Gewijzigd voorstel voor een Verordening van de Raad tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde bestanden van kabeljauw en heek (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)
Gewijzigd voorstel voor een Verordening van de Raad tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde bestanden van kabeljauw en heek (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)
Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde bestanden van kabeljauw en heek (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)
TOELICHTING
Naar aanleiding van recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), acht de Commissie het noodzakelijk haar voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde bestanden van kabeljauw en heek te wijzigen.
Het betreft de volgende wijzigingen:
i. Aanpassing van de doelstellingen voor het herstel
In het licht van recente besprekingen binnen de ICES is het streefniveau voor het herstel van het noordelijk heekbestand bijgesteld op 143.000 ton (artikel 1).
ii. Aanpassing van de procedure voor het bepalen van de totaal toegestane vangsten (TAC's)
Voorgesteld wordt nu de normale herstelstrategie toe te passen zodra het niveau van de volwassen populaties van de bestanden de in het wetenschappelijk advies aangegeven grenswaarde voor de biomassa overschrijdt (nu vastgelegd in het nieuwe artikel 4). Voor bestanden waarvan de volwassen populaties onder dit niveau liggen, geldt een laag visserijsterfteniveau, als vastgelegd in het nieuwe artikel 5.
iii. Herziening van het systeem voor de beperking van de visserij-inspanning
In de artikelen 6 tot en met 12 wordt nu een vereenvoudigd systeem voor de beheersing van de visserij-inspanning voorgesteld. Dit voorstel vervangt de artikelen 4 tot en met 8 en de bijlagen I en II van het vorige voorstel. In de nieuwe artikelen staat welke gegevens de lidstaten moeten verzamelen, en is een methode voor de verdeling van visserij-inspanning vastgelegd. Volgens dit systeem wordt ieder vlootsegment dat op de betrokken bestanden vist, een gestandaardiseerde verlaging van de visserij-inspanning opgelegd. De waarden zijn vastgesteld voor 2003 en zullen in de daaropvolgende jaren worden aangepast in overeenstemming met het wetenschappelijk advies.
iv. Wijziging van de controlebepalingen
De vroegere voorstellen inzake het gebruik van het VMS (het vroegere artikel 10) zijn geschrapt, aangezien dit onderwerp aan de orde zal komen in de nieuwe kaderverordening die zal worden goedgekeurd in verband met de hervorming van het GVB.
v. Schrapping van de voorstellen voor structurele maatregelen
Deze voorstellen (het vroegere hoofdstuk IV) zijn eveneens geschrapt omdat dit onderwerp in de algemene bespreking van de hervorming van het GVB aan de orde zal komen.
2001/0299 (CNS)
Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde bestanden van kabeljauw en heek
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 37,
Gezien het voorstel van de Commissie [1],
[1] PB C [...] van [...], blz. [...].
Gezien het advies van het Europees Parlement [2],
[2] PB C [...] van [...], blz. [...].
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Volgens recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) is de volwassen populatie van een aantal visbestanden in Gemeenschapswateren als gevolg van visserijsterfte zodanig uitgedund dat het normale herstel van deze bestanden door voortplanting in het gedrang komt en dat de betrokken bestanden bijgevolg dreigen in te storten.
(2) Tot de betrokken bestanden behoren de kabeljauwbestanden in het Kattegat, de Noordzee, het Skagerrak en het oostelijk deel van het Kanaal, ten westen van Schotland en in de Ierse Zee, en de heekbestanden in de Golf van Biskaje, rond Ierland, in het Kanaal, ten westen van Schotland, in de Noordzee, het Skagerrak en het Kattegat.
(3) Uit wetenschappelijk advies dat in 2002 door de ICES is uitgebracht, blijkt dat de volwassen populatie van deze kabeljauwbestanden een niveau heeft bereikt waarop het normale herstel van deze bestanden door voortplanting ernstig in gevaar is.
(4) Er moet actie worden ondernomen om meerjarige herstelprogramma's voor deze kabeljauw- en heekbestanden op te stellen.
