Home

Gewijzigd voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

Gewijzigd voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

2002/0259 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen

Op 4 juni 2003 stemde het Europees Parlement in eerste lezing over de amendementen die werden ingediend met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen [1] (COM(2002)595 def. (deel II) van 20 november 2002).

[1] Richtlijn 1999/32/EG van de Raad betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG; PB L 121 van 11.5.1999, blz.13.

Artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag bepaalt dat zolang de Raad geen besluit heeft genomen, de Commissie gedurende de procedures die tot aanneming van een communautair besluit leiden, te allen tijde haar voorstel kan wijzigen.

De Commissie geeft hierna haar advies over de door het Europees Parlement aangenomen amendementen.

1. ACHTERGROND

Indiening van het voorstel bij de Raad en het Europees Parlement (COM(2002)595 def. - 2002/0259(COD)) overeenkomstig artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag: 20 november 2002

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: 14 mei 2003

Advies van het Comité van de Regio's: geen

2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Doel van het voorstel is, de effecten van de emissie van zwaveldioxide (SO2 of SOx) en deeltjes ("particulate matter", PM) door schepen op de verzuring van het milieu en op de menselijke gezondheid te verminderen. De uitstoot van SOx en PM door schepen hangt rechtstreeks samen met het zwavelgehalte van de brandstof. Het gemiddeld gehalte aan zwavel (S) van zware scheepsbrandstof bedraagt momenteel 2,7 % of 27 000 delen per miljoen (ppm), in vergelijking met brandstof voor wegvervoer waarvoor een nieuwe zwavelgrenswaarde van 10 ppm geldt. Het voorstel bevat nieuwe maximumwaarden voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen, namelijk:

- een grenswaarde van 1,5 % voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die door alle schepen op de Noordzee, het Kanaal en de Oostzee worden gebruikt, conform de in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie bereikte overeenkomst met betrekking tot het SOx-emissiebeheersings gebied (SOxECA) in kwestie. Dit zal bijdragen tot een vermindering van de verzuring en een verbetering van de luchtkwaliteit;

- een grenswaarde van 1,5 % voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de EU worden gebruikt, overeenkomstig het standaardbeleid van de EU inzake hoge normen voor passagiersschepen. Dit zal de luchtkwaliteit in kustgebieden verbeteren en ertoe bijdragen dat overal in de EU laagzwavelige scheepsbrandstof verkrijgbaar is;

- een grenswaarde van 0,2 % voor het zwavelgehalte van brandstoffen die door schepen op hun ligplaats in EU-havens alsook door binnenschepen worden gebruikt, teneinde de uitstoot van SOx en PM plaatselijk te verminderen en de luchtkwaliteit plaatselijk te verbeteren.

3. ADVIES VAN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE DOOR HET EUROPEES PARLEMENT AANGENOMEN AMENDEMENTEN

Op 4 juni 2003 heeft het Europees Parlement 36 van de 44 ingediende amendementen aangenomen. Over twee amendementen - de nummers 13 en 14 - heeft een stemming in onderdelen plaatsgevonden, waarbij alleen de stringentere termijnen, maar niet de strengere grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen de steun van het Parlement hebben gekregen.

De Commissie vindt de meeste amendementen van het Parlement volledig aanvaardbaar, aangezien zij het voorstel van de Commissie verduidelijken en verbeteren.

Bepaalde amendementen beogen een aanzienlijke verstrakking van het voorstel - hoofdzakelijk door de vaststelling van strengere grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen in een tweede fase. De Commissie beschouwt de vaststelling van strengere grenswaarden in dit stadium als voorbarig; die amendementen zijn dus niet aanvaardbaar.

Andere amendementen voegen nieuwe bepalingen toe over de ontwikkeling van technologieën voor emissiebeperking en economische instrumenten als een alternatief voor of aanvulling op de regelgeving inzake het zwavelgehalte van brandstoffen. Deze amendementen zijn in beginsel aanvaardbaar.

De amendementen 1, 4, 5, 6, 7, 10, 14 (zoals aangenomen bij de stemming in onderdelen), 15, 16, 17, 18, 21, 24, 27, 29, 31, 37, 38 en 40 zijn voor de Commissie volledig aanvaardbaar.

De amendementen 2, 3, 8, 23, 30, 33, 39 en 43 kunnen door de Commissie in beginsel worden aanvaard op voorwaarde dat zij worden geherformuleerd en/of verduidelijkt. De amendementen 28 en 41 zijn gedeeltelijk aanvaardbaar; amendement 44 is gedeeltelijk en in beginsel aanvaardbaar.

De amendementen 13, 22, 25, 26, 32 en 42 worden door de Commissie niet aanvaard.

Hier volgt een uitvoerige toelichting op het standpunt van de Commissie ten aanzien van de amendementen van het Europees Parlement:

3.1. Door de Commissie volledig aanvaarde amendementen

De amendementen 1, 4, 5, 6 en 40 resulteren in nieuwe en gewijzigde overwegingen die de doelstellingen van de richtlijn helpen verduidelijken en motiveren.

De amendementen 7 en 18 zijn onderling gekoppeld. Amendement 7 voegt een nieuwe overweging toe waarin wordt verwezen naar artikel 299 van het Verdrag dat voorschrijft dat rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's (de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden). Amendement 18 stelt deze regio's vrij van de verplichting om een verbod op de verkoop van hoogzwavelige dieselolie in te voeren, op voorwaarde dat de plaatselijke luchtkwaliteitsnormen in acht worden genomen.

Amendement 10 schrapt artikel 4, leden 3 en 4, van de bestaande richtlijn, waardoor de lidstaten niet langer aanvragen tot afwijking van de zwavelgrenswaarde voor binnenlands gasoliegebruik kunnen indienen.

Door de amendementen 14, 15, 16, 17, en 21 wordt met betrekking tot een aantal bepalingen van de richtlijn gesteld dat zij binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn ten uivoer moeten worden gelegd; amendement 16 voegt ook een zinsnede toe die voorschrijft dat de brandstofleveringsnota door een vertegenwoordiger van het ontvangende schip moet worden ondertekend.

Amendement 37 verkort de termijn voor de omzetting van de richtlijn van 12 maanden tot 6 maanden.

Amendement 24 wijzigt de titel van artikel 6 van "Monsterneming en analyse" in "Monitoring en sancties". Amendement 27 schrijft voor dat de stookoliemonsters worden genomen terwijl de olie voor het gebruik aan boord van schepen wordt geleverd. Amendement 29 verplicht de lidstaten tot het vaststellen van regels voor effectieve sancties die proportioneel zijn en een dissuasief effect hebben.

Amendement 31 herstelt een lapsus door de toevoeging van woord "oil" na "heavy fuel" (betreft niet de Nederlandse versie).

* Amendement 38 verduidelijkt de definitie van "schip op zijn ligplaats".

3.2. Door de Commissie gedeeltelijk of in beginsel aanvaarde amendementen

Amendement 2 voegt een nieuwe overweging toe waarin wordt gesteld dat emissies van de scheepvaart bijdragen tot de wereldwijde temperatuurstijging, de vorming van ozon en eutrofiëring. Dat is juist, maar een vermindering van het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen zal nauwelijks bijdragen tot een vermindering van deze effecten. Die effecten zijn echter wel aan de orde in de gelijktijdig door de Commissie uitgebrachte mededeling over een strategie van de EU ter beperking van atmosferische emissies door zeeschepen. De Commissie stelt daarom de volgende nieuwe overweging 4 bis voor:

"Andere emissies van de scheepvaart dan zwaveldioxide en zwevende deeltjes dragen bij tot de wereldwijde temperatuurstijging, de vorming van ozon en eutrofiëring. De lidstaten dienen maatregelen te nemen om die emissies te verminderen, zoals aanbevolen in de strategie van de Europese Unie ter beperking van atmosferische emissies door zeeschepen, COM(2002)595, deel I".

Amendement 3 voegt een nieuwe overweging 4 ter toe waarin wordt gesteld dat de emissies van de scheepvaart moeten worden opgenomen in het toepassingsbereik van de richtlijn nationale emissiegrenswaarden (Richtlijn 2001/81/EG). De emissies van de binnenscheepvaart en van de nationale kustvaart vallen nu reeds binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. De emissies van schepen in internationale wateren zijn moeilijker te kwantificeren en moeilijker op een correcte manier aan de afzonderlijke lidstaten toe te wijzen. Daarom stelt de Commissie de volgende nieuwe overweging 4 ter voor:

"Met de emissies van de scheepvaart in internationale wateren dient rekening te worden gehouden bij een eventuele herziening van Richtlijn 2001/81/EG inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen."

Amendement 8 wijzigt de zevende overweging en pleit voor een uniforme bemonstering van stookolie en dissuasieve sancties. Dit is zeker wenselijk: de scheepvaart is immers een internationale bedrijfstak. De manier waarop het amendement werd gemotiveerd, wekt evenwel het vermoeden dat het de bedoeling is, scheepsbrandstoffen niet alleen op hun zwavelgehalte maar ook op hun gehalte aan andere gevaarlijke stoffen te onderzoeken, en de Commissie wil duidelijk maken dat zulks buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt.

Amendement 23 voorziet in een overgangsperiode tot 2010 alvorens de brandstof voor boilers van tankers in overeenstemming moet zijn met de voorgestelde lage grenswaarde voor het zwavelgehalte van brandstoffen die op schepen op hun ligplaatsen in de haven gebruikt worden. Een en ander hangt samen met de bezorgdheid die bestaat ten aanzien van de veiligheid van de omschakeling van oudere tankerboilers op minder viskeuze gasolie. Een veilige omschakeling op andere brandstof is evenwel mogelijk indien de bemanning de procedures nauwgezet toepast. Dit is hoofdzakelijk een kwestie van opleiding, en de Commissie is van mening dat een kortere overgangsperiode - tot 2008 - voor deze opleiding voldoende tijd biedt. De Commissie stelt derhalve voor, artikel 4 ter als volgt te wijzigen:

"1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat scheepsbrandstoffen met ingang van:

(i) [...*] als hun zwavelgehalte hoger is dan 0,20 massaprocent, en

(ii) 1 januari 2008 als hun zwavelgehalte hoger is dan 0,10 massaprocent,

niet ... door schepen op hun ligplaats in havens in de Gemeenschap worden gebruikt.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat gasolie voor de zeescheepvaart niet op hun grondgebied wordt verkocht als het zwavelgehalte van deze gasolie voor de scheepvaart hoger is dan de in lid 1 vermelde grenswaarden.

3. Lid 1, punt (i), is niet van toepassing op brandstoffen die in boilers van tankers worden gebruikt.

[* zes maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn]

Amendement 28 bestaat uit twee delen, waarvan alleen het eerste aanvaardbaar is.

* Deel 1 van het amendement doet de bemonstering van de brandstoffen zes maanden eerder aanvangen, zodat het begin daarvan samenvalt met de inwerkingtreding van de desbetreffende grenswaarden voor brandstoffen.

* Deel 2 van het amendement voegt het voorschrift toe dat ten minste 50 % van de monsters wordt gecontroleerd. De Commissie vindt dit niet erg zinvol. Zij gaat ervan uit dat de bevoegde instanties om economische en praktische redenen de meeste zo niet alle brandstofmonsters zullen controleren.

Amendement 30 stelt dat het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart in zijn mandaat ook rapportage over de luchtvervuiling dient op te nemen, en dat het de lidstaten en de Commissie dient bij te staan bij het houden van toezicht op de tenuitvoerlegging van de richtlijn. Artikel 2, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 1406/2002 voorziet evenwel reeds in een dergelijke follow-up in samenhang met de algemene taak van het agentschap om verontreiniging te voorkomen. De Commissie en de lidstaten kunnen het agentschap om bijstand verzoeken met betrekking tot diverse aspecten van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, inclusief de verslaglegging over luchtverontreiniging. Ten behoeve van de duidelijkheid kunnen specifieke wijzigingen van de taakomschrijving van het agentschap alleen via een wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot stand worden gebracht. De Commissie stelt daarom de volgende nieuwe overweging 10 bis voor:

"Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart staat de Commissie en de lidstaten waar passend bij bij het houden van toezicht op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn."

De amendementen 33 en 43 staan met elkaar in verband; 33 schrapt de bestaande tekst inzake de reiniging van uitlaatgassen uit de herzieningsclausule van artikel 7, en 43 voegt een nieuw artikel 4 ter bis toe dat uitvoerige bepalingen bevat inzake de beproeving van emissiebeperkingstechnologieën en het vervolgens in de praktijk brengen daarvan. Hoewel de voorgestelde bepalingen waardevolle elementen bevatten, zijn zij ook breedvoerig en prescriptief en bovendien eerder tot de Commissie dan tot de lidstaten gericht. De Commissie geeft daarom de voorkeur aan de hiernavolgende benadering, waarbij het grootste deel van de bepalingen van amendement 43 inzake proefnemingen worden overgenomen en een bepaling wordt toegevoegd aan de bestaande herzieningsclausule.

(i) Toevoeging van een nieuw artikel 4 quater:

"Artikel 4 quater

Proefnemingen met nieuwe emissiebeperkingstechnologieën

1. De lidstaten kunnen vergunningen afgeven aan schepen op hun grondgebied die betrokken zijn bij de beproeving van emissiebeperkingstechnologieën, met inbegrip van de reiniging van uitlaatgassen, op voorwaarde dat:

- de Commissie ten minste zes maanden vóór het begin van de proefnemingen hiervan schriftelijk in kennis wordt gesteld;

- de looptijd van de vergunningen voor de proefnemingen niet meer dan 18 maanden bedraagt;

- alle betrokken schepen uitgerust zijn met fraudebestendige apparatuur voor de continue bewaking van de schoorsteenpijpemissies en deze gebruiken gedurende de hele proefperiode;

- er adequate afvalbeheersystemen voorhanden zijn voor de afvalstoffen die in de loop van de hele proefperiode door de emissiebeperkingstechnieken worden veroorzaakt;

- de effecten op het mariene milieu, en met name de ecosystemen van gesloten en open havens en estuaria, gedurende de hele proefperiode worden geanalyseerd; en

- de volledige resultaten aan de Commissie worden overgelegd en algemeen bekend worden gemaakt binnen een termijn van zes maanden na het einde van de proefnemingen.

2. Gedurende deze proefnemingen is het gebruik van laagzwavelige scheepsbrandstoffen, zoals vereist op grond van de artikelen 4 bis en 4 ter, niet verplicht op voorwaarde dat de lidstaten kunnen aantonen dat de bij de proefnemingen betrokken schepen een emissieverlaging realiseren die tenminste gelijkwaardig is met wat de vigerende lage grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen effectueren.

(ii) Artikel 7, lid 3, wordt als volgt gewijzigd:

"3. Rekening houdend met eventuele IMO-richtsnoeren inzake systemen voor de reiniging van uitlaatgassen en andere technologische methoden voor de beperking van de SOx-emissie, de effecten van deze technologieën op het milieu, met inbegrip van de mariene ecosystemen in open en gesloten havens en estuaria, en de resultaten van de eventueel uit hoofde van artikel 4 quater uitgevoerde proefnemingen, overweegt de Commissie of er als alternatief voor het krachtens de artikelen 4 bis en 4 ter vereiste gebruik van laagzwavelige scheepsbrandstoffen andere methoden voor emissiebeperking kunnen worden toegelaten en dient zij in voorkomend geval een voorstel in."

Amendement 39 stelt een nieuwe definitie van "binnenwater" voor in samenhang met artikel 4 ter waarbij specifieke zwavelgrenswaarden worden vastgesteld voor "schepen op binnenwateren". Omdat de Commissie gelooft dat meer duidelijkheid wordt gecreëerd door de betrokken schepen dan wel de waterwegen te omschrijven, geeft zij de voorkeur aan de volgende benadering:

(i) Er wordt een nieuw artikel 2, punt 3i toegevoegd:

3i. binnenschip: een schip dat bestemd is voor gebruik op de binnenwateren, met inbegrip van alle schepen die voorzien zijn van:

- een communautair certificaat voor binnenschepen, als omschreven in Richtlijn 82/714/EEG;

- een certificaat dat werd afgegeven op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte.

(ii) Artikel 4 ter wordt als volgt gewijzigd:

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat scheepsbrandstoffen met ingang van:

(i) [...*] als hun zwavelgehalte hoger is dan 0,20 massaprocent, en

(ii) 1 januari 2008 als hun zwavelgehalte hoger is dan 0,10 massaprocent,

niet door binnenschepen of door schepen op hun ligplaats in havens in de Gemeenschap worden gebruikt.

Amendement 41 betreffende de eerste fase voor de grenswaarden voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen kan worden opgesplitst in drie delen, waarvan alleen het tweede voor de Commissie aanvaardbaar is.

* Deel 1 omschrijft de door de Commissie voorgestelde zwavelgrenswaarde van 1,5 % in de SOxECA als een "eerste fase". Dit is onnodig omdat de Commissie de voorgestelde tweede fase niet aanvaardt (amendement 42).

* Deel 2 verkort de tenuitvoerleggingstermijn, die nu wordt vastgesteld op zes maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn. Dit moet haalbaar zijn, aangezien de scheepvaart- en de brandstofsector van de voorgestelde SOxECA-grenswaarde op de hoogte zijn sedert de vaststelling van bijlage VI in 1997.

* Deel 3 breidt de zwavelgrenswaarde van 1,5 % uit tot de territoriale wateren en exclusieve economische zones buiten de SOxECA. De Commissie meent dat dit voorbarig is, omdat nog geen gegevens voorhanden zijn over de hiermee samenhangende voordelen en kosten. Indien later zou blijken dat deze maatregel noodzakelijk is, geeft de Commissie de voorkeur aan een internationale afspraak waarbij in het kader van MARPOL-bijlage VI een bijkomende SOxECA wordt aangewezen.

Amendement 44 betreffende economische instrumenten kan worden opgesplitst in drie delen, waarvan de Commissie alleen het eerste in beginsel kan aanvaarden.

* Deel 1 schrijft voor dat de Commissie uiterlijk in 2007 een verslag voorlegt met voorstellen tot herziening van de richtlijn, die eventueel ook voorstellen voor economische instrumenten omvatten. De Commissie onderzoekt momenteel de haalbaarheid van het gebruik van economische instrumenten om de emissies van schepen in de toekomst te verlagen. 2007 is echter te vroeg voor een verslag over de richtlijn, gezien het feit dat sommige bepalingen daarvan pas in 2008 in werking treden. De Commissie stelt daarom de volgende toevoeging voor aan artikel 7 ("Rapportage en herziening"), lid 2:

"Op basis van onder meer het overeenkomstig lid 1 jaarlijks in te dienen verslag en de waargenomen ontwikkelingen in de luchtkwaliteit en de verzuring dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2010 een rapport bij het Europees Parlement en de Raad in. De Commissie kan dat rapport aanvullen met voorstellen tot herziening van deze richtlijn en met name de voor elke brandstofcategorie vastgestelde grenswaarden, de zeegebieden van de Gemeenschap waar laagzwavelige scheepsbrandstoffen dienen te worden gebruikt, en het gebruik van economische instrumenten - onder meer met inbegrip van mechanismen zoals gedifferentieerde bijdragen en kilometertarieven, verhandelbare emissievergunningen en compensaties."

