Home

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven (verkennend advies)

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven (verkennend advies)

22.9.2009

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/9


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven (verkennend advies)

2009/C 228/02

Het Tsjechische ministerie van buitenlandse en Europese zaken heeft het EESC in een brief d.d. 27 juni 2008 verzocht om, met het oog op het toekomstige Tsjechische EU-voorzitterschap, een verkennend advies op te stellen over

Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven” (verkennend advies).

De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 maart 2009 goedgekeurd. Rapporteur was Henri MALOSSE, corapporteur Cristian PIRVULESCU.

Het EESC heeft tijdens zijn op 24 en 25 maart 2009 gehouden 452e zitting (vergadering van 24 maart) onderstaand advies uitgebracht, dat met 160 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1. Samenvatting en aanbevelingen

1.1

Onderhavig op verzoek van het Tsjechisch EU-voorzitterschap uitgebracht verkennend advies bevat aanbevelingen voor (organisaties van) ondernemingen, tal van verschillende onderwijsinstellingen en de EU in het algemeen. Ook wordt gewezen op openingen naar de sociale en de burgerdialoog met alle instellingen en belanghebbende structuren.

1.2

Voor de behandeling van het gekozen thema is rekening gehouden met de volgende factoren:

de context. De huidige crisis maakt Europa kwetsbaar voor nieuwe externe en interne moeilijkheden die in de reële economie tot gevolg hebben dat ondernemingen hun deuren moeten sluiten of worden geherstructureerd en dat de werkloosheid enorm toeneemt.

structurele tendensen met een vérstrekkende sociaaleconomische impact. Voorbeelden daarvan zijn de vergrijzing, de steeds feller wordende internationale concurrentie met de opkomende industrielanden, de ontwikkeling van nieuwe, voortdurend om aanpassingen vragende technologie en de noodzaak om er klaar voor te zijn als nieuwe bekwaamheden nodig worden.

het risico van maatschappelijke uitsluiting. Er moet worden gekeken naar de behoeften van personen en doelgroepen die het meest met maatschappelijke uitsluiting worden bedreigd. De toch al kwetsbaren in de samenleving krijgen de hardste klappen van de crisis. Samenwerking moet steeds zijn gericht op meer gerechtigheid. Dit kan door projecten te lanceren om vrouwen, jongeren, minderheidsgroepen, gehandicapten en oudere werknemers (weer) aan banen te helpen.

1.3

Qua methode is uitgegaan van de volgende prioritaire uitgangspunten:

partnerschap mag niet inhouden dat wordt voorbijgegaan aan de wezenlijk ándere taak van bedrijfsleven en van onderwijsinstellingen;

over het geheel genomen laten de betrekkingen tussen onderwijswereld en bedrijfsleven nog te wensen over, behalve in het technisch en beroepsonderwijs. Wat vooral ontbreekt, zijn de noodzakelijke strategische visie en middelen;

voor alle te ontplooien initiatieven moet de gulden middenweg worden gevonden tussen top-down- en bottom-up-benadering;

persoonlijke contacten zijn belangrijk voor echt efficiënte samenwerking;

de problematiek van „Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven” moet in brede zin worden behandeld, d.w.z. dat moet worden gekeken naar alle mogelijke onderwijsinstellingen (universiteiten, beroepsopleidingen, scholen enz.) en soorten werkgevers (particuliere ondernemingen, overheidsbedrijven, ngo's enz.). Daarbij is een benadering op drie niveaus nodig:

lager, middelbaar en voortgezet onderwijs

beroepsonderwijs (basis- en voortgezette beroepsopleiding)

de vorming van ingenieurs en technici, innovatie en onderzoek.

er moet vooral iets worden gedaan voor de beroepssector en kleine en middelgrote ondernemingen. Die bedrijfscategorie is flexibel en daarom goed voor de meeste banengroei in tijden van crisis. Ook vervult deze categorie een speciale rol als het erom gaat ondernemingsgeest en creativiteit te promoten;

werkgeversorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties fungeren als katalysatoren voor projecten en synergiewerking, met als uiteindelijke doel initiatieven en duurzame en dynamische structuren te ondersteunen.