(5) Dienovereenkomstig zijn in 2003 uitzonderlijke maatregelen nodig voor de kabeljauwbestanden die ernstig in gevaar zijn.
(6) De doelstellingen van programma's met dergelijke maatregelen moeten zo zijn geformuleerd dat kan worden bepaald wanneer de maatregelen kunnen worden stopgezet.
(7) Om de gestelde doelen te bereiken is het nodig de visserijsterfte zodanig te beheersen dat toename van de volwassen populatie van de bestanden gedurende opeenvolgende jaren zeer waarschijnlijk mag worden geacht.
(8) Een dergelijke beheersing van de visserijsterfte kan worden bereikt door middel van een adequate methode om de hoogte van de totaal toegestane vangsten (TAC's) voor de betrokken bestanden te bepalen en een systeem waarmee de op deze bestanden uitgeoefende visserij-inspanning binnen zodanige grenzen wordt gehouden dat de kans op overschrijding van de TAC's minimaal is.
(9) Er zijn, in aanvulling op de maatregelen vervat in Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid [3], laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2846/98 [4] van de Raad, controlemaatregelen nodig om de naleving van de in deze verordening vervatte maatregelen te garanderen.
[3] PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.
[4] PB L 358 van 31.12.1998, blz. 5.
(10) Om te garanderen dat op een planmatige manier vis aan de bestanden wordt onttrokken, moeten de producentenorganisaties nauwkeurige visplannen opstellen.
(11) Om de visserij op dichte concentraties jonge vis van de bedreigde bestanden te beperken, moet een systeem tot stand worden gebracht waarmee vangstgebieden met een beperkte omvang voor bepaalde tijd snel kunnen worden gesloten,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Doel, toepassingsgebied en definities
Artikel 1
1. Bij deze verordening wordt voor de in onderstaande tabel genoemde visbestanden een programma van herstelmaatregelen vastgesteld om de volwassen populaties van elk bestand, uitgedrukt in ton vis, te laten aangroeien tot ten minste het in onderstaande tabel vastgestelde streefniveau:
Betrokken visbestand // Streefniveau
Kabeljauw in het Kattegat // 10 500
Kabeljauw in Noordzee, Skagerrak en oostelijk deel Kanaal // 150 000
Kabeljauw ten westen van Schotland // 22 000
Kabeljauw in de Ierse Zee // 10 000
Heek - noordelijk gebied // 143 000
2. Wanneer de Commissie vaststelt, zich daarbij baserend op een advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) waarmee het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) zich eens heeft verklaard, dat het streefniveau voor een in de tabel in lid 1 genoemd visbestand twee jaar na elkaar is bereikt, besluit de Raad op voorstel van de Commissie om dat bestand uit de werkingssfeer van deze verordening te halen.
3. Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen die de vlag voeren van of ingeschreven staan in een lidstaat.
Op alle andere vaartuigen die vissen in wateren onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een lidstaat, zijn de hoofdstukken I, IV en VI van toepassing.
Artikel 2
In het kader van deze verordening gelden de volgende definities van geografische gebieden:
a) "Kattegat": het deel van ICES-sector IIIa dat in het noorden wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust, en in het zuiden door een lijn van Kaap Hasenoere naar Kaap Gniben, van Korshage naar Spodsbjerg en van Kaap Gilbjerg naar Kullen;
b) "Noordzee": ICES-deelgebied IV, ICES-sector IIIa met uitzondering van het Skagerrak en het deel van ICES-sector IIa in wateren die onder de soevereiniteit of rechtsmacht van lidstaten vallen;
c) "Skagerrak": het deel van ICES-sector IIIa dat in het westen wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar die van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust;
d) "het oostelijke deel van het Kanaal": ICES-sector VIId;
e) "Ierse Zee": ICES-sector VIIa;
f) "ten westen van Schotland": ICES-sector VIa en het deel van ICES-sector Vb in wateren die onder de soevereiniteit of rechtsmacht van lidstaten vallen;
g) "noordelijk gebied": Kattegat, Skagerrak, de Noordzee, het oostelijke deel van het Kanaal, ten westen van Schotland, de Ierse Zee, ICES-deelgebied VII en ICES-sectoren VIIIabde.
