Voorstel voor een Beschikking van de Raad waarbij Italië wordt gemachtigd om in overeenstemming met artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG, een gedifferentieerd accijnstarief toe te passen op brandstoffen die biodiesel bevatten
Voorstel voor een Beschikking van de Raad waarbij Italië wordt gemachtigd om in overeenstemming met artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG, een gedifferentieerd accijnstarief toe te passen op brandstoffen die biodiesel bevatten
Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij Italië wordt gemachtigd om in overeenstemming met artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG, een gedifferentieerd accijnstarief toe te passen op brandstoffen die biodiesel bevatten
(door de Commissie ingediend)
TOELICHTING
1. Indiening van het verzoek
Bij brief van 23 april 2001 hebben de Italiaanse autoriteiten, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG [1], de Commissie een verzoek om afwijking doen toekomen om accijnsontheffing te kunnen verlenen voor biodiesel en andere biobrandstoffen.
[1] PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12, richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/74/EG (JO L 365 van 31.12.1994, blz. 46).
In antwoord op de verzoeken van de Commissie van 16 mei en 8 augustus 2001 om aanvullende inlichtingen hebben de Italiaanse autoriteiten respectievelijk op 17 juli en 28 september 2001 de voor het onderzoek van het dossier noodzakelijke gegevens verstrekt. Op 15 oktober 2001 werd een vergadering georganiseerd met vertegenwoordigers van de Commissie (DG COMP en TAXUD) en de Italiaanse autoriteiten. Na ontvangst van een schrijven van de Italiaanse autoriteiten op 22 oktober 2001 heeft de Commissie tenslotte haar onderzoek van het derogatieverzoek kunnen afronden.
1.1. Achtergrond
Italië heeft in het kader van een modelproject in de periode 1 juli 1998 - 30 juni 2001 de voorwaarden voor het gebruik van biodiesel onderzocht. Accijnsvrijstelling werd verleend voor een maximumhoeveelheid van 125.000 ton biodiesel per jaar. De voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling zijn per decreet [2] vastgelegd. In een besluit wees de Commissie erop dat zij geen bezwaar maakte [3] tegen de daarin vastgestelde staatshulp.
[2] Interministerieel decreet nr. 219 van 22 mei 1998, vooraf onderworpen aan de informatieprocedure overeenkomstig de gewijzigde Richtlijn 83/189/EG van de Raad van 28 juli 1983.
[3] Dossier N 457/97, Besluit SG (98) D/235 van 13.1.1998.
Van het van accijns vrijgestelde contingent biodiesel werd in het eerste jaar 45.597 ton biodiesel door negen ondernemingen (waarvan zeven Italiaanse) verdeeld, in het tweede jaar 69.880 ton door acht ondernemingen (waarvan zes Italiaanse) en in het derde jaar het volledige contingent door tien ondernemingen (waarvan zeven Italiaanse).
De conclusies van het door Italië uitgevoerde modelproject hebben bevestigd dat er voor biodiesel een potentiële vraag bestaat:
- als additief van gasolie met een biodieselgehalte van minder dan 5%;
- als brandstof gemengd met gasolie, met een biodieselgehalte van ongeveer 25%, een mengsel dat vooral als brandstof wordt gebruikt voor het openbaar stadsvervoer.
- onvermengd als brandstof voor verwarmingsdoeleinden, ter vervanging van gasolie;
Bovendien zou het gebruik van zuivere biodiesel als brandstof in experimenten getest kunnen worden.
1.2. Verzoek om derogatie met betrekking tot de accijns op biodiesel
Italië vraagt in het kader van een driejaarlijks programma, dat op 1 juli 2001 begonnen is, om een derogatie, waardoor biodiesel van accijns wordt vrijgesteld. Deze fiscale maatregel past in het kader van een specifiek beleid dat erop gericht is de in het protocol van Kyoto gedane toezeggingen te respecteren, door het verbruik van biodiesel als motorbrandstof aan te moedigen.
De wet nr. 388 van 23 december 2000 bepaalt in artikel 21 met name dat het product "biodiesel" genaamd, verkregen wordt door de verestering van plantaardige oliën en daarvan afgeleide oliën en gebruikt wordt als motorbrandstof of als andere brandstof, als additief of vulstof in motor- en andere brandstoffen. De vervaardiging van biodiesel of het mengsel met gasolie of andere minerale oliën vindt plaats in het kader van het stelsel van een belastingentrepot. Een jaarlijks contingent van 300.000 ton biodiesel kan in aanmerking komen voor vrijstelling van accijns. Thans wordt er op dieselbrandstof een accijns geheven van 739 064 ITL (381,7 EUR) per 1000 liter.
In haar brief van 22 oktober 2001 verklaart de Italiaanse regering dat haar verzoek om een afwijking volgens de procedure van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG slechts betrekking heeft op biodiesel die als additief van gasolie gebruikt wordt met een biodieselgehalte van minder dan 5% enerzijds, en in dieselolie-emulsies met een biodieselgehalte van ongeveer 25% anderzijds, een mengsel dat vooral als brandstof wordt gebruikt voor het openbaar stadsvervoer. De Italiaanse regering heeft het onderzoek van de voorwaarden voor de vrijstelling van accijns voor zuivere biodiesel die als brandstof gebruikt wordt, nog niet afgesloten. De aanvullende inlichtingen zullen de Commissie op een later tijdstip medegedeeld worden.
De Italiaanse autoriteiten wijzen er bovendien op dat - zoals blijkt uit een vergelijking van de industriële kosten (met inbegrip van de kosten van de grondstoffen) voor biodiesel en fossiele diesel - de beoogde vrijstelling van accijns, die in de tijd en voor een bepaalde hoeveelheid beperkt is, thans geen aanleiding geeft tot overcompensatie. Het bedrag van het verlaagde accijnstarief zal bovendien jaarlijks opnieuw berekend worden, om er zeker van te zijn dat dit bedrag niet de extra productiekosten voor biodiesel in vergelijking met andere producten van fossiele oorsprong overschrijdt. In geval van overcompensatie, zouden de Italiaanse autoriteiten het bedrag van de accijnsverlaging bij de voorlegging van de jaarlijkse begrotingswet aanpassen.
Tenslotte is pure biodiesel die voor verwarmingsdoeleinden gebruikt wordt volgens Richtlijn 92/81/EEG niet aan accijnzen onderworpen, omdat het hier niet om koolwaterstof gaat.
1.3. Verzoek betreffende andere biobrandstoffen
De Italiaanse regering verklaarde in haar schrijven van 23 april 2001 ook voornemens te zijn accijnsverlaging toe te kennen voor i) bioethanol en ethyl-tertiair-butyl-ether (ETBE), derivaten van producten van plantaardige oorspong en ii) voor additieven en nieuwe formules die vervaardigd worden uit biomassa voor loodvrije benzine en dieselolie (met uitzondering van biodiesel. Deze verlagingen pasten in het kader van een pilootproject, d.w.z. overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder d, van Richtlijn 92/81/EEG, en bedoeld om het gebruik van meer milieuvriendelijke energiebronnen te bevorderen.
Per brief van 22 oktober 2001 kondigen de Italiaanse autoriteiten aan dat zij de toepassing van deze maatregelen opschorten tot de studies over de milieueffecten van de betrokken producten en het desbetreffende regelgevingskader afgesloten zijn.
2. Beoordeling door de Commissie
Overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG kan de Raad op voorstel van de Commissie en met eenparigheid van stemmen een lidstaat toestaan om uit specifieke beleidsoverwegingen vrijstellingen of verlagingen van de accijnstarieven in te voeren.
De Italiaanse regering heeft de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG [4] haar derogatieverzoek toegezonden, om voor biodiesel en andere biobrandstoffen vrijstelling van accijns te mogen toepassen. In haar brief van 22 oktober 2001 verklaart de Italiaanse regering dat haar verzoek zich in dit stadium beperkt tot biodiesel die als additief van gasolie gebruikt wordt met een biodieselgehalte van minder dan 5% en in dieselolie-emulsies met een biodieselgehalte van ongeveer 25%, een mengsel dat vooral als brandstof in het openbaar stadsvervoer wordt gebruikt.
[4] PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12, richtlijn laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 94/74/EG (JO L 365 van 31.12.1994, blz. 46).
De andere lidstaten worden overeenkomstig Richtlijn 92/81/EEG over het verzoek van de Italiaanse autoriteiten geïnformeerd.
Het onderzoek van de gevraagde afwijkingen overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG behelst een algemeen onderzoek van de verenigbaarheid ervan met het communautair beleid.
In de eerste plaats wordt de ontwikkeling van hernieuwbare energieën en in het bijzonder van biobrandstoffen al sinds 1985 aangemoedigd. Richtlijn 85/536/EEG van de Raad van 5 december 1985 betreffende de besparing van ruwe olie door het gebruik van vervangingscomponenten in benzine [5] onderstreept de belangrijke rol die biobrandstoffen kunnen spelen bij de vermindering van de afhankelijkheid van de lidstaten van de invoer van olie en stemt in met de toevoeging van ethanol aan benzine tot 5% van het volume en van ETBE tot 15% van het volume. Bovendien hebben de Beschikkingen van de Raad 93/500/EEG [6] en 98/352/EG [7] alsook Beschikking 646/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad [8] het ALTENER-programma vastgesteld inzake de bevordering van hernieuwbare energiebronnen in de Gemeenschap om het marktaandeel van biobrandstoffen tegen 2005 te verhogen tot 5% van het totale verbruik van motorvoertuigen. Daarnaast is de aanbeveling in het Witboek van 1997 over duurzame energiebronnen [9] om tegen 2010 naar een productieniveau van 18 miljoen ton vloeibare biobrandstoffen te streven in het kader van een algemeen streefdoel van een verdubbeling van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik in datzelfde jaar. In haar Groenboek ("Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening") [10] benadrukt de Commissie ook dat deze doelstellingen niet kunnen worden verwezenlijkt zonder fiscale instrumenten die de kloof tussen de kostprijs van de biobrandstoffen en die van de concurrerende producten verkleinen. Tenslotte heeft de Commissie op 7 november 2001 [11] een actieplan en twee richtlijnvoorstellen goedgekeurd om het gebruik van alternatieve brandstoffen voor vervoer aan te moedigen. Begonnen wordt met de regulerende en fiscale maatregelen ter bevordering van biobrandstoffen.
[5] Richtlijn 85/536/EEG van 5 december 1985 van de Raad, PB L 334 van 12.12.1985, blz. 20; richtlijn laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 87/441/EEG van 29.7.1987, PB L 238 van 21.8.1987 ; blz. 40.
[6] PB L 235 van 18.9.1993, blz. 41.
[7] PB L 159 van 3.6.1998, blz. 53.
[8] PB L 79 van 25.10.2000, blz. 1
[9] COM(97) 599 definitief van 26.11.1997.
[10] COM(2000) 769 definitief van 29.11.2000.
[11] COM(2001) 547 definitief van 7.11.2001.
De door de Italiaanse regering gevraagde afwijking past dus in het kader van het communautaire beleid met betrekking tot biobrandstoffen, in het belang van de milieubescherming en van de verzekering van de energievoorziening.
In de tweede plaats stelt de Commissie vast dat de door de Italiaanse regering geplande belastingverlagingen evenredig zijn aan het biobrandstofpercentage van het eindproduct en dat de effectieve belastingtarieven hoger liggen dan de toepasselijke communautaire minimumtarieven:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
In de derde plaats verplicht de Italiaanse regering zich ertoe het bedrag van de accijnsverlaging jaarlijks opnieuw te berekenen, om er zeker van te zijn dat dit bedrag niet de extra productiekosten voor biodiesel vergeleken met andere brandstoffen van fossiele oorsprong overschrijdt.
In de vierde plaats is de maatregel in de tijd begrenst. De beoogde accijnsverlagingen passen in het kader van een programma met een looptijd van drie jaar.
In de vijfde plaats moet er, wat de regels inzake staatshulp betreft, een besluit over de verenigbaarheid door de Commissie worden aangenomen, zodra de Raad het Italiaanse verzoek heeft ingewilligd.
3. Besluit
De Commissie stelt voor dat de Raad, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad, Italië machtigt om tot 30 juni 2004 gedifferentieerde accijnstarieven toe te passen voor de als brandstof gebruikte mengsels met een biodieselgehalte van 5% of 25%.
De door de Italiaanse regering toegepaste accijnsverlagingen mogen het bedrag van de accijns dat verschuldigd zou zijn voor het volume biobrandstoffen dat in de door belastingverlaging begunstigde producten aanwezig is, niet overschrijden.
De accijnsverlagingen moeten aan de ontwikkeling van de grondstoffenprijzen aangepast worden, om overcompensatie van de meerkosten voor de productie van biobrandstoffen te vermijden.
De accijnstarieven voor de hierboven genoemde mengsels moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit Richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën [12], en met name de in artikel 5 genoemde minimumtarieven.
[12] PB L 316 van 31.10.1992, blz. 19, richtlijn laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 94/74/EG (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 46).
Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij Italië wordt gemachtigd om in overeenstemming met artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG, een gedifferentieerd accijnstarief toe te passen op brandstoffen die biodiesel bevatten
(slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
gelet op Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën [13], inzonderheid op artikel 8, lid 4,
[13] PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12, richtlijn laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 94/74/EG (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 46).
gezien het voorstel van de Commissie,
overwegende hetgeen volgt:
(1) Italië heeft in het kader van een modelproject in de periode 1 juli 1998 - 30 juni 2001 de voorwaarden voor het gebruik van biodiesel onderzocht. Accijnsvrijstelling werd verleend voor een maximumhoeveelheid van 125.000 ton biodiesel per jaar. Bij brief van 23 april 2001 hebben de Italiaanse autoriteiten, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/81/EEG, de Commissie een verzoek om afwijking doen toekomen om accijnsontheffing te kunnen verlenen voor biodiesel en andere biobrandstoffen voor een periode van drie jaar, van 1 juli 2001 tot 30 juni 2004. In antwoord op de verzoeken van de Commissie om aanvullende inlichtingen, van 16 mei en 8 augustus 2001, hebben de Italiaanse autoriteiten respectievelijk op 17 juli en 28 september 2001 de voor het onderzoek van het dossier noodzakelijke gegevens verstrekt. Op 15 oktober 2001 vond een vergadering plaats tussen vertegenwoordigers van de Commissie en van de Italiaanse autoriteiten. Na ontvangst van een schrijven van de Italiaanse autoriteiten op 22 oktober 2001 heeft de Commissie tenslotte haar onderzoek van het derogatieverzoek kunnen afronden. In afwachting van de goedkeuring van de gevraagde afwijking door de Raad heeft Italië de toepassing van het dispositief voor accijnsverlaging opgeschort.
(2) De Italiaanse regering heeft om machtiging verzocht voor de toepassing van een gedifferentieerd accijnstarief voor biodiesel, die enerzijds als additief van gasolie gebruikt wordt met een biodieselgehalte van minder dan 5% en anderzijds in gasolie-emulsies met een biodieselgehalte van ongeveer 25%, een mengsel dat vooral als brandstof wordt gebruikt voor het openbaar stadsvervoer. In dit laatste geval moet vanwege het hoge percentage dat in het mengsel aanwezig is, gecontroleerd worden of de motor aan de brandstof is aangepast om te vervuilende emissies te voorkomen.
(3) De overige lidstaten zijn van dit verzoek in kennis gesteld.
(4) De ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en met name van biobrandstoffen wordt al sinds 1985 gestimuleerd. Richtlijn 85/536/EEG van de Raad van 5 december 1985 betreffende de besparing van ruwe olie door het gebruik van vervangingscomponenten in benzine [14] onderstreept de belangrijke rol die biobrandstoffen kunnen spelen bij de vermindering van de afhankelijkheid van de lidstaten van de invoer van olie en stemt in met de toevoeging van ethanol aan benzine tot 5% van het volume en van ETBE tot 15% van het volume. Voorts hebben de Beschikkingen van de Raad 93/500/EEG [15] en 98/352/EG [16] en Beschikking nr. 646/2000/EG van het Europees Parlement van de Raad [17] het ALTENER-programma vastgesteld inzake de bevordering van hernieuwbare energiebronnen in de Gemeenschap om het marktaandeel van biobrandstoffen tegen 2005 te verhogen tot 5% van het totale verbruik van motorvoertuigen. Daarnaast is er de aanbeveling in het Witboek van 1997 over duurzame energiebronnen [18] om tegen 2010 naar een productieniveau van 18 miljoen ton vloeibare biobrandstoffen te streven in het kader van een algemeen streefdoel van een verdubbeling van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik in datzelfde jaar. In haar Groenboek "Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening" [19] benadrukt de Commissie ook dat deze doelstellingen niet kunnen worden verwezenlijkt zonder fiscale instrumenten die de kloof tussen de kostprijs van de biobrandstoffen en die van de concurrerende producten verkleinen. Tenslotte heeft de Commissie op 7 november 2001 [20] een actieplan en twee richtlijnvoorstellen vastgesteld om het gebruik van alternatieve brandstoffen aan te moedigen in de transportsector, en te beginnen met regulerende en fiscale maatregelen ter bevordering van biobrandstoffen.
[14] Richtlijn 85/536/EEG van 5 december 1985 van de Raad, PB L 334 van 12.12.1985, blz. 20; richtlijn laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 87/441/EEG van 29.7.1987, PB L 238 van 21.8.1987 ; blz. 40.
[15] PB L 235 van 18.9.1993, blz. 41.
[16] PB L 159 van 3.6.1998, blz. 53.
[17] PB L 79 van 25.10.2000, blz. 1.
[18] COM(97) 599 definitief van 26.11.1997.
[19] COM(2000) 769 definitief van 29.11.2000.
[20] COM(2001) 547 definitief van 7.11.2001.
(5) De door de Italiaanse regering gevraagde afwijkingen passen dus in het kader van het gemeenschapsbeleid met betrekking tot biobrandstoffen, waarbij met name de bescherming van het milieu en de verzekering van de energiebevoorrading worden beoogd.
(6) De door Italië geplande accijnsverlagingen zijn evenredig aan het percentage biobrandstof in het eindproduct. Bovendien liggen de effectieve accijnstarieven hoger dan het toepasselijke minimum in de Gemeenschap, overeenkomstig Richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën [21]:
[21] PB L 316 van 31.10.1992, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 94/74/EG.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(7) Het Italiaanse programma heeft een looptijd van drie jaar. De accijnsdifferentiatie wordt toegekend voor een contingent van 300.000 ton biodiesel per jaar.
(8) De Commissie onderzoekt op regelmatige tijdstippen de accijnsverlagingen en -vrijstellingen teneinde na te gaan of deze niet tot concurrentievervalsing leiden dan wel de goede werking van de interne markt belemmeren en of zij verenigbaar zijn met het communautaire beleid inzake milieubescherming, energie en vervoer.
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
1. Italië wordt gemachtigd tot 30 juni 2004 gedifferentieerde accijnstarieven toe te passen op als brandstof gebruikte mengsels met een biodieselgehalte van 5% of 25%.
2. De accijnsverlaging mag het accijnsbedrag dat voor het volume aan biobrandstoffen verschuldigd zou zijn, dat in de door belastingverlaging begunstigde producten aanwezig is, niet overschrijden.
3. De op de in lid 1 genoemde mengsels toepasselijke accijnzen moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit Richtlijn 92/82/EEG, en met name met het in artikel 5 van deze richtlijn genoemde minimumtarief.
Artikel 2
De accijnsverlagingen moeten jaarlijks aan de ontwikkeling van de grondstoffenprijzen worden aangepast, om overcompensatie van de meerkosten voor de vervaardiging van biobrandstoffen te vermijden.
Artikel 3
Deze beschikking loopt ten einde op 30 juni 2004.
Artikel 4
Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter