Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (97/C 240/02) (Voor de EER relevante tekst) COM(97) 71 def. - 97/0124(COD)
(Door de Commissie ingediend op 16 juni 1997)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut,
Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag,
Overwegende dat op de risico's van van de grondstoffenhandel en van grondstoffen afgeleide instrumenten thans Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/10/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), van toepassing is; dat echter in Richtlijn 89/647/EEG het marktrisico van dergelijke posities niet accuraat is verwerkt; dat het noodzakelijk is het begrip "handelsportefeuille" uit te breiden tot posities in grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten die voor handelsdoeleinden worden gehouden en waarvoor voornamelijk marktrisico's bestaan; dat de instellingen met betrekking tot de dekking van grondstoffenrisico's voor hun gehele bedrijf aan de onderhavige richtlijn moeten voldoen;
Overwegende dat in Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (3) een standaardmethode is vervat voor de berekening van kapitaalvereisten voor het marktrisico dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen lopen; dat instellingen hun eigen modellen voor risicobeheer ("interne modellen") hebben ontwikkeld, die zijn ontworpen om het marktrisico dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen lopen, accurater te meten dan in de standaardmethode het geval is; dat het gebruik van accurater methoden voor risicometing dient te worden aangemoedigd;
Overwegende dat het gebruik van dergelijke interne modellen voor het berekenen van de kapitaalvereisten toestemming behoeft van de bevoegde autoriteiten die op dat gebruik moeten toezien, en strikte interne controlmechanismen vereist; dat het voortdurend betrouwbaar zijn van de uitkomsten van de berekeningen van interne modellen door middel van een procedure van achteraf uitgevoerde controletests ("back-testing") dient te worden geverifieerd;
Overwegende dat de regels die in breder internationaal verband worden vastgesteld, de kapitaalvereisten voor kredietinstellingen uit derde landen kunnen verlagen, teneinde geavanceerder risicobeheermethoden op basis van interne modellen aan te moedigen; dat deze kredietinstellingen concurreren met beleggingsondernemingen en met kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de lidstaten hebben; dat voor beleggingsondernemingen en kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de lidstaten hebben, alleen een wijziging van Richtlijn 93/6/EEG een vergelijkbare stimulans kan geven om interne modellen te ontwikkelen en te gebruiken;
Overwegende dat voor de berekening van de kapitaalvereisten voor het marktrisico posities in goud en van goud afgeleide instrumenten op een vergelijkbare wijze dienen te worden behandeld als valutaposities;
Overwegende dat het uitgeven van achtergestelde schuld niet automatisch uitsluit dat de aandelen van de emittent worden opgenomen in de portefeuille die overeenkomstig bijlage I, punt 33, van Richtlijn 93/6/EEG voor een wegingsfactor van 2 % voor het specifieke risico in aanmerking komt;
Overwegende dat deze richtlijn overeenstemt met de werkzaamheden van een ander internationaal forum van bankentoezichthouders op het gebied van de behandeling voor toezichtdoeleiden van het marktrisico en van posities in grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten in de handelsportefeuille;
Overwegende dat bepaalde beleggingsondernemingen die voornamelijk in grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten handelen, wellicht nog niet in staat zijn interne modellen te gebruiken of aan de kapitaalvereisten voor het grondstoffenrisico die in de onderhavige richtlijn zijn vervat, te voldoen; dat adequate en efficiënte interne modellen voor beleggingsondernemingen ten behoeve van het risicobeheer van grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten, met name opties, naar verwachting met bekwame spoed zullen worden ontwikkeld; dat de bevoegde autoriteiten, teneinde de betrokken beleggingsondernemingen voldoende tijd te gunnen om hun risicobeheersystemen te moderniseren, onder bepaalde voorwaarden tot 1 januari 2000 niet worden verplicht de in bijlage VII van Richtlijn 93/6/EEG vervatte kapitaalvereisten voor grondstoffen aan beleggingsondernemingen op te leggen;
Overwegende dat vaststelling van deze richtlijn het meest geëigende middel is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken; dat deze richtlijn beperkt blijft tot hetgeen minimaal noodzakelijk is om deze doelstellingen te verwezenlijken en niet verder gaat dan hetgeen daartoe nodig is;
Overwegende dat deze richtlijn voor de Europese Economische Ruimte (EER) relevant is en dat de procedure van artikel 99 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is gevolgd;
Overwegende dat het Raadgevend Comité voor het bankwezen over de vaststelling van deze richtlijn is geraadpleegd,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 93/6/EEG wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a) Punt 6, onder a) en b), i) en ii), komt te luiden:
"a) de eigen posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten, die door de instelling voor wederverkoop worden aangehouden en/of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande en/of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening verrichte compenserende aan- en verkopen ("matched principal broking") of posities die worden ingenomen teneinde andere elementen van de handelsportefeuille af te dekken;
b) de risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties, leveringen zonder tegenprestatie ("free deliveries") en afgeleide "over-the-counter" (OTC)-instrumenten als bedoeld in de punten 1, 2, 3 en 5 van bijlage II; de risicoposities in verband met retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen, als bedoeld in punt 4 van bijlage II, welke berusten op overeenkomstig punt a) hierboven in de handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen, en mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, beschreven in punt 4 van bijlage II, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder i), ii), iii) en v), dan wel aan de voorwaarden vermeld onder iv) en v):
i) de risicoposities worden dagelijks tegen de marktwaarde gewaardeerd volgens de procedure van bijlage II;
ii) de zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis in de waarde van de effecten of grondstoffen waarop de betrokken overeenkomst of transactie berust, overeenkomstig een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare regel;".
b) Punten 15 en 16 komen te luiden:
"15. "warrant": een waardepapier dat de houder het recht geeft tot of op de afloopdatum van de "warrant" tegen een vastgestelde prijs een onderliggende waarde te kopen. De warrant kan worden afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf of door afwikkeling in contanten.
16. "voorraadfinanciering": posities waarbij fysieke voorraden op termijn verkocht worden en de financieringskosten tot de datum van de termijnverkoop zijn vastgelegd;".
c) Punt 17, eerste alinea, komt te luiden:
"17. "retrocessieovereenkomst" en "omgekeerde retrocessieovereenkomst": een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen overdraagt, mits die garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen, en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen, onder de verbintenis deze effecten of grondstoffen (of vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken) tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, wordt aangemerkt als een "retrocessieovereenkomst" voor een instelling die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een "omgekeerde retrocessieovereenkomst" voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt.".
d) Punt 18 komt te luiden:
"18. "verstrekte effecten- of grondstoffenlening" en "opgenomen effecten- of grondstoffenlening": een transactie waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen overdraagt tegen een passende zekerheid, onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instelling daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten of grondstoffen teruglevert, wordt aangemerkt als een "verstrekte effecten- of grondstoffenlening" voor de instelling die de effecten of grondstoffen overdraagt, en een "opgenomen effecten- of grondstoffenlening" voor de instelling waaraan de effecten of grondstoffen worden overgedragen.
Een opgenomen effecten- of grondstoffenlening wordt beschouwd als een transactie tussen professionele partijen wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is in de zin van Richtlijn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land of wanneer de transactie is verricht met een erkende clearinginstelling of beurs;".
2. Artikel 4, lid 1, eerste alinea, punten i) en ii), komt te luiden:
"i) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de bijlagen I, II en VI en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun handelsportefeuille;
ii) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de bijlagen III en VII en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun gehele bedrijf;".
3. Artikel 5, lid 2, komt te luiden:
"2. Onverminderd lid 1 dienen instellingen die de kapitaalvereisten met betrekking tot hun handelsportefeuille overeenkomstig de bijlagen I en II en, in voorkomend geval, bijlage VIII berekenen, hun grote risico's te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG, behoudens de in bijlage VI van de onderhavige richtlijn neergelegde wijzigingen.".
4. Artikel 7, leden 10 en 11, inleidend zinsdeel, komt te luiden:
"10. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in de leden 7 en 9 bedoelde ontheffing, mogen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de kapitaalvereisten (bijlagen I en VIII) en de risico's met betrekking tot cliënten (bijlage VI) op geconsolideerde basis, compensatie toestaan van nettoposities in de handelsportefeuille van een andere instelling overeenkomstig de voorschriften van de bijlagen I, VI en VIII.
Zij mogen ook toestaan dat valutaposities bij één instelling worden gecompenseerd met valutaposities bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III en/of bijlage VIII. Voorts mogen zij toestaan dat posities in grondstoffen bij één instelling worden gecompenseerd met posities in grondstoffen bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII en/of bijlage VIII.
11. De bevoegde autoriteiten mogen ook compensatie toestaan met betrekking tot de handelsportefeuille-, alsmede de valuta- en grondstoffenposities van in derde landen gevestigde ondernemingen, mits tegelijkertijd wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden:".
5. Artikel 8, lid 5, komt te luiden:
"5. De bevoegde autoriteiten verplichten instellingen ertoe om hen onmiddellijk in kennis te stellen van gevallen waarin hun tegenpartijen bij retrocessieovereenkomsten en omgekeerde retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen in gebreke blijven. De Commissie brengt uiterlijk drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum bij de Raad verslag uit over die gevallen en over de gevolgen daarvan voor de behandeling van dergelijke overeenkomsten en effectenleningstransacties in deze richtlijn. In dat verslag wordt ook uiteengezet op welke wijze instellingen voldoen aan de voorwaarden i) tot en met v) van artikel 2, punt 6, onder b), welke op die instellingen van toepassing zijn, en meer bepaald aan voorwaarde v). Voorts worden in dat verslag nadere gegevens verstrekt over eventuele veranderingen in de relatieve omvang van de door de instellingen verstrekte traditionele leningen en de leningen die zij verstrekken via omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen. Indien de Commissie op grond van dit verslag en van andere informatie concludeert dat verdere waarborgen nodig zijn om misbruiken te voorkomen, dient zij passende voorstellen in.".
6. Artikel 12 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 12 bis
1. Lidstaten mogen wanneer beleggingsondernemingen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van die lidstaten nog niet in staat zijn voor het berekenen van het kapitaalvereiste voor het grondstoffenrisico interne modellen overeenkomstig bijlage VIII te gebruiken, tot en met 31 december 1999 "spread"-, overdrachts- en "outright"-coëfficiënten voorschrijven die afwijken van die welke in bijlage VII, punten 13 en 16, zijn bepaald.
2. De in lid 1 bedoelde alternatieve coëfficiënten zijn onderworpen aan de volgende voorwaarden:
i) de alternatieve coëfficiënten zijn door de bevoegde autoriteiten vastgesteld;
ii) de bevoegde autoriteiten herzien periodiek de alternatieve coëfficiënten in het licht van de ontwikkelingen op de grondstoffenmarkten;
iii) de alternatieve coëfficiënten zijn in geen geval lager dan de helft van de coëfficiënten die in bijlage VII, punten 13 en 16, zijn bepaald;
iv) de bevoegde autoriteiten stellen de Commissie van de alternatieve coëfficiënten in kennis en stellen aan de Commissie en de andere lidstaten de gegevens ter beschikking op basis waarvan die coëfficiënten zijn berekend.".
7. De bijlagen I, II, III, V en VI worden gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in bijlage I bij de onderhavige richtlijn.
8. De bijlagen VII en VIII, vervat in bijlage II bij de onderhavige richtlijn, worden toegevoegd.
Artikel 2
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1997 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
(1) PB nr. L 386 van 30. 12. 1989, blz. 14.
(2) PB nr. L 85 van 3. 4. 1996, blz. 17.
(3) PB nr. L 141 van 11. 6. 1993, blz. 1.
BIJLAGE I
1. Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
a) In punt 4 komt de laatste zin te luiden:
"De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij ten volle ervan overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en dat de voor de berekening van de marge gebruikte methode gelijkwaardig is aan de berekeningsmethode die in het vervolg van deze bijlage of in bijlage VIII is omschreven.".
b) Punt 5, derde alinea, komt te luiden:
"De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat voor de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven, op de beurs verhandelde optie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij ten volle ervan overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt, en dat de voor de berekening van de marge gebruikte methode gelijkwaardig is aan de berekeningsmethode die in het vervolg van deze bijlage of in bijlage VIII voor deze opties is omschreven. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte op de beurs verhandelde of OTC-optie gelijk is aan dat voor het onderliggende instrument, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van het onderliggende instrument.".
c) Punt 6 komt te luiden:
"6. Warrants die betrekking hebben op schuldinstrumenten en aandelen, worden op dezelfde wijze behandeld als opties in punt 5.".
d) Punt 33, onder i), komt te luiden:
"i) de aandelen mogen niet afkomstig zijn van emittenten die uitsluitend verhandelbare schuldinstrumenten hebben uitgegeven waarvoor momenteel in tabel 1 van punt 14 een vereiste van 8 % geldt, of waarvoor, uitsluitend omdat zij zijn gegarandeerd of door zekerheid zijn gedekt, een lager kapitaalvereiste geldt;".
2. Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:
a) Punt 1 komt te luiden:
"1. In geval van transacties waarbij schuldinstrumenten, aandelen en grondstoffen (exclusief retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten en verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen) na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, moet een instelling het prijsverschil berekenen waarvoor zij een risico loopt. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel of de grondstof in kwestie, en de dagkoers daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren. Zij moet dit verschil vermenigvuldigen met de passende factor in kolom A van de tabel in punt 2 om haar kapitaalvereiste te berekenen.".
b) Punt 3 komt te luiden:
"3.1. Een instelling moet kapitaal tot dekking van het tegenpartijrisico aanhouden indien:
i) zij voor waardepapieren of grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen, of waardepapieren of grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te hebben ontvangen, en
ii) in het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken sedert deze betaling of levering.
3.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van de waarde van de aan de instelling verschuldigde waardepapieren, grondstoffen of contanten, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke risicowegingsfactor.".
c) De titel van punt 4 en de eerste alinea van punt 4.1 komen te luiden:
"Retrocessie en omgekeerde retrocessieovereenkomsten, verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen
4.1. In het geval van retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen op basis van tot de handelsportefeuille behorende effecten of grondstoffen, berekent de instelling het verschil tussen de marktwaarde van de effecten of grondstoffen en het bedrag van de lening die is opgenomen door de instelling of de marktwaarde van de zekerheid, indien dit verschil positief is. In het geval van omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen berekent de instelling het verschil tussen het bedrag van de door de instelling verstrekte lening of de marktwaarde van de zekerheid en de marktwaarde van de waardepapieren of grondstoffen die zij heeft ontvangen, indien dit verschil positief is.".
3. Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:
a) Punt 1 komt te luiden:
"1. Indien de som van de totale nettopositie in vreemde valuta's en de nettopositie in goud van een instelling, berekend volgens de hieronder omschreven procedure, meer dan 2 % van het totale eigen vermogen van de instelling bedraagt, moet de instelling de som van haar nettopositie in vreemde valuta's en haar nettopositie in goud met 8 % vermenigvuldigen om het kapitaalvereiste ter dekking van het valutarisico te berekenen.".
b) Punt 3 komt te luiden:
"3.1. Eerst wordt de netto open positie van de instelling in elke valuta en in goud (met inbegrip van de rapportagevaluta) berekend. Deze positie bestaat uit de som van de volgende elementen (positief of negatief):
- de netto contante positie (dat wil zeggen alle activa min alle passiva, met inbegrip van de opgelopen en nog niet vervallen rente, in de betrokken valuta of, in het geval van goud, de netto contante positie in goud);
- de netto termijnpositie (dat wil zeggen alle te ontvangen bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van termijntransacties in valuta's en goud, met inbegrip van valuta- en goudfutures en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn verwerkt in de contante positie);
- onherroepelijke garanties (en soortgelijke instrumenten) die zeker zullen worden opgevraagd en waarschijnlijk niet kunnen worden teruggevorderd;
- netto toekomstige inkomsten/uitgaven, nog niet vervallen maar reeds volledig afgedekt (naar keuze van de rapporterende instelling en met voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten mogen hier de netto toekomstige inkomsten/uitgaven worden opgenomen die nog niet in de rekeningen zijn geboekt maar reeds volledig zijn afgedekt door valutatermijntransacties. Deze keuze moet consequent worden aangehouden);
- het netto delta- (of op delta gebaseerde) equivalent van de totale portefeuille van valuta- en goudopties;
- de marktwaarde van andere (dan valuta- en goud-)opties;
- posities die een instelling doelbewust heeft ingenomen om valutarisico's voor haar kapitaalratio af te dekken, kunnen bij de berekening van de netto open valutaposities buiten beschouwing worden gelaten. Deze posities mogen geen handelskarakter dragen of moeten van structurele aard zijn, en voor het buiten beschouwing laten ervan, alsook voor wijzigingen in de daarvoor geldende voorwaarden, is de toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist. Op dezelfde wijze kan, onder dezelfde voorwaarden als hierboven, te werk worden gegaan voor posities van een instelling die betrekking hebben op posten die reeds bij de berekening van het eigen vermogen zijn afgetrokken.
3.2. Het staat de bevoegde autoriteiten vrij om de instellingen toe te staan bij de berekening van de netto open positie in elke valuta en in goud gebruik te maken van de netto contante waarde.".
c) Punt 4, eerste zin, komt te luiden:
"Vervolgens worden de netto korte en lange posities in elke valuta (behalve de rapportagevaluta) en de netto korte of lange positie in goud tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend.".
d) Punt 7 komt te luiden:
"7. Ten tweede mogen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan om voor de toepassing van deze bijlage een andere dan de in de punten 1 tot en met 6 uiteengezette methode toe te passen. Het uit deze methode resulterende kapitaalvereiste moet meer bedragen dan 2 % van de netto open positie zoals berekend in punt 4 en moet uitgaande van een analyse van de wisselkoersfluctuaties gedurende alle voortschrijdende periodes van tien werkdagen in de voorgaande drie jaar in 99 % van de gevallen meer bedragen dan het waarschijnlijke verlies.