HOOFDSTUK II
Vaststelling van de totaal toegestane vangsten
Artikel 3
Artikel 4 is van toepassing indien het WTECV, op basis van het recentste verslag van de ICES, heeft geoordeeld dat de volwassen populatie van een van de in artikel 1, lid 1, genoemde visbestanden, uitgedrukt in ton vis, ten minste het in onderstaande tabel vastgestelde streefniveau heeft bereikt.
Betrokken visbestand // Ton
Kabeljauw in het Kattegat // 6 400
Kabeljauw in Noordzee, Skagerrak en oostelijk deel Kanaal // 60 000
Kabeljauw ten westen van Schotland // 14 000
Kabeljauw in de Ierse Zee // 6 000
Heek - noordelijk gebied // 103 000
Artikel 4
1. Ieder jaar, nadat het WTECV een wetenschappelijke evaluatie op basis van het recentste verslag van de ICES heeft medegedeeld, stelt de Raad op voorstel van de Commissie voor elk van de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden de hoogte van de TAC (totaal toegestane vangsten) voor het volgende jaar vast.
2 De in lid 1 bedoelde TAC's mogen niet hoger worden vastgesteld dan het niveau dat volgens een wetenschappelijke evaluatie van het WTECV en de ICES voor de volwassen populaties van de bestanden aan het einde van het jaar waarvoor de TAC's gelden, resulteert in een toename ten opzichte van de aan het begin van dat jaar geschatte populaties met:
a) 30% wat betreft de kabeljauwbestanden; en
b) 10% wat betreft de heekbestanden.
3. Indien de TAC die het resultaat is van de in lid 2 beschreven regel, meer dan 30% hoger ligt dan de TAC voor het lopende jaar, stelt de Raad een TAC vast die de TAC voor het lopende jaar met niet meer dan 30% te boven gaat.
4. Indien de TAC die het resultaat is van de in lid 2 beschreven regel, meer dan 30% lager ligt dan de TAC voor het lopende jaar, stelt de Raad een TAC vast die niet meer dan 30% lager ligt dan de TAC voor het lopende jaar.
5. De Raad zal geen TAC vaststellen die, volgens de prognose van het WTECV op basis van het meest recente verslag van de ICES, bij volledige benutting in het jaar van toepassing een visserijsterfte zou meebrengen welke de in onderstaande tabel vermelde waarden te boven gaat.
Betrokken visbestand // Visserijsterfte
Kabeljauw in het Kattegat // 0,60
Kabeljauw in Noordzee, Skagerrak en oostelijk deel Kanaal // 0,65
Kabeljauw ten westen van Schotland // 0,60
Kabeljauw in de Ierse Zee // 0,72
Heek - noordelijk gebied // 0,24
Artikel 5
Indien het WTECV, op basis van het recentste verslag van de ICES, van oordeel is dat de volwassen populatie van een van de in artikel 1, lid 1, genoemde visbestanden onder de in de tabel van artikel 3 genoemde waarde is gedaald, wordt de TAC voor het betrokken visbestand vastgesteld met inachtneming van de in de onderstaande tabel vermelde visserijsterfte.
Betrokken visbestand // Visserijsterfte
Kabeljauw in het Kattegat // 0,23
Kabeljauw in Noordzee, Skagerrak en oostelijk deel Kanaal // 0,22
Kabeljauw ten westen van Schotland // 0,16
Kabeljauw in de Ierse Zee // 0,26
Heek - noordelijk gebied // 0,06
HOOFDSTUK III
Beperking van de visserij-inspanning
Artikel 6
1. Voor 2003 stelt de Raad op voorstel van de Commissie voor de vissersvaartuigen van elke lidstaat die in het daaropvolgende jaar op de in artikel 1, lid 1, genoemde visbestanden vissen, het maximaal toegestane aantal kilowattdagen vast overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 10.
2. Voor de daaropvolgende jaren wordt het in lid 1 bedoelde maximaal toegestane aantal kilowattdagen vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad [5].
[5] PB L 389 van 31.12.1992, blz. 1.