Tegen de achtergrond van concurrentie is de algemene leidraad dat wordt gekozen voor een model waarin alle betrokken actoren samenwerken

1.4

Het EESC pleit voor een nieuw EU-kader voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven waarin recht wordt gedaan aan de voordelen van de Europese dimensie en waarmee de hele samenleving vooruit wordt geholpen. Er zou een Europees proces op gang moeten worden gebracht, dat het „Praagse proces” kan worden genoemd naar de conferentie over „Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven” die het Tsjechische EU-voorzitterschap voor 6 en 7 april a.s. in Praag organiseert. Het zou daarbij kunnen gaan om een vrij breed Europees referentiekader waardoor actoren in het veld - lokaal en nationaal - innoverende acties kunnen ondernemen, door

er bij de lidstaten en alle andere openbare overheden op aan te dringen om in het algemeen meer in onderwijs en met name in voornoemde partnerschappen te investeren als adequaat weermiddel tegen de economische crisis en als oplossing voor de aanhoudende problemen op de arbeidsmarkt;

bedrijfsleven en onderwijsinstellingen aan te sporen om die partnerschappen aan te gaan en deze qua vorm en inhoud te vernieuwen;

de uitwisseling van best practices te organiseren en technische en financiële maatstaven vast te leggen waaraan EU-initiatieven kunnen worden getoetst en op grond waarvan die initiatieven kunnen worden geëvalueerd, waarna daaraan bekendheid kan worden gegeven;

gemeenschappelijke projecten uit te werken (gemeenschappelijke referenties voor diploma's, netwerken voor scholen en initiatieven, opleidingen voor leerkrachten, netwerken van tussenpersonen);

programma's te lanceren voor mobiliteit met uitwisselingen tussen leerkrachten, leerlingen, scholen en werkgeversorganisaties.

1.5

Het EESC suggereert om dat Praagse proces tot 2013 met middelen uit de structuurfondsen en lopende programma's (bv. Leonardo-programma, Grundtvig-programma en de uitwisselingsprogramma's van Erasmus voor studenten, stagiairs en beginnende ondernemers) te financieren, waarbij evt. aanpassingen kunnen worden doorgevoerd. Zo zou het ESF kunnen worden ingezet voor beginopleidingen. Voor na 2013 kan dan een specifiek aanvullend programma worden voorgesteld.

2. Noodzaak en potentieel van partnerschappen tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven

2.1

In heel Europa worden ontwikkeling en levenskwaliteit in belangrijke mate bepaald door cultuur en wetenschap, die op hun beurt afhangen van de kwaliteit van de onderwijsmiddelen. Benadrukt moet worden dat de behoefte aan partnerschappen tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven in Europa moet worden bezien in het licht van een aantal ingrijpende ontwikkelingen, nl.

op maatschappelijk gebied: een sterke toename van de vraag naar kennis

op economisch gebied: de exponentiële groei van vakken waarin moet worden onderwezen, omdat de economie daarom vraagt

op cultureel gebied: de alsmaar complexere vereisten voor het promoten van de waarden van de multiculturele samenleving.

Bij het aangaan van bedoelde partnerschappen moeten ook de volgende overwegingen worden meegenomen:

iedereen heeft recht op onderwijs en opleiding, waarbij met name de algemene ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau moet worden getild. Daaronder valt ook onderricht in vreemde talen en moderne communicatietechnologie;

maatschappelijke uitsluiting en discriminatie, in welke vorm dan ook, moeten worden bestreden en diversiteit moet altijd in ere worden gehouden;

creativiteit en initiatiefvermogen zijn evenzovele positieve waarden die verband houden met concepten als „rijkdom genereren” en ondernemingszin;

er moet speciaal aandacht worden geschonken aan individuele gevallen, vooral in specifieke doelgroepen.

2.2

De prognoses voor wat Europa aan kennis en vaardigheden nodig heeft, zijn van oudsher ingesteld op de lange termijn. Alleen is de economie inmiddels geglobaliseerd en volgen de veranderingen elkaar snel op: daarom moeten onderwijsinstellingen en bedrijfsleven nauwer met elkaar gaan samenwerken om uit te maken welke kennis en vaardigheden – vooral kleine en middelgrote – ondernemingen nu en in de nabije toekomst nodig hebben

2.3

Er worden in het technisch, middelbaar en voortgezet onderwijs nu al jaren erg positieve ervaringen opgedaan met partnerschappen waardoor onderwijs en economie op elkaar kunnen worden afgestemd. Dit gebeurt doordat er tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen tal van (al dan niet formele) overeenkomsten worden gesloten. Naast al die verspreid over Europa waar te nemen voorbeelden van geslaagde methoden, is de ambitie thans om nog verder te gaan en duurzame partnerschappen aan te gaan waarmee synergie tot stand wordt gebracht en krachten en talenten worden gebundeld. Zo kunnen onderwijsinstellingen en ondernemingen samen tegemoetkomen aan wat nodig is voor economie en samenleving. Daarbij blijft onverlet dat iedere partij eigen verantwoordelijkheden heeft, met name onderwijsinstellingen wier taak het is om in alle onafhankelijkheid diploma's af te geven.

Het spreekt voor zich dat ondernemingen en onderwijsinstellingen andere doelen nastreven, maar de kans dat hun inspanningen met succes worden beloond, wordt groter als er informatie wordt uitgewisseld, partnerschappen worden aangegaan en gemeenschappelijke projecten worden opgezet. Veel lidstaten kennen al jaren, zoniet eeuwen, alternerend onderwijs, d.w.z. opleidingen die deels op school en deels in bedrijven worden gegeven. Voorbeelden daarvan zijn de Duale Ausbildung in Duitsland, en de leerlingenstelsels in Frankrijk (arprentissage) en het Verenigd Koninkrijk (apprenticeship). Alternerend onderwijs biedt een hoge meerwaarde aan voortdurende, gestructureerde en geïntegreerde partnerschappen.

2.4

Idealiter bestaat de inbreng van ondernemingen uit kennis over de huidige en toekomstige marktbehoeften, waardoor een betere sturing van het onderwijs– en opleidingsaanbod mogelijk wordt. Ondernemingen bieden een schat aan knowhow, beroepsvaardigheden en technische middelen.

2.5

Idem dito beschikt het onderwijs over een schat aan technische en wetenschappelijke kennis waarvan in de praktijk gebruik kan worden gemaakt: voorbereiding op de intrede op de arbeidsmarkt, ontwikkeling van nieuwe producten en diensten en scholingstrajecten.

3 Uitdagingen voor onderwijsinstellingen en ondernemingen

3.1

Ondanks alle positieve ervaringen wordt nog steeds mondjesmaat gebruik gemaakt van de mogelijkheid om partnerschappen aan te gaan: initiatieven die in die zin zijn genomen, blijven meestal beperkt tot technisch en beroepsonderwijs. Vanwege de economische crisis is benutting van het potentieel van partnerschappen inmiddels een noodzaak geworden: economisch herstel is ondenkbaar zonder dat de scholing van werknemers beter op de behoeften van de arbeidsmarkt wordt afgestemd en zonder dat de vaardigheden en het menselijk kapitaal in ondernemingen beter worden aangewend.

3.2

Het kader voor die nieuwe Europese partnerschappen moet uiteraard veelvormig zijn. De verschillende actoren moeten er gedifferentieerd bij worden betrokken:

lokaal moeten ondernemingen, onderwijsinstellingen en lokale overheden partnerschappen aangaan;

ondernemersorganisaties, de sociale partners, onderwijsstructuren en andere actoren van het maatschappelijke middenveld moeten aan die lokale partnerschappen een impuls en een gestructureerd kader kunnen geven;

op Europees niveau komt het erop aan dat de Commissie, de grote Europese werkgevers- en werknemersorganisaties, alle andere actoren van het maatschappelijke middenveld en natuurlijk ook de Europese regeringen aan bedoeld kader de dimensie geven van een EU van 27 lidstaten.

3.3

Onderwijsinstellingen en ondernemingen hebben een verantwoordelijkheid gemeen, nl. om – via hun representatieve organisaties - samen onderwijstrajecten en opleidingen voor te stellen.

