Home

Voorstel voor een RIGHTLIJN VAN DE RAAD betreffende de bestrijding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith

Voorstel voor een RIGHTLIJN VAN DE RAAD betreffende de bestrijding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith

Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende de bestrijding van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith (97/C 124/02) COM(97) 15 def. - 97/0025(CNS)

(Door de Commissie ingediend op 30 januari 1997)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat in de landbouwproductie van de Gemeenschap de aardappel- en de tomatenteelt een belangrijke plaats innemen; dat schadelijke organismen een constante bedreiging vormen voor de opbrengsten in de aardappel- en tomatenteelt;

Overwegende dat door de aardappel- en de tomatenteelt tegen deze schadelijke organismen te beschermen, niet alleen de productiecapaciteit in stand wordt gehouden, maar bovendien de landbouwproductiviteit kan worden verbeterd;

Overwegende dat beschermende maatregelen om het binnenbrengen van schadelijke organismen op het grondgebied van een lidstaat te voorkomen, slechts een beperkt effect zouden sorteren indien geen maatregelen worden genomen om die organismen overal in de Gemeenschap gelijktijdig en systematisch te bestrijden en om verspreiding ervan te voorkomen;

Overwegende dat één van de schadelijke organismen voor aardappelen en tomaten Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith is, het pathogene agens van bruinrot bij aardappelen en van verwelkingsziekte bij tomaten; dat gevallen van de door dit pathogene agens veroorzaakte ziekte in enkele delen van de Gemeenschap zijn gesignaleerd en er nog steeds enkele besmettingshaarden van beperkte omvang zijn;

Overwegende dat een en ander voor de aardappel- en de tomatenteelt overal in de Gemeenschap een aanzienlijk gevaar oplevert, tenzij adequate maatregelen worden genomen om de ziekte te lokaliseren en de verspreiding ervan vast te stellen, teneinde het optreden en de verspreiding ervan te voorkomen, en waar de ziekte wordt aangetroffen ervoor te zorgen dat zij zich niet verder kan verspreiden en dat de nodige bestrijdingsmaatregelen worden genomen met het oog op uitroeiing;

Overwegende dat daartoe binnen de Gemeenschap een aantal maatregelen dient te worden genomen; dat de lidstaten zo nodig aanvullende of strengere maatregelen moeten kunnen vaststellen, met dien verstande dat het verkeer van aardappelen of tomaten binnen de Gemeenschap daarvan geen andere hinder mag ondervinden dan is toegestaan op grond van Richtlijn 77/93/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen (1); dat van dergelijke maatregelen aan de andere lidstaten en aan de Commissie kennis dient te worden gegeven;

Overwegende dat er daarbij rekening mee dient te worden gehouden dat systematische officiële onderzoeken moeten worden verricht om het pathogene agens te kunnen lokaliseren; dat dergelijke onderzoeken controleprocedures moeten omvatten en, zo nodig, aangezien de ziekte in bepaalde milieuomstandigheden latent aanwezig kan zijn en onopgemerkt kan blijven, bij de tomaten en de aardappelen als gewas, en voor aardappelen bij de bewaring, ook bemonsterings- en testprocedures; dat de verspreiding van het pathogene agens bij het gewas zelf niet de belangrijkste factor is, maar het pathogene agens zich via het oppervlaktewater en via sommige verwante in het wild voorkomende nachtschadeachtigen kan verspreiden en irrigatie van aardappelen en tomaten met besmet water daarom een besmettingsrisico lijkt op te leveren; dat het pathogene agens bovendien kan overwinteren in opslag van aardappelen en tomaten, die daardoor een infectiehaard kan vormen waardoor de ziekte zich in het daaropvolgende seizoen opnieuw voordoet; dat het pathogene agens zich eveneens verspreidt door contact met besmette aardappelen of tomaten, of met poot-/plant-, oogst- of behandelingsmachines, of containers voor vervoer en opslag, die met besmette aardappelen of tomaten in contact zijn geweest; dat verspreiding van het pathogene agens kan worden tegengegaan of voorkomen door dergelijke voorwerpen te desinfecteren; dat besmetting van pootaardappelen een groot risico van verspreiding van het pathogene agens oplevert; dat latente infectie van pootaardappelen een groot risico van verspreiding van het pathogene agens oplevert dat alleen kan worden voorkomen door pootaardappelen te gebruiken die zijn geteeld in het kader van een officieel erkend programma waarbij de pootaardappelen zijn onderzocht en vrij zijn bevonden van besmetting;

Overwegende dat de huidige kennis van de biologische eigenschappen en de epidemiologie van pseudomonas solanacearum (Smith) Smith onder Europese condities nog onvolledig is en dat de voorgestelde maatregelen naar verwachting binnen een aantal seizoenen opnieuw zullen moeten worden bekeken; dat ook de testprocedures zullen moeten worden aangepast in het licht van verder onderzoek naar in het bijzonder de gevoeligheid en specificiteit van de testmethoden dat zal worden verricht om de beste testmethoden die beschikbaar zijn te kunnen kiezen en standaardiseren;

Overwegende dat het wenselijk is dat de lidstaten bij het verder uitwerken van dergelijke algemene maatregelen en van de door de lidstaten te treffen strengere of aanvullende maatregelen ter voorkoming van het binnenbrengen van het pathogene agens op hun grondgebied, nauw met de Commissie samenwerken binnen het Permanent Plantenziektekundig Comité, hierna "het Comité" genoemd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn heeft betrekking op de maatregelen die in de lidstaten tegen Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith, hierna "het organisme" genoemd, moeten worden genomen ten aanzien van de in bijlage I, deel I, vermelde gastheerplanten van het organisme, hierna "het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal" genoemd, teneinde:

a) het organisme te lokaliseren en de verspreiding ervan vast te stellen;

b) het optreden en de verspreiding ervan te voorkomen; en

c) waar het organisme wordt aangetroffen, verspreiding ervan te voorkomen en het te bestrijden met het oog op uitroeiing.

Artikel 2

1. De lidstaten verrichten ieder jaar systematisch officiële onderzoeken naar het organisme op het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal dat van hun grondgebied afkomstig is. Bovendien voeren de lidstaten naar gelang van de geconstateerde risico's en met het oog op de identificatie van mogelijke besmettingsbronnen die een bedreiging vormen voor de teelt van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, gerichte officiële onderzoeken uit naar het organisme op andere planten dan het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, inclusief op in het wild voorkomende nachtschadeachtigen, en op zowel oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor irrigatie en beregening van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, als vloeibaar afval van bedrijven waar het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal industrieel wordt verwerkt en verpakt. De lidstaten kunnen eveneens officiële onderzoeken naar het organisme op niet-plantaardig materiaal verrichten.

2. De in lid 1 bedoelde officiële onderzoeken worden als volgt uitgevoerd:

a) voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal: overeenkomstig de in bijlage I, deel II, punt 1, aangegeven methode;

b) voor andere gastheerplanten dan het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, alsmede water, inclusief vloeibaar afval: overeenkomstig daartoe geëigende methoden, waarbij, zo nodig, monsters worden genomen voor officieel of onder officieel toezicht verricht laboratoriumonderzoek;

c) zo nodig, voor niet-plantaardig materiaal: overeenkomstig de daartoe geëigende methoden.

Met het oog op deze onderzoeken wordt door de verantwoordelijke officiële instanties als bedoeld in Richtlijn 77/93/EEG, volgens deugdelijke wetenschappelijke en statistische beginselen en op grond van de biologische eigenschappen van het organisme, nader bepaald welke controleprocedures moeten worden gevolgd, alsmede waar en op welk tijdstip, en hoeveel monsters moeten worden genomen en hoe de samenstelling van de steekproef dient te zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de voor de betrokken lidstaat specifieke methoden voor de teelt van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal en, in voorkomend geval, andere gastheerplanten van het organisme.

3. Nadere gegevens over en de uitkomsten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken worden vóór 1 juni van elk jaar aan de andere lidstaten en aan de Commissie meegedeeld overeenkomstig het bepaalde in bijlage I, deel II, punt 2. De daarbij verstrekte gegevens zijn vertrouwelijk. Zij kunnen aan het comité worden voorgelegd.

4. Volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG worden bepalingen vastgesteld ten aanzien van:

- de geëigende methoden voor de onderzoeken en de laboratoriumtests als bedoeld in lid 2, eerst alinea, onder b).

5. Volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG kunnen de volgende bepalingen worden vastgesteld:

- de geëigende methoden voor de onderzoeken als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder c);

- nadere bepalingen inzake de onderzoeken als bedoeld in lid 2, tweede alinea, om te garanderen dat de lidstaten gelijkwaardige garantieniveaus bieden.

Artikel 3

De lidstaten zien erop toe dat gevallen van vermoede of bevestigde aanwezigheid van het organisme op hun grondgebied aan hun eigen verantwoordelijke officiële instanties worden gemeld.

Artikel 4

1. Telkens wanneer wordt vermoed dat het organisme voorkomt, dienen de verantwoordelijke officiële instanties van de betrokken lidsta(a)t(en) toe te zien op de volledige afwikkeling van het officiële of onder officieel toezicht verrichte laboratoriumonderzoek, waarbij voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal gebruik wordt gemaakt van de terzake toe te passen methode als aangegeven in bijlage III, punt 1, of, in alle overige gevallen, enige andere officieel erkende methode, teneinde de vermoede aanwezigheid van het organisme te bevestigen dan wel te weerleggen. Indien blijkt dat het organisme voorkomt, geldt het bepaalde in bijlage III, punt 2.

2. In afwachting dat de vermoede aanwezigheid wordt bevestigd of weerlegd, als bedoeld in lid 1, in de gevallen waarin:

i) diagnostische symptomen van de door het organisme veroorzaakte ziekte zijn waargenomen en een positieve uitkomst is verkregen bij de snelle screentest(s) als omschreven in bijlage II, deel I, of

ii) een positieve uitkomst is verkregen bij de screentest(s) als omschreven in bijlage II, deel II,

dienen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaten met betrekking tot hun eigen productie:

a) te verbieden dat planten en knollen van alle gewassen, partijen of zendingen waarvan de monsters zijn genomen, worden verplaatst, tenzij dit onder hun toezicht gebeurt en op voorwaarde dat vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme zich kan verspreiden;

b) het nodige te doen om de oorsprong van de vermoede aanwezigheid van het organisme te achterhalen;

c) op grond van een risico-evaluatie passende aanvullende maatregelen te nemen, in het bijzonder ten aanzien van de productie van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, om verspreiding van het organisme te voorkomen.

3. Indien er bij vermoede aanwezigheid van het organisme een risico bestaat dat het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal of het oppervlaktewater in (een) andere lidsta(a)t(en) wordt besmet, dient de lidstaat waar de vermoede aanwezigheid is gesignaleerd de andere betrokken lidsta(a)t(en) onverwijld en overeenkomstig het geconstateerde risico nadere gegevens inzake vermoede aanwezigheid mee te delen.

4. De volgende maatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG:

- de maatregelen als bedoeld in lid 2, onder c).

Artikel 5

1. Wanneer het officiële of onder officieel toezicht verrichte laboratoriumonderzoek waarbij, voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, de overeenkomstige in bijlage II beschreven methode, of, in alle overige gevallen, enige andere officieel erkende methode is toegepast, de aanwezigheid van het organisme in het overeenkomstig deze richtlijn genomen monster bevestigt, nemen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaat, rekening houdend met deugdelijke wetenschappelijke beginselen, de biologische eigenschappen van het organisme en de in de lidstaten gebruikelijke teelt-, afzet- en behandelingsmethoden voor de gastheerplanten van het organisme, de volgende maatregelen:

a) voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal:

i) stellen zij een onderzoek in om de omvang en de primaire bron(nen) van de besmetting te bepalen, rekening houdend met het bepaalde in bijlage IV, zo nodig, met verdere tests overeenkomstig artikel 4, lid 1,

ii) verklaren zij het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, de zending en/of partij waarvan het monster is genomen, alsmede de machines, het voer- of vaartuig, de opslagplaats, of delen daarvan, en enig ander voorwerp, inclusief verpakkingsmateriaal dat met het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal waarvan het monster is genomen, in contact is geweest, besmet; in voorkomend geval verklaren zij ook het veld (de velden), de plaats(en) waar het gewas onder beschermde condities is geteeld, en de productieplaats(en) waar het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal waarvan het monster is genomen, is geoogst, besmet; voor de tijdens de vegetatieperiode genomen monsters verklaren zij het veld (de velden), de productieplaats(en) en, in voorkomend geval, de plaats(en) waar het gewas waarvan het monster is genomen onder beschermde condities is geteeld, besmet

