Home

Voorstel voor een verordening van de Raad tot verlenging van de tijdelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 258/2005 waren ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne

Voorstel voor een verordening van de Raad tot verlenging van de tijdelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 258/2005 waren ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne

[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 17.10.2005

COM(2005) 500 definitief

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot verlenging van de tijdelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 258/2005 waren ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL |

110 | Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel heeft betrekking op de toepassing van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 van 8 maart 2004 (“de basisverordening”) in de procedure betreffende de invoer van naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne. |

120 | Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat werd verricht in overeenstemming met de materiële en formele eisen van de basisverordening. |

130 | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Bij Verordening (EG) nr. 258/2005 van de Raad van 17.2.2005 werden definitieve antidumpingrechten ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne. Bij die verordening werden de definitieve antidumpingrechten gewijzigd die waren ingesteld bij Verordening (EG) nr. 348/2000 van 17.2.2000, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1515/2002 van 24.8.2004. Bij Besluit 2005/133/EG van de Commissie van 17.2.2005 werden de definitieve antidumpingrechten gedeeltelijk geschorst voor een periode van negen maanden met ingang van 18 februari 2005. Voorstel voor verlenging van de bij Besluit 2005/133/EG vastgestelde gedeeltelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten. |

141 | Samenhang met andere beleidsgebieden van de EU Niet van toepassing. |

RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van belanghebbenden |

219 | Overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening heeft de Commissie de EU-producenten in kennis gesteld van haar voornemen de gedeeltelijke schorsing van de antidumpingmaatregelen te verlengen en heeft zij deze producenten de gelegenheid gegeven om opmerkingen te maken. De EU-producenten maakten geen bezwaar. |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

229 | Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. |

230 | Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een limitatieve lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. |

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

305 | Samenvatting van de voorgestelde maatregelen In artikel 14, lid 4, van de basisverordening is bepaald dat antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap mogen worden geschorst indien de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat ten gevolge van de schorsing opnieuw schade zal ontstaan. Antidumpingmaatregelen mogen bij besluit van de Commissie worden geschorst voor een periode van negen maanden. In artikel 14, lid 4, is tevens bepaald dat die schorsing met ten hoogste één jaar mag worden verlengd indien de Raad, op voorstel van de Commissie, hiertoe besluit. Voorts is in artikel 14, lid 4, bepaald dat de antidumpingmaatregelen te allen tijde weer kunnen worden ingesteld wanneer de reden van de schorsing niet langer bestaat. Na de gedeeltelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten bij Besluit 2005/133/EG is de Commissie toezicht blijven houden op de markt van naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal, en met name op de invoer uit Kroatië en Oekraïne. Bij onderzoek van recente importstromen is gebleken dat de invoer uit Kroatië en Oekraïne zeer beperkt is gebleven. De Commissie is van oordeel dat de situatie op de markt dezelfde is als op het ogenblik waarop de maatregelen tijdelijk werden geschorst. De Raad wordt derhalve om goedkeuring verzocht van bijgevoegd voorstel voor een verordening tot verlenging van de gedeeltelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten bij invoer uit Kroatië en Oekraïne. Deze verordening moet uiterlijk 17 november 2005 in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt. |

310 | Rechtsgrond Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004. |

329 | Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. |

Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: |

331 | De vorm van de maatregel is beschreven in vorengenoemde basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. |

332 | Beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Gemeenschap, nationale regeringen, regionale en lokale autoriteiten, bedrijven en burgers zoveel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing. |

Keuze van instrumenten |

341 | Voorgestelde instrumenten: verordening. |

342 | Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn: Vorengenoemde basisverordening voorziet niet in andere mogelijkheden. |

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

409 | Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. |

AANVULLENDE INFORMATIE |

520 | Verlenging van de geldigheid van bestaande wetgeving De goedkeuring van dit voorstel zal leiden tot de verlenging van de geldigheid van bestaande wetgeving. |

- Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot verlenging van de tijdelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 258/2005 waren ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[1] (“de basisverordening”), met name op artikel 14, lid 4,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

2. Na een onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening heeft de Raad, bij Verordening (EG) nr. 258/2005[2], een antidumpingrecht van 38,8% ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en een antidumpingrecht van 64,1% op bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer en van niet-gelegeerd staal uit Oekraïne, met uitzondering van de producten vervaardigd door Dnipropetrovsk Tube Works (“DTW”) waarvoor een antidumpingrecht van 51,9% geldt. Bij genoemde verordening werden de definitieve antidumpingrechten gewijzigd die waren ingesteld bij Verordening (EG) nr. 348/2000[3] (“de oorspronkelijke maatregelen”), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1515/2002[4], en werd de mogelijkheid ingetrokken om van de rechten te worden vrijgesteld waarin artikel 2 van Verordening (EG) nr. 348/2000 voorzag.