3.4

Ondernemingen moeten zeer gevarieerde deskundige kennis in huis hebben naar gelang van de diverse factoren die bepalend zijn voor of van invloed zijn op hun organisatie, werking en economische bedrijvigheid: technologische ontwikkeling en nieuwe technologie, internationalisering. Het is voor ondernemingen beslist noodzakelijk dat ze op de arbeidsmarkt werknemers vinden die de nodige deskundigheid hebben. Tegelijkertijd moeten ondernemingen echter ook hun werknemers en (toekomstig) leidinggevend personeel blijven vormen naar de eisen van de sector waarin ze actief zijn. Werknemers moeten hun inzetbaarheid verhogen en verworven kwalificaties kunnen omzetten in diploma’s die zowel binnen de onderneming als daarbuiten (dus op de arbeidsmarkt) worden erkend.

3.5

Tekenend voor de evolutie van het onderwijs in Europa zijn de volgende fenomenen: de massale toestroom naar en de diversificatie van het onderwijs. De snelle stijging van het aantal leerlingen en studenten van de afgelopen decennia is gepaard gegaan met een vergaande diversificatie van de populatie (qua leeftijd, vooropleidingen, sociale achtergrond enz.). Die diversificatie heeft dan weer geleid tot de noodzaak van aangepaste werkmethoden en een op doelgroepen afgestemde aanpak.

3.6

In weerwil van alle huidige moeilijkheden, zijn er enorme mogelijkheden voor samenwerking op dit gebied. Daarbij moeten drie aspecten worden benadrukt:

3.6.1

Er is een groot tekort aan geschoold personeel in de zorgsector, de bouw en de horeca. Technisch en beroepsonderwijs heeft al lang een voorbeeldfunctie voor lokale samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven. Alleen is juist dat onderwijs in veel landen in onbruik geraakt, waardoor de mening begint post te vatten dat de toename van armoede en maatschappelijke uitsluiting rechtstreeks daarop is terug te voeren. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen en ondernemingen om de loopbaanperspectieven (lonen, bevorderingen, enz.) te verbeteren, de waarde van (ambachtelijke) beroepen te benadrukken en kwaliteitsonderwijs te garanderen waarin „algemene ontwikkeling” een belangrijke rol speelt.

3.6.2

Door het hoge tempo waarin veranderingen elkaar voortdurend opvolgen, moeten resultaten continu worden bijgewerkt, is bij- en omscholing onontbeerlijk geworden en moeten vaardigheden en beroepskwalificaties voortdurend op peil worden gehouden. Niemand ontkomt dus meer aan voortdurende scholing: daarin ligt een uitgelezen kans voor onderwijsinstellingen en ondernemingen om partnerschappen aan te gaan.

3.6.3

Uitzonderingen daargelaten zijn onderwijsinstellingen voor de meeste (vooral kleine en middelgrote) ondernemingen nog steeds grote onbekenden, terwijl er – met name voor het mkb – behoefte kan zijn aan polyvalente opleidingen. Een methode bij uitstek kan zijn dat werkgevers meer worden betrokken bij de vorming van de leerkrachten die les geven in beroepsvaardigheden. Ook zouden er cursussen moeten worden georganiseerd voor tussenpersonen die het aangaan van partnerschappen stimuleren en op de werking ervan gaan toezien.

4. Een Europees kader voor de betrekkingen tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven

Juist in tijden van crisis waarin Europa met tal van nieuwe uitdagingen wordt geconfronteerd en de werkloosheid de pan uit rijst, moet veel worden geïnvesteerd in opleiding, maar moet er ook - en het belang daarvan wordt door de Commissie in haar Mededeling „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen”(1) onderkend - snel worden ingespeeld op de kennis en vaardigheden die in de toekomst nodig zullen worden: die behoefte vraagt om evaluatie en management. De fondsen die er zijn (met name de structuurfondsen), moeten daar nu dan ook voor worden ingezet, terwijl moet worden nagedacht over nieuwe maatregelen tijdens de komende programmeringsperiode (2014-2020).