iii) bepalen zij, rekening houdend met het bepaalde in bijlage V, punt 1, de omvang van de waarschijnlijke besmetting door contact met de aangewezen besmettingsbronnen vóór of na de oogst, via de teeltwijze, de irrigatie of de beregening, of via stamverwantschap met de aangewezen besmettingsbronnen, en

iv) bakenen zij een zone af uitgaande van de onder ii) bedoelde besmetverklaring, de onder iii) bedoelde omvang van de waarschijnlijke besmetting en de mogelijke verspreiding van het organisme, waarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in bijlage V, punt 2, onder i);

b) voor andere dan de onder a) bedoelde gastheerplanten, indien er een aanwijsbaar risico voor de teelt van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal bestaat:

i) stellen zij een onderzoek in overeenkomstig het bepaalde onder a), i),

ii) verklaren zij de gastheerplanten van het organisme, waarvan het monster is genomen, besmet, en

iii) bepalen zij de waarschijnlijke besmetting en bakenen zij een zone af overeenkomstig het bepaalde onder a), respectievelijk iii) en iv), ten aanzien van de productie van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal;

c) voor het oppervlaktewater (inclusief vloeibaar afval van bedrijven voor industriële verwerking of verpakking van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal) dat in contact komt met in het wild voorkomende nachtschadeachtigen die als gastheerplant kunnen optreden, wanneer vaststaat dat er aanwijsbare risico's bestaan voor de productie van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal via irrigatie of beregening met oppervlaktewater:

i) stellen zij een onderzoek in met onder meer een officieel onderzoek, op de daartoe geschikte tijdstippen, van monsters van oppervlaktewater en, in voorkomend geval, in het wild voorkomende nachtschadeachtigen die als gastheerplant optreden, teneinde de omvang van de besmetting te bepalen,

ii) verklaren zij, voorzover nodig en op grond van het onder i) bedoelde onderzoek, het oppervlaktewater waarvan het monster is of de monsters zijn genomen, besmet, en

iii) bepalen zij de waarschijnlijke besmetting en bakenen zij op basis van de onder ii) bedoelde besmetverklaring en de mogelijke verspreiding van het organisme een zone af, waarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in bijlage V, punt 2, onder ii).

2. De lidstaten stellen op de in bijlage V, punt 3, vastgestelde wijze de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van elke besmetverklaring als bedoeld in lid 1, onder a), ii), en lid 1, onder c), ii), en verstrekken nadere gegevens betreffende de zoneafbakening als bedoeld in lid 1, onder a), iv), en, indien van toepassing, lid 1, onder c), iii).

De daarbij verstrekte gegevens zijn vertrouwelijk. Zij kunnen aan het comité worden voorgelegd.

3. Als gevolg van de in lid 2 bedoelde kennisgeving en de daarin vermelde gegevens gaan de andere, in de kennisgeving vermelde lidstaten over tot een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in lid 1, a), i), en, zo nodig, lid 1, c), i), en nemen zij de nodige maatregelen overeenkomstig het bepaalde in lid 1 en lid 2.

Artikel 6

1. De lidstaten bepalen dat het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal dat krachtens artikel 5, lid 1, onder a), ii), besmet is verklaard niet mag worden gepoot of uitgeplant en dat het onder toezicht van hun verantwoordelijke officiële instanties op de in bijlage VI, punt 1, vastgestelde wijze wordt vernietigd, zodat wordt vastgesteld dat er geen aanwijsbaar risico voor verspreiding van het organisme bestaat.

2. De lidstaten bepalen dat het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal dat krachtens artikel 5, lid 1, onder a), iii), "waarschijnlijk besmet" is verklaard, niet mag worden gepoot of uitgeplant en dat het onder toezicht van hun verantwoordelijke officiële instanties op de in bijlage VI, punt 2, aangegeven adequate wijze wordt gebruikt of verwijderd, zodat wordt vastgesteld dat er geen aanwijsbaar risico voor verspreiding van het organisme bestaat.

3. De lidstaten schrijven voor dat machines, voer- of vaartuigen, opslagplaatsen, of delen daarvan, en andere voorwerpen, verpakkingsmateriaal inbegrepen, die overeenkomstig artikel 5, lid 1, a) ii), besmet zijn verklaard of waarvan overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), iii), is vastgesteld dat zij waarschijnlijk besmet zijn, volgens de in bijlage VI, punt 3, beschreven adequate methoden worden vernietigd of gedesinfecteerd. Dergelijke voorwerpen worden na desinfectie niet langer als besmet beschouwd.

4. Onverminderd de maatregelen die krachtens de leden 1, 2 en 3 van dit artikel worden genomen, bepalen de lidstaten dat in de overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), iv), en onder c), ii), afgebakende zone een reeks maatregelen wordt genomen, zoals gespecificeerd in bijlage IV, punten 4.1 en 4.2. De nadere bijzonderheden van deze maatregelen worden ieder jaar overeenkomstig het bepaalde in bijlage VI, punt 4.3, aan de andere lidstaten en aan de Commissie meegedeeld.

De daarbij verstrekte gegevens zijn vertrouwelijk. Zij kunnen aan het comité worden voorgelegd.

Artikel 7

1. De lidstaten schrijven voor dat pootaardappelen moeten voldoen aan de in Richtlijn 77/93/EEG vervatte eisen en in rechte lijn moeten afstammen van in het kader van een officieel goedgekeurd programma verkregen aardappelmateriaal af bij officiële of onder officieel toezicht verrichte onderzoeken waarbij de overeenkomstige in bijlage II bedoelde methode is gevolgd, vrij van het organisme is bevonden.

