Voorstel voor een Verordening (EG) van de Raad betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE)
Voorstel voor een Verordening (EG) van de Raad betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE)
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE) (1999/C 15/04) COM(1998) 720 def. - 98/0336(SYN)
(Door de Commissie ingediend op 10 december 1998)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's,
Besluitend overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag, in samenwerking met het Europees Parlement,
Overwegende dat het nodig is een financieringsinstrument voor het milieu in te stellen dat bijdraagt tot de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap op milieugebied;
Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 1973/92 van de Raad van 21 mei 1992 inzake de oprichting van een financieel instrument voor het milieu (LIFE) (1) bij Verordening (EG) nr. 1404/96 (2) substantieel werd gewijzigd; dat het, nu nieuwe wijzigingen worden aangebracht, ten behoeve van de duidelijkheid wenselijk is genoemde verordening opnieuw te redigeren;
Overwegende dat het financieringsinstrument voor het milieu LIFE in fasen wordt toegepast en dat de tweede fase afloopt op 31 december 1999;
Overwegende dat, gezien de positieve bijdrage die LIFE levert aan het bereiken van de doelstellingen van het communautaire milieubeleid en overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 1973/92, een derde fase van vijf jaar moet worden aangevat die op 31 december 2004 afloopt;
Overwegende dat het wenselijk is de doeltreffendheid en doorzichtigheid van de uitvoeringsprocedures van LIFE en de procedures ter informering van het publiek en de potentiële begunstigden te verbeteren via een duidelijke omschrijving van de drie onderdelen van het instrument;
Overwegende dat het, op grond van de ervaring die tijdens de tweede fase van LIFE is opgedaan, nodig blijkt de inspanningen te concentreren door duidelijker te omschrijven welke actiegebieden voor financiële steun van de Gemeenschap in aanmerking komen, de beheerstaken te vereenvoudigen en de maatregelen ter verspreiding van de informatie betreffende de opgedane ervaring en de verkregen resultaten te verbeteren;
Overwegende dat voorbereidende projecten betrekking dienen te hebben op de ontplooiing van nieuwe communautaire initiatieven op milieugebied;
Overwegende dat het noodzakelijk is, voor derde landen aan de Middellandse Zee of de Oostzee welke niet behoren tot de kandidaat-lidstaten, projecten op het gebied van bijstand bij de totstandbrenging van administratieve capaciteit en structuren op milieugebied ten uitvoer te leggen;
Overwegende dat de Europa-overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa anderzijds, voorzien in de deelname van die landen aan communautaire programma's, met name op het gebied van het milieu;
Overwegende dat bovengenoemde landen in Midden- en Oost-Europa in principe zelf de aan hun deelname verbonden kosten moeten dragen; dat de Gemeenschap, indien passend voor specifieke gevallen en in overeenstemming met de regels die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en de relevante associatieovereenkomsten, kan besluiten de nationale bijdrage van de betrokken landen aan te vullen;
Overwegende dat de andere kandidaat-lidstaten, voorzover zij financieel bijdragen aan LIFE, daaraan deel zullen kunnen hebben onder gelijke voorwaarden als de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa;
Overwegende dat moet worden voorzien in mechanismen waardoor de bijdragen van de Gemeenschap op de aard van de te ondersteunen projecten kunnen worden afgestemd;
Overwegende dat moet worden voorzien in doeltreffende methoden inzake follow-up, controle en evaluatie, en dat moet worden gezorgd voor adequate informering van de potentiële begunstigden en het publiek;
Overwegende dat een comité moet worden ingesteld dat de Commissie ter zijde staat bij de uitvoering van deze verordening;
Overwegende dat de Raad de mogelijkheid moet worden geboden om op basis van een voorstel van de Commissie de wenselijkheid van de voortzetting van LIFE na de derde fase te onderzoeken,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Algemene doelstelling
Er wordt een financieringsinstrument voor het milieu ingesteld, hierna "LIFE" te noemen.
De algemene doelstelling van LIFE bestaat erin, bij te dragen tot de ontwikkeling van het communautaire milieubeleid, met name wat betreft de integratie van het milieuaspect in de andere takken van het beleid, alsmede tot de tenuitvoerlegging en actualisering van de milieuwetgeving.
Artikel 2
Thematische onderdelen en algemene criteria
LIFE bestaat uit drie thematische onderdelen, LIFE-Natuur, LIFE-Milieu en LIFE-Derde Landen geheten.
De door LIFE gefinancierde projecten dienen aan de volgende criteria te voldoen:
a) de acties moeten van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de ontwikkeling van het beleid en, in voorkomend geval, de wetgeving van de Gemeenschap op milieugebied;
b) zij moeten worden uitgevoerd door technisch betrouwbare en financieel gezonde deelnemers;
c) zij moeten uitvoerbaar zijn op het stuk van de technische voorstellen, het beheer (planning, begroting) en het rendement.
Aan projecten met een multinationale opzet kan prioriteit worden verleend.
Artikel 3
LIFE-Natuur
1. LIFE-Natuur heeft als specifiek doel, bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (3). Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (4) en in het bijzonder het Europese "Natura 2000"-netwerk.
2. Voor ondersteuning in het kader van LIFE-Natuur komen in aanmerking:
a) natuurbehoudsprojecten die gericht zijn op het in lid 1 genoemde specifieke doel en die ertoe bijdragen dat de natuurlijke habitats en de populaties van de diverse soorten in een "gunstige staat van instandhouding", als omschreven in Richtlijn 92/43/EEG,
b) de begeleidende maatregelen die vereist zijn voor:
i) de voorbereiding van projecten waarbij partners uit diverse landen zijn betrokken ("starter"-maatregelen);
ii) de uitwisseling van ervaringen tussen projecten ("co-op"-maatregelen);
iii) de follow-up en beoordeling van de projecten alsmede de verspreiding van de resultaten daarvan, met inbegrip van de in het kader van de vorige fasen van LIFE gehonoreerde projecten ("assist"-maatregelen).
3. De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten. Het maximale financieringspercentage bedraagt:
a) 50 % voor natuurbehoudsprojecten; 100 % voor begeleidende maatregelen.
b) In uitzonderlijke gevallen wordt het onder a), eerste alinea, genoemde financieringspercentage verhoogd tot 75 % voor projecten met betrekking tot prioritaire natuurlijke habitats of prioritaire soorten in de zin van Richtlijn 92/43/EEG of met uitsterven bedreigde vogelsoorten als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG.
4. De lidstaten dienen bij de Commissie voorstellen betreffende de overeenkomstig lid 2, onder a), te financieren projecten in. Indien er meer dan één lidstaat bij een project is betrokken, wordt het voorstel ingediend door de lidstaat waar de coördinerende organisatie is gevestigd.
De voorstellen worden jaarlijks vóór 31 oktober aan de Commissie toegestuurd. De Commissie beslist vóór 30 april van het volgende jaar over deze voorstellen, overeenkomstig het bepaalde in lid 7.
5. In aanmerking worden genomen de voorstellen die voldoen aan de in artikel 2, lid 2, vastgestelde algemene criteria en de volgende specifieke criteria:
a) projecten op het Europese grondgebied van de lidstaten die betrekking hebben op:
i) een door een lidstaat overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 92/43/EEG voorgesteld gebied, of
ii) een overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 79/409/EEG aangewezen gebied, of
iii) een in bijlage II of bijlage IV van Richtlijn 92/43/EEG of bijlage 1 van Richtlijn 79/409/EEG genoemde soort;
b) projecten in de kandidaat-lidstaten waarop artikel 6 van toepassing is, die betrekking hebben op een gebied van internationaal belang waar:
i) een habitattype van bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG of een soort van bijlage II van die richtlijn voorkomt, of
ii) een vogelsoort van bijlage I van Richtlijn 79/409/EEG of een in de Gemeenschap voorkomende trekvogelsoort voorkomt, of
iii) een niet in de Gemeenschap voorkomend habitattype of een dito soort voorkomt waarvoor overeenkomstig een resolutie in het kader van het Verdrag van Bern specifieke instandhoudingsmaatregelen vereist zijn.
6. De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting van de ontvangen voorstellen toe. Op verzoek stelt zij de originele documenten voor raadpleging ter beschikking van de lidstaten.
7. Ten aanzien van de voor financiering in het kader van LIFE-Natuur in aanmerking genomen projecten wordt de procedure van artikel 21 van Richtlijn 92/43/EEG toegepast. De Commissie stelt een tot de lidstaten gericht kaderbesluit betreffende de geselecteerde voorstellen vast, en voorts individuele, tot de begunstigden gerichte beschikkingen waarin het bedrag van de financiële steun, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project worden vastgesteld.