4.1 In de jaren tachtig is er één enkel Europees netwerk opgericht, nl. het COMETT-programma, waarmee jaarlijks met succes duizenden transnationale uitwisselingen tussen bedrijfsleven en universiteiten konden worden georganiseerd, met ruimte voor geavanceerde spoedcursussen. Op het gehele Europese grondgebied is het aanbod aan geavanceerde opleidingen er zowel kwalitatief als kwantitatief op vooruit gegaan. Daardoor is Europa's concurrentievermogen groter geworden en is het besef gaan groeien van de - steeds beter begrepen - voordelen van samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen.

Sommige onderdelen van het COMETT-programma zijn terug te vinden in het Leonardo da Vinci-programma. Dat neemt niet weg dat het geheel eigen karakter en het potentieel van de via COMETT opgezette netwerken zijn verdwenen.(2)

4.2 Bolognaproces

4.2.1

De in 1999 als „Bolognaproces” door de ministers van onderwijs en rectoren van universiteiten van 29 landen gelanceerde Europese ruimte voor het hoger onderwijs heeft officieel in 46 lidstaten van de Raad van Europa tot een drastische hervorming geleid.

4.2.2

Doel van het Bolognaproces is om voornamelijk door de harmonisatie in Europa van de universitaire cycli (bachelor/master/doctorsgraad) een Europese opleidingsruimte tot stand te brengen. Voordeel van die harmonisatie is vooral dat studies kunnen worden vergeleken, wat goed is voor het vrije verkeer van studenten en de mobiliteit in het algemeen. Een en ander leidt tot meer transparantie, minder verzuiling en betere samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen.

4.2.3

Er valt echter niet te ontkomen aan de vaststelling dat

het streven naar hechtere banden tussen bedrijfsleven en onderwijswereld nergens uitdrukkelijk als prioriteit wordt aangemerkt;

universiteiten, die uiteraard niet als eerste taak hebben om betrekkingen aan te gaan met werkgevers, over het algemeen noch over de middelen, noch over de capaciteiten beschikken om gestructureerd te gaan samenwerken met ondernemingen van de EU- lidstaten;

werkgevers wel willen samenwerken, maar het maar al te vaak laten afweten als het erom gaat de nodige technische en financiële assistentie te verlenen.

4.3 Kopenhagenproces

4.3.1

Doel van het in 2002 opgestarte Kopenhagenproces is van de beroepsopleidingsstelsels een kwaliteitsreferentie te maken. Bovendien zijn met het Bolognaproces vergelijkbare acties, maar dan aangepast aan beroepsonderwijs en -opleidingen, sterk aangemoedigd.

4.3.2

Zowel het Leonardo- als het Grundtvig-programma zijn nauwelijks bekend geworden en te veel gereserveerd gebleven voor een beperkte kring. Ook hebben ze onvoldoende kritische massa verworven voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan (met het Leonardo-programma moet de mobiliteit van al degenen die in Europa een beroepsopleiding willen volgen, worden bevorderd en de uitwisseling van best practices onder opleidingsverantwoordelijken worden vergemakkelijkt; het Grundtvig-programma heeft ten doel om de kwaliteit van volwassenenonderwijs te verhogen en de Europese dimensie daarvan te benadrukken en om Europese burgers meer en betere mogelijkheden voor „levenslang leren” te bieden). Los van de manier waarop deze programma's zijn opgezet, zullen in de toekomst de actiemiddelen ervan moeten worden geconsolideerd.

4.3.3

De op 28 november 2008 afgelegde Verklaring van de Raad van Bordeaux ligt in het verlengde van het Kopenhagenproces voor meer samenwerking in beroepsonderwijs en -opleiding. In deze verklaring wordt eens te meer gewezen op de noodzaak om bij overheid en particuliere sector toereikende financiële middelen te mobiliseren, waarbij gebruik zou moeten worden gemaakt van instrumenten als het ESF, het EFRO en de EIB (leningen).

In het Communiqué van Bordeaux wordt erop gewezen dat de competenties ontoereikend zijn en dat acties moeten worden ondernomen om op de behoeften te kunnen vooruitlopen. Verder staat daarin dat beroepsopleidingen zo ruim mogelijk moeten worden opgezet en dat de lidstaten, de Commissie en de sociale partners daarover moeten kunnen meepraten.