3. De lidstaten zien erop toe dat het maximaal toegestane aantal kilowattdagen voor ieder betrokken jaar niet wordt overschreden.
Artikel 7
1. Iedere lidstaat brengt een gegevensbank met de in lid 3 bedoelde informatie tot stand:
a) vóór 31 januari 2003 met betrekking tot de driejarige referentieperiode 1999, 2000 en 2001;
b) vóór 1 juli van het jaar 2003 en van ieder volgend jaar met betrekking tot de driejarige referentieperiode onmiddellijk voorafgaand aan dat jaar.
2. De gegevensbank moet de Commissie op papier en in elektronische vorm ter beschikking worden gesteld op uiterlijk 31 januari 2003 met betrekking tot de in lid 1, onder a), bedoelde referentieperiode, en vóór 15 juli van het betrokken jaar met betrekking tot de in lid 1, onder b), bedoelde referentieperiode.
3. De gegevensbank moet voor ieder vaartuig dat de vlag voert van de betrokken lidstaat en staat ingeschreven in het register van de Gemeenschap, en dat in het referentiejaar waarop de gegevensbank betrekking heeft, een hoeveelheid kabeljauw en/of heek heeft aangevoerd, de volgende gegevens bevatten:
a) het geografisch gebied waar de aangevoerde vis is gevangen;
b) het jaar waarin de aangevoerde vis is gevangen;
c) het intern registratienummer van het vaartuig;
d) het motorvermogen van het vaartuig in kilowatt, gemeten overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2930/86;
e) het aantal op zee doorgebrachte dagen;
f) de jaarlijkse hoeveelheid aangevoerde vis, uitgedrukt in ton vis, voor de soorten kabeljauw, schelvis, wijting, schol, tong, Noorse kreeft, heek, scharretong en zeeduivel;
g) de jaarlijkse hoeveelheid aangevoerde zandspiering, uitgedrukt in ton vis, en de jaarlijkse hoeveelheid aangevoerde kever, uitgedrukt in ton vis, voor elk vaartuig dat in enig jaar van de referentieperiode zandspiering en/of kever uit het betrokken geografisch gebied heeft aangevoerd, ongeacht of dit vaartuig kabeljauw en/of heek heeft aangevoerd.
Artikel 8
Voor elk in artikel 2 bedoeld geografisch gebied en voor ieder vaartuig dat is opgenomen in de gegevensbank als bedoeld in artikel 7, moeten per lidstaat de volgende hoeveelheden worden berekend:
a) de gemiddelde jaarlijkse aanvoer gedurende de referentieperiode van de in artikel 7, lid 3, onder f), vermelde vissoorten;
b) het gemiddelde aantal op zee doorgebrachte dagen;
c) de kilowattdagen, d.w.z. het product van het gemiddelde aantal op zee doorgebrachte dagen en het motorvermogen in kilowatt;
d) de som van de gemiddelde aanvoer, berekend als aangegeven onder a), voor elke van de onderstaande soorten of groepen soorten:
i) kabeljauw, schelvis, wijting;
ii) schol, tong;
iii) Noorse kreeft;
iv) heek;
v) scharretong, zeeduivel;
vi) zandspiering, kever;
e) het aandeel in de totale gemiddelde aanvoer van alle in artikel 7, lid 3, onder f) en g), vermelde vissoorten, per soort of groep soorten als aangegeven onder d).
Artikel 9
1. Ieder in de gegevensbank vermeld vaartuig wordt aan een segment toegewezen. De segmenten komen overeen met de in artikel 8, onder d), aangegeven soorten en groepen soorten.
2. Een vaartuig wordt toegewezen aan het segment voor Noorse kreeft als het aandeel Noorse kreeft in zijn aanvoer meer dan 30% bedraagt en zijn motorvermogen kleiner dan of gelijk aan 221 kilowatt is.
3. Indien niet aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan, wordt het vaartuig toegewezen aan het segment behorende bij de soort of groep soorten als vermeld in artikel 8, onder d), die het grootste aandeel heeft in de totale aanvoer als berekend overeenkomstig artikel 8, onder e).