De in dit punt beschreven alternatieve methode mag uitsluitend worden gebruikt, als aan de volgende voorwaarden voldaan is:
i) de formule voor de berekening en de correlatiecoëfficiënten zijn door de bevoegde autoriteiten vastgesteld op basis van hun analyse van de wisselkoersfluctuaties;
ii) de correlatiecoëfficiënten worden regelmatig, in het licht van de ontwikkelingen op de valutamarkten, door de bevoegde autoriteiten herzien.".
4. Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:
a) Punt 2, eerste zin, komt te luiden:
"Onverminderd punt 1 mogen de bevoegde autoriteiten de instellingen die moeten voldoen aan de in de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII gestelde eigenvermogensvereisten, toestaan een alternatieve definitie van het eigen vermogen te hanteren ter voldoening aan uitsluitend deze verplichtingen.".
b) Punt 4 komt te luiden:
"4. De in punt 2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen mogen niet meer belopen dan maximaal 150 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om te voldoen aan de vereisten van de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII en mogen dit maximum uitsluitend benaderen in voor de betrokken autoriteiten aanvaardbare bijzondere omstandigheden.".
c) Punten 6 en 7 komen te luiden:
"6. De bevoegde autoriteiten mogen beleggingsondernemingen toestaan de in punt 4 gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 200 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII gestelde vereisten te voldoen, dan wel 250 % van hetzelfde bedrag indien de beleggingsonderneming bij de berekening van het eigen vermogen het in punt 2, onder d), bedoelde bestanddeel 2, onder d), in mindering brengt.
7. De bevoegde autoriteiten mogen kredietinstellingen toestaan de in punt 4 gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 250 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in de bijlagen I, II, III, VI, VII en VIII gestelde vereisten te voldoen.".
5. Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:
a) Punt 2, onder i), komt te luiden:
"i) het verschil - indien positief - tussen de lange en korte posities van de instelling in alle door de betrokken cliënt uitgegeven financiële instrumenten;".
b) Punt 8, tweede alinea, komt te luiden:
"Vanaf tien dagen na het ontstaan van de overschrijding worden de componenten van de overschrijding die volgens de bovenstaande criteria zijn geselecteerd, ondergebracht op de passende regel van kolom 1 van de tabel, in stijgende volgorde van de kapitaalvereisten voor het specifieke risico in bijlage I en/of, indien van toepassing, bijlage VIII en/of de vereisten in bijlage II. De instelling moet dan voldoen aan een aanvullend kapitaalvereiste dat gelijk is aan de som van de kapitaalvereisten voor specifieke risico's in bijlage I, bijlage VIII, indien van toepassing, en/of de vereisten in bijlage II voor deze componenten, vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor uit kolom 2;".
BIJLAGE II
"BIJLAGE VII
GRONDSTOFFENRISICO'S
1. Elke positie in grondstoffen of van grondstoffen afgeleide instrumenten moet worden uitgedrukt in de vaste rekeneenheid. De contante koers van elke grondstof wordt uitgedrukt in de rapportagevaluta.
2. Posities in goud en in van goud afgeleide instrumenten worden geacht onder het valutarisico te vallen en worden voor de berekening van het marktrisico behandeld overeenkomstig bijlage III of in voorkomend geval bijlage VIII.
3. Voor de toepassing van deze bijlage mogen posities waarmee enkel voorraden worden gefinancierd, uitsluitend van de berekening van het grondstoffenrisico worden uitgesloten.
4. De rente- en valutarisico's waarop geen andere bepalingen van deze bijlage van toepassing zijn, moeten worden opgenomen in de berekening van het algemene risico van verhandelbare schuldinstrumenten en in de berekening van het valutarisico.
5. Als de korte positie eerder vervalt dan de lange positie, moeten de instellingen ook rekening houden met het risico van een te geringe marktliquiditeit, waarvan op bepaalde markten sprake kan zijn.
Saldering
6. Voor de toepassing van punt 17 is het saldo van de lange (korte) posities van de instelling tegenover haar korte (lange) posities in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants op grondstoffen, de nettopositie van de instelling in elke grondstof. Bij de berekening van de nettopositie staan de bevoegde autoriteiten toe dat posities in afgeleide instrumenten op de in de punten 6 tot en met 8 beschreven wijze behandeld worden als posities in de onderliggende grondstof.
7. De bevoegde autoriteiten mogen saldering toestaan van verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze subcategorieën in elkaars plaats leverbaar zijn, of van vergelijkbare grondstoffen, indien deze verregaand voor elkaar substitueerbaar zijn en gedurende minimaal één jaar tussen hen een correlatie van 90 % duidelijk kan worden vastgesteld. Saldering mag echter niet worden toegestaan als de twee onderdelen van een grondstoffenswap betrekking hebben op verschillende grondstoffen, die niet tot dezelfde subcategorie in de zin van de bovenstaande definitie behoren.
Specifieke instrumenten
8. Grondstoffenfutures en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden in het waardemetingsssysteem verwerkt als theoretische bedragen op basis van de vaste rekeneenheid; er wordt op basis van de expiratiedatum een looptijd aan toegekend. De bevoegde autoriteiten mogen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en dat de voor de berekening van de marge gebruikte methode gelijkwaardig is aan de berekeningsmethode die in deze bijlage of in bijlage VIII is omschreven.
9. Grondstoffenswaps waarbij het ene onderdeel van de transactie een vastgestelde prijs is en het andere de dagkoers, worden in de looptijdklassen verwerkt als een reeks posities die gelijk zijn aan het theoretische bedrag van het contract, waarbij een positie overeenkomt met elke betaling op de swap en dienovereenkomstig wordt ingepast in de looptijdklassen (tabel 4). De posities zijn lang als de instelling de vastgestelde prijs betaalt en de variabele prijs ontvangt; de posities zijn kort als de instelling de vastgestelde prijs ontvangt en de variabele prijs betaalt.
Grondstoffen waarbij de twee onderdelen van de transactie op verschillende grondstoffen betrekking hebben, moeten voor de benadering op grond van de looptijd in de desbetreffende categorieën worden ondergebracht.
10. Opties op grondstoffen en op van grondstoffen afgeleide instrumenten worden voor de toepassing van deze bijlage behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van de onderliggende waarde waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met compenserende posities in dezelfde onderliggende grondstof respectievelijk hetzelfde onderliggende van grondstoffen afgeleide instrument. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten berekende delta dan wel, indien geen van deze twee beschikbaar is of in het geval van OTC-opties, de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits de bevoegde autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de instelling gebruikte model.
De bevoegde autoriteiten mogen evenwel ook voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de bevoegde autoriteiten aangegeven methode.
De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat voor de andere aan grondstoffenopties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven op de beurs verhandelde grondstoffenoptie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt, en dat de voor de berekening van de marge gebruikte methode gelijkwaardig is aan de berekeningsmethode die in het vervolg van deze bijlage of in bijlage VIII voor deze opties is omschreven. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte op de beurs verhandelde of OTC-grondstoffenoptie gelijk is aan dat voor de onderliggende grondstof, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van de onderliggende grondstof.
11. Warrants die op grondstoffen betrekking hebben, worden op dezelfde wijze behandeld als grondstoffenopties in punt 10.
12. De partij die grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die grondstoffen in lening geeft bij een grondstoffenleningsovereenkomst, dient deze grondstoffen op te nemen in de berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze bijlage.
a) Benadering op grond van de looptijd
13. De instelling brengt haar posities onder in de desbetreffende looptijdklassen in tabel 4; fysiek aanwezige voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse. In het geval van markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden, mogen contracten die binnen tien dagen na elkaar aflopen, worden gecompenseerd.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
14. Vervolgens berekent de instelling de som van de lange posities en de som van de korte posities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde (laatstgenoemde) som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde (eerstgenoemde) som, vormt de gecompenseerde positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende lange of korte positie de niet-gecompenseerde positie in deze zelfde looptijdklasse is.
15. Het deel van de niet-gecompenseerde lange (korte) positie in een bepaalde looptijdklasse dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde korte (lange) positie in een volgende looptijdklasse, is de tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie. Het deel van de niet-gecompenseerde lange positie of de niet-gecompenseerde korte positie dat niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de niet-gecompenseerde positie.
16. Het kapitaalvereiste van de instelling wordt berekend als de som van:
i) de som van de gecompenseerde lange en korte posities, vermenigvuldigd met de toepasselijke "spread"-coëfficiënt die in kolom 2 van tabel 4 voor elke looptijdklasse wordt gegeven, en met de contante koers van de grondstof;
ii) voor elke looptijdklasse waarnaar een niet-gecompenseerde positie uit een voorgaande looptijdklasse wordt overgedragen, de tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie, vermenigvuldigd met 0,6 % (de overdrachtscoëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof;
iii) de resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15 % (de "outright"-coëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof.
b) Vereenvoudigde benadering
17. Het kapitaalvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van:
i) 15 % van de lange of korte nettopositie in elke grondstof, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof;
ii) 3 % van de lange plus de korte brutopositie in elke grondstof, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof.