Bovenbedoelde onderzoeken worden verricht:

- op representatieve monsters van het basispootgoed of van teeltmateriaal van aan het basispootgoed voorafgaande generaties, wanneer de besmetting betrekking heeft op de pootaardappelproductie, en

- voor veredeling door teeltkeus waarbij de voor kloonvermeerdering geselecteerde planten niet gedurende meer dan drie generaties zijn vermeerderd sedert de vorige kloonselectie:

i) op alle partijen die door een van die drie generaties zijn voortgebracht en die voor verdere vermeerdering worden gebruikt, of

ii) op elke plant van de oorspronkelijke kloonselectie,

- voor andere systemen, inclusief weefselkweek, op elke plant of knol van de oorspronkelijke kloonselectie;

- op elke plant van de oorspronkelijke kloonselectie of op representatieve monsters van het basispootgoed of van teeltmateriaal van aan het basispootgoed voorafgaande generaties.

2. Volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG kunnen worden vastgesteld:

- de nadere toepassingsbepalingen van lid 1, tweede alinea, eerste streepje;

- de bepalingen betreffende de representatieve monsters als bedoeld in lid 1, tweede alinea, tweede streepje.

Artikel 8

Het in bezit hebben van en het werken met het organisme wordt door de lidstaten verboden.

Artikel 9

Onverminderd het bepaalde in Richtlijn 77/93/EEG, mogen de lidstaten toestaan dat voor experimenten, voor wetenschappelijke doeleinden of voor selectiewerkzaamheden wordt afgeweken van het bepaalde in de artikelen 6 en 8 van deze richtlijn, overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 95/44/EG (2).

Artikel 10

De lidstaten mogen aanvullende of strengere maatregelen vaststellen wanneer dit nodig is om het organisme te bestrijden of om verspreiding ervan te voorkomen, voorzover die maatregelen in overeenstemming zijn met het bepaalde in Richtlijn 77/93/EEG.

De aanvullende maatregelen als bedoeld in de eerste alinea kunnen er onder meer in bestaan dat wordt voorgeschreven dat alleen pootaardappelen mogen worden gepoot of tomaten uitgezet die hetzij officieel gecertificeerd zijn, hetzij een officiële inspectie hebben ondergaan waaruit is gebleken dat zij aan de voorgeschreven fytosanitaire normen voldoen. De laatstgenoemde mogelijkheid kan met name van toepassing zijn in gevallen waarin landbouwers op hun eigen bedrijf gebruik mogen maken van pootaardappelen of tomaten die zij uit hun eigen oogst hebben verkregen, alsmede in andere gevallen waarin eigen gewonnen pootaardappelen of tomaten worden gepoot, respectievelijk uitgezet.

De nadere bijzonderheden van die maatregelen worden ter kennis gebracht van de andere lidstaten en de Commissie. De daarbij verstrekte gegevens zijn vertrouwelijk. Zij kunnen aan het comité worden voorgelegd.

Artikel 11

De op grond van de stand van wetenschap of techniek in de bijlagen bij deze richtlijn aan te brengen wijzigingen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG. Voor de in bijlage II en bijlage VI, punten 4.1 en 4.2, vastgestelde maatregelen stelt de Commissie een verslag op, waarbij zij de maatregelen opnieuw bekijkt in het licht van de opgedane ervaring; dit verslag wordt vóór 1 januari 2002 aan het comité voorgelegd.

Artikel 12

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inwerking treden om met ingang van 1 juli 1997 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle belangrijke bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 13

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 14

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

(1) PB nr. L 26 van 31. 1. 1977, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/78/EG van de Commissie (PB nr. L 321 van 12. 12. 1996, blz. 20).

(2) PB nr. L 184 van 3. 8. 1995, blz. 34.

BIJLAGE I

DEEL I Lijst van gastheerplanten van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith, als bedoeld in artikel 1

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deel II Onderzoeken

1. Bij de officiële onderzoeken als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), moet worden uitgegaan van de biologische eigenschappen van het organisme en de specifieke productiemethoden in de betrokken lidstaat; de onderzoeken moeten het volgende omvatten:

i) voor aardappelen:

- visueel onderzoek van het ongeoogste gewas op daartoe geschikte tijdstippen en/of nemen van monsters tijdens de vegetatieperiode en, waar mogelijk, op de natste plekken van het veld, van zowel pootaardappelen als andere aardappelen, of van opgeslagen partijen. De knollen die als monster zijn genomen, worden doorgesneden en officieel of onder officieel toezicht visueel onderzocht,

en

- voor pootaardappelen en, zo nodig, voor andere aardappelen, verdere bemonstering voor officiële of onder officieel toezicht uit te voeren laboratoriumtests, waarbij de in bijlage II aangegeven methode wordt gebruikt voor diagnose, detectie en identificatie van het organisme;

ii) voor tomaten:

- visueel onderzoek van het ongeoogste gewas op daartoe geschikte tijdstippen,

en

- voor tomatenplanten voor de zaadproductie en, zo nodig, voor andere tomatenplanten, bemonstering voor officiële of onder officieel toezicht uit te voeren laboratoriumtests, waarbij de in bijlage II aangegeven methode wordt gebruikt voor diagnose, detectie en identificatie van het organisme.

2. De in artikel 2, lid 3, bedoelde kennisgeving van de officiële onderzoeken dient het volgende te bevatten:

i) voor onderzoeken met betrekking tot aardappelen:

- een raming van het totale teeltareaal, zowel pootaardappelen als andere aardappelen (in ha),

- een uitsplitsing van de gegevens in pootaardappelen en consumptieaardappelen, en, zo nodig, naar gebied,

- het aantal monsters dat voor onderzoek is genomen, en het tijdstip waarop zij zijn genomen,

- het aantal op het veld uitgevoerde visuele onderzoeken, en

- het aantal op knollen uitgevoerde visuele onderzoeken (en omvang van het monster);

ii) voor onderzoeken met betrekking tot tomaten:

- een raming van het totale teeltareaal voor vollegrondtomaten en voor kastomaten (in ha),

- een uitsplitsing van de gegevens in zaadteelt en groenteteelt, en, zo nodig, naar gebied,

- het aantal monsters dat voor onderzoek is genomen, en het tijdstip waarop zij zijn genomen,

- het aantal op het veld uitgevoerde visuele onderzoeken, en

- het aantal visuele onderzoeken (en omvang van het monster);

iii) voor onderzoeken met betrekking tot andere gastheerplanten dan aardappelen en tomaten:

- soort,

- aantal genomen monsters,

- bemonsterd gebied/bemonsterde rivier, en

- analysemethode;

iv) voor onderzoeken met betrekking tot water:

- aantal genomen monsters,

- bemonsterd gebied/bemonsterde rivier, en

- analysemethode.