8. Wat de begeleidende maatregelen betreft die overeenkomstig lid 2, onder b), worden gefinancierd, worden op initiatief van de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen verzoeken om reacties van belangstellenden bekendgemaakt, waarin de specifieke criteria worden omschreven waaraan die maatregelen moeten voldoen.
Artikel 4
LIFE-Milieu
1. LIFE-Milieu heeft als specifiek doel, bij te dragen tot:
a) de ontwikkeling van innoverende technieken en methoden die het mogelijk maken:
- het milieuaspect te integreren in de inrichting en ontwikkeling van het grondgebied, met name in het stedelijk milieu;
- door een preventieve benadering de milieueffecten van industriële productieactiviteiten te minimaliseren;
- de diverse types afvalstoffen te recycleren en de afvalstromen rationeel te beheren;
- de milieueffecten van producten te verminderen door een geïntegreerde benadering van het productie-, het distributie- en het consumptiestadium;
b) de ontplooiing van nieuwe acties op milieugebied.
2. Voor ondersteuning in het kader van LIFE-Milieu komen in aanmerking:
a) demonstratieprojecten die gericht zijn op het in lid 1, onder a), genoemde doel;
b) de voorbereidende projecten die gericht zijn op het in lid 1, onder b), genoemde doel;
c) de begeleidende maatregelen die nodig zijn voor de evaluatie, de follow-up en de promotie van de tijdens deze fase en de eerste twee fasen ondernomen acties, alsmede voor de uitwisseling van ervaringen tussen projecten en de verspreiding van informatie over de dankzij die acties verkregen ondervinding en resultaten.
3. De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten. Het aandeel van de communautaire financiering bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.
Dit financieringspercentage bedraagt ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten voor projecten die aanzienlijke inkomsten kunnen opleveren. In dit geval dient de bijdrage van de begunstigden ten minste evenveel te bedragen als de communautaire steun.
Voor begeleidende maatregelen beloopt de door de Gemeenschap verleende financiële steun maximaal 100 % van de kostprijs van de acties.
4. Wat de demonstratieprojecten betreft, worden, nadat daarover het advies van het comité ex artikel 11 is ingewonnen, door de Commissie richtsnoeren vastgesteld en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend gemaakt.
5. De lidstaten dienen bij de Commissie voorstellen betreffende de overeenkomstig lid 2, onder a), te financieren projecten in. Indien er meer dan één lidstaat bij een project is betrokken, wordt het voorstel ingediend door de lidstaat waar de coördinerende instantie of organisatie is gevestigd.
De voorstellen worden jaarlijks vóór 31 januari bij de Commissie ingediend. De Commissie beslist vóór 31 juli over deze voorstellen, overeenkomstig het bepaalde in lid 10.
6. De ingediende voorstellen, overeenkomstig met lid 2, onder a), die voldoen aan de algemene criteria van artikel 2, lid 2, en aan de volgende specifieke criteria worden in aanmerking genomen:
a) oplossingen bieden voor een probleem dat zich in de Gemeenschap veelvuldig voordoet, of dat voor bepaalde lidstaten een punt van ernstige bezorgdheid is;
b) in technisch opzicht of wat de toegepaste methode betreft een innoverend karakter hebben;
c) een voorbeeldfunctie hebben en vooruitgang betekenen ten opzichte van de huidige situatie;
d) stimulansen kunnen bieden voor de ruime toepassing van praktijken en technologieën die bevorderlijk zijn voor de bescherming van het milieu;
e) gericht zijn op de ontwikkeling en de overdracht van knowhow die in identieke of soortgelijke situaties kan worden gebruikt;
f) samenwerking op milieugebied bevorderen;
g) de ecologische duurzaamheid van sociaal-economische activiteiten bevorderen.
7. Uitgaven voor de volgende doeleinden komen niet voor subsidiëring in aanmerking:
a) aankoop van terreinen;
b) studies die niet specifiek betrekking hebben op het doel van de gefinancierde projecten;
c) investeringen in grote infrastructuur en structurele investeringen zonder innoverend karakter, met inbegrip van activiteiten waarvan de haalbaarheid op industriële schaal reeds is aangetoond;
d) activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling.
8. Wat de voorbereidende projecten en de begeleidende maatregelen betreft die overeenkomstig lid 2, onder b) en c), worden gefinancierd, worden op initiatief van de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen verzoeken om reacties van belangstellenden bekendgemaakt, waarin de specifieke criteria worden omschreven waaraan die projecten en maatregelen moeten voldoen.
9. De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting toe van de belangrijkste elementen en de inhoud van de voorstellen uit hoofde van lid 2, onder a) en b), die zij heeft ontvangen. Op verzoek stelt zij de originele documenten voor raadpleging ter beschikking van de lidstaten.
10. Ten aanzien van de voor financiering in aanmerking genomen projecten wordt de procedure van artikel 11 toegepast.
11. De Commissie stelt een tot de lidstaten gericht kaderbesluit betreffende de geselecteerde voorstellen vast, en voorts individuele, tot de begunstigden gerichte beschikkingen waarin het bedrag van de financiële steun, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project worden vastgesteld.
Artikel 5
LIFE-Derde Landen
1. LIFE-Derde Lande heeft als specifiek doel, bij te dragen tot de totstandbrenging van de noodzakelijke administratieve capaciteit en structuren op milieugebied en tot de ontwikkeling van het beleid en van actieprogramma's milieugebied in derde landen aan de Middellandse Zee en de Oostzee welke niet behoren tot de kandidaat-lidstaten waarop artikel 6 van toepassing is.
2. Voor ondersteuning in het kader van LIFE-Derde Landen komen in aanmerking:
a) technische bijstandsprojecten die gericht zijn op het in lid 1 genoemde doel;
b) de begeleidende maatregelen die nodig zijn voor de evaluatie, de follow-up en de promotie van de tijdens deze fase en de eerste twee fasen ondernomen acties, alsmede voor de uitwisseling van ervaringen tussen projecten en de verspreiding van informatie over de dankzij die acties verkregen ondervinding en resultaten.
3. De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten. Het aandeel van de communautaire financiering bedraagt ten hoogste 70 % van de kostprijs van de in lid 2, onder a), bedoelde projecten en ten hoogste 100 % van de kostprijs van de in lid 2, onder b), bedoelde acties.
4. De nationale autoriteiten van de betrokken derde landen dienen bij de Commissie voorstellen betreffende de overeenkomstig lid 2, onder a), te financieren projecten in. Indien er meer dan één derde land bij een project is betrokken, wordt het voorstel ingediend door het land waar de coördinerende instantie of de internationale organisatie die zich in de betrokken geografische regio voor de bescherming van het milieu inzet, is gevestigd.
De voorstellen worden jaarlijks vóór 31 januari bij de Commissie ingediend. De Commissie beslist vóór 31 juli over deze aanvragen, overeenkomstig het bepaalde in lid 7.
5. In aanmerking worden genomen de voorstellen die voldoen aan de in artikel 2, lid 2, vastgestelde algemene criteria en de volgende specifieke criteria:
a) van belang zijn voor de Gemeenschap, met name doorat zij bijdragen tot de uitvoering van regionale en internationale beleidslijnen en overeenkomsten;
b) bijdragen tot het tot stand brengen van een aanpak die bevorderlijk is voor duurzame ontwikkeling op internationaal, nationaal of regionaal niveau;
c) oplossingen bieden voor belangrijke milieuproblemen in de betrokken regio of in de betrokken sector.
Er wordt prioriteit verleend aan acties die grensoverschrijdende, transnationale of regionale samenwerking kunnen bevorderen.
6. De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting van de belangrijkste elementen en de inhoud van de door de derde landen ontvangen voorstellen toe. Op verzoek stelt zij de originele documenten voor raadpleging ter beschikking van de lidstaten.
7. Ten aanzien van de voor financiering in aanmerking genomen projecten wordt de procedure van artikel 11 toegepast. De Commissie stelt een besluit vast dat de lijst van de geselecteerde projecten bevat.
8. Met betrekking tot de goedgekeurde projecten wordt door de Commissie en de begunstigden een contract gesloten waarin het bedrag van de financiële steun, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project worden vastgesteld. De lijst van de geselecteerde voorstellen wordt aan de lidstaten meegedeeld.
9. Wat de begeleidende maatregelen betreft die overeenkomstig lid 2, onder b), worden gefinancierd, worden op initiatief van de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen verzoeken om reacties van belangstellenden bekendgemaakt, waarin de specifieke criteria worden omschreven waaraan die maatregelen moeten voldoen.
Artikel 6
Deelname van de kandidaat-lidstaten
1. LIFE staat open voor deelname van de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de met ieder betrokken land gesloten associatieovereenkomst en op basis van het bepaalde in het besluit van de voor dat betrokken land bevoegde Associatieraad.
2. De nationale autoriteiten van de betrokken landen dienen binnen de in artikel 3, lid 4, respectievelijk artikel 4, lid 5, genoemde termijn voorstellen betreffende de in het kader van LIFE-Natuur en LIFE-Milieu te financieren projecten bij de Commissie in. Wanneer het een actie betreft waaraan door meer dan één land wordt deelgenomen, wordt het voorstel ingediend door het land waar de coördinerende autoriteit of organisatie is gevestigd.
3. Bij de toekenning van communautaire financiële steun worden de voorstellen in aanmerking genomen die voldoen aan de algemene criteria van artikel 2, lid 2, en aan de specifieke criteria van artikel 3, lid 5, onder b), en artikel 4, leden 6 en 7.
4. De Commissie stuurt de lidstaten een samenvatting van de belangrijkste elementen en de inhoud van de door de nationale autoriteiten van de betrokken landen ontvangen voorstellen toe. Op verzoek stelt zij de originele documenten voor raadpleging ter beschikking van de lidstaten.
5. Ten aanzien van de voor financiering in het kader van LIFE in aanmerking genomen projecten wordt, afhankelijk van het type project dat wordt voorgesteld, de procedure van artikel 21 van Richtlijn 92/43/EEG dan wel de procedure van artikel 11 van deze verordening toegepast.
6. Met betrekking tot de goedgekeurde projecten wordt met de begunstigden een contract of overeenkomst gesloten waarin het bedrag van de financiële steun, de financierings- en controleregelingen alsmede alle specifieke technische voorwaarden in samenhang met het goedgekeurde project worden vastgesteld. De lijst van de geselecteerde voorstellen wordt aan de lidstaten meegedeeld.
7. Zodra ten aanzien van de andere kandidaat-lidstaten soortgelijke voorwaarden en bepalingen als de in lid 1 bedoelde zijn vastgesteld, wordt LIFE opengesteld voor deelname door die landen overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 tot en met 6.
Artikel 7
Samenhang tussen de financieringsinstrumenten
1. Onverminderd de in artikel 6 omschreven voorwaarden ten aanzien van de kandidaat-lidstaten komen projecten die steun genieten uit hoofde van structureel gerichte fondsen of andere communautaire financieringsinstrumenten, niet in aanmerking voor de financiering waarin deze verordening voorziet.
2. De Commissie zorgt voor coherentie tussen de in het kader van deze verordening en de in het kader van de structuurfondsen, de programma's voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie en andere communautaire financieringsinstrumenten toegekende steun.
Artikel 8
Duur van de derde fase en financiële middelen
1. LIFE wordt in fasen uitgevoerd. De derde fase gaat in op 1 januari 2000 en eindigt op 31 december 2004.
2. De begrotingsmiddelen die worden uitgetrokken voor de acties waarin deze verordening voorziet, worden jaarlijks ingeschreven in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen. De begrotingsautoriteit stelt, binnen de perken van de financiële vooruitzichten, de omvang vast van de middelen die voor ieder begrotingsjaar beschikbaar worden gesteld.
3. De toe te wijzen middelen worden als volgt over de diverse actiegebieden omgeslagen:
a) 47 % voor acties uit hoofde van artikel 3;
b) 47 % voor acties uit hoofde van artikel 4;
c) 6 % voor acties uit hoofde van artikel 5.
De voor begeleidende maatregelen uitgetrokken middelen worden beperkt tot 5 % van de beschikbare kredieten.
Artikel 9
Toezicht op het verloop van de projecten
1. Met betrekking tot ieder door LIFE gefinancierd project sturen de begunstigden de Commissie technische en financiële voortgangsrapporten toe. Voorts wordt de Commissie binnen drie maanden na de voltooiing van het project een eindrapport toegestuurd. De Commissie bepaalt vorm en inhoud van deze rapporten. De rapporten worden gebaseerd op de materiële en financiële indicatoren die in de beschikking van de Commissie waarbij het project wordt goedgekeurd of het contract of de overeenkomst dat/die met de begunstigden werd gesloten, werden omschreven. Die indicatoren worden zo ontworpen dat daardoor het vorderingsstadium van de werkzaamheden en de binnen een gegeven termijn te realiseren doelstellingen worden aangegeven.
2. Onverminderd de controles die door de Rekenkamer in overleg met de bevoegde nationale instellingen of diensten worden uitgevoerd in toepassing van artikel 188 C van het Verdrag en eventuele inspecties krachtens artikel 209, onder c), van het Verdrag, kunnen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie ter plaatse, met name aan de hand van steekproeven, de door LIFE gefinancierde projecten controleren.
Alvorens een controle ter plaatse wordt uitgevoerd, brengt de Commissie de betrokken begunstigde hiervan op de hoogte, behalve in het geval van gegronde verdenking van fraude en/of oneigenlijk gebruik.
3. Gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling in samenhang met een actie, houdt de begunstigde van communautaire financiële steun alle bescheiden ter staving van de in het kader van de actie gedane uitgaven ter beschikking van de Commissie.
4. Op basis van de conclusies van de in de leden 1 en 2 bedoelde rapporten en steekproefsgewijze controles past de Commissie zo nodig de omvang van de aanvankelijk toegekende steun of de desbetreffende toekenningsvoorwaarden alsmede het tijdschema van de betalingen aan.
5. De Commissie neemt alle andere maatregelen die nodig zijn om te verifiëren of de gefinancierde projecten correct en conform de onderhavige verordening worden uitgevoerd.
Artikel 10
Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap
1. De Commissie kan de voor een project verleende financiële steun verminderen, opschorten of terugvorderen indien zij onregelmatigheden constateert, met inbegrip van het niet voldoen aan de bepalingen van deze verordening dan wel de individuele beschikking of het contract waarbij de financiële steun in kwestie werd toegekend, of indien blijkt dat een belangrijke wijziging in het project is aangebracht die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van het project en waarvoor de Commissie niet om goedkeuring is verzocht.
2. Indien de termijnen niet werden gerespecteerd of indien de manier waarop een project werd uitgevoerd, slechts een deel van de toegezegde steun rechtvaardigt, verzoekt de Commissie de begunstigde haar binnen een vastgestelde termijn zijn opmerkingen toe te sturen. Indien de begunstigde geen geldige verantwoording verstrekt, kan de Commissie de rest van de financiële steun schrappen en de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen eisen.
3. Alle ten onrechte betaalde bedragen moeten aan de Commissie worden terugbetaald. Voor niet terugbetaalde bedragen kunnen moratoire interesten worden aangerekend. De Commissie stelt de toepassingsbepalingen van dit lid vast.
Artikel 11
Comité
1. Voor de onderdelen LIFE-Milieu en LIFE-Derde Landen wordt de Commissie bijgestaan door een comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en dat wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.
Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
Indien de Raad een maand na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.
Artikel 12
Evaluatie van de derde fase en voortzetting van LIFE
1. Uiterlijk op 31 december 2003 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een rapport voor over de tenuitvoerlegging van deze verordening en de benutting van de kredieten en formuleert zij in voorkomend geval voorstellen inzake eventuele aanpassingen met het oog op de voortzetting van de actie na de derde fase.
2. Overeenkomstig het Verdrag neemt de Raad een besluit over de uitvoering van de vierde fase vanaf 1 januari 2005.
Artikel 13
Intrekking van Verordening (EEG) nr. 1973/92
1. Verordening (EEG) nr. 1973/92 wordt ingetrokken, onverminderd de beschikkingen die werden vastgesteld en de contracten die werden gesloten betreffende de toekenning van financiële steun uit hoofde van die verordening.
2. Alle verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden geacht betrekking te hebben op de onderhavige verordening en dienen te worden gelezen overeenkomstig de in de bijlage opgenomen concordantietabel.
Artikel 14
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
(1) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 1.
(2) PB L 181 van 20.7.1996, blz. 1.
(3) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1; Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/49/EG (PB L 223 van 13.8.1997, blz. 9).
(4) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7; Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/62/EG (PB L 305 van 8.11.1997, blz. 42).
BIJLAGE
>RUIMTE VOOR DE TABEL>