Home

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de invoering van een mechanisme ter erkenning van diploma' s ten behoeve van beroepswerkzaamheden welke binnen de werkingssfeer van de liberaliseringsrichtlijnen en van de richtlijnen houdende overgangsmaatregelen vallen, en tot aanvulling van het algemene stelsel van erkenning van diploma' s

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de invoering van een mechanisme ter erkenning van diploma' s ten behoeve van beroepswerkzaamheden welke binnen de werkingssfeer van de liberaliseringsrichtlijnen en van de richtlijnen houdende overgangsmaatregelen vallen, en tot aanvulling van het algemene stelsel van erkenning van diploma' s

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een mechanisme ter erkenning van diploma's ten behoeve van beroepswerkzaamheden welke binnen de werkingssfeer van de liberaliseringsrichtlijnen en van de richtlijnen houdende overgangsmaatregelen vallen, en tot aanvulling van het algemene stelsel van erkenning van diploma's (96/C 115/03) (Voor de EER relevante tekst) COM(96) 22 def. - 96/0031(COD)

(Door de Commissie ingediend op 9 februari 1996)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 49 en 57, leden 1 en 2, eerste en derde volzin, en op artikel 66,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag,

(1) Overwegende dat luidens het Verdrag elke discriminerende behandeling op grond van nationaliteit inzake vestiging en dienstverrichting sinds het verstrijken van de overgangsperiode verboden is; dat derhalve een aantal bepalingen van de op dit gebied geldende richtlijnen voor de tenuitvoerlegging van de in het Verdrag zelf verankerde regel van nationale behandeling welke rechtstreekse werking heeft, overbodig zijn geworden;

(2) Overwegende dat het evenwel aangewezen lijkt sommige bepalingen van deze richtlijnen welke gericht zijn op de vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het vestigingsrecht en van de vrije dienstverrichting, te behouden, met name wanneer zij voor de tenuitvoerlegging van de verplichtingen welke uit het Verdrag voortvloeien, op nuttige wijze verduidelijking brengen;

(3) Overwegende dat in afwachting van een wederzijdse erkenning van diploma's richtlijnen houdende overgangsmaatregelen zijn vastgesteld teneinde de vrije vestiging en de vrije dienstverrichting voor een reeks werkzaamheden te vergemakkelijken; dat de daadwerkelijke uitoefening van de desbetreffende werkzaamheid in de Lid-Staat van herkomst gedurende een redelijke tijd in een voldoende nabij verleden in deze richtlijnen voor de toegang tot de betrokken werkzaamheden in de Lid-Staten die deze werkzaamheid hebben gereglementeerd, een toereikende voorwaarde wordt geacht;

(4) Overwegende dat dient te worden overgegaan tot de vervanging van de voornaamste bepalingen van bedoelde richtlijnen in de lijn van de conclusies van de Europese Raad van Edinburgh van 11 en 12 december 1992 betreffende de subsidiariteit, de vereenvoudiging van de communautaire wetgeving en meer in het bijzonder het door de Commissie te verrichten heronderzoek van de betrekkelijk oude richtlijnen op het gebied van de beroepskwalificaties; dat de desbetreffende richtlijnen derhalve dienen te worden ingetrokken;

(5) Overwegende dat het voor de bijwerking van de categorieën beroepservaring en van de lijsten beroepswerkzaamheden waarnaar zij verwijzen, noodzakelijk is passende procedures in te voeren;

(6) Overwegende dat Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (1) en Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van Richtlijn 89/48/EEG (2), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/43/EG van de Commissie (3), niet van toepassing zijn op bepaalde beroepswerkzaamheden welke binnen de werkingssfeer vallen van de voor dit terrein geldende richtlijnen; dat derhalve moet worden voorzien in een mechanisme van erkenning van diploma's dat toepasselijk is op die beroepswerkzaamheden die niet binnen de werkingssfeer van de Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG vallen;

(7) Overwegende dat aan het algemene stelsel de verplichting voor de Lid-Staten moet worden toegevoegd om de door de banken van andere Lid-Staten afgegeven verklaringen inzake de financiële draagkracht en ook de attesten inzake verzekering tegen de geldelijke gevolgen van de beroepsaansprakelijkheid te erkennen;

(8) Overwegende dat ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van verpleegkundigen die geen van de in artikel 3 van Richtlijn 77/452/EEG van de Raad van 27 juni 1977 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (4), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, genoemde diploma's, certificaten of andere titels bezitten, de Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG wijziging behoeven;

(9) Overwegende dat dient te worden voorzien in regelmatige verslagen teneinde op de werking van deze richtlijn toezicht te kunnen houden;

(10) Overwegende dat deze richtlijn de toepassing van artikel 48, lid 4, en van artikel 55 van het Verdrag onverlet laat,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I Toepassingsgebied

Artikel 1

1. De Lid-Staten voeren de in deze richtlijn omschreven maatregelen in ten aanzien van de vestiging op hun grondgebied van de in titel I van de algemene programma's (5) genoemde natuurlijke personen en vennootschappen, alsmede ten aanzien van het verrichten van diensten door deze personen en vennootschappen, hierna "de begunstigden" genoemd, in de in bijlage A genoemde sectoren.

2. Deze richtlijn is van toepassing op de in bijlage A genoemde werkzaamheden, welke de onderdanen van een Lid-Staat in een ontvangende Lid-Staat als zelfstandige of in loondienst wensen uit te oefenen.

Artikel 2

De Lid-Staten waar de toegang tot en de uitoefening van een van de in bijlage A bedoelde werkzaamheden van het voldoen aan bepaalde kwalificatie-eisen afhankelijk wordt gesteld, dragen ervoor zorg dat de begunstigde op diens verzoek over de reglementering die voor het beroep dat hij voornemens is uit te oefenen, geldt, wordt ingelicht alvorens zich te vestigen of met een tijdelijke werkzaamheid te beginnen.

TITEL II Bijkomende maatregel inzake erkenning van diploma's

Artikel 3

1. Onverminderd artikel 4 kan een Lid-Staat een onderdaan van een andere Lid-Staat de toegang tot of de uitoefening van de werkzaamheden in bijlage A, deel 1, onder dezelfde voorwaarden als de nationale onderdanen, niet wegens onvoldoende kwalificaties ontzeggen zonder de bekwaamheden welke in diploma's, certificaten en andere titels die de belanghebbende met het oog op de uitoefening van dezelfde werkzaamheid elders in de Gemeenschap heeft verworven, zijn aangetoond, te vergelijken met die welke in de nationale voorschriften worden geëist. Indien het vergelijkend onderzoek van diploma's tot de vaststelling leidt dat de kennis en kwalificaties waarvan een door een andere Lid-Staat uitgereikt diploma getuigt, overeenstemmen met die welke in de nationale voorschriften worden geëist, mag de Lid-Staat de houder van het diploma het recht niet ontzeggen om de betrokken werkzaamheid uit te oefenen. Indien daarentegen uit de vergelijking slechts een gedeeltelijke overeenstemming tussen de bedoelde kennis en kwalificaties blijkt, moet de Lid-Staat de aanvrager de mogelijkheid bieden aan te tonen dat hij de ontbrekende kennis en kwalificaties heeft verworven.

2. Het onderzoek van een verzoek om erkenning in de zin van lid 1 moet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier maanden na de overlegging van het volledige dossier van de belanghebbende met een met redenen omkleed besluit van de bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat worden afgesloten. Tegen dit besluit of tegen het achterwege blijven ervan kan bij een nationale rechterlijke instantie beroep worden ingesteld.

TITEL III Erkenning van beroepskwalificaties op grond van in een andere Lid-Staat verworven beroepservaring

Artikel 4

Indien in een Lid-Staat de toegang tot of de uitoefening van de in bijlage A bedoelde werkzaamheden afhankelijk wordt gesteld van het bezit van algemene, handels- en vakkennis en -bekwaamheid, beschouwt deze Lid-Staat als voldoende bewijs van die kennis en bekwaamheid het feit dat de in bijlage A genoemde werkzaamheden in een andere Lid-Staat daadwerkelijk zijn uitgeoefend:

1. Ten aanzien van de werkzaamheden van lijst I:

a) gedurende zes opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, of

b) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt, dan wel

c) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige, indien de begunstigde bewijst dat hij de betrokken activiteit gedurende ten minste vijf jaar als niet-zelfstandige heeft uitgeoefend, dan wel

d) gedurende vijf opeenvolgende jaren in leidinggevende functies waarvan minstens drie jaar in technische functies die de verantwoordelijkheid voor ten minste een sector van de onderneming inhouden, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft genoten, die wordt afgesloten met een door de Staat erkend certificaat of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt.

In de gevallen bedoeld onder a) en c) mogen op de datum van de indiening van het in artikel 6 bedoelde verzoek sedert de beëindiging van deze werkzaamheid niet meer dan tien jaar zijn verstreken.

2. Ten aanzien van de werkzaamheden van lijst II:

a) gedurende zes opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, of

b) - hetzij gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt,

- hetzij gedurende vier opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste twee jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt, dan wel

c) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider indien de begunstigde bewijst dat hij de betrokken werkzaamheid gedurende ten minste vijf jaar als niet-zelfstandige heeft uitgeoefend, dan wel

d) - hetzij gedurende vijf opeenvolgende jaren als niet-zelfstandige, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt,

- hetzij gedurende zes opeenvolgende jaren als niet-zelfstandige, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste twee jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt.

In de gevallen bedoeld onder a) en c), mogen op de datum van indiening van het in artikel 6 bedoelde verzoek sedert de beëindiging van deze werkzaamheid niet meer dan tien jaar zijn verstreken.

3. Ten aanzien van de werkzaamheden van lijst III:

a) gedurende zes opeenvolgende jaren als zelfstandige of bedrijfsleider, of

b) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige of bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt, dan wel

c) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige, indien de begunstigde bewijst dat hij de betrokken werkzaamheid ten minste gedurende vijf jaar als niet-zelfstandige heeft uitgeoefend.

In de gevallen bedoeld onder a) en c) mogen op de datum van de indiening van het in artikel 6 bedoelde verzoek sedert de beëindiging van deze werkzaamheid niet meer dan tien jaar zijn verstreken.

4. Ten aanzien van de werkzaamheden van lijst IV:

a) gedurende vijf opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, of

b) gedurende twee opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt, dan wel

c) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste twee jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt, dan wel

d) gedurende twee opeenvolgende jaren als zelfstandige of als bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij de betrokken werkzaamheid gedurende ten minste drie jaar als niet-zelfstandige heeft uitgeoefend, dan wel

e) gedurende drie opeenvolgende jaren als niet-zelfstandige, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding van ten minste twee jaar heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt.

5. Ten aanzien van de werkzaamheden van lijst V:

a) gedurende drie jaar als zelfstandige of bedrijfsleider op voorwaarde dat op de datum van de indiening van het in artikel 6 bedoelde verzoek sedert de beëindiging van deze werkzaamheid niet meer dan twee jaar zijn verstreken, tenzij de ontvangende Lid-Staat aan zijn onderdanen een langere onderbreking van hun beroepsactiviteiten toestaat;

b) gedurende drie jaar als zelfstandige of als bedrijfsleider op voorwaarde dat op de datum van de indiening van het in artikel 6 bedoelde verzoek sedert de beëindiging van deze werkzaamheid niet meer dan twee jaar zijn verstreken.

6. Ten aanzien van de werkzaamheden van lijst VI:

a) gedurende drie opeenvolgende jaren als zelfstandige of bedrijfsleider, of

b) gedurende twee opeenvolgende jaren als zelfstandige of bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt, dan wel

c) gedurende twee opeenvolgende jaren als zelfstandige of bedrijfsleider, indien de begunstigde bewijst dat hij de betrokken werkzaamheid gedurende ten minste drie jaar als niet-zelfstandige heeft uitgeoefend, dan wel

d) gedurende drie opeenvolgende jaren als niet-zelfstandige, indien de begunstigde bewijst dat hij voor de betrokken werkzaamheid een voorafgaande opleiding heeft genoten, die met een door de Staat erkend certificaat wordt afgesloten of die door een bevoegde beroepsorganisatie als volwaardig wordt aangemerkt.

In de gevallen bedoeld onder a) en c), mogen op de datum van indiening van het in artikel 6 bedoelde verzoek sedert de beëindiging van deze werkzaamheid niet meer dan tien jaar zijn verstreken.

Artikel 5

De werkzaamheid van bedrijfsleider in de zin van artikel 4 wordt geacht te worden uitgeoefend door ieder die in een industriële of commerciële onderneming van de overeenkomstige bedrijfstak werkzaam is geweest:

a) hetzij als bedrijfsleider of als leider van een filiaal;

b) hetzij als plaatsvervanger van de ondernemer of van de bedrijfsleider indien deze functie, wat de verantwoordelijkheid betreft, met die van de vertegenwoordigde ondernemer of bedrijfsleider overeenkomt;

c) hetzij als lid van het leidinggevend personeel, belast met commerciële taken en verantwoordelijk voor ten minste één afdeling van de onderneming.

Artikel 6

Het bewijs dat aan de in artikel 4 omschreven voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door een door de bevoegde autoriteit of het bevoegde lichaam van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven verklaring, waarmee de betrokkene zijn verzoek om in de ontvangende Lid-Staat de betrokken werkzaamheid of werkzaamheden te mogen uitoefenen dient te staven.

TITEL IV Erkenning van andere in een andere Lid-Staat verworven beroepskwalificaties

Artikel 7

1. Indien een ontvangende Lid-Staat van zijn onderdanen voor de toegang tot een der in artikel 1, lid 2, bedoelde werkzaamheden een bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat zij niet failliet verklaard zijn geweest, of slechts een van deze bewijzen eist, aanvaardt deze Lid-Staat voor de onderdanen van de andere Lid-Staten als voldoende bewijs overlegging van een uittreksel uit het strafregister of, bij ontbreken daarvan, een door een bevoegde rechterlijke of bestuursinstantie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven gelijkwaardig document, waaruit blijkt dat aan deze eisen wordt voldaan.

2. Indien een ontvangende Lid-Staat voor de toegang tot een der in artikel 1, lid 2, bedoelde werkzaamheden aan zijn onderdanen bepaalde voorwaarden oplegt inzake betrouwbaarheid, inzake het niet failliet verklaard te zijn geweest, of inzake goed zedelijk gedrag of van hen het bewijs verlangt dat jegens hen geen tucht-, noch administratieve maatregelen genomen zijn geweest (bij voorbeeld ontzetting uit het recht om een bepaald beroep uit te oefenen, uitsluiting van uitoefening van een beroep of royement) waarvan het bewijs door het in het lid 1 bedoelde document, niet kan worden geleverd, aanvaardt deze Lid-Staat voor de onderdanen van de andere Lid-Staten als voldoende bewijs een door een bevoegde rechterlijke of bestuursinstantie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat aan deze eisen wordt voldaan. Deze verklaring heeft betrekking op de welomschreven feiten die in de ontvangende Lid-Staat in aanmerking worden genomen.

3. Indien het in lid 1 bedoelde document of de in lid 2 bedoelde verklaring niet door de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst worden afgegeven, mogen deze worden vervangen door een verklaring onder ede of, in de Lid-Staten waar niet in een eed is voorzien, door een plechtige verklaring, welke door de betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of bestuursinstantie of, in voorkomend geval, ten overstaan van een notaris van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst, die een attest van deze eed of plechtige verklaring afgeven. De verklaring betreffende het niet failliet verklaard te zijn geweest, mag ook ten overstaan van een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst worden afgelegd.

4. Indien in een ontvangende Lid-Staat de financiële draagkracht moet worden aangetoond, aanvaardt deze Lid-Staat de door de banken van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst afgegeven verklaringen als gelijkwaardig aan die welke op zijn grondgebied zijn afgegeven.

5. Indien een Lid-Staat voor de toegang tot of de uitoefening van een der in artikel 1, lid 2, bedoelde werkzaamheden van zijn onderdanen het bewijs verlangt dat zij door een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van hun beroepsaansprakelijkheid zijn gedekt, aanvaardt deze Lid-Staat de door de verzekeringsmaatschappijen van de andere Lid-Staten afgegeven attesten als zijnde gelijkwaardig aan die welke op zijn eigen grondgebied zijn afgegeven. In deze attesten moet worden vermeld dat de verzekeraar zich, wat de aard en de omvang van de dekking betreft, naar de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de ontvangende Lid-Staat heeft gericht.

6. De in de leden 1, 2, 3 en 5 bedoelde documenten mogen bij overlegging niet meer dan drie maanden oud zijn.

TITEL V Aanvulling op het algemeen stelsel van erkenning van diploma's

Artikel 8

1. Richtlijn 89/48/EEG wordt als volgt gewijzigd:

a) aan artikel 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, zijn de bepalingen van de onderhavige richtlijn van toepassing indien een ziekenverpleger die geen van de in artikel 3 van Richtlijn 77/452/EEG van de Raad (*) genoemde diploma's, certificaten of andere titels bezit, de werkzaamheid van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 77/452/EEG, wenst uit te oefenen.

(*) PB nr. L 176 van 15. 7. 1977, blz. 1.";

b) aan artikel 6 worden de volgende leden 5 en 6 toegevoegd:

"5. Indien voor de toegang tot een gereglementeerd beroep of de uitoefening ervan in de ontvangende Lid-Staat de financiële draagkracht moet worden bewezen, erkent deze Staat de door de banken van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven verklaringen als gelijkwaardig aan die welke op zijn eigen grondgebied zijn afgegeven.

6. Indien de bevoegde instantie van de ontvangende Lid-Staat voor de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep van zijn onderdanen het bewijs eist dat zij door een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van hun beroepsaansprakelijkheid zijn gedekt, aanvaardt deze Lid-Staat de door de verzekeringsmaatschappijen van de andere Lid-Staten afgegeven attesten als zijnde gelijkwaardig aan die welke op zijn eigen grondgebied zijn afgegeven. In deze attesten moet worden vermeld dat de verzekeraar zich, wat de aard en de omvang van de dekking betreft, naar de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de ontvangende Lid-Staat heeft gericht. Deze attesten mogen bij overlegging ervan niet meer dan drie maanden oud zijn.".

2. Richtlijn 92/51/EEG wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 2 wordt de volgende alinea als derde alinea ingevoegd:

"Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, zijn de bepalingen van de onderhavige richtlijn van toepassing indien een ziekenverpleger die geen van de in artikel 3 van Richtlijn 77/452/EEG van de Raad (*) genoemde diploma's, certificaten of andere titels bezit, de werkzaamheid van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, zoals omschreven in artikel 1 van Richtlijn 77/452/EEG, wenst uit te oefenen.

(*) PB nr. L 176 van 15. 7. 1977, blz. 1.";

b) aan artikel 10 worden de volgende leden 5 en 6 toegevoegd:

"5. Indien voor de toegang tot een gereglementeerd beroep of de uitoefening ervan in de ontvangende Lid-Staat de financiële draagkracht moet worden bewezen, erkent deze Staat de door de banken van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven verklaringen als gelijkwaardig aan die welke op zijn eigen grondgebied zijn afgegeven.

6. Indien de bevoegde instantie van de ontvangende Lid-Staat voor de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep van zijn onderdanen het bewijs eist dat zij door een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van hun beroepsaansprakelijkheid zijn gedekt, aanvaardt deze Lid-Staat de door de verzekeringsmaatschappijen van de andere Lid-Staten afgegeven attesten als zijnde gelijkwaardig aan die welke op zijn eigen grondgebied zijn afgegeven. In deze attesten moet worden vermeld dat de verzekeraar zich, wat de aard en de omvang van de dekking betreft, naar de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de ontvangende Lid-Staat heeft gericht. Deze attesten mogen bij overlegging ervan niet meer dan drie maanden oud zijn.".

TITEL VI Bepalingen van institutionele aard

Artikel 9

De bepalingen van artikel 4 en de lijsten van bijlage A kunnen volgens de procedure van artikel 10 worden gewijzigd.

Artikel 10

De Commissie wordt bijgestaan door het comité ingericht door het bij artikel 15, lid 3, van Richtlijn 92/51/EEG ingestelde comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zijn onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval stelt de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, met twee maanden uit.

De Raad kan binnen de in de derde alinea genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 11

1. De Lid-Staten wijzen, binnen de in artikel 14 genoemde termijn, de autoriteiten en lichamen aan welke voor de afgifte van de in artikel 6 en in artikel 7, leden 1, 2 en 3, bedoelde verklaringen bevoegd zijn en stellen de andere Lid-Staten en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

2. De bij artikel 9, lid 2, van Richtlijn 89/48/EEG ingestelde Coördinatiegroep heeft eveneens tot taak:

- de tenuitvoerlegging van de onderhavige richtlijn te vergemakkelijken;

- alle dienstige inlichtingen in te winnen voor de toepassing van de onderhavige richtlijn in de Lid-Staten.

TITEL VII Slotbepalingen

Artikel 12

1. De richtlijnen in bijlage B worden hierbij ingetrokken.

2. De verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen worden geacht naar de onderhavige richtlijn te verwijzen.

Artikel 13

De Lid-Staten leggen met ingang van 1 januari 1999 aan de Commissie om de twee jaar een verslag voor over de toepassing van het ingevoerde stelsel.

Naast algemene toelichtingen bevat het verslag een statistisch overzicht van de genomen besluiten, alsmede een beschrijving van de voornaamste problemen die uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien.

Artikel 14

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 1 januari 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Bij de invoering van deze bepalingen door de Lid-Staten, wordt in die bepalingen of bij de officiële bekendmaking ervan naar de onderhavige richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de essentiële bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

(1) PB nr. L 19 van 24. 1. 1989, blz. 16.

(2) PB nr. L 209 van 24. 7. 1992, blz. 25.

(3) PB nr. L 184 van 3. 8. 1995, blz. 21.

(4) PB nr. L 176 van 15. 7. 1977, blz. 1.

(5) PB nr. L 2 van 15. 1. 1962, blz. 32/62 en blz. 36/62.

BIJLAGE A

DEEL 1 WERKZAAMHEDEN DIE VERBAND HOUDEN MET DE CATEGORIEËN BEROEPSERVARING

Lijst I (Klassen die vallen onder de Richtlijnen 64/427/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 69/77/EEG, 68/366/EEG, 75/368/EEG en 75/369/EEG)

1

Richtlijn 64/427/EEG (de betreffende liberaliseringsrichtlijn is 64/429/EEG)

NICE-nomenclatuur

(overeenkomend met de klassen 23-40 ISIC)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2

Richtlijn 68/366/EEG (liberaliseringsrichtlijn 68/365/EEG)

NICE-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3

Richtlijn 75/368/EEG: werkzaamheden bedoeld in artikel 5, lid 1

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4

Richtlijn 75/369/EEG

(artikel 6: wanneer de werkzaamheid als industrieel of ambachtelijk wordt beschouwd)

ISIC-nomenclatuur

Ambulante uitoefening van de volgende werkzaamheden:

a) - koop en verkoop van goederen door venters en colporteurs (ex groep 612 ISIC)

- koop en verkoop van goederen op overdekte markten anders dan in vaste inrichtingen en op niet-overdekte markten

b) de werkzaamheden waarvoor andere richtlijnen houdende overgangsmaatregelen gelden, waarin de ambulante vorm van deze werkzaamheden uitdrukkelijk wordt uitgesloten of niet wordt vermeldt

Lijst II (Richtlijn 82/470/EEG, artikel 6, lid 3) ISIC-nomenclatuur

Groepen 718 en 720

De bedoelde werkzaamheden bestaan met name in het organiseren, aanbieden en verkopen, tegen een forfaitair bedrag of tegen provisie, van de afzonderlijke of gecoördineerde elementen van een reis of verblijf (vervoer, logies, voeding, excursie, enz.), ongeacht de reden van de reis of het verblijf (artikel 2, punt B, onder a))

Lijst III (Richtlijn 82/489/EEG)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Lijst IV (Richtlijn 82/470/EEG, artikel 6, lid 1) ISIC-nomenclatuur

Groepen 718 en 720

De hier bedoelde werkzaamheden bestaan met name in:

- het als tussenpersoon optreden tussen ondernemers van de verschillende takken van vervoer en personen die goederen verzenden of zich goederen laten toezenden, en het verrichten van verschillende daarmee samenhangende werkzaamheden door:

aa) het sluiten, voor rekening van opdrachtgevers, van de overeenkomsten met de vervoerondernemers

bb) het kiezen van de tak van vervoer, de onderneming en de route die voor de opdrachtgever het voordeligst worden geacht

cc) de technische voorbereiding van het vervoer (bij voorbeeld de voor het vervoer noodzakelijke verpakking); het verrichten van diverse bijkomende werkzaamheden tijdens het vervoer (bij voorbeeld het voorzien van koelwagens met ijs)

dd) het vervullen van de aan het vervoer verbonden formaliteiten zoals het invullen van de vrachtbrieven, het groeperen en splitsen van zendingen

ee) het coördineren van de verschillende gedeelten van een transport middels het toezicht op de doorvoer, de wederverzending, de overlading en diverse eindverrichtingen

ff) het bezorgen van respectievelijk vracht aan de vervoerondernemers en vervoergelegenheid aan personen die goederen verzenden of zich goederen laten toezenden

- het berekenen van de vervoerkosten, het nazien van de afrekening

- het uit naam en voor rekening van een reder of een ondernemer van transporten over zee permanent of incidenteel verrichten van bepaalde formaliteiten (bij havenautoriteiten, scheepsleveranciers, enz.)

(Werkzaamheden van artikel 2, punt A, onder a), b) of d))

Lijst V Richtlijnen 70/523/EEG en 64/222/EEG

a) Richtlijn 70/523/EEG

Anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke onder de groothandel in steenkool ressorteren en werkzaamheden van tussenpersonen op het gebied van steenkool (ex groep 6112, ISIC-nomenclatuur)

b) Richtlijn 64/222/EEG (liberaliseringsrichtlijn 64/224/EEG)

1. Werkzaamheden van de tussenpersoon, die op grond van een of meer opdrachten belast is met het inleiden of afsluiten van handelstransacties op naam en voor rekening van derden

2. Werkzaamheden van de tussenpersoon die, zonder hiermede blijvend belast te zijn, personen die rechtstreeks contracten willen afsluiten met elkaar in contact brengt, of de handelstransacties inleidt, dan wel bij de afsluiting daarvan zijn diensten verleent

3. Werkzaamheden van de tussenpersoon die op eigen naam voor rekening van derden handelstransacties afsluit

4. Werkzaamheden van de tussenpersoon die voor rekening van derden groothandelsveilingen houdt

5. Werkzaamheden van de tussenpersoon die van huis tot huis bestellingen opneemt

6. Het beroepshalve verrichten van diensten door een tussenpersoon in loondienst van een of meer ondernemingen op het gebied van handel, industrie of ambacht

Lijst VI Richtlijnen 68/364/EEG, 68/368/EEG, 75/368/EEG, 75/369/EEG en 82/470/EEG

1

Richtlijn 68/364/EEG (liberaliseringsrichtlijn 68/363/EEG)

Ex groep 612 ISIC Kleinhandel

(Uitgesloten werkzaamheden):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2

Richtlijn 68/368/EEG (liberaliseringsrichtlijn 68/367/EEG)

ISIC-nomenclatuur

Ex klasse 85 ISIC:

1. Restaurants en slijterijen (groep 852 ISIC)

2. Hotels, pensions en dergelijke inrichtingen, kampeerterreinen (groep 853 ISIC)

3

Richtlijn 75/368/EEG, artikel 7

Alle werkzaamheden die in de bijlage bij Richtlijn 75/368/EEG worden opgesomd behalve die welke in artikel 5 van de richtlijn worden vermeld (lijst I, punt 3, van deze richtlijn)

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4

Richtlijn 75/369/EEG, artikel 5

De ambulante uitoefening van de volgende werkzaamheden:

a) de koop en verkoop van goederen:

- door venters en colporteurs (ex groep 612 ISIC)

- op overdekte markten anders dan in vaste inrichtingen en op niet-overdekte markten

b) de werkzaamheden waarvoor richtlijnen houdende overgangsmaatregelen gelden, waarin de ambulante vorm van deze werkzaamheden uitdrukkelijk wordt uitgesloten of niet wordt vermeld

5

Richtlijn 82/470/EEG, artikel 6, lid 2

Werkzaamheden die vermeld worden in artikel 2, punt A, onder c) of e), punt B, onder b), punten C of D

Deze werkzaamheden bestaan met name in:

- het in huur geven van spoorwegwagons of -rijtuigen voor het vervoer van reizigers of goederen

- het als tussenpersoon optreden bij de aankoop, de verkoop of de verhuur van schepen

- het voorbereiden van, onderhandelen over en sluiten van overeenkomsten voor het vervoer van emigranten

- het in entrepots, pakhuizen, meubelopslagplaatsen, koelhuizen, silo's, enz., onder douanetoezicht of niet, voor rekening van de bewaargever in bewaring nemen van alle voorwerpen en goederen

- het aan de bewaargever afgeven van een titel voor het in bewaring ontvangen voorwerp of goed

- het verschaffen van verblijfsruimte, voeder en verkoopruimte voor vee dat hetzij vóór de verkoop, hetzij onderweg naar of van de markt in tijdelijke bewaring wordt gegeven

- het verrichten van de technische controle of expertise van motorrijtuigen

- het meten, wegen en ijken van goederen

DEEL 2 ANDERE WERKZAAMHEDEN DAN DIE WELKE IN DEEL 1 ZIJN OPGENOMEN

1

Richtlijnen 63/261/EEG, 63/262/EEG, 65/1/EEG, 67/530/EEG, 67/531/EEG, 67/532/EEG, 68/192/EEG, 68/415/EEG en 71/18/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2

Richtlijn 63/607/EEG

(Filmbedrijf)

3

Richtlijn 64/223/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4

Richtlijn 64/428/EEG

NICE-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5

Richtlijn 65/264/EEG

(Cinematografie)

6

Richtlijn 66/162/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7

Richtlijn 67/43/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8

Richtlijn 67/654/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

9

Richtlijn 68/369/EEG en 70/451/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10

Richtlijn 69/82/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

11

Richtlijn 70/522/EEG

ISIC-nomenclatuur

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE B

INGETROKKEN RICHTLIJNEN

DEEL 1: LIBERALISERINGSRICHTLIJNEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL 2: RICHTLIJNEN HOUDENDE OVERGANGSMAATREGELEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>