BIJLAGE VIII
INTERNE MODELLEN
1. Onder de voorwaarden die in deze bijlage worden bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan bij de berekening van hun kapitaalvereisten voor het positierisico, het valutarisico en/of het grondstoffenrisico hun eigen interne risicobeheermodellen te gebruiken, in plaats van of in combinatie met de methoden die in de bijlagen I, III en VII beschreven worden. Voor elk geval moeten de bevoegde autoriteiten hun uitdrukkelijke toestemming voor het gebruik van modellen geven.
2. Deze toestemming wordt uitsluitend gegeven, indien de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat het risicobeheersysteem van de instelling qua concept solide is en in zijn volledigheid wordt toegepast, en dat met name aan de navolgende kwaliteitsnormen voldaan is:
i) het interne model voor risicometing is in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse proces van het risicobeheer van de instelling en dient als basis voor het rapporteren van risicoposities aan de hoogste leiding van de instelling;
ii) de instelling heeft een afdeling risicobewaking, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks rapporteert aan de hoogste leiding. De betrokken afdeling moet belast zijn met het ontwerpen en ten uitvoer leggen van het risicobeheersysteem van de instelling. Tevens moet deze afdeling dagelijks rapporten over de uitkomsten van het risicometingsmodel en over de maatregelen die in verband met de handelslimieten moeten worden genomen, opstellen en analyseren;
iii) de raad van bestuur en de hoogste leiding van de instelling moeten actief bij het proces van de risicobewaking betrokken zijn; de dagelijkse rapporten die de afdeling risicocontrole opstelt, worden beoordeeld door een bestuurlijk niveau dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben, of van de totale risicopositie van de instelling af te dwingen;
iv) de instelling beschikt over voldoende personeel met ervaring in het gebruik van geavanceerde modellen voor handel, risicobewaking, controle en administratieve verwerking;
v) de instelling heeft procedures vastgesteld voor de controle van en het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne richtsnoeren en controles, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als geheel;
vi) de modellen van de instelling hebben in het recente verleden bewezen redelijk accuraat te zijn als het gaat om het meten van risico's;
vii) de instelling voert regelmatig een stringent programma van stress-tests uit; de uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de hoogste leiding en worden verwerkt in het beleid en in de limieten die door hen bepaald worden.
3. Voorts moeten de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat de modellen van de instelling redelijk accuraat zullen blijven, hetgeen moet blijken uit een regelmatig door de instelling uit te voeren programma van controletests achteraf.
4. Als onderdeel van de periodieke interne controle moet de instelling een onafhankelijke evaluatie van het risicometingssysteem laten uitvoeren. Deze evaluatie moet betrekking hebben op de activiteiten van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling risicobewaking. Ten minste eenmaal per jaar moet de instelling een evaluatie uitvoeren van het algehele risicobeheersproces. In deze evaluatie moeten worden betrokken:
i) het adequaat zijn van de documentatie over het risicobeheersysteem en -proces en van de organisatie van de afdeling risicobewaking;
ii) de integratie van metingen van het marktrisico in het dagelijkse risicobeheer en de volledigheid van het bestuurlijke informatiesysteem;
iii) het proces dat de instelling toepast voor het fiatteren van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de afdeling administratieve verwerking gebruikt worden;
iv) aard en omvang van de marktrisico's die in het risicometingsmodel verwerkt zijn en de validering van eventuele significante wijzigingen in het risicometingsproces;
v) het accuraat en volledig zijn van gegevens over posities, het accuraat en correct zijn van aannames over volatiliteit en correlaties, en het accuraat zijn van de waarderings- en risicogevoeligheidsberekeningen;
vi) het verificatieproces dat de instelling hanteert om de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen gebruikt worden, te beoordelen, onder meer of deze gegevensbronnen onafhankelijk zijn; en
vii) het verificatieproces waarvan de instelling gebruik maakt voor de evaluatie van controletests die achteraf worden uitgevoerd om te beoordelen of het model accuraat is.
5. Onverminderd punt 1 geldt voor instellingen die modellen gebruiken, een afzonderlijk kapitaalvereiste ter dekking van het specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen, zoals beschreven in bijlage I, indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat dit risico onvoldoende in de modellen van de betrokken instellingen is verwerkt. In elk geval moeten de bevoegde autoriteiten voor instellingen die modellen gebruiken, een minimumvereiste voor het specifieke risico vaststellen van 50 % van het volgens bijlage I berekende vereiste.
6. Voor de toepassing van punt 8, onder ii), worden de uitkomsten van de door de instelling zelf uitgevoerde berekening vermenigvuldigd met een factor 3.
7. Voor de toepassing van punt 8, onder ii), wordt op de uitkomsten van de eigen berekening van de instelling, naast de vermenigvuldigingsfactor, een "plus"-factor tussen 0 en 1 toegepast, overeenkomstig tabel 5 en afhankelijk van de resultaten van de in het navolgende uiteengezette procedure van achteraf uitgevoerde controletests.
De met behulp van het model berekende waarde van het potentiële verlies (de "value-at-risk") moet worden vergeleken met de feitelijke waardeverandering van de portefeuille. Dagelijks moeten controletests achteraf worden uitgevoerd op basis van de feitelijke en, uitgaande van ongewijzigde einde-dagsposities, de hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille.
Indien de waardeverandering van de portefeuille groter is dan het met behulp van het model berekende potentiële verlies, is de richtwaarde overschreden. Het aantal overschrijdingen moet, zoals aangegeven in tabel 5, gebaseerd zijn op een steekproef van 250 waarden.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
In afzonderlijke gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting een plus-factor toe te passen, indien in verband met uitzonderlijke omstandigheden een verhoging van de vermenigvuldigingsfactor onterecht zou zijn en het model in wezen solide is. In een dergelijk geval moet de instelling aantonen dat een verhoging onterecht is.
In het geval van een groot aantal overschrijdingen moeten de bevoegde autoriteiten hun toestemming voor het model intrekken of passende maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat het model spoedig wordt verbeterd.
De instelling moet alle overschrijdingen die in achteraf uitgevoerde controletests zijn vastgesteld, alsmede de oorzaken daarvan vastleggen en moet de bevoegde autoriteiten onmiddellijk in kennis stellen van de omvang van de overschrijdingen en de oorzaken daarvan.
8. Elke instelling moet voldoen aan een kapitaalvereiste dat is uitgedrukt als het hoogste van de volgende waarden:
i) het potentiële verlies van de voorgaande dag, gemeten volgens de in deze bijlage bepaalde parameters, of
ii) het gemiddelde van het dagelijkse potentiële verlies op elke van de 60 eraan voorafgaande werkdagen, vermenigvuldigd met de in punt 6 genoemde factoren en gecorrigeerd met de in punt 7 genoemde factor.
9. Voor de berekening van het potentiële verlies gelden de volgende minimale normen:
i) het potentiële verlies moet ten minste eenmaal per dag berekend worden;
ii) een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 procent;
iii) een equivalent voor de periode gedurende welke de positie wordt aangehouden, van tien dagen;
iv) een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar;
v) driemaandelijkse actualisering van het gegevensbestand.
10. Ook verlangen de bevoegde autoriteiten dat het model accuraat alle wezenlijke koersrisico's van opties en op opties gelijkende posities verwerkt.
11. De bevoegde autoriteiten verlangen dat, afhankelijk van de mate waarin de instelling op de betrokken markten actief is, in het risicometingsmodel een voldoende aantal risicofactoren verwerkt is. Minimaal moet aan de navolgende voorwaarden zijn voldaan.
i) Met betrekking tot het renterisico moet het risicometingsmodel de rendementscurve weergeven met gebruik van een aantal algemeen aanvaarde benaderingen. Voor aanmerkelijke renterisico's in de belangrijkste valuta's en op de belangrijkste markten moet de rendementscurve worden verdeeld in ten minste zes looptijdsegmenten, teneinde de variatie van de volatiliteit van de rente over de hele rendementscurve in het model te verwerken. In het risicometingssysteem moet ook het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van verschillende rendementscurven zijn verwerkt.
ii) Met betrekking tot het valutarisico moeten in het risicometingssysteem risicofactoren worden gebruikt, die overeenkomen met de afzonderlijke buitenlandse valuta's waarin de posities van de instelling luiden. Voor goud moet een afzonderlijke risicofactor gebruikt worden.
iii) Met betrekking tot het aandelenrisico moet in het risicometingssysteem een afzonderlijke risicofactor gebruikt worden voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling belangrijke posities inneemt.
iv) Met betrekking tot het grondstoffenrisico moet in het risicometingssysteem een afzonderlijke risicofactor gebruikt worden voor ten minste elke grondstof waarin de instelling belangrijke posities inneemt. In het risicometingssysteem moeten voorts het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen dat uit niet op elkaar passende looptijden voortvloeit, zijn verwerkt. Voorts moet in het systeem rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af te dekken.
12. De bevoegde autoriteiten mogen instellingen toestaan binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen empirische correlaties te hanteren, indien zij ervan overtuigd zijn dat het systeem waarmee de instelling de correlaties meet, solide is en in zijn volledigheid wordt toegepast."