* Deel 2 biedt reeds een mogelijkheid tot het compenseren van emissies in samenhang met het gebruik van technologie voor de reiniging van uitlaatgassen, waarbij groepen van scheepsexploitanten daadwerkelijk emissies zouden kunnen "overdragen" tussen schepen die hun uitlaatgassen reinigen en schepen die dat niet doen. De Commissie is van mening dat de optie om scheepsemissies op deze manier te verhandelen, in dit stadium prematuur is, maar dat deze mogelijkheid wel in bovenbedoeld verslag van 2010 moet worden onderzocht.

* Deel 3 voegt nog meer nieuwe bepalingen betreffende de reiniging van uitlaatgassen toe. De Commissie beschouwt dit als overbodig omdat deze kwestie reeds afdoend is behandeld in samenhang met de amendementen 33 en 43.

3.3. Niet door de Commissie aanvaarde amendementen

Amendement 13 wil de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging van de zwavelgrenswaarde van 1,5 % voor brandstoffen die door passagiersschepen op geregelde diensten worden gebruikt, wijzigen van "1 juli 2007" in "zes maanden na inwerkingtreding van de richtlijn". Dit komt waarschijnlijk neer op een verkorting van de termijn, wat voor de Commissie onaanvaardbaar is.

Amendement 22 hangt rechtstreeks samen met amendement 20, dat het bij de stemming in plenaire zitting niet heeft gehaald. Het is derhalve niet langer relevant.

Amendement 25 bepaalt dat de monitoring van de brandstoffen wordt uitgebreid tot alle zeeschepen in alle communautaire wateren. De Commissie aanvaardt deze voorgestelde uitbreiding niet, aangezien zij samenhangt met het onaanvaardbare amendement 42 en het onaanvaardbare gedeelte van amendement 41 waarbij de zwavelgrenswaarden voor scheeps brandstoffen worden uitgebreid tot alle territoriale wateren van de EU en alle exclusieve economische zones.

Amendement 26 schrijft voor dat de grenswaarden voor scheepsbrandstoffen uit hoofde van het nieuwe artikel 4 bis bis worden bewaakt. Het amendement waarbij dit nieuwe artikel 4 bis bis wordt toegevoegd, wordt door de Commissie echter niet aanvaardt. Amendement 26 schrapt voorts de verwijzing naar de bemonstering en het controleren van het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die in andere zeegebieden van de Gemeenschap worden gebruikt. Maar die brandstoffen moeten wel degelijk worden gecontroleerd, wil men kunnen garanderen dat de nieuwe zwavelgrenswaarden voor scheepsbrandstoffen in de SOxECA niet leiden tot een verhoogd zwavelgehalte van de elders gebruikte scheepsbrandstoffen.

Amendement 32 bepaalt dat het voorgestelde verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad niet in 2010 maar twee jaar eerder moet worden ingediend. Dat is te vroeg: een aantal van de voorgestelde zwavelgrenswaarden voor scheepsbrandstoffen treden immers pas in 2008 in werking. Het amendement stelt ook dat bedoeld verslag vergezeld moet gaan van wetgevingsvoorstellen, inclusief volledige specificaties voor scheepsbrandstoffen, en eist dat de Commissie daarnaast een verslag overlegt over maatregelen ter verankering van de bepalingen van de richtlijn in het MARPOL-verdrag van IMO. Deze manier van voorschrijven van wat het verslag dient in te houden, vormt een aantasting van het initiatiefrecht van de Commissie.

Amendement 42 voorziet in een zwavelgrenswaarde van 0,5 % in een tweede fase. De Commissie beschouwt dit als voorbarig, aangezien de hieraan verbonden extra voordelen en kosten niet worden gedocumenteerd. De Commissie zal in haar verslag van 2010 onderzoeken of strengere zwavelgrenswaarden voor scheepsbrandstoffen gerechtvaardigd zijn.

3.4. Gewijzigd voorstel

Overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag wijzigt de Commissie haar voorstel zoals hierboven uiteengezet.