BIJLAGE II

De in artikel 4 en artikel 5 bedoelde methode voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal moet in overeenstemming zijn met Beschikking 97/. . ./EG van de Commissie inzake een voorlopige onderzoeksmethode voor de diagnose, detectie en identificatie van Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith (nog niet goedgekeurd door de Commissie).

BIJLAGE III

1. Voor elke vermoede aanwezigheid van het organisme waarvoor de screentest(s) voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal volgens de in bijlage II voor het betrokken product beschreven methode, of, in alle andere gevallen, enige andere officieel erkende methode, een positieve uitkomst heeft opgeleverd en waarvoor de bevestiging of de weerlegging na de volledige uitvoering van genoemde methode nog wordt afgewacht, moeten:

- waar mogelijk, de partij (waaruit het monster is genomen) in de originele verpakking met etiket,

- waar mogelijk, het resterende deel van de monsters,

- het resterende extract en de daarbij gemaakte preparaten voor de screentest(s), bijvoorbeeld de immunofluorescentiepreparaten,

en

- alle relevante documentatie

worden bewaard totdat het onderzoek volgens genoemde methode is afgerond.

2. Ingeval de aanwezigheid van het organisme wordt bevestigd, wordt gedurende ten minste één maand na de kennisgeving krachtens artikel 5, lid 2, van deze richtlijn het volgende bewaard en adequaat geconserveerd:

- het in punt 1 genoemde materiaal;

- een monster van het met de knol of het plantenextract geïnoculeerde tomaten- of auberginemateriaal indien dit relevant is; en

- de geïsoleerde cultuur van het organisme.

BIJLAGE IV

Bij het in artikel 5, lid 1, onder a), i), bedoelde onderzoek dient rekening te worden gehouden met de volgende elementen:

i) de produktieplaats(en) waar:

- aardappelen worden of zijn geteeld die uit dezelfde kloon voortkomen als aardappelen waarvan is geconstateerd dat zij met het organisme besmet zijn,

- tomaten worden of zijn geteeld uit zaad van dezelfde bron als dat van tomaten die met het organisme besmet blijken te zijn,

- aardappelen of tomaten worden of zijn geteeld die onder officieel toezicht zijn geplaatst omdat vermoed wordt dat het organisme erop voorkomt,

- aardappelen worden of zijn geteeld die uit dezelfde kloon voortkomen als aardappelen die zijn geteeld op produktieplaatsen waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met het organisme,

- aardappelen of tomaten worden geteeld en die in de nabijheid zijn gelegen van besmette produktieplaatsen, onder meer van produktieplaatsen die op een of andere wijze rechtstreeks of via loonwerkbedrijven in contact kunnen zijn geweest met dezelfde landbouwmachines of produktievoorzieningen,

- voor irrigatie of beregening oppervlaktewater wordt gebruikt waarvan vermoed wordt of bevestigd is dat het besmet is met het organisme,

- voor irrigatie of beregening oppervlaktewater wordt gebruikt dat ook wordt gebruikt voor produktieplaatsen waarvan vermoed wordt of bevestigd is dat zij met het organisme besmet zijn;

en

ii) oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor irrigatie of beregening van velden of produktieplaatsen waarvan bevestigd is dat zij met het organisme besmet zijn.

BIJLAGE V

1. Voor het bepalen van de omvang van de waarschijnlijke besmetting als bedoeld in artikel 5, lid 1, a), iii), moet rekening worden gehouden met de volgende elementen:

- het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal dat wordt geteeld op een krachtens artikel 5, lid 1, a) ii), besmet verklaarde productieplaats;

- de productieplaats(en) die op een of andere wijze in contact kunnen zijn geweest met het overeenkomstig artikel 5, lid 1, a) ii), besmet verklaarde in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, onder meer met productieplaatsen die op een of andere wijze rechtstreeks of via loonwerkbedrijven in contact kunnen zijn geweest met dezelfde landbouwmachines of productievoorzieningen;

- het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, geproduceerd op de in bovenstaand streepje bedoelde productieplaats(en) of dat op dergelijke productieplaats(en) aanwezig was in de periode waarin het overeenkomstig artikel 5, lid 1 a), ii), besmet verklaarde, in de lijst opgenomen plantaardige materiaal aanwezig was op de in het eerste streepje bedoelde productieplaatsen;

- de centrale opslagplaatsen waar het van bovenbedoelde productieplaatsen afkomstige in de lijst opgenomen plantaardige materiaal is opgeslagen;

- machines, voer- of vaartuigen, opslagplaatsen, of delen daarvan, en alle andere voorwerpen, verpakkingsmateriaal inbegrepen, die met het overeenkomstig artikel 5, lid 1, a), ii), besmet verklaarde, in de lijst opgenomen plantaardige materiaal in contact kunnen zijn geweest;

- in de lijst opgenomen plantaardig materiaal dat is opgeslagen in of in contact is geweest met in het vorige streepje genoemde voorwerpen of inrichtingen voordat die waren gereinigd en ontsmet;

- op grond van de uitkomsten van de in artikel 5, lid 1, a), i), bedoelde onderzoeken en tests, voor aardappelen, knollen of planten die uit dezelfde kloon voortkomen en voor tomaten, planten waarvan het zaad uit dezelfde bron afkomstig is, als het overeenkomstig artikel 5, lid 1, a), ii), besmet verklaarde, in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, en waarvoor onderzoek aangeeft dat het waarschijnlijk besmet is;

- de plaatsen waarop het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal wordt geteeld en waar voor irrigatie of beregening water wordt gebruikt dat overeenkomstig artikel 5, lid 1, c), ii), besmet is verklaard.

2. Bij het bepalen van de mogelijke verspreiding als bedoeld in artikel 5, lid 1, a), iv), en in artikel 5, lid 1, c), ii), wordt rekening gehouden met:

i) in de in artikel 5, lid 1, a), iv), bedoelde gevallen:

- de nabijheid van andere plaatsen waarop in de lijst opgenomen plantaardig materiaal wordt geteeld,

- het feit dat pootaardappelen uit dezelfde voorraden afkomstig zijn,

- het feit dat op de productieplaatsen oppervlaktewater voor irrigatie of beregening van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal wordt gebruikt, wanneer er gevaar was of is geweest van oppervlaktewaterafvoer van overeenkomstig artikel 5, lid 1, a) ii), besmet verklaarde produktieplaatsen;

ii) in gevallen waarin het oppervlaktewater besmet is verklaard overeenkomstig artikel 5, lid 1, c), ii):

- de voor de teelt van in de lijst opgenomen plantaardig materiaal gebruikte productieplaatsen in de nabijheid van het besmet verklaarde water,

- aparte irrigatiereservoirs waarin het besmet verklaarde water kan zijn terechtgekomen.

3. De in artikel 5, lid 2, eerst alinea, bedoelde kennisgeving moet de volgende gegevens bevatten:

- de datum waarop de in artikel 4 bedoelde vermoede aanwezigheid dan wel de in artikel 5 bedoelde bemonstering is gemeld;

- voor elke besmet verklaarde zending of partij aardappelen: naar gelang van het geval, de bij de artikelen 7 of 8 van Richtlijn 77/93/EEG voorgeschreven certificaten, het paspoort- of registratienummer van de aardappeltelers, collectieve opslagplaatsen en verzendingscentra;

- voor elke besmet verklaarde zending of partij tomatenplanten: de bij de artikelen 7 of 8 van Richtlijn 77/93/EEG voorgeschreven certificaten en het paspoortnummer, overeenkomstig de in bijlage V, deel A, hoofdstuk I, punt 2.2, bij Richtlijn 77/93/EEG opgenomen lijst;

- voor pootaardappelvoorraden, en indien mogelijk, ook in alle andere gevallen: de naam van het ras en de klasse;

- de gegevens met betrekking tot de besmetverklaring en de zoneafbakening;

- het adres waar het materiaal overeenkomstig bijlage III, punt 2, wordt vastgehouden en bewaard.

BIJLAGE VI

1. Het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal wordt, naar gelang van het type, vernietigd als bedoeld in artikel 6, lid 1, door:

- verbranding;

- op een officieel goedgekeurde plaats waar geen lekkage naar landbouwgrond of contact met water dat voor irrigatie van landbouwgrond kan worden gebruikt, mogelijk is, diep te worden begraven;

- rechtstreekse en onverwijlde levering, voor industriële verwerking, aan verwerkende bedrijven die over adequate afvalverwijderingsinstallaties beschikken die voldoen aan de in bijlage VII vastgestelde voorschriften, of

- andere maatregelen, op voorwaarde dat is vastgesteld dat er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme zich kan verspreiden; van deze maatregelen moet aan de Commissie en aan de andere lidstaten kennis worden gegeven.

2. Het in artikel 6, lid 2, bedoelde geëigende gebruik of de daarin bedoelde verwijdering, onder toezicht van de verantwoordelijke officiële instanties van de betrokken lidsta(a)t(en), waarbij moet worden gezorgd voor een adequate communicatie tussen de betrokken verantwoordelijke officiële instanties, teneinde te garanderen dat een dergelijk toezicht te allen tijde plaatsvindt, omvat:

i) voor aardappelen:

- gebruik als consumptieaardappelen, die dan moeten worden verpakt in inrichtingen met de nodige afvalverwijderingsinstallaties, waarbij rechtstreeks moet worden geleverd zonder dat de aardappelen nog hoeven te worden omgepakt,

- gebruik als fabrieksaardappelen, waarbij rechtstreeks en onmiddellijk moet worden geleverd aan een verwerkend bedrijf met de nodige afvalverwijderingsinstallaties, of

- enig ander gebruik dan wel vernietiging, op voorwaarde dat vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme zich kan verspreiden;

ii) voor tomaten:

- gebruik als industrietomaten, waarbij rechtstreeks en onmiddellijk wordt geleverd aan een verwerkend bedrijf met de nodige afvalverwijderingsinstallaties, en verwijdering van plantenresten, inclusief zaad, met daartoe geschikte middelen,

- gebruik als consumptietomaten; deze moeten worden verpakt in inrichtingen met de nodige afvalverwijderingsinstallaties, of

- enig ander gebruik dan wel vernietiging, op voorwaarde dat vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme zich kan verspreiden;

iii) voor andere plantendelen:

- vernietiging, of

- enig ander gebruik dan wel vernietiging, op voorwaarde dat vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme zich kan verspreiden; van dergelijke maatregelen dient kennis te worden gegeven aan de Commissie en aan de andere lidstaten.

3. De in artikel 6, lid 3, bedoelde voorwerpen moeten, onder toezicht van de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaten, worden ontsmet door ze te reinigen en, zo nodig, te desinfecteren op zulke wijze dat er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme zich kan verspreiden.

4. De in artikel 6, lid 4, bedoelde maatregelen die door de lidstaten in de krachtens artikel 5, lid 1, onder a), iv), en onder c), ii), afgebakende zones moeten worden uitgevoerd, omvatten:

4.1. voor productieplaatsen die overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), ii), besmet zijn verklaard:

a) op een overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), ii), besmet verklaard veld of besmet verklaarde inrichting voor beschutte teelt:

i) - gedurende ten minste vier teeltjaren na de besmetverklaring:

- maatregelen om opslag van aardappel- en tomatenplanten en ook andere gastheerplanten van het organisme zoals onder meer onkruid van de familie der nachtschadeachtigen te elimineren, en

- maatregelen om ervoor te zorgen dat geen aardappelknollen of -planten, of andere gastheerplanten van het organisme, onder meer tomatenplanten en -zaad, of gewassen waarvoor een aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme erin kan overleven of erdoor kan worden verspreid, worden gepoot, uitgeplant of uitgezaaid;

- in de eerste teeltperiode voor aardappelen en tomaten volgende op in bovenstaand streepje bedoelde periode, en op voorwaarde dat het veld gedurende ten minste twee opeenvolgende oogstjaren vóór de opplant vrij is bevonden van opslag van aardappel- en tomatenplanten, alsmede van andere gastheerplanten, inclusief onkruid van de familie der nachtschadeachtigen:

- een officieel onderzoek, inclusief tests, als aangegeven in artikel 2, lid 1,

- voor aardappelen: er mag alleen officieel gecertificeerd pootgoed worden gepoot en dan nog uitsluitend voor de teelt van consumptieaardappelen, en

- voor tomaten: opplant van uitsluitend tomatenplanten waarvoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van Richtlijn 77/93/EEG een plantenpaspoort is afgegeven na een onderzoek overeenkomstig artikel 6 van voornoemde richtlijn om na te gaan of de planten aan de daarin vervatte eisen voldoen (hierna "plantenpaspoort" genoemd), of van tomatenplanten die op de productieplaats uit zaad zijn opgekweekt, officieel zijn gecontroleerd en daarbij vrij zijn bevonden van het organisme;

- in de aardappel- of tomatenteeltperiode volgende op de in bovenstaand streepje bedoelde periode en na een adequate vruchtwisselingscyclus, dienen, voor aardappelen, alleen officieel gecertificeerde pootaardappelen te worden gepoot voor de teelt van zowel poot- als consumptieaardappelen en dient, voor aardappelen en tomaten, een officieel onderzoek te worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 2, lid 1;

of

ii) - gedurende vijf teeltjaren na de besmetverklaring:

- maatregelen om opslag van aardappel- en tomatenplanten en ook andere gastheerplanten van het organisme, zoals onder meer onkruid van de familie der nachtschadeachtigen te elimineren, en

- maatregelen waarbij men het veld gedurende de eerste drie jaar ofwel in volle braak laat liggen, ofwel gebruikt voor de teelt van granen, met uitzondering van maïs, ofwel gebruikt als blijvend grasland dat kort wordt afgemaaid of intensief wordt begraasd, ofwel gebruikt voor de productie van graszaad, waarna gedurende twee jaar gewassen worden verbouwd die niet kunnen fungeren als gastheerplant voor het organisme en waarvoor er geen aanwijsbaar risico bestaat dat het organisme erin zou kunnen overleven of zich erdoor zou kunnen verspreiden;

- in de eerste teeltperiode voor aardappelen of tomaten volgende op de in het bovenstaande streepje bedoelde periode:

- voor aardappelen: er mag alleen officieel gecertificeerd pootgoed worden gepoot en dan nog uitsluitend voor de teelt van poot- of consumptieaardappelen, of

- voor tomaten: opplant van uitsluitend tomatenplanten die vergezeld gaan van een plantenpaspoort of van tomatenplanten die op de productieplaats uit zaad zijn opgekweekt, officieel zijn gecontroleerd en daarbij vrij zijn bevonden van het organisme,

en een officieel onderzoek als aangegeven in artikel 2, lid 1;

b) op andere velden:

- in het teeltjaar volgende op de besmetverklaring van het veld of de inrichting:

- een verbod om aardappelen te poten of aardappelplanten of andere gastheerplanten van het organisme uit te zetten en maatregelen om opslag van aardappel- en tomatenplanten en ook andere gastheerplanten van het organisme, zoals onder meer onkruid van de familie der nachtschadeachtigen te elimineren, of

- voor aardappelknollen, poten van uitsluitend officieel gecertificeerd pootgoed voor de teelt van consumptieaardappelen of, voor tomaten, opplant van uitsluitend tomatenplanten die vergezeld gaan van een plantenpaspoort of van tomatenplanten die op de productieplaats uit zaad zijn opgekweekt, officieel zijn gecontroleerd en daarbij vrij zijn bevonden van het organisme, op voorwaarde dat ten genoegen van de verantwoordelijke officiële instanties kan worden aangetoond dat er geen risico bestaat voor opslag van aardappel- en tomatenplanten en andere gastheerplanten van het organisme, zoals onder meer onkruid van de familie der nachtschadeachtigen. Het ongeoogste gewas moet op daartoe geschikte tijdstippen worden gecontroleerd en opslag van aardappelplanten moet worden onderzocht op de aanwezigheid van het organisme; bovendien moeten voor aardappelen de geoogste knollen worden gecontroleerd;

- in de eerste teeltperiode volgende op de in het eerste streepje bedoelde periode:

- voor aardappelen: poten van uitsluitend gecertificeerd pootgoed voor de teelt van zowel poot- als consumptieaardappelen, of

- voor tomaten: opplant van uitsluitend tomatenplanten die vergezeld gaan van een plantenpaspoort of van tomatenplanten die op de productieplaats uit zaad zijn opgekweekt, officieel zijn gecontroleerd en vrij zijn bevonden van het organisme;

- in het tweede teeltjaar volgende op de in het eerste streepje bedoelde periode:

- voor aardappelen: poten van uitsluitend officieel gecertificeerd pootgoed of pootgoed dat onder officieel toezicht uit officieel gecertificeerd pootgoed is voorgebracht, voor de teelt van zowel poot- als consumptieaardappelen, of

- voor tomaten: opplant van uitsluitend tomatenplanten die vergezeld gaan van een plantenpaspoort of van tomatenplanten die op de productieplaats uit zaad zijn opgekweekt, officieel zijn gecontroleerd en daarbij vrij zijn bevonden van het organisme;

- in elk van de in bovenstaande streepjes bedoelde teeltjaren: maatregelen om opslag van aardappel- en tomatenplanten en ook andere gastheerplanten van het organisme, zoals onder meer onkruid van de familie der nachtschadeachtigen te elimineren, en een officieel onderzoek als aangegeven in artikel 2, lid 1, alsmede, in gevallen waarin pootaardappelen worden gepoot voor de teelt van pootgoed, tests op de knollen;

c) onmiddellijk na de besmetverklaring overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), ii), en in elk van de daaropvolgende teeltperioden tot en met de periode waarin de teelt van aardappelen en tomaten op het (de) besmet verklaarde veld(en) als aangegeven onder a) voor het eerst is toegestaan:

- reiniging en, zo nodig, ontsmetting van alle machines en opslaginrichtingen op de plaats waar aardappelen en tomaten zijn geteeld, volgens de in punt 3 bedoelde adequate methoden;

- officiële controles van irrigatie- en beregeningsprogramma's, met, zo nodig, een verbod om te irrigeren of beregenen teneinde te voorkomen dat het organisme zich verspreidt;

d) in een overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), ii), besmet verklaarde inrichting voor beschutte teelt, waar het groeimedium volledig kan worden vervangen:

- verbod van opplant van aardappelknollen of -planten, of andere gastheerplanten van het organisme, en van inzaai van respectievelijk tomatenplanten en -zaad, tenzij in de inrichting, onder officieel toezicht, de nodige maatregelen zijn genomen om het organisme uit te roeien en alle plantaardig materiaal dat als gastheer kan fungeren, te vermijden, waarbij ten minste het groeimedium volledig is vervangen en de betrokken inrichting en alle materiaal is gereinigd en, zo nodig, ontsmet, en de verantwoordelijke officiële instanties daarna toestemming hebben gegeven om er aardappelen of tomaten te telen, en

- voor de teelt van aardappelen: gebruik van officieel gecertificeerd pootgoed of miniknollen of van microplanten die afkomstig zijn van geteste bronnen; voor de teelt van tomaten: gebruik van tomatenplanten die vergezeld gaan van een plantenpaspoort of van zaad dat tijdens de teeltperiode officieel is onderzocht op de aanwezigheid van het organisme,

- officiële controles van irrigatie- en beregeningsprogramma's, met, zo nodig, een verbod om te irrigeren of te beregenen ten einde te voorkomen dat het organisme zich verspreidt;

4.2. in de afgebakende zones moeten de lidstaten, onverminderd de in punt 4.1 genoemde maatregelen:

a) onmiddellijk, en gedurende ten minste drie teeltjaren na de besmetverklaring:

aa) wanneer de afgebakende zone overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), iv), is vastgesteld:

- ervoor zorgen dat hun verantwoordelijke officiële instanties toezicht houden op de bedrijfsterreinen of -inrichtingen waar aardappelen of tomaten worden geteeld, opgeslagen of behandeld en op bedrijven waar machines van loonwerkbedrijven worden gebruikt voor de teelt van aardappelen of tomaten,

- voorschrijven dat machines en opslagplaatsen in dergelijke bedrijven worden gereinigd en gedesinfecteerd volgens de in punt 3 van deze bijlage aangegeven adequate methoden,

- bepalen dat in die zone uitsluitend gecertificeerd pootgoed of onder officieel toezicht geteeld pootgoed voor de aardappelteelt mag worden gebruikt,

- voorschrijven dat voor de teelt van tomaten in die zone uitsluitend tomatenplanten worden opgeplant die vergezeld gaan van een plantenpaspoort of tomatenplanten die op de productieplaats uit zaad zijn opgekweekt, officieel zijn gecontroleerd en daarbij vrij zijn bevonden van het organisme,

- voorschrijven dat in alle bedrijfsinrichtingen in de zone de voorraden geoogste pootaardappelen gescheiden worden gehouden van die van consumptieaardappelen,

- een officieel onderzoek verrichten als omschreven in artikel 2, lid 1;

ab) in gevallen waarin oppervlaktewater overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder c), ii), besmet is verklaard of overeenkomstig bijlage V, punt 2, is opgenomen in de lijst van elementen voor de mogelijke verspreiding van het organisme:

- op de daartoe geschikte tijdstippen ieder jaar een onderzoek verrichten, inclusief een bemonstering van het oppervlaktewater en, zo nodig, van gastheerplanten van de familie der nachtschadeachtigen in de relevante waterbronnen, alsmede tests aan de hand van de in bijlage II aangegeven methoden,

- officiële controles uitvoeren op irrigatie- en beregeningsprogramma's, inclusief een verbod op het gebruik van besmet verklaard water voor irrigatie of beregening van in de lijst opgenomen plantaardig materiaal, teneinde te voorkomen dat het organisme zich verspreidt; dit verbod kan opnieuw worden bezien op grond van de uitkomsten van voornoemd jaarlijks onderzoek,

- wanneer vloeibaar afval besmet is verklaard, officiële controles uitvoeren op de afvoer van afval van de inrichtingen voor industriële verwerking of verpakking waar het in de lijst opgenomen materiaal wordt behandeld;

b) indien relevant, een programma opstellen om de pootaardappelvoorraden binnen een passende termijn volledig te vervangen.

4.3. De in artikel 6, lid 4, bedoelde kennisgeving moet de volgende gegevens bevatten:

- de maatregelen ter uitvoering van het bepaalde in de punten 4.1 en 4.2;

- de registratienummers van de aardappeltelers, de collectieve opslagplaatsen en verzendingscentra in de afgebakende zone en, in voorkomend geval, de registratienummers van de tomatentelers in de afgebakende zone.

BIJLAGE VII

De officieel erkende afvalverwijderingsinstallaties als bedoeld in bijlage VI, lid 1, derde streepje, moeten aan de volgende eisen voldoen, om te voorkomen dat het organisme zich kan verspreiden:

i) bij de verwerking van aardappelen en tomaten verkregen afval (onder meer uitschot van aardappelen, schillen en tomaten) en enig ander vast afval dat met de aardappelen en tomaten in contact is geweest, moet:

- op een officieel goedgekeurde plaats waar geen lekkage naar landbouwgrond of contact met water dat voor irrigatie van landbouwgrond kan worden gebruikt, mogelijk is, diep worden begraven. Het afval dient rechtstreeks en op zodanige wijze naar de goedgekeurde plaats te worden vervoerd dat geen afval kan worden verloren, of

- worden verbrand;

ii) bij de verwerking verkregen vloeibaar afval: vloeibaar afval dat gesuspendeerde vaste stoffen bevat, moet, voordat het wordt verwijderd, worden gefilterd of een proces ondergaan waarbij dergelijke stoffen worden neergeslagen. De verkregen vaste stoffen moeten worden verwijderd als aangegeven onder i).

Het vloeibare afval:

- krijgt vervolgens een anaërobe behandeling, gevolgd door een aërobe gisting, zodat er geen risico bestaat dat het organisme overleeft,

- wordt, voordat het wordt afgevoerd, gedurende ten minste 30 minuten verhit tot minimaal 70 °C,

- wordt geloosd in getijdewater, of

- wordt op enige andere officieel goedgekeurde wijze onder officieel toezicht verwijderd zodat er geen risico bestaat dat het afval in contact kan komen met landbouwgrond. Nadere bijzonderheden over die maatregelen worden aan de andere lidstaten en aan de Commissie meegedeeld.