Artikel 10
1. Per vaartuig in het segment waaraan het vaartuig overeenkomstig artikel 9, de leden 2 en 3, is toegewezen, en per geografisch gebied berekent iedere lidstaat als volgt een aantal kilowattdagen:
a) voor 2003, door op het overeenkomstig artikel 8, onder c), berekende aantal kilowattdagen de in lid 2 vermelde coëfficiënt toe te passen;
b) voor de volgende jaren, door op het overeenkomstig artikel 8, onder d), berekende aantal kilowattdagen de in lid 3 bedoelde coëfficiënt toe te passen.
2. Voor 2003 gelden de in onderstaande tabel vermelde coëfficiënten.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
3. Voor ieder jaar na 2003 wordt de reeks coëfficiënten vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 op basis van de recentste verslagen van het WTECV en/of de ICES.
4. Iedere lidstaat berekent de som van de overeenkomstig lid 1 berekende, gecorrigeerde aantallen kilowattdagen voor alle vaartuigen in ieder segment en in ieder geografisch gebied; deze som geldt als maximaal toelaatbaar aantal kilowattdagen voor ieder gebied in het volgende jaar overeenkomstig artikel 6.
Artikel 11
1. Iedere lidstaat stelt, voor de vaartuigen die de vlag voeren van de betrokken lidstaat en staan ingeschreven in het register van de Gemeenschap, binnen ieder segment de verdeling van het maximaal toelaatbare aantal kilowattdagen per vaartuig vast.
2. Het is niet toegestaan kilowattdagen over te dragen naar andere segmenten of geografische gebieden.
Artikel 12
Voor vaartuigen die niet aan een van de in artikel 9, lid 1, bedoelde segmenten zijn toegewezen, is het verboden kabeljauw en/of heek, gevangen in de in artikel 10, lid 2, bedoelde geografische gebieden, aan te voeren of over te laden.
HOOFDSTUK IV
Controle, inspectie en bewaking
Artikel 13
Titel IIA van Verordening (EEG) nr. 2847/93 is van toepassing op de vaartuigen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, lid 2, zijn toegewezen aan een van de in artikel 10, lid 2, bedoelde segmenten en die vissen in de gebieden die staan vermeld in de bijlage.
Artikel 14
1. Telkens als een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 10 meter een geografisch gebied als omschreven in lid 2 binnenvaart of verlaat, meldt de kapitein of zijn vertegenwoordiger gelijktijdig aan de vlaggenstaat en aan de voor het toezicht op het geografisch gebied verantwoordelijke kustlidstaten waar het vaartuig zijn visserijactiviteiten in wateren onder de soevereiniteit of rechtsmacht van die lidstaten zal verrichten of heeft verricht.
a) de naam van het vaartuig,
b) de naam van de kapitein,
c) de geografische positie van het vaartuig,
d) de datum en het tijdstip van:
i) het binnenvaren of verlaten van een haven in het geografisch gebied,
ii) het binnenvaren van een geografisch gebied,
ii) het verlaten van een geografisch gebied.
2. Met het oog op de toepassing van lid 1 worden de volgende geografische gebieden afgebakend:
a) Het gebied begrensd door:
i) de kust van Ierland ten zuiden van 53°30'NB en ten westen van 07°00'WL en
ii) rechte lijnen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:
het punt op de westkust van Ierland op 53°30'NB,
53°30'NB, 12°00'WL
53°00'NB, 12°00'WL
51°00'NB, 11°00'WL
49°30'NB, 11°00'WL
49°00'NB, 07°00'WL,
het punt op de zuidkust van Ierland op 07°00'WL.
b) Het gebied begrensd door:
i) de westkust van Frankrijk tussen 48°00'NB en 44°00'NB en
ii) rechte lijnen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:
het punt op de westkust van Frankrijk op 48°00'NB
48°00'NB, 07°00'WL
45°00'NB, 02°00'WL
44°00'NB, 02°00'WL,
het punt op de westkust van Frankrijk op 44°00'NB.
3. De verplichting van lid 1 geldt niet voor de volgende vissersvaartuigen:
a) vaartuigen waarop het satellietvolgsysteem (VMS) van toepassing is en die via VMS gegevens doorsturen overeenkomstig de leden 1 en 2,
b) vaartuigen die een gebied als omschreven in lid 2 binnenvaren vanaf een haven of eender welke andere plaats op
i) het deel van de kust van Ierland als omschreven in lid 2, onder a), i), of
ii) het deel van de kust van Frankrijk als omschreven in lid
2, onder b), i), en
iii) die gedurende een visreis in dit gebied blijven.
4. De kapitein van het vissersvaartuig tekent de in lid 1 bedoelde gegevens en het tijdstip van verzending van de gegevens in het logboek op.
Artikel 15
1. Wanneer een vissersvaartuig in een lidstaat meer dan 250 kg heek of meer dan 1 ton kabeljauw wenst aan te voeren, stelt de kapitein of zijn vertegenwoordiger de bevoegde autoriteiten van die lidstaat ten minste vier uur vooraf in kennis van:
a) de plaats van aanlanding,
b) het vermoedelijke tijdstip van aankomst op die plaats,
c) de hoeveelheden heek of kabeljauw aan boord,
d) de hoeveelheden heek of kabeljauw die zullen worden aangevoerd.
2. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat waar meer dan 250 kg heek of meer dan 1 ton kabeljauw zal worden aangevoerd, kunnen eisen dat niet met het lossen van de aan boord gehouden vangsten wordt begonnen voordat zij daartoe toestemming hebben gegeven.
Artikel 16
1. De kapitein van een vissersvaartuig ziet erop toe dan aanlandingen van meer dan 500 kg heek of meer dan 2 ton kabeljauw vanaf een vissersvaartuig uitsluitend plaatsvinden in daartoe aangewezen havens.
2. Elke lidstaat wijst de havens aan waar aanlandingen van meer dan 500 kg heek of meer dan 2 ton kabeljauw mogen plaatsvinden.
3. Elke lidstaat deelt de Commissie binnen 15 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening de lijst van aangewezen havens en, uiterlijk 30 dagen later, de desbetreffende inspectie- en controleprocedures, met inbegrip van de omstandigheden en voorwaarden voor het registreren en melden van de hoeveelheden heek of kabeljauw bij elke aanvoer, mee. De Commissie geeft deze informatie door aan alle lidstaten.
Artikel 17
1. Het is verboden voor vissersvaartuigen om afzonderlijke kisten of andere containers aan boord te hebben waarin hoeveelheden van de in artikel 1, lid 1, vermelde vissoorten met andere soorten mariene organismen vermengd zijn.
2. De kapitein van een vissersvaartuig moet de inspecteurs van de lidstaten de nodige bijstand verlenen om deze in staat te stellen de in het logboek vermelde gegevens te toetsen aan de aan boord gehouden vangsten van de in artikel 1, lid 1, vermelde vissoorten.
Artikel 18
1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen eisen dat een hoeveelheid van de in artikel 1, lid 1, vermelde vissoorten die voor het eerst wordt aangevoerd in die lidstaat, wordt gewogen voordat ze van de haven van eerste aanvoer naar elders wordt vervoerd.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad, moeten alle hoeveelheden van de in artikel 1, lid 1, vermelde vissoorten die naar een andere plaats dan de plaats van eerste aanvoer of invoer worden vervoerd, vergezeld zijn van een afschrift van een van de aangiften als bedoeld in artikel 8, lid 1, van die verordening voor de hoeveelheden van deze soorten die worden vervoerd. De vrijstelling waarin artikel 13, lid 4, onder b), van die verordening voorziet, geldt niet.
Artikel 19
In afwijking van artikel 34 quater, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93, kan de looptijd van de specifieke controleprogramma's voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde visbestanden meer dan twee jaar bedragen.
HOOFDSTUK V
Maatregelen met betrekking tot de markt
Artikel 20
In afwijking van het bepaalde in artikel 9, lid 1, onder b), eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 104/2000 [6], stelt elke producentenorganisatie een gedetailleerd visplan op voor de in artikel 1, lid 1, vermelde vissoorten, ook als de betrokken soorten geen significant deel van de aanvoer van de aangeslotenen uitmaken.
[6] PB L 17 van 21.01.2000, blz. 22.
HOOFDSTUK VI
Instelling van tijdelijk gesloten gebieden
Artikel 21
1. Wanneer een lidstaat bemerkt dat in wateren onder zijn soevereiniteit of rechtsmacht dichte concentraties jonge exemplaren van de in artikel 1, lid 1, bedoelde vissoorten worden bevist, kan hij de Commissie verzoeken urgente maatregelen te treffen om deze visserijactiviteiten te verhinderen.
Lidstaten kunnen een gezamenlijk verzoek aan de Commissie richten wanneer zij oordelen dat voor de wateren onder de soevereiniteit of rechtsmacht van alle betrokken lidstaten maatregelen vereist zijn.
2. Binnen vijf werkdagen na ontvangst beslist de Commissie over verzoeken als bedoeld in lid 1.
Bij een positief besluit neemt de Commissie onmiddellijk de nodige maatregelen. Zij stelt de lidstaten en de derde landen waarvan de vaartuigen gerechtigd zijn om in de wateren onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de betrokken lidstaat of de betrokken lidstaten te vissen, onverwijld van die maatregelen in kennis.
3. De in lid 2 bedoelde maatregelen omvatten een verbod om binnen een afgebakend geografisch gebied met bepaald vistuig te vissen. De looptijd ervan bedraagt ten hoogste 60 dagen en de oppervlakte van het betrokken gebied ten hoogste 4 000 vierkante zeemijl.
Artikel 22
Bij elk verzoek van een of meerdere lidstaten op grond van artikel 21, lid 1, dient tot staving de volgende informatie te worden verstrekt:
a) de informatiebron die aan het verzoek ten grondslag ligt,
b) de methode waarmee de informatie is geverifieerd,
c) de geraamde hoeveelheden, in gewicht en/of aantallen, per dag gevangen jonge vis,
d) de voor de onder c) bedoelde vangsten gebruikte vangstmethoden,
e) de geografische coördinaten van het gebied waarin de onder c) bedoelde vangsten zijn gedaan,
f) de geografische coördinaten van het gebied dat volgens de lidstaat (lidstaten) voor de visserij zou moeten worden gesloten,
g) de wenselijk geachte duur van het visverbod,
h) de naam en het contactadres van de functionaris(sen) die verantwoordelijk is (zijn) voor de contacten met de Commissie.
Artikel 23
De in artikel 21, lid 2, vervatte maatregelen zijn niet van toepassing voor de vaartuigen die de vlag voeren van of ingeschreven staan in het register van een lidstaat, en die:
a) gedurende maximaal 5 dagen
b) met een speciale vergunning van de lidstaat of de lidstaten in de wateren waarvan zij opereren
c) in aanwezigheid van ten minste een visserij-inspecteur van de vlaggenstaat en/of de Commissie vissen.
De visserij-inspecteurs noteren de hoeveelheden jonge vis die bij elke uitzetting van het betrokken vistuig worden gevangen.
Artikel 24
De lidstaten kunnen de Commissie verzoeken de op grond van artikel 21, lid 2, genomen maatregelen in te trekken op basis van de gegevens die overeenkomstig artikel 22 zijn verzameld of op basis van alle andere dienstige informatie.
De Commissie neemt een besluit over dergelijke verzoeken binnen vijf werkdagen na ontvangst ervan.
HOOFDSTUK VII
Slotbepalingen
Artikel 25
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De Voorzitter
Bijlage
Visserij-inspanningsgebieden
IIIa, IV, Vb, VIa, VII, VIIIabde (in deze verordening aangeduid als "noordelijk gebied")
Waarvan:
IIIa (Kattegat)
IV, IIa (Noordzee), IIIa (Skagerrak) en VIId (het oostelijke deel van het Kanaal)
Vb en VIa (ten westen van Schotland)
VIIa (Ierse Zee)
Andere gebieden in het noordelijk gebied