5. Een nieuw Europees proces voor partnerschappen tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven

5.1

Volgens het laatste verslag over de vooruitgang die met het werkprogramma „Onderwijs en opleiding 2010”(3) is geboekt, kan de EU niet langer de ogen sluiten voor haar achterstand op het gebied van onderwijs, noch voor de moeilijkheid om het bedrijfsleven werknemers aan te leveren die over voldoende basis- en gespecialiseerde kennis beschikken om de technologische uitdagingen en de huidige globalisering het hoofd te kunnen bieden. Intra-Europese mobiliteit is dan ook een conditio sine qua non, net zo goed als het aanleren van vreemde talen in het kader van de Europese strategie voor meertaligheid. Het nut van een gemengde benadering van het thema „Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven” ligt dus in de noodzaak om een oplossing te vinden voor de geschetste problemen, maar vooral ook in de noodzaak om een einde te maken aan de verzuiling van de nationale beleidsmaatregelen voor onderwijs: het potentieel van de Europese integratie voor de ontwikkeling van menselijk kapitaal moet nu eindelijk eens worden uitgebuit.

5.2

Scholen en universiteiten die hun aanbod niet tot de beginopleiding willen beperken, maar ook permanente scholing willen aanbieden, moeten meer steun krijgen. Behalve in enkele lidstaten kunnen onderwijsinstellingen bijvoorbeeld geen aanspraak maken op financiële steun uit structuurprogramma’s voor de ontwikkeling van menselijk kapitaal. Uit de ervaringen die zijn opgedaan in de landen waar hiertoe wel het initiatief is genomen, blijkt dat dit in aanzienlijke mate kan bijdragen tot de ontwikkeling van hechtere betrekkingen met het bedrijfsleven en een over het algemeen hogere kwaliteit van het onderwijs- en opleidingsaanbod.

5.3

Algemeen wordt erkend dat de Europese programma’s vooral tekortschieten vanwege gebrek aan ambitie als gevolg van budgetkrapte. Is het daarom niet beter om in plaats van een zoveelste Europees programma aan te bevelen waarvan de toegang toch beperkt blijft tot een kleine elitaire groep, voor een systeemaanpak te kiezen op grond van eenvoudigere (want niet zo bureaucratisch als de meeste Europese programma’s helaas zijn), maar tegelijk ook ambitieuzere regelingen? Daarvoor zijn nodig:

een globaal beleidskader dat ter goedkeuring en beoordeling en voor een follow-up aan de sociale partners, het Europees Parlement, de Europese Raad en het EESC wordt voorgelegd;

Europese instrumenten voor de verkenning van de markten en om uit te maken in welke sectoren er veel vraag is naar geschoold personeel;

mogelijkheden om in het technisch onderwijs, maar ook in het kader van „levenslang leren” of in onderzoekskringen best practices uit te wisselen;

regelingen waardoor Europese studiebeurzen kunnen worden uitgereikt. Die systemen zouden kunnen worden gefinancierd door de EU, de lidstaten, particuliere ondernemingen en/of verenigingen en zouden moeten worden bestemd voor alle soorten doelgroepen, vooral minderheden en probleemjongeren; gedacht wordt aan praktijkstages, beroepsintegratieprojecten en innovatie-projecten;

gemeenschappelijke referenties voor diploma's of beroepsattesten en grensoverschrijdende netwerken voor lokale initiatieven;

Europese netwerken voor tussenpersonen die het aangaan van partnerschappen moeten vergemakkelijken;

Europese fondsen en programma's die zijn aangepast om met deze doelstelling in overeenstemming te worden gebracht.

5.4

De Europese integratie biedt een schat aan mogelijkheden om ervaringen uit te wisselen en de horizon te verbreden. Daardoor krijgen alle Europese onderwijsinstellingen meer speelruimte en een rijkere bron waaruit zij kunnen putten en wordt alle ondernemingen een interne groeimarkt geboden. Het Praagse proces (vernoemd naar de conferentie „Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven” die het Tsjechische EU-voorzitterschap voor 6 en 7 april a.s. in Praag organiseert) zou daaraan een politieke impuls kunnen geven, alsook een routekaart voor hoe een en ander in praktijk moet worden gebracht.

Brussel, 24 maart 2009

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI