Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD houdende oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat
Voorstel voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD houdende oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad houdende oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (97/C 78/04) COM(96) 615 def. - 96/0298(CNS)
(Door de Commissie ingediend op 9 januari 1997)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's,
Overwegende dat de lidstaten in de preambule van de Europese Akte de noodzaak beklemtonen om "gezamenlijk de democratie te bevorderen uitgaande van de grondrechten die worden erkend in de grondwetten en de wetten van de lidstaten, in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in het Europees Sociaal Handvest, met name de vrijheid, de gelijkheid en de sociale rechtvaardigheid";
Overwegende dat artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat de Unie "de grondrechten eerbiedigt, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht";
Overwegende dat racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme ernstige inbreuken op de grondrechten vormen;
Overwegende dat de Gemeenschap bij de uitwerking en de uitvoering van haar beleid de grondrechten moet eerbiedigen en, in het bijzonder, dat de eerbiediging van de mensenrechten de wettigheid van communautaire maatregelen bekrachtigt;
Overwegende dat op 11 juni 1986 door het Europees Parlement, de Raad, de vertegenwoordigers van de lidstaten in het kader van de Raad bijeen, en de Commissie, een verklaring tegen racisme en vreemdelingenhaat (1) werd uitgegeven, waarin werd gewezen op "het belang van een adequate en objectieve voorlichting en een bewustmaking van alle burgers tegenover de gevaren van racisme en vreemdelingenhaat, en op de noodzaak er constant op toe te zien dat elke handeling of vorm van discriminatie wordt voorkomen of bestraft";
Overwegende dat de Europese Raad tijdens zijn vergadering te Korfoe op 24 en 25 juni 1994 besloten heeft de inspanningen te verhogen om op Europees niveau een algemene strategie ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat vast te stellen; dat hij daartoe een adviescommissie heeft opgericht met de taak, aanbevelingen op te stellen betreffende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat;
Overwegende dat de Europese Raad, tijdens zijn vergadering te Cannes op 26 en 27 juni 1995, de Adviescommissie heeft verzocht haar werk voort te zetten om, in nauwe samenwerking met de Raad van Europa, de haalbaarheid van een Europees waarnemingscentrum voor verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat te bestuderen;
Overwegende dat de resultaten van deze haalbaarheidsstudie inzake het Waarnemingscentrum de Europese Raad zijn voorgelegd tijdens zijn vergadering van 21 en 22 juni 1996 te Florence;
Overwegende dat de Europese Raad tijdens zijn vergadering te Florence opnieuw uiting heeft gegeven aan de vaste wil van de Unie met de grootst mogelijke vastberadenheid racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden en het beginsel heeft goedgekeurd dat aan de oprichting van een Europees waarnemingscentrum ten grondslag ligt;
Overwegende dat derhalve de verzameling, de registratie, de analyse en de bekendmaking van objectieve, betrouwbare en vergelijkbare gegevens inzake racistische en xenofobe daden en houdingen op Europees vlak nodig zijn, om de Gemeenschap volledig in te lichten over het probleem van racisme en vreemdelingenhaat, zodat de Gemeenschap ten volle aan haar verplichting kan voldoen, de grondrechten te eerbiedigen en hiermede rekening te houden bij de uitwerking en uitvoering van haar beleid en van de besluiten die zij op haar bevoegdheidsgebied vaststelt;
Overwegende dat de verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat zich op alle vlakken van de Gemeenschap doen gevoelen, te weten plaatselijk, regionaal, nationaal en gemeenschappelijk;
Overwegende dat derhalve de op Gemeenschapsvlak verzamelde, vastgelegde en geanalyseerde gegevens ook van nut kunnen zijn voor de instanties in de lidstaten bij de opstelling en uitvoering - binnen hun bevoegdheidsgebied - van maatregelen op plaatselijk, regionaal en nationaal vlak;
Overwegende dat het derhalve dienstig is, een Europees waarnemingscentrum voor verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat op te richten, dat de resultaten van zijn werk zowel aan de Gemeenschap als aan de lidstaten ter beschikking zal stellen;
Overwegende dat de aan het Waarnemingscentrum toegewezen taken samenwerking veronderstellen met andere nationale of internationale instanties, en wel in het bijzonder met de Raad van Europa, die op dit gebied een grondige ervaring heeft;
Overwegende dat de bescherming van persoonsgegevens moet worden verzekerd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen en overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (2);
Overwegende dat het Waarnemingscentrum de hoogst mogelijke juridische en politieke zelfstandigheid moet bezitten en tegelijk nauwe banden met de Instellingen van de Gemeenschap moet onderhouden;
Overwegende dat deze verordening desgewenst na het verstrijken van een periode van drie jaar kan worden aangepast, teneinde tot een eventuele aanpassing of uitbreiding van de taken van het Waarnemingscentrum te besluiten, met name in het licht van de ontwikkeling van de communautaire bevoegdheden;
Overwegende dat het Verdrag voor de goedkeuring van deze verordening niet in andere handelingsbevoegdheden voorziet dan in die van artikel 235,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Er wordt een Europees waarnemingscentrum voor verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat, hierna "Waarnemingscentrum" genoemd, opgericht.
Artikel 2
Doel en taken
1. Het voornaamste doel van het Waarnemingscentrum bestaat in de levering, in het bijzonder op de in artikel 3, lid 3, bedoelde gebieden, van objectieve, betrouwbare en vergelijkbare gegevens aangaande verschijnselen van racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme op Europees vlak, aan de Gemeenschap en haar lidstaten, die hen behulpzaam kunnen zijn wanneer zij op hun respectieve bevoegdheidsgebieden maatregelen nemen of acties ontwerpen.
2. Het Waarnemingscentrum bestudeert de omvang en de ontwikkeling van de verschijnselen en uitingen van racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme, analyseert de oorzaken, de gevolgen en de uitwerking ervan en onderzoekt voorbeelden van goede praktijken ter bestrijding ervan. Daartoe:
a) verzamelt, registreert en analyseert het Waarnemingscentrum informatie en gegevens, met inbegrip van resultaten van wetenschappelijk onderzoek, die hem door de lidstaten, de Instellingen van de Gemeenschap, internationale instanties, met name de in artikel 4, lid 1, bedoelde of door niet-gouvernementele organisaties worden meegedeeld;
b) gaat het een samenwerking aan met de verstrekkers van de informatie en werkt het een onderling afgestemd beleid uit voor het gebruik van hun gegevensbanken, teneinde, in voorkomend geval op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, de verspreiding van hun informatie in brede kring te bevorderen;
c) voert het wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke enquêtes, voorbereidende en haalbaarheidsstudies uit, in voorkomend geval op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie. Het organiseert vergaderingen van deskundigen en stelt, voorzover nodig, werkgroepen ad hoc in;
d) zet het een voor het publiek toegankelijk bestand aan documentatie op, bevordert het voorlichtingsactiviteiten en stimuleert het wetenschappelijk onderzoek;
e) stelt het conclusies en aanbevelingen aan de Gemeenschap en de lidstaten op;
f) stelt het een jaarverslag over de toestand inzake racisme en vreemdelingenhaat in de Gemeenschap op, waarin ook aandacht aan voorbeelden van goede praktijken wordt geschonken, alsmede over de eigen werkzaamheden;
g) zet het een "Europees informatienet inzake racisme en vreemdelingenhaat" (Raxen) op, dat uit een eigen centrale eenheid van het Waarnemingscentrum bestaat, die samenwerkt met nationale universitaire onderzoekcentra, niet-gouvernementele organisaties, en gespecialiseerde centra, die door nationale of internationale organisaties als bedoeld in artikel 7 zijn opgericht;
h) vergemakkelijkt en bevordert het de organisatie en het geregeld houden van ronde-tafelconferenties of van vergaderingen van andere in de lidstaten reeds bestaande permanente adviesinstanties, met deelname van sociale partners, onderzoekcentra en andere personen of instanties die zich met verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat bezighouden. Het Waarnemingscentrum houdt in zijn jaarverslag over de toestand inzake het racisme en de vreemdelingenhaat in de Gemeenschap rekening met de resultaten van de nationale ronde-tafelconferenties of van de vergaderingen van andere reeds bestaande adviesinstanties.
Artikel 3
Werkmethoden en -gebieden
1. Het Waarnemingscentrum vervult zijn taken naar gelang van de doelstellingen van zijn jaarprogramma en de beschikbare begrotingsmiddelen.
2. Ter vermijding van dubbel werk houdt het Waarnemingscentrum bij de uitoefening van zijn werkzaamheden rekening met het reeds door de Gemeenschapsinstellingen of andere bevoegde internationale instellingen en organisaties, in het bijzonder de Raad van Europa, verrichte werk en draagt het ervoor zorg, hieraan een toegevoegde waarde te verlenen.
3. De te verzamelen en te verwerken informatie en gegevens, de uit te voeren of te bevorderen onderzoeken, enquêtes en wetenschappelijke studies betreffen de omvang, de ontwikkeling, de oorzaken en de uitwerking van de verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat, in het bijzonder op de volgende gebieden:
a) vrij verkeer van personen binnen de Gemeenschap;
b) werkgelegenheid;
c) media en andere communicatiemmiddelen;
d) onderwijs, beroepsopleiding en jeugd;
e) sociale uitsluiting;
f) vrij verkeer van goederen;
g) cultuur.
Artikel 4
Europees informatienet inzake racisme en vreemdelingenhaat (Raxen)
1. Teneinde mogelijk te maken dat het in artikel 2, lid 2, onder g), voorziene net zo snel en doelmatig mogelijk wordt opgezet, delen de lidstaten het Waarnemingscentrum de lijst van de in genoemd artikel vermelde centra en organisaties mede.
2. De Raad van Bestuur van het Waarnemingscentrum wijst de organisaties aan, die deel van het net zullen uitmaken. Over deze aanwijzing door de Raad van Bestuur kan slechts met instemming van het in artikel 11 bedoelde Wetenschappelijk Comité worden beslist.
3. Het Waarnemingscentrum kan conctractuele banden aanknopen, met name voor uitbesteding, met de in lid 2 bedoelde instanties, voor de uitvoering van de taken die het daaraan zou kunnen toevertrouwen.
Het Waarnemingscentrum kan eveneens contractuele banden aanknopen, op een ad-hoc basis en voor specifieke opdrachten, met instanties die geen deel uitmaken van Raxen.
De toewijzing van deze opdrachten moet in het jaarprogramma van het Waarnemingscentrum worden opgenomen.
Artikel 5
Bescherming en vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens
1. Het Waarnemingscentrum past bij de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG toe. Daartoe stelt de Raad van Bestuur uitvoeringsbepalingen vast, in het bijzonder betreffende de rechten van de betrokkenen, het vertrouwelijk karakter en de veiligheid van de handelingen van de gegevensverwerking, de passende beschermende maatregelen om aan de gegevens vóór de mededeling ervan een anoniem karakter te geven, en de interne bewaking van de verwerkingshandelingen.
2. Het Waarnemingscentrum deelt de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringsbepalingen mede met het oog op de bekendmaking ervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Het Waarnemingscentrum kan vóór de goedkeuring van deze bepalingen niet met de verwerking van de persoonsgegevens beginnen.
3. Wanneer de lidstaten ter uitvoering van deze verordening persoonsgegevens mededelen of ontvangen, passen zij hun nationale wetgeving inzake gegevensbescherming overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG op de verwerking van deze gegevens toe.
4. Wanneer persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening en overeenkomstig het nationale recht aan het Waarnemingscentrum worden meegedeeld, mogen die gegevens uitsluitend worden gebruikt voor de aangegeven doeleinden en onder de door de overdragende dienst gestelde voorwaarden. Deze bepaling geldt overeenkomstig voor de mededeling van persoonsgegevens door het Waarnemingscentrum aan de bevoegde diensten van de lidstaten, aan internationale organisaties of aan andere Gemeenschapsorganen. Het Waarnemingscentrum onthoudt zich van elke activiteit in verband met concrete en met name genoemde gevallen.
5. De gegevens betreffende racistische, xenofobe en antisemitische gewelddaden die aan het Waarnemingscentrum zijn verstrekt en door het Waarnemingscentrum zijn medegedeeld, mogen onder voorbehoud van de eerbiediging van de communautaire en nationale bepalingen inzake de verspreiding en de vertrouwelijkheid van informatie worden openbaargemaakt.
6. De lidstaten en de nationale instanties die met het Waarnemingscentrum samenwerken, zijn niet gehouden inlichtingen te verstrekken die onder hun nationale wetgeving als vertrouwelijk worden aangemerkt.
Artikel 6
Rechtspersoonlijkheid en rechtsbevoegdheid
Het Waarnemingscentrum bezit rechtspersoonlijkheid. Het geniet in elke lidstaat de meest uitgebreide rechtsbevoegdheid die in de wetgeving van die lidstaat aan rechtspersonen wordt toegekend; het kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en/of vervreemden en in rechte optreden.
Artikel 7
Samenwerking met nationale of internationale organisaties
1. Voor de uitoefening van zijn functies kan het Waarnemingscentrum samenwerken met gouvernementele of niet-gouvernementele nationale of internationale organisaties, die bevoegd zijn op het gebied van verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat.
2. De wijze van uitvoering van de in lid 1 genoemde samenwerking moet door de Raad van Bestuur worden goedgekeurd.
3. Het Waarnemingscentrum coördineert zijn werkzaamheden met die van de Raad van Europa, met name wat zijn werkprogramma betreft. Daartoe sluit de Gemeenschap, namens het Waarnemingscentrum, met de Raad van Europa een overeenkomst teneinde een nauwe samenwerking van deze Raad met het Waarnemingscentrum in te stellen. Deze overeenkomst omvat tevens de aanwijzing van een door de Raad van Europa aangewezen persoon in de Raad van Bestuur van het Waarnemingscentrum.
Artikel 8
Raad van Bestuur
1. De Raad van Bestuur is samengesteld uit een door elke lidstaat aangewezen onafhankelijke persoon, een door het Europees Parlement aangewezen onafhankelijke persoon, een op de voet van artikel 7, lid 3, door de Raad van Europa aangewezen onafhankelijke persoon, alsmede uit een vertegenwoordiger van de Commissie.
Elk lid heeft een op gelijke wijze aangewezen plaatsvervanger.
2. De namen van de leden van de Raad van Bestuur en hun plaatsvervangers worden aan de Commissie medegedeeld met het oog op bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Hun ambtstermijn bedraagt drie jaar en is eenmaal hernieuwbaar driejarig. De Raad van Bestuur kiest zijn voorzitter en zijn waarnemend voorzitter alsmede de overige leden van het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 9.
Ieder lid van de Raad van Bestuur, of bij zijn ontstentenis zijn plaatsvervanger, beschikt over één stem. De besluiten worden genomen met een twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De voorzitter neemt aan de stemming deel.
3. De Raad van Bestuur neemt de voor de werking van het Waarnemingscentrum vereiste besluiten. In het bijzonder:
a) stelt hij het jaarlijks werkprogramma van het Waarnemingscentrum op naar gelang van de begroting en de beschikbare middelen en na advies van het Wetenschappelijk Comité; dit programma kan zo nodig in de loop van het jaar worden bijgesteld;
b) keurt hij het jaarverslag en de conclusies en aanbevelingen van het Waarnemingscentrum goed en deelt hij deze mede aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's; hij zorgt voor de publicatie van het jaarverslag;
c) stelt hij de directeur aan;
d) keurt hij de ontwerp-begroting en de definitieve begroting van het Waarnemingscentrum goed;
e) verleent hij de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting.
4. De Raad van Bestuur keurt zijn huishoudelijk reglement goed. De Raad van Bestuur komt, na bijeenroeping door zijn voorzitter, ten minste tweemaal per jaar bijeen.
Artikel 9
Dagelijks bestuur
1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van de Raad van Bestuur, de waarnemend voorzitter alsmede maximaal drie andere leden van de Raad van Bestuur, waartoe de door de Raad van Europa aangewezen persoon alsmede de vertegenwoordiger van de Commissie behoren.
2. Het dagelijks bestuur houdt toezicht op de werkzaamheden van het Waarnemingscentrum, volgt de voorbereiding en de uitvoering van de programma's en bereidt de vergaderingen van de Raad van Bestuur voor, met hulp van de directeur van het Waarnemingscentrum. Het dagelijks bestuur vervult daarnaast elke hem door de Raad van Bestuur opgedragen taak overeenkomstig het huishoudelijk reglement van de genoemde Raad.
Artikel 10
Directeur
1. Het Waarnemingscentrum staat onder leiding van een directeur die op voorstel van de Commissie, voor een hernieuwbare termijn van vier jaar, door de Raad van Bestuur is aangesteld.
2. De directeur is verantwoordelijk voor:
a) de uitvoering van de in artikel 2, lid 2, omschreven taken;
b) de voorbereiding en de uitvoering van het jaarlijkse programma van de werkzaamheden van het Waarnemingscentrum;
c) de voorbereiding van de in deze verordening bedoelde verslagen, conclusies en aanbevelingen;
d) alle aangelegenheden die verband houden met het personeel en het dagelijks beheer.
3. De directeur legt de Raad van Bestuur verantwoording af voor zijn beheer en woont de bijeenkomsten van de Raad van Bestuur en van het dagelijks bestuur bij.
4. De directeur is de wettige vertegenwoordiger van het Waarnemingscentrum.
Artikel 11
Wetenschappelijk Comité
1. De Raad van Bestuur en de directeur worden bijgestaan door een wetenschappelijk comité met de taak, een advies te geven over alle wetenschappelijke vraagstukken betreffende de werkzaamheden van het Waarnemingscentrum die door de Raad van Bestuur of de directeur aan het comité worden voorgelegd.
De adviezen van het Wetenschappelijk Comité worden bij eenvoudige meerderheid van de uitgebrachte stemmen aangenomen, waarbij elk lid één stem heeft. Afwijkende opvattingen worden ter kennis van de Raad van Bestuur gebracht.
2. Het Wetenschappelijk Comité is samengesteld uit maximaal negen, bij voorkeur uit verschillende lidstaten afkomstige deskundigen, die bijzonder gekwalificeerd zijn voor of ervaren in de analyse van verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat.
Deze deskundigen worden door de Raad van Bestuur aangesteld op voorstel van de lidstaten, de Commissie en de in artikel 7 bedoelde nationale of internationale organisaties die aan het werk van het Waarnemingscentrum deelnemen.
De Raad van Bestuur draagt er zorg voor, dat in de samenstelling meer vakgebieden vertegenwoordigd zijn.
3. Het mandaat van de leden van het Wetenschappelijk Comité heeft een duur van drie jaar en kan éénmaal worden hernieuwd.
4. Het Wetenschappelijk Comité kiest zijn voorzitter en zijn waarnemend voorzitter.
5. Het Wetenschappelijk Comité wordt ten minste tweemaal per jaar door zijn voorzitter bijeengeroepen.
Artikel 12
Personeel
1. Het personeel van het Waarnemingscentrum is onderworpen aan de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.
2. Het Waarnemingscentrum oefent ten aanzien van zijn personeel de bevoegdheden uit die toekomen aan het tot aanstelling bevoegd gezag.
3. De Raad van Bestuur stelt, in overeenstemming met de Commissie, de passende uitvoeringsbepalingen vast.
Artikel 13
Begroting
1. Alle inkomsten en uitgaven van het Waarnemingscentrum worden voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, geraamd en worden in de begroting van het Waarnemingscentrum opgenomen.
2. De directeur stelt ieder jaar uiterlijk op de vijftiende februari een voorontwerp van begroting voor het volgende begrotingsjaar op. Het voorontwerp van begroting omvat de huishoudelijke uitgaven en het voor het volgende begrotingsjaar geplande werkprogramma. De directeur legt dit voorontwerp van begroting, met een overzicht van het personeelsbestand aan de Raad van Bestuur voor.
3. De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
4. De inkomsten van het Waarnemingscentrum omvatten, afgezien van andere middelen:
a) een in een speciale begrotingspost van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (afdeling "Commissie") opgenomen subsidie van de Gemeenschap;
b) betalingen als vergoeding voor verleende diensten;
c) eventuele financiële bijdragen van de in artikel 7 bedoelde organisaties.
5. De uitgaven van het Waarnemingscentrum omvatten met name de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur, de huishoudelijke uitgaven en de uitgaven uit hoofde van de met de instellingen of instanties die deel uitmaken van Raxen en andere instanties gesloten overeenkomsten.
6. De Raad van Bestuur stelt de ontwerp-begroting vast en doet deze aan de Commissie toekomen, die aan de hand hiervan de desbetreffende ramingen opstelt voor het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, hetwelk zij uit hoofde van artikel 203 van het Verdrag aan de Raad voorlegt.
7. De Raad van Bestuur stelt voor de aanvang van het begrotingsjaar de definitieve begroting van het Waarnemingscentrum vast, waarbij hij deze zo nodig aan de communautaire subsidie en de andere middelen van het Waarnemingscentrum aanpast.
8. De directeur voert de begroting van het Waarnemingscentrum uit.
9. De controle op de betalingsverplichtingen en op de betaling van alle uitgaven van het Waarnemingscentrum en de controle op de vaststelling en de inning van al zijn inkomsten worden uitgevoerd door de financieel controleur van de Commissie.
10. Uiterlijk op de 31e maart van elk jaar zendt de directeur aan de Commissie, de Raad van Bestuur en de Rekenkamer de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van het Waarnemingscentrum over het afgelopen begrotingsjaar.
De Rekenkamer onderzoekt deze rekeningen overeenkomstig artikel 188 C van het Verdrag.
11. De Raad van Bestuur verleent de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting.
12. De Raad van Bestuur stelt na advies van de Commissie en de Rekenkamer de interne financiële bepalingen vast, die met name regels voor de opstelling en de uitvoering van de begroting van het Waarnemingscentrum omvatten.
Artikel 14
Voorrechten en immuniteiten
Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is op het Waarnemingscentrum van toepassing.
Artikel 15
Aansprakelijkheid
1. De contractuele aansprakelijkheid van het Waarnemingscentrum wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.
Het Hof van Justitie is bevoegd een uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Waarnemingscentrum gesloten overeenkomst.
2. Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet het Waarnemingscentrum overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door hem of zijn personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt.
Het Hof van Justitie is bevoegd in alle geschillen betreffende de vergoeding van dergelijke schade een uitspraak te doen.
Artikel 16
Verslag
In de loop van het derde jaar na de inwerkingtreding van deze verordening legt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een beoordelingsverslag voor over de werkzaamheden van het Waarnemingscentrum, eventueel vergezeld van voorstellen tot aanpassing of uitbreiding van zijn taken, met name in het licht van de ontwikkeling van de bevoegdheden van de Gemeenschap terzake van racisme en vreemdelingenhaat.
Artikel 17
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die waarop de bevoegde autoriteiten een beslissing over de vestigingsplaats van het Waarnemingscentrum hebben genomen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
(1) PB nr. C 158 van 25. 6. 1986, blz. 1.
(2) PB nr. L 281 van 23. 11. 1995, blz. 31.