3. Bij Besluit 2005/133/EG[5] heeft de Commissie de definitieve antidumpingrechten voor een periode van negen maanden, met ingang van 18 februari 2005, gedeeltelijk geschorst.

B. MAATREGELEN BIJ DE INVOER UIT ROEMENIË EN RUSLAND

4. Bij Verordening (EG) nr. 2320/97 werden antidumpingrechten ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit onder meer Roemenië en Rusland[6]. Bij Besluit 97/790/EG[7] en 2000/70/EG[8] werden verbintenissen aanvaard van exporteurs in onder meer Roemenië en Rusland. Bij Verordening (EG) nr. 1322/2004[9] werd besloten de antidumpingmaatregelen ten aanzien van naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Roemenië en Rusland niet langer toe te passen ten gevolge van het concurrentiebeperkend gedrag van enkele EG-producenten[10].

C. REDENEN VOOR DE VERLENGING VAN DE GEDEELTELIJKE SCHORSING

5. In artikel 14, lid 4, van de basisverordening is bepaald dat antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap mogen worden geschorst indien de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat ten gevolge van de schorsing opnieuw schade zal ontstaan. Antidumpingmaatregelen mogen bij besluit van de Commissie voor een periode van negen maanden worden geschorst. In artikel 14, lid 4, is ook bepaald dat de schorsing met ten hoogste één jaar mag worden verlengd indien hiertoe door de Raad, op voorstel van de Commissie, wordt besloten. Voorts is in artikel 14, lid 4, bepaald dat de antidumpingmaatregelen te allen tijde weer kunnen worden ingesteld wanneer de reden van de schorsing niet meer bestaat.

6. Na de gedeeltelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten is de Commissie toezicht blijven houden op de markt voor naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal, en met name op de invoer uit Kroatië en Oekraïne.

7. Bij een onderzoek van recente importstromen bleek dat de invoer uit Kroatië en Oekraïne zeer gering is gebleven.

8. De Commissie is van oordeel dat de situatie op de markt dezelfde is als op het ogenblik waarop de antidumpingmaatregelen gedeeltelijk werden geschorst. Gezien de zeer beperkte invoer uit Kroatië en Oekraïne wordt geoordeeld dat het onwaarschijnlijk is dat de EU-producenten bij een verlenging van de gedeeltelijke schorsing van de antidumpingmaatregelen opnieuw schade zullen ondervinden. Zolang de huidige situatie op de markt voortduurt, waarop Rusland en Roemenië een aanzienlijk marktaandeel hebben, is een sterke stijging van de invoer uit Oekraïne en/of Kroatië onwaarschijnlijk. Het is derhalve onwaarschijnlijk dat opnieuw schade zal ontstaan ten gevolge van een verlenging van de schorsing. Gezien immers de bijzondere omstandigheden, onder meer door de niet-toepassing van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van Rusland en Roemenië, wordt geoordeeld dat de rechten van 23% en 38,5% die bij het oorspronkelijk onderzoek voor respectieveijk Kroatië en Oekraïne werden vastgesteld, toereikend zijn om een eind te maken aan de schadelijke gevolgen van dumping.

9. Om bovenstaande redenen wordt voorgesteld de gedeeltelijke schorsing van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal te verlengen met een periode van één jaar overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening.

10. Wanneer de reden van de schorsing niet meer bestaat, mogen de antidumpingmaatregelen weer worden ingesteld en kan de gedeeltelijke schorsing onverwijld ongedaan worden gemaakt.

D. RAADPLEGING VAN DE EU-PRODUCENTEN

11. Overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening heeft de Commissie de EU-producenten in kennis gesteld van haar voornemen om de gedeeltelijke schorsing van de antidumpingmaatregelen te verlengen en deze producenten de gelegenheid gegeven opmerkingen te maken. Deze producenten maakten geen bezwaar,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De gedeeltelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten bij Besluit 2005/133/EG van de Commissie wordt verlengd tot 18 november 2006.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

[1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

[2] PB L 46 van 17.2.2005, blz. 7.

[3] PB L 45 van 17.2.2000, blz. 1.

[4] PB L 228 van 24.8.2002, blz. 8.

[5] PB L 46 van 17.2.2005, blz. 46.

[6] PB L 322 van 25.11.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 235/2004 (PB L 40 van 12.2.2004, blz. 11).

[7] PB L 322 van 25.11.1997, blz. 63.

[8] PB L 23 van 28.1.2000, blz. 78.

[9] PB L 246 van 20.7.2004, blz. 10.

[10] Zie overwegingen 9 en volgende van Verordening (EG) nr. 1322/2004.