Home

Voorstel voor een Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder andere, Thailand

Voorstel voor een Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder andere, Thailand

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder andere, Thailand

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Bij Verordening (EG) nr. 2160/96 stelde de Raad een definitief antidumpingrecht in op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester uit Thailand.

De diensten van de Commissie verrichtten een tussentijds nieuw onderzoek ingevolge artikel 11, lid 3 van Verordening (EG) nr. 384/96 na een verzoek dat was ingediend door een Thaïse exporteur/producent van getextureerd filamentgaren van polyester (Sunflag (Thailand) Ltd.). Deze onderneming voerde aan dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden en dat maatregelen niet langer noodzakelijk waren om de dumping tegen te gaan. Het onderzoek werd naar behoren ingeleid in juni 2000.

Het onderzoek bracht een lagere dumpingmarge, nl. 4,8 %, aan het licht dan de dumpingmarge die in het kader van het oorpronkelijk onderzoek was vastgesteld en de Commissie oordeelde dat de omstandigheden zich duurzaam hadden gewijzigd omdat de onderneming gedurende de laatste twee boekjaren en tijdens het onderzoektijdsvak naar derde landen had uitgevoerd tegen gemiddelde prijzen die gelijk waren aan de prijzen die in de Europese Unie werden vastgesteld. Deze bevindingen gelden als bewijs dat het dumpingpercentage waarschijnlijk niet zal stijgen boven het percentage dat in het kader van onderhavig onderzoek werd vastgesteld.

Gezien het bovenstaande stelt de Commissie de Raad voor het bijgevoegde voorstel voor een verordening met betrekking tot Sunflag (Thailand) Ltd. goed te keuren. Dit voorstel voor een verordening beoogt een wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 met betrekking tot de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester uit onder andere Thailand.

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder andere, Thailand

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap [1], inzonderheid op artikel 11, lid 3,

[1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000 (PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2).

Gezien het voorstel dat door de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité is ingediend,

Overwegende hetgeen volgt :

A. VOORAFGAANDE PROCEDURE

(1) Bij Verordening (EG) nr. 2160/96 [2] stelde de Raad definitieve antidumpingrechten in op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder andere, Thailand. Het recht dat van toepassing was op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedroeg 13,5 % voor Sunflag (Thailand) Ltd., 6,7 % voor Tuntex (Thailand) PLC en 20,2 % voor alle andere Thaise exporteurs/producenten.

[2] PB L 289 van 12.11.1996, blz. 14.

B. ONDERZOEK NAAR DE GELDENDE MAATREGELEN

(2) De Thaise exporteur/producent Sunflag (Thailand) Ltd. ('de indiener van het verzoek') diende ingevolge artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 (de 'basisverordening') een verzoek in om een tussentijds nieuw onderzoek naar de op zijn invoer toegepaste antidumpingmaatregelen met een beperking tot het aspect dumping. In het verzoek werd aangevoerd dat duurzaam gewijzigde omstandigheden zoals de gestegen bezettingsgraad van de productiecapaciteit en efficiency ertoe hadden geleid dat de normale waarde aanzienlijk was gedaald terwijl de uitvoerprijzen gelijk waren gebleven zodat er geen sprake meer was van dumping en deze niet langer nodig met antidumpingmaatregelen moest worden bestreden. De Commissie stelde na overleg met het Raadgevend Comité vast dat er voldoende bewijzen waren voor de inleiding van een tussentijds nieuw onderzoek, maakte dit met een bericht bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen [3] en startte haar werkzaamheden.

[3] PB C 170 van 20.6.2000, blz. 4.

1. PROCEDURE

(3) De Commissie bracht de autoriteiten van het exporterende land officieel op de hoogte van de inleiding van het tussentijdse nieuwe onderzoek en stelde alle rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid om hun standpunten schriftelijk bekend te maken en om te verzoeken te worden gehoord.

(4) De Commissie zond de indiener van het verzoek een vragenlijst en ontving gedetailleerde gegevens.

(5) De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij voor de vaststelling van de dumping noodzakelijk achtte en bracht een verificatiebezoek ten kantore van de indiener van het verzoek.

(6) Het onderzoek naar de dumping had betrekking op de periode van 1 juni 1999 tot 31 mei 2000 (het 'OT').

2. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(7) Er werd onderzoek verricht naar hetzelfde product als tijdens het vorige onderzoek, namelijk getextureerd filamentgaren van polyester ('PTY'). PTY wordt rechtstreeks vervaardigd van gedeeltelijk verstrekt garen van polyesters en wordt gebruikt voor het weven of breien van weefsels van polyester of van polyester/katoen. Het product wordt momenteel ingedeeld onder de GN-codes 5402 33 10 en 5402 33 90.

