel van naadlijnen aan bakboord- en stuurboordzijde in een bovenste en onderste deel worden verdeeld (afbeelding 1 van diagram 2). De twee ontsnappingspanelen moeten worden aangebracht in het onderste deel, juist tegen en onder de naadlijnen (afbeelding 1 van diagram 2). De ontsnappingspanelen eindigen ten minste 2 meter en ten hoogste 2,5 meter vóór de pooklijn.
De voorkant van het ontsnappingspaneel wordt bevestigd aan het normale netwerk van de kuil over een breedte van 8 mazen (afbeelding 3 van diagram 2). Eén zijde wordt bevestigd aan of onmiddellijk tegen de naadlijn en de andere zijde aan het normale netwerk van het onderste deel van de kuil via een AN-snit.
Maaswijdte in de gehele kuil
Het netwerk van de kuil moet overal een maaswijdte van ten minste 105 mm hebben.
>BEGIN VAN DE GRAFIEK>
>EIND VAN DE GRAFIEK>