(8) Er zijn verschillende soorten PTY, afhankelijk van het gewicht ('denier'), het aantal filamenten en de glans. Er zijn ook verschillende kwaliteiten, afhankelijk van de efficiency van het productieproces. Er zijn evenwel geen belangrijke verschillen in de fundamentele eigenschappen en in het fundamentele gebruik van de verschillende soorten en kwaliteiten PTY. Alle soorten PTY werden als één enkel product beschouwd en dat is ook het geval in het kader van dit onderzoek.

(9) Zoals het vorige onderzoek heeft ook dit onderzoek aangetoond dat het PTY dat in Thailand door de indiener van het verzoek wordt vervaardigd en op de Thaise markt wordt verkocht of door hem naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd dezelfde fundamentele fysische en chemische eigenschappen vertoont en hetzelfde gebruik kent en derhalve beschouwd moeten worden als een soortgelijk product in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3. BEVINDINGEN

Normale waarde

(10) Voor de vaststelling van de normale waarde werd eerst nagegaan of de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijk product van de indiener van het verzoek representatief was, vergeleken met zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap. Er bleek te zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 2, van de basisverordening want de op de binnenlandse markt door de indiener van het verzoek verkochte hoeveelheden vertegenwoordigden minstens 5 % van zijn totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden.

(11) Vervolgens werd voor iedere door de indiener van het verzoek op de binnenlandse markt verkochte soort waarvan werd vastgesteld dat zij vergelijkbaar was met een naar de Gemeenschap uitgevoerde soort, nagegaan of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was ingevolge artikel 2, lid 2, van de basisverordening. Aan de voorwaarden van dit artikel werd geacht te zijn voldaan wanneer de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van een bepaalde soort tijdens het OT 5 % of meer vertegenwoordigden van de totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden van dezelfde soort.

(12) Op deze basis werd vastgesteld dat iedere soort op de binnenlandse markt in representatieve hoeveelheden werd verkocht, vergeleken met de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden.

(13) Er werd ook onderzocht of de binnenlandse verkoop van iedere soort had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties door per soort de verhouding van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers vast te stellen. Indien de winstgevende verkoop van een bepaalde soort 80 % of meer bedroeg van de totale binnenlandse verkoop van die soort en de gewogen gemiddelde productiekosten van die soort gelijk waren aan of minder bedroegen dan de gewogen gemiddelde verkoopprijs werd de normale waarde gebaseerd op de gewogen gemiddelde prijs van de volledige binnenlandse verkoop - de winstgevende zowel als de niet-winstgevende - van deze soort tijdens het OT. Alle relevante PTY-soorten voldeden aan deze criteria. Bijgevolg werd de normale waarde voor iedere naar de Gemeenschap uitgevoerde soort telkens vastgesteld op basis van alle transacties, de verliesgevende daaronder begrepen.

Uitvoerprijs

(14) Omdat bij alle uitvoer van het betrokken product rechtstreeks werd geleverd aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

Vergelijking

(15) Met het oog op een billijke vergelijking van de prijzen per soort, op af-fabriek-basis en in hetzelfde handelsstadium werd, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, in de vorm van correcties terdege rekening gehouden met verschillen waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij invloed hadden op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Deze correcties werden ten volle toegepast voor verschillen in de volgende kosten : vervoer, verzekering, lossen, laden, overladen en aanverwante kosten, krediet en commissielonen. De correcties werden slechts ten dele toegepast voor verschillen in terugbetalingen van invoerheffingen.

(16) Tijdens de verificatie ten kantore van de indiener van het verzoek diende deze een verzoek in om een correctie voor verschillen in terugbetalingen van invoerheffingen omdat het soortgelijk product met invoerrechten werd belast wanneer het bestemd was voor verbruik in het exporterende land maar deze invoerrechten niet werden betaald wanneer het product werd verkocht voor uitvoer naar de Gemeenschap. In verband met PTA (gezuiverd tereftaalzuur), één van de belangrijkste grondstoffen waarvoor om terugbetaling van de invoerheffingen werd verzocht, legde de indiener van het verzoek geen bewijzen voor waaruit bleek dat de ingevoerde grondstof in kwestie fysiek was verwerkt in het op de binnenlandse markt betrokken verkochte product. Dit is in onderhavig geval bijzonder relevant omdat PTA zowel ter plaatse werd gekocht als werd ingevoerd en de indiener van het verzoek een onderneming is die zeer vele producten vervaardigt. Dat verzoek kon derhalve niet worden ingewilligd. Voor MEG (mono-ethyleenglycol) evenwel, een andere grondstof voor PTY, waarvoor werd vastgesteld dat ze volledig werd ingevoerd, kon de correctie wel worden toegestaan.

Dumpingmarge

(17) Om de dumpingmarge te berekenen, vergeleek de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde met de prijs van iedere transactie bij uitvoer naar de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2, lid 11, tweede zin, van de basisverordening. Deze methode werd gekozen omdat bleek dat het patroon van uitvoerprijzen sterk verschilde van periode tot periode zodat een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs de volle omvang van de dumping niet weergaf.

(18) De bovenbedoelde vergelijking bracht voor de indiener van het verzoek dumping aan het licht. De vastgestelde dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de totale waarde, cif grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedroeg 4,8 %.

Duurzaam gewijzigde omstandigheden en mogelijke herhaling van de dumping

(19) Het is vast gebruik om na te gaan of de gewijzigde omstandigheden redelijkerwijze als duurzaam kunnen worden beschouwd. Enerzijds zij erop gewezen dat de productiecapaciteit voor PTY van de indiener van het verzoek gestegen was tussen het oorspronkelijke OT en het laatste boekjaar, dat eindigde in 1999. Anderzijds bleek uit het onderzoek dat de bezettingsgraad van de productiecapaciteit voor PTY van de indiener van het verzoek sterk was gestegen tussen het oorspronkelijke OT en het OT dat voor dit onderzoek in aanmerking werd genomen.

(20) Ook werd vastgesteld dat de uitvoer van PTY van de indiener van het verzoek naar niet-EG-landen zowel tijdens de laatste twee boekjaren als tijdens het OT steeds omvangrijk is geweest. In dit verband zij erop gewezen dat de uitvoer naar niet-EG-landen tussen het oorspronkelijke OT en het OT dat voor dit onderzoek in aanmerking werd genomen, aanzienlijk was gestegen. Bovendien werd op basis van de beschikbare gegevens vastgesteld dat de uitvoer naar derde landen plaatsvond tegen gemiddelde prijzen die gelijk waren aan de prijzen die in de EG werden gehanteerd. Tenslotte kon tijdens de laatste twee boekjaren en het OT een sterke stijging van de binnenlandse verkoop van PTY worden vastgesteld.

(21) Bovenstaande bevindingen in verband met de bezettingsgraad van de productiecapaciteit, de uitgevoerde hoeveelheden, de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de sterk toegenomen binnenlandse verkoop worden beschouwd als bewijzen dat de dumpingmarge van 4,8 % van blijvende aard is en dat het onwaarschijnlijk is dat opnieuw met dumping zal worden ingevoerd in hoeveelheden die vergelijkbaar zijn met de hoeveelheden die in het kader van het vorige onderzoek werden vastgesteld.

(22) Omdat voor de indiener van het verzoek een lagere dumpingmarge werd vastgesteld en omdat er niet van uitgegaan wordt dat deze situatie van korte duur zal zijn, moeten de antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 2160/96 van de Raad werden ingesteld op de invoer van de indiener van het verzoek worden verlaagd tot het niveau van de dumpingmarge die voor de indiener van het verzoek in het kader van onderhavig nieuw onderzoek werd vastgesteld, nl. 4,8 %.

(23) Omdat de wijziging van de maatregel alleen op de indiener van het verzoek en niet op Thailand als geheel betrekking heeft, blijft de procedure op de indiener van het verzoek van toepassing en kan zijn invoer in het kader van een later nieuw onderzoek voor Thailand als geheel ingevolge artikel 11 van de basisverordening opnieuw aan een nieuw onderzoek worden onderworpen.

(24) De belanghebbende partijen werden op de hoogte gebracht van de gegevens en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was aan te bevelen het tussentijdse nieuwe onderzoek te beëindigen en het antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 2160/96 werd ingesteld te wijzigen; de partijen werden in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen. Met hun opmerkingen werd rekening gehouden en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2160/96 wordt vervangen door de volgende tekst :

'2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt :

Indonesië

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De rechten zijn niet van toepassing op de invoer van de in lid 1 vermelde producten die door de Indonesische onderneming PT Indo Rama Synthetics worden vervaardigd en uitgevoerd (aanvullende Taric-code 8885).

Thailand

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter