Home

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid SEC(2009) 974 final SEC(2009) 975 final

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid SEC(2009) 974 final SEC(2009) 975 final




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 13.7.2009

COM(2009) 362 definitief

2009/0099 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid SEC(2009) 974 finalSEC(2009) 975 final

TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Op basis van Bazel II, het herziene internationale kapitaalraamwerk, is in juni 2006 een nieuw Europees kader voor kapitaalvereisten vastgesteld: de Richtlijn Kapitaalvereisten (RKV), bestaande uit Richtlijn 2006/48/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) en Richtlijn 2006/49/EG inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking).

Algemeen wordt erkend dat een verdere hervorming van de regelgeving noodzakelijk is voor het aanpakken van de in het regelgevingskader voor kapitaalvereisten en in het risicobeheer van financiële instellingen aanwezige tekortkomingen die tot de onrust op de wereldwijde financiële markten hebben bijgedragen. In het kader van haar reactie op de financiële crisis heeft de Commissie onder andere in november 2008 een groep op hoog niveau onder leiding van de heer Jacques de Larosière opdracht gegeven met aanbevelingen te komen voor een hervorming van het financiële toezicht en de financiële regelgeving in Europa. De 31 aanbevelingen[1] die de groep heeft gedaan, vormden een veelomvattend pakket voorstellen voor corrigerende maatregelen op het gebied van toezicht en regelgeving. Ten aanzien van de beloningsstructuren beveelt het rapport-De Larosière aan om een beter evenwicht tot stand te brengen tussen bonussen enerzijds en de belangen van de aandeelhouders en de winstgevendheid op lange termijn anderzijds door de structuur van de beloningsregelingen in de financiële sector te baseren op de volgende beginselen: bonussen moeten in verhouding staan tot de werkelijke prestaties, mogen niet gegarandeerd zijn en moeten worden geëvalueerd in een meerjarenkader, waarbij de bonusbetalingen over de cyclus worden gespreid[2].

Voortbouwend op de aanbevelingen van de groep heeft de Commissie in haar voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 4 maart 2009 bestemde mededeling "Op weg naar Europees herstel"[3] een ambitieus hervormingsprogramma voor de financiële sector opgesteld. Dit voorstel is een van de diverse maatregelen die de Commissie al heeft genomen om dat programma uit te voeren.

In bovengenoemde mededeling werd aangekondigd dat de Commissie in juni 2009 een voorstel tot herziening van de RKV wil voorleggen, dat:

- bepalingen omvat ter versterking van de kapitaalvereisten voor activa die banken in hun handelsportefeuille aanhouden met het oog op de wederverkoop ervan op korte termijn;

- de kapitaalvereisten aanscherpt voor complexe securitisaties, zowel in de beleggings- als in de handelsportefeuille; en

- toezichthoudende autoriteiten in staat stelt "kapitaalsancties" op te leggen aan financiële instellingen waarvan het beloningsbeleid een onaanvaardbaar risico blijkt in te houden.

Soortgelijke doelstellingen zijn ook overeengekomen door de leiders van de G20 op hun bijeenkomst van 2 april 2009 te Londen. In de verklaring over de versterking van het financiële stelsel[4] is meegedeeld dat is overeengekomen om, zodra het herstel is verzekerd, actie te ondernemen ter verbetering van de kwaliteit, de kwantiteit en de internationale samenhang van de kapitaalvereisten in het bankstelsel, en om de beginselen van het Forum voor financiële stabiliteit (FSF) inzake beloningen en bonussen aan te nemen en ten uitvoer te leggen en duurzame beloningsregelingen te ondersteunen[5].

Op dezelfde datum heeft het FSF een verslag over het aanpakken van procycliciteit in het financiële stelsel gepubliceerd en beginselen inzake een deugdelijk beloningsbeleid in de financiële sector gepresenteerd[6]. Deze beginselen hebben ten doel de bonussen van werknemers in overeenstemming te brengen met de winstgevendheid van de onderneming op lange termijn.

In het verslag van het FSF over het aanpakken van procycliciteit worden aanbevelingen gedaan om de procyclische effecten op de volgende drie gebieden te temperen: het raamwerk van kapitaalvereisten voor banken, de voorzieningen voor verliezen op bankleningen, en de verhouding eigen/vreemd vermogen en waarderingen. Het Bazelse Comité voor het bankentoezicht heeft aanbevelingen gedaan voor het beperken van het risico dat schokken die zich in de financiële sector voordoen en in de reële economie doorwerken (en omgekeerd), door de wettelijke kapitaalvereisten worden versterkt. Hiertoe behoren voorstellen om minder gebruik te maken van cyclische, op Value-at-Risk (VaR) gebaseerde kapitaalramingen en om de risicodekking zowel voor hersecuritisatie-instrumenten als voor het wanbetalings- en migratierisico voor niet-gesecuritiseerde kredietproducten te verhogen. Ter ondersteuning van de aanbevelingen van het FSF en de G20 is het Bazelse Comité bezig met de ontwikkeling van verfijndere wijzigingen in de bestaande voorschriften volgens een door de G20 vastgesteld tijdschema.

Volgens de FSF-beginselen inzake een deugdelijk beloningsbeleid moet op een doeltreffende governance van de beloning worden toegezien; tevens dient de beloning aan alle soorten risico's te worden aangepast, symmetrisch te zijn met de risico-uitkomsten en gevoelig te zijn voor de tijdshorizon van de gelopen risico's. Voorts wordt aanbevolen de toepassing van de beginselen door de ondernemingen te bevorderen door toezicht uit te oefenen.

Met de goedkeuring op 30 april 2009 van de aanbeveling met betrekking tot de regeling voor de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen[7] en de aanbeveling over het beloningsbeleid in de financiële sector[8] heeft de Commissie de aanzet gegeven tot het aanpakken van de problemen die uit onvolkomen vormgegeven beloningsstructuren voortvloeien.

Ook het Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBT) heeft beginselen betreffende het beloningsbeleid opgesteld, die op 20 april 2009 zijn gepubliceerd. De beginselen bestrijken het beloningsbeleid dat in geheel de organisatie van toepassing is en zijn toegespitst op essentiële aspecten, zoals onder meer de onderlinge afstemming van de doelstellingen van de onderneming en van het individu, governance met betrekking tot toezicht en besluitvorming, beoordeling van de prestaties en beloningsvormen.

Met dit voorstel wordt beoogd de in de Commissiemededeling van 4 maart gedane toezeggingen gestand te doen. Het strookt tevens met de overkoepelende internationale doelstellingen waarover de leiders van de G20 overeenstemming hebben bereikt.

Tenslotte zal de Commissie, conform de in haar mededeling van 4 maart gedane toezeggingen, in oktober 2009 verdere wijzigingen in de RKV voorstellen om het liquiditeitsrisico en de buitensporige hefboomwerking aan te pakken, voorschriften voor dynamische kapitaalreservering in te voegen en de keuzemogelijkheden van de lidstaten af te schaffen, teneinde de voortgang in de richting van een gemeenschappelijk wetboek te bevorderen.

2. OPENBARE RAADPLEGING

Tussen 25 maart en 29 april 2009 heeft een open internetraadpleging over de voorgestelde ontwerpwijzigingen in de voorschriften betreffende de handelsportefeuille en de securitisatie plaatsgevonden. De Commissie ontving achttien reacties.

In de reacties werden de doelstellingen van de ontwerpvoorstellen van de Commissie doorgaans onderschreven. Sommige respondenten drukten de vrees uit dat de benadering van hersecuritisaties niet doelgericht genoeg was. Deze vrees was echter ingegeven door de veronderstelling dat de Commissie voornemens was een feitelijk algemeen verbod in te voeren door te verlangen dat alle hersecuritisaties van het kapitaal worden afgetrokken. Dit was evenwel niet de bedoeling van de Commissie en dit is dan ook duidelijk gemaakt door wijzigingen die op een meer gedifferentieerde benadering neerkomen.

Op de website van DG MARKT is tussen 29 april en 6 mei 2009 een afzonderlijke openbare internetraadpleging over ontwerpvoorschriften betreffende het beloningsbeleid gehouden. Er zijn 23 antwoorden ontvangen van vertegenwoordigers van financiële instellingen en de sector, lidstaten en regelgevers.

Het merendeel van de respondenten stond achter het beginsel dat het beloningsbeleid in de banksector dient te sporen met een gezond en doeltreffend risicobeheer en dat dit beleid onder het toepassingsgebied van het bedrijfseconomisch toezicht in de zin van het RKV dient te vallen.

Sommigen meenden dat het beloningsbeleid en de beloningscultuur op de structuur en het bedrijfsmodel van individuele instellingen zijn toegesneden en dat de in de RKV vastgelegde beginselen derhalve niet te prescriptief mogen zijn. De Commissie is van oordeel dat de tekst de nodige flexibiliteit biedt door voor te schrijven dat ondernemingen de beginselen in acht moeten nemen op een wijze die aansluit bij hun omvang en interne organisatie en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten. Daarnaast vreesden andere respondenten dat het onderwerpen van de beloning van andere medewerkers dan leidinggevend personeel aan het bedrijfseconomisch toezicht een negatieve invloed zou hebben op de collectieve overeenkomsten die binnen banken en beleggingsondernemingen bestaan voor medewerkers die niet tot het management behoren.

3. EFFECTBEOORDELING

Al met al zijn veertien verschillende beleidsopties beoordeeld. In de onderstaande samenvatting worden de geprefereerde beleidsoptie en het verwachte effect ervan beschreven.

Handelsportefeuille

Wat de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille van banken betreft, zullen de volgende beoogde wijzigingen, die in overeenstemming zijn met hetgeen het Bazelse Comité voor ogen heeft, worden aangebracht:

- aan de gewone VaR wordt een extra kapitaalbuffer toegevoegd die gebaseerd is op een via een stressscenario verkregen VaR. Verwacht wordt dat deze wijziging tot nagenoeg een verdubbeling van de huidige kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille zal leiden;

- de huidige kapitaalvereisten voor het wanbetalingsrisico in de handelsportefeuille worden verhoogd om verliezen weer te geven waarbij de emittent niet in gebreke blijft, bv. ratingverlagingen. Deze verhoging is bedoeld om rekening te houden met het feit dat recente verliezen op verhandelbare schuldinstrumenten meestal niet inhouden dat emittenten echt in gebreke blijven. Het effect van deze wijziging zal afhangen van de samenstelling van de portefeuilles van banken in de omgeving na de crisis;

- het kapitaalvereiste voor securitisatieposities in de handelsportefeuille wordt gebaseerd op de bestaande eenvoudige risicogewichten voor de beleggingsportefeuille. Ook hier zal het effect van de wijziging afhangen van de samenstelling van de portefeuilles van banken in de omgeving na de crisis.

Banken plegen kapitaalniveaus aan te houden die in overeenstemming zijn met intern ontwikkelde "doelstellingen", die in hogere kapitaalniveaus dan de minimumkapitaalvereisten kunnen resulteren. Het valt daarom niet gemakkelijk uit te maken hoeveel extra kapitaal banken zouden moeten aantrekken om zich naar de voorgestelde wijzigingen te voegen. Een eventuele verhoging van het vereiste minimumkapitaal kan immers ten dele door de bestaande kapitaalbuffers worden opgevangen. Zo bedroeg de totale solvabiliteitsratio van de grote financiële instellingen uit het eurogebied aan het einde van de eerste helft van 2008 gemiddeld 11,4%, hetgeen betekent dat er sprake was van een gemiddelde kapitaalbuffer (boven de minimumkapitaalvereisten) van 3,4% van de risicogewogen activa.

Hersecuritisaties

Conform de benadering die door het Bazelse Comité is ontwikkeld, zou voor hersecuritisatieposities een hoger kapitaalvereiste gelden dan voor andere securitisatieposities vanwege het grotere risico op onverwachte bijzondere waardeverminderingsverliezen.

Voor bijzonder complexe hersecuritisaties versterken de voorstellen zowel de zorgvuldigheidseisen als het toezichtproces om deze eisen te handhaven. Met betrekking tot beleggingen in hersecuritisaties van bijzonder grote complexiteit zullen banken hun toezichthouder ervan moeten overtuigen dat aan de nodige zorgvuldigheidseisen is voldaan. Indien zij daartoe niet in staat zijn, zou een algemene kapitaalaftrek worden toegepast. Ingeval tot de bevinding wordt gekomen dat onvoldoende aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan, zouden instellingen in de toekomst niet meer in dergelijke instrumenten mogen beleggen.

Het effect van deze maatregelen op de toekomstige kredietverlening – waarvan de financiering ten dele wordt vergemakkelijkt door de uitgifte van uit hersecuritisaties resulterend waardepapier, zoals bepaalde collateralized debt obligations (CDO's) – moet worden beoordeeld in het licht van de omvang van dergelijke uitgiften in de marktomgeving na de crisis. Uit gegevens blijkt dat de totale uitgifte van CDO's in Europa is teruggelopen van 88,7 miljard EUR in 2007 tot 47,9 miljard EUR in 2008. Deze daling zou nog groter zijn uitgevallen mochten de Europese Centrale Bank en de Bank of England geen uit securitisaties resulterend waardepapier als zekerheden hebben aanvaard: in 2008 is 95% van alle uit securitisatie resulterend waardepapier door de banken behouden voor repo-doeleinden, waarbij de primaire markt in feite was opgedroogd omdat de belangstelling van beleggers voor dergelijke instrumenten aanzienlijk was verminderd. In het licht van deze trends lijkt het verhogende effect op de uitgifte van CDO's en de kredietverlening beperkt. Deze maatregel kan echter wel het herstel van de secundaire markt voor de betrokken instrumenten bemoeilijken.

Openbaarmaking van securitisatierisico's

In overeenstemming met de internationaal overeengekomen normen zouden de informatieverplichtingen op diverse punten, zoals onder meer ten aanzien van securitisatieposities in de handelsportefeuille en sponsoring van buitenbalansvehikels, worden aangescherpt.

Deze wijzigingen zullen in een beter inzicht van beleggers in het risicoprofiel van banken resulteren en het risicobeheer van banken versterken door de transparantie te verbeteren. De extra administratieve lasten voor de EU-banksector worden op 1,3 miljoen EUR per jaar geraamd en zullen naar verwachting vooral op de schouders terechtkomen van grotere instellingen die geavanceerdere benaderingen voor het risicobeheer hanteren.

Bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid

Krachtens de voorgestelde wijzigingen zullen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen verplicht zijn een beloningsbeleid te voeren dat consistent is met een doeltreffend risicobeheer. De desbetreffende beginselen zullen in de RKV worden vastgelegd, maar zullen nauw aansluiten bij die welke in Aanbeveling C(2009) 3159 van de Commissie van 30 april 2009 over het beloningsbeleid in de financiële sector zijn vervat.

Doordat aan de desbetreffende beginselen van de aanbeveling een bindend karakter wordt geven, zullen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen er zich beter aan houden.

Het voorstel biedt ondernemingen de nodige flexibiliteit om de nieuwe verplichting en de overkoepelende beginselen in acht te nemen op een wijze die aansluit bij hun omvang en interne organisatie en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten. Aangenomen wordt dat een dergelijke benadering de voorafgaande en lopende nalevingskosten voor ondernemingen tot een minimum zal beperken. Daarom heeft zij de voorkeur gekregen boven het alternatief, dat erin bestond te verlangen dat alle ondernemingen, ongeacht hun omvang, zich op een strikte en uniforme wijze hielden aan de beginselen die in Aanbeveling C(2009) 3159 van de Commissie van 30 april 2009 over het beloningsbeleid in de financiële sector zijn vastgelegd.

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap.

4. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

Aangezien wijzigingen in een bestaande richtlijn moeten worden aangebracht, is een wijzigingsrichtlijn het meest geschikte instrument. Deze wijzigingsrichtlijn dient dezelfde rechtsgrondslag te hebben als de richtlijn die erdoor wordt gewijzigd. Het voorstel is bijgevolg gebaseerd op artikel 47, lid 2, van het EG-Verdrag, dat de rechtsgrondslag verschaft voor de harmonisatie van de regels betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van onder meer kredietinstellingen.

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 van het EG-Verdrag, kunnen de doelstellingen van de voorgenomen maatregel niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap worden gerealiseerd. De voorgestelde bepalingen gaan niet verder dan wat nodig is om de beoogde doelstellingen te bereiken.

Alleen communautaire wetgeving kan ervoor zorgen dat kredietinstellingen die in meer dan een lidstaat actief zijn, aan dezelfde vereisten inzake het prudentiële toezicht onderworpen zijn, in het onderhavige geval door te waarborgen dat het reeds geharmoniseerde kader voor kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen verder wordt versterkt door strengere kapitaalvereisten voor posten in de handelsportefeuille, passende zorgvuldigheidseisen en aangescherpte kapitaalvereisten voor complexe hersecuritisaties, en de invoering van uitdrukkelijke voorschriften en passende toezichtmaatregelen en sancties met betrekking tot beloningsstructuren.

5. NADERE UITLEG VAN HET VOORSTEL

5.1. Kapitaalvereisten voor hersecuritisatie

(Artikel 1, punten (1) en (9), en bijlage I, punt (3))

Hersecuritisaties zijn securitisaties met onderliggende securitisatieposities en hebben doorgaans ten doel securitisatieposities met een middelgroot risico in nieuwe effecten te herverpakken. Ratingbureaus en marktdeelnemers namen veelal aan dat aan hersecuritisaties slechts een gering kredietrisico verbonden was. Gezien de complexiteit ervan en hun gevoeligheid voor gecorreleerde verliezen, brengen dergelijke hersecuritisaties echter grotere risico's met zich mee dan gewone securitisaties. Daarom voorziet dit voorstel in een reeks kapitaalvereisten die hoger zijn dan die welke voor gewone securitisatieposities met eenzelfde rating gelden.

Bovendien voorziet het voorstel in een strenger toezichtproces voor bijzonder complexe hersecuritisaties. Het steekproefsgewijze bedrijfseconomische toezicht op securitisaties en hersecuritisaties van normale complexiteit is immers niet streng genoeg voor sommige hersecuritisaties, waarvoor de hoge mate van complexiteit van het instrument in kwestie doet betwijfelen of de bank wel in staat is de aard en de risico's van de onderliggende vorderingen ten volle te begrijpen. Daarom schrijft het voorstel voor dat voor elke individuele belegging moet worden nagegaan of is voldaan aan de toepasselijke zorgvuldigheidseisen die gelden voor banken die in dergelijke producten beleggen. Het CEBT zal zorgen voor de convergentie van de toezichtpraktijken door overeenstemming te bereiken over de vraag welke soorten hersecuritisaties als "uiterst complex" moeten worden aangemerkt, zodat het vermogen van instellingen om een passende zorgvuldigheid ten aanzien van dergelijke instrumenten te betrachten, per geval door de toezichthouders kan worden geverifieerd. In uitzonderingsgevallen waarin een bank niet aan haar toezichthouder kan aantonen dat zij zich met betrekking tot een uiterst complexe hersecuritisatie aan de zorgvuldigheidseisen heeft gehouden, zal op de positie in de betrokken hersecuritisatie een risicogewicht van 1 250% worden toegepast. Deze kapitaalvereisten gelden voor nieuwe hersecuritisaties die van na 31 december 2010 dateren en zijn na 31 december 2014 enkel op een bestaande hersecuritisatiepositie van toepassing wanneer na die datum onderliggende vorderingen worden toegevoegd of vervangen. Dit betekent dat het risicogewicht van 1 250% niet op oude hersecuritisatieposities van banken kan worden toegepast (tenzij er zich na eind 2014 veranderingen in de onderliggende vorderingen voordoen).

5.2. Technische wijzigingen

(Artikel 1, punt (5), en bijlage II, punt (4); artikel 1, punt (7); artikel 2, punten (2) en (3); bijlage I, punt (2), en bijlage II, punt (2))

In 2006 hebben de Commissie en het CEBT een werkgroep (Capital Requirements Directive Transposition Group – CRDTG) ingesteld om overal in de EU een consequente tenuitvoerlegging en toepassing van de RKV te bevorderen. Volgens de CRDTG dienen bepaalde technische bepalingen van de RKV verder te worden uitgewerkt. Zo zal in de onderhavige richtlijn worden verduidelijkt dat de kapitaalvereisten voor het afwikkelingsrisico ook moeten gelden voor vorderingen die van de niet-handelsportefeuille deel uitmaken.

5.3. Informatieverplichtingen

(Artikel 1, punt (11), en bijlage I, punt (4))

Dit voorstel versterkt de reeds in de RKV opgenomen informatieverplichtingen ten aanzien van securitisatieposities van instellingen. Zo zullen met name de informatieverplichtingen in de toekomst niet alleen de aan securitisatieposities in de niet-handelsportefeuille verbonden risico's bestrijken, maar ook de risico's die aan securitisatieposities in de handelsportefeuille verbonden zijn.

5.4. Kapitaalvereisten voor het marktrisico van securitisaties

(Artikel 1, punten (4), (6) en (8); artikel 2, punt (1), bijlage II, punt (1))

Momenteel worden kapitaalvereisten voor securitisaties in de handelsportefeuille berekend alsof deze instrumenten gewone schuldposities zijn. Voor de beleggingsportefeuille bestaat er daarentegen een aparte, meer gedifferentieerde en risicogevoeliger reeks kapitaalvereisten. Voorgesteld wordt de kapitaalvereisten voor de effecten in de handelsportefeuille te baseren op die voor gelijkwaardige effecten in de beleggingsportefeuille.

5.5. Op interne modellen gebaseerde kapitaalvereisten voor marktrisico's

(Bijlage II, punt (3))

Bij de berekening van hun kapitaalvereisten voor marktrisico's in de handelsportefeuille mogen instellingen momenteel gebruikmaken van eigen modellen voor de berekening van de potentiële verliezen die uit toekomstige ongunstige marktontwikkelingen kunnen voortvloeien. In de jaren 2007-2008 werd duidelijk dat interne modellen het potentiële verlies in stressomstandigheden stelselmatig onderschatten. Dit resulteerde in ontoereikende kapitaalvereisten en cyclische volatiliteit van het kapitaal van banken naarmate het marktklimaat verslechterde. Daarom zal deze richtlijn de op interne modellen gebaseerde kapitaalvereisten op de volgende punten versterken:

- voortaan zal een afzonderlijke raming van de potentiële verliezen over een langere periode van ongunstige omstandigheden moeten worden gemaakt, zodat modellen beter bestand zijn tegen stressomstandigheden en het mogelijke optreden van procyclische effecten wordt tegengegaan;

- instellingen zullen niet alleen het risico op verliezen als gevolg van wanbetalingen op schuldinstrumenten in de handelsportefeuille moeten ramen, maar ook de potentiële verliezen als gevolg van de verslechtering van de kredietkwaliteit zonder dat de emittent echt in gebreke blijft;

- teneinde de twijfel te bestrijden over het vermogen van interne modellen om het bijzondere risicoprofiel van securitisatieposities adequaat weer te geven, zullen instellingen een afzonderlijk gestandaardiseerd kapitaalvereiste moeten bepalen voor de risico's die aan securitisatieposities in de handelsportefeuille verbonden zijn.

5.6 Beloningsbeleid

(Artikel 1, punten (2) en (3); bijlage I, punt (1), en bijlage I, punt (4), onder iii))

Het Europese toezichtkader in zijn huidige vorm schrijft niet uitdrukkelijk voor dat op het beloningsbeleid van financiële instellingen toezicht moet worden uitgeoefend. Dit heeft tot gevolg dat toezichthoudende autoriteiten tot dusver veelal geen bijzondere aandacht hebben besteed aan de gevolgen van het beloningsbeleid voor de genomen risico's en een doeltreffend risicobeheer.

Met deze voorgestelde wijziging in de RKV wordt het volgende beoogd:

- aan kredietinstellingen en beleggingsondernemingen de bindende verplichting opleggen om te zorgen voor een beloningsbeleid en een beloningscultuur die in overeenstemming zijn met en bijdragen aan een gezond en doeltreffend risicobeheer, waarbij er tevens overkoepelende beginselen voor een deugdelijke beloning worden vastgesteld;

- het beloningsbeleid in het toepassingsgebied van het bedrijfseconomisch toezicht in de zin van de RKV opnemen, zodat toezichthouders van een onderneming kunnen verlangen dat zij maatregelen treft om de eventueel door hen gedetecteerde problemen te verhelpen;

- ervoor zorgen dat toezichthouders ook financiële en niet-financiële sancties (met inbegrip van geldboeten) kunnen opleggen aan ondernemingen die de verplichting niet in acht nemen.

De voorgestelde verplichting zal van toepassing zijn op kredietinstellingen en, krachtens artikel 34 van Richtlijn 2006/49/EG, op beleggingsondernemingen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig en die zijn onderworpen aan Richtlijn 2004/39/EG betreffende markten voor financiële instrumenten.

De werkingssfeer van de voorgestelde verplichting is beperkt tot de beloning van medewerkers wier beroepsactiviteiten het risicoprofiel van de bank of beleggingsonderneming materieel beïnvloeden. Het betreft derhalve vooral het beloningsbeleid ten aanzien van personen die beslissingen nemen die van invloed kunnen zijn op de omvang van het risico dat door de instelling wordt gelopen.

Met de voorgestelde overkoepelende beginselen inzake een deugdelijke beloning wordt geenszins beoogd de omvang en vorm van de beloning voor te schrijven. De instellingen blijven tevens verantwoordelijk voor de vormgeving en toepassing van hun specifieke beloningsbeleid. Ondernemingen beschikken over de nodige flexibiliteit in die zin dat zij de beginselen mogen toepassen op een wijze die aansluit bij hun omvang en interne organisatie en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen verrichten verschillende activiteiten en hebben een verschillend aanvaardbaar risiconiveau: hun beloningsstructuren en de wijze waarop zij de beginselen toepassen, zullen dan ook uiteenlopen.

Bij het prudentiële toezicht in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht zou de aandacht vooral uitgaan naar de vraag of het beloningsbeleid en de beloningscultuur stroken met een gezond risicobeheer gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten. Teneinde de beoordelingen door toezichthouders gelijk te trekken en ondernemingen de beginselen te helpen naleven, schrijft het voorstel voor dat het CEBT erop moet toezien dat er richtsnoeren voor een goed beloningsbeleid bestaan.

Indien een toezichthouder problemen vaststelt, mag hij van de kredietinstelling of beleggingsonderneming verlangen dat zij kwalitatieve of kwantitatieve maatregelen treft om de problemen aan te pakken. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan in een ("kwalitatieve") verplichting voor de onderneming om de situatie te verhelpen door haar beloningsstructuur te wijzigen en aldus het inherente risico te reduceren, alsook – in voorkomend geval – in een ("kwantitatieve") verplichting voor de onderneming om extra eigen vermogen aan te houden teneinde het risico te dekken.

Voorts moeten de bevoegde autoriteiten in het kader van de RKV tevens de bevoegdheid hebben sancties op te leggen in geval van een schending van een verplichting uit hoofde van de richtlijn (met inbegrip van de voorgestelde verplichting met betrekking tot het beloningsbeleid). Deze sanctiebevoegdheid staat los van de bevoegdheid om ondernemingen te verplichten kwalitatieve of kwantitatieve maatregelen te treffen. Met de in artikel 54 van de RKV voorgestelde wijziging wordt beoogd te garanderen dat toezichthouders zowel financiële als niet-financiële sancties kunnen opleggen en dat deze sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Deze voorgestelde wijziging in de RKV complementeert de aanbeveling van de Commissie over het beloningsbeleid in de financiële sector. De gedetailleerdere beginselen vervat in de aanbeveling van de Commissie zullen samen met de CEBT-richtsnoeren van belang zijn voor de naleving van de in de RKV neergelegde verplichting. Zij verschaffen immers verdere leidraden voor de wijze waarop aan de verplichting kan worden voldaan, alsook een kader waarop toezichthouders zich kunnen baseren wanneer zij de beloningsstructuren van ondernemingen beoordelen.

5.7 Algemene verduidelijking van het bedrijfseconomisch toezicht als bedoeld in artikel 136, lid 2

Met de voorgestelde nieuwe alinea van artikel 136, lid 2, wordt beoogd te verduidelijken dat de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van het bedrijfseconomisch toezicht rekening moeten houden met zowel de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de in artikel 123 bedoelde beoordeling door kredietinstellingen van het interne kapitaal, als met de in artikel 22 bedoelde regelingen, procedures, mechanismen en strategieën van kredietinstellingen. Deze verduidelijking geldt voor het gehele toezichtproces en niet alleen voor het toezicht op de nieuwe verplichting ten aanzien van het beloningsbeleid en de beloningscultuur. Doel van deze verduidelijking is de toekomstige convergentie van de toezichtpraktijken overal in de EU te bevorderen.

2009/0099 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[9],

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[10],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het nemen van buitensporige en onverantwoorde risico's in de banksector heeft tot de ondergang van individuele financiële instellingen geleid en niet alleen in de lidstaten maar in de hele wereld problemen in het financiële stelsel veroorzaakt. Hoewel er diverse en complexe oorzaken ten grondslag liggen aan het feit dat dergelijke risico's zijn genomen, zijn de toezichthouders en regelgevers, met inbegrip van die van de G20 en het Comité van Europese bankentoezichthouders, het erover eens dat de ongepaste beloningsstructuren van sommige financiële instellingen daartoe hebben bijgedragen. Een beloningsbeleid dat aanspoort tot het nemen van meer risico's dan algemeen genomen voor de betrokken instelling aanvaardbaar is, kan een gezond en doeltreffend risicobeheer ondermijnen en te sterk risicozoekend gedrag in de hand werken.

(2) Overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[11] moeten er in kredietinstellingen regelingen, strategieën, procedures en mechanismen bestaan om de risico's te beheren waaraan deze zijn blootgesteld. Krachtens Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen[12] geldt deze verplichting ook voor beleggingsondernemingen in de zin van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad[13]. Richtlijn 2006/48/EG schrijft voor dat de bevoegde autoriteiten deze regelingen, strategieën, procedures en mechanismen aan een evaluatie moeten onderwerpen en moeten bepalen of het eigen vermogen dat door de betrokken kredietinstelling of beleggingsonderneming wordt aangehouden, een degelijk beheer en een solide dekking waarborgen van de risico's waaraan de instelling of onderneming is of kan zijn blootgesteld. Voor bankgroepen wordt dit toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend en bestrijkt het financiële holdings en aangesloten financiële instellingen in alle rechtsgebieden.

(3) Om de mogelijk schadelijke gevolgen van onvolkomen vormgegeven beloningsstructuren voor een goed risicobeheer en een degelijke controle van het risicogedrag van individuele personen aan te pakken, dienen de eisen van Richtlijn 2006/48/EG te worden aangevuld met een uitdrukkelijke verplichting voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen om voor de categorieën van medewerkers wier beroepsactiviteiten hun risicoprofiel materieel beïnvloeden, een beloningsbeleid en een beloningscultuur vast te stellen en in stand te houden die stroken met een doeltreffend risicobeheer.

(4) Aangezien het nemen van buitensporige en onverantwoorde risico's de financiële soliditeit van financiële instellingen kan ondermijnen en het bankstelsel kan destabiliseren, is het van belang dat de nieuwe verplichting ten aanzien van het beloningsbeleid en de beloningscultuur op een consequente wijze wordt toegepast. Het verdient daarom aanbeveling kernbeginselen voor een deugdelijke beloning te specificeren om te garanderen dat de beloningsstructuur individuele personen niet tot het nemen van buitensporige risico's aanzet en strookt met de risicobereidheid, waarden en langetermijnbelangen van de instelling. Om ervoor te zorgen dat de vormgeving van het beloningsbeleid deel uitmaakt van het risicobeheer van de financiële instelling, dient het leidinggevend orgaan (toezichtfunctie) van elke kredietinstelling of beleggingsonderneming de toe te passen algemene beginselen vast te stellen en dient het beloningsbeleid ten minste eenmaal per jaar aan een onafhankelijke interne evaluatie te worden onderworpen.

(5) Het beloningsbeleid moet ertoe strekken de persoonlijke doelstellingen van de medewerkers en de langetermijnbelangen van de betrokken kredietinstelling of beleggingsonderneming op elkaar af te stemmen. Prestatiegerelateerde beloningscomponenten moeten worden beoordeeld op basis van prestaties op langere termijn, rekening houdend met de uitstaande risico's in verband met die prestaties. Prestaties moeten worden beoordeeld in een meerjarenkader, bijvoorbeeld over een periode van drie tot vijf jaar, teneinde te garanderen dat het beoordelingsproces op prestaties op langere termijn is gebaseerd en dat de effectieve betaling van prestatiegerelateerde beloningscomponenten over de bedrijfscyclus van de onderneming is gespreid.

(6) In de aanbeveling van de Commissie van 30 april 2009 over het beloningsbeleid in de financiële sector[14] worden eveneens beginselen voor een goed beloningsbeleid uiteengezet welke aangeven op welke wijze ondernemingen aan deze verplichting kunnen voldoen. Deze beginselen zijn consistent met en complementeren de beginselen die in deze richtlijn zijn neergelegd.

(7) De bepalingen inzake beloningen mogen geen afbreuk doen aan de eventuele rechten van de sociale partners bij collectieve arbeidsonderhandelingen.

(8) Met het oog op een snelle en doeltreffende handhaving dienen de bevoegde autoriteiten tevens de bevoegdheid te hebben financiële of niet-financiële maatregelen of sancties op te leggen in geval van een schending van een verplichting uit hoofde van Richtlijn 2006/48/EG, met inbegrip van de verplichting om een beloningsbeleid te voeren dat strookt met een gezond en doeltreffend risicobeheer. Dergelijke maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(9) Teneinde ervoor te zorgen dat doeltreffend toezicht op uit ongepaste beloningsstructuren voortvloeiende risico's wordt uitgeoefend, dienen het beloningsbeleid en de beloningscultuur van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in het toepassingsgebied van het bedrijfeconomisch toezicht als bedoeld in Richtlijn 2006/48/EG te worden opgenomen. In het kader van dit toezicht dienen toezichthouders na te gaan of het beloningsbeleid en de beloningscultuur van dien aard zijn dat zij het nemen van buitensporige risico's door de medewerkers in kwestie in de hand kunnen werken.

(10) Ter bevordering van de toezichtconvergentie bij de toetsing van het beloningsbeleid en de beloningscultuur dient het Comité van Europese bankentoezichthouders erop toe te zien dat er richtsnoeren voor een goed beloningsbeleid in de banksector bestaan. Het Comité van Europese effectenregelgevers dient aan de opstelling van dergelijke richtsnoeren mee te werken, voor zover deze ook van toepassing zijn op het beloningsbeleid van personen die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten en –activiteiten door kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de zin van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten[15].

(11) Aangezien een onvolkomen vormgegeven beloningsbeleid en stimuleringsregeling de risico's waaraan kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zijn blootgesteld tot een onaanvaardbare omvang kunnen doen toenemen, is het raadzaam dat bevoegde autoriteiten de betrokken entiteiten kwalitatieve of kwantitatieve maatregelen opleggen waarmee wordt beoogd de problemen aan te pakken die in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht van "pijler 2" met betrekking tot het beloningsbeleid zijn geconstateerd. Eén van de kwalitatieve maatregelen waarover de bevoegde autoriteiten beschikken, is het verlangen van kredietinstellingen of beleggingsondernemingen dat zij het risico verminderen dat inherent is aan hun activiteiten, producten of systemen, met inbegrip van de beloningsstructuren voor zover deze niet strekken tot een doeltreffend risicobeheer. Een mogelijke kwantitatieve maatregel is de verplichting om extra eigen vermogen aan te houden.

(12) Teneinde een adequate transparantie voor de markt van hun beloningsstructuren en het daaraan verbonden risico te verzekeren, dienen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen informatie openbaar te maken over hun beloningsbeleid en beloningscultuur ten aanzien van medewerkers wier beroepsactiviteiten het risicoprofiel van de instelling materieel beïnvloeden. Deze verplichting mag echter geen afbreuk doen aan Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[16].

(13) De toetsing van de risico's waaraan de kredietinstelling kan zijn blootgesteld, dient te resulteren in effectieve toezichtmaatregelen. Het is derhalve noodzakelijk een verdere convergentie te realiseren ter ondersteuning van gezamenlijke beslissingen van toezichthouders en ter waarborging van gelijke concurrentievoorwaarden in de Gemeenschap.

(14) Ten aanzien van securitisaties die andere securitisaties herverpakken en een hoger kredietrisico inhouden dan normale securitisaties, moeten specifieke kapitaalvereisten gelden zodat kredietinstellingen en beleggingsondernemingen sterk worden ontmoedigd om te beleggen in securitisaties die bijzonder complex en risicovol zijn.

(15) Richtlijn 2006/48/EG schrijft voor dat banken die in hersecuritisaties beleggen, zorgvuldigheid moeten betrachten, ook ten aanzien van de onderliggende securitisaties en de niet-securitisatieposities die er uiteindelijk aan ten grondslag liggen. Afhankelijk van de complexiteit van de verschillende lagen van securitisatiestructuren, alsook van de complexiteit en diversiteit van de niet-securitisatieposities die uiteindelijk aan de hersecuritisaties ten grondslag liggen, kan het onmogelijk dan wel oneconomisch (of beide) zijn om de vereiste zorgvuldigheid te betrachten. Dit is met name het geval wanneer de uiteindelijke onderliggende vorderingen bijvoorbeeld schulden zijn die betrekking hebben op leveraged buy-outs of projectfinanciering. In dergelijke gevallen zouden instellingen niet in zulke uiterst complexe hersecuritisaties mogen beleggen. Bij de zorgvuldigheidstoets dienen de bevoegde autoriteiten bijzondere aandacht te besteden aan dergelijke uiterst complexe securitisaties en te eisen dat deze volledig van het kapitaal worden afgetrokken, tenzij hun op overtuigende wijze is aangetoond dat de instelling voor elk van de uiterst complexe hersecuritisatieposities de krachtens Richtlijn 2006/48/EG vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, ook ten aanzien van de vorderingen die er uiteindelijk aan ten grondslag liggen.

(16) Ter bevordering van de convergentie van de toezichtpraktijken met betrekking tot de toetsing van de zorgvuldigheid bij uiterst complexe hersecuritisaties dient het Comité van Europese bankentoezichthouders richtsnoeren vast te stellen, onder meer met een definitie van of criteria voor de soorten hersecuritisaties die in dit verband als "uiterst complex" moeten worden aangemerkt. Deze definitie dan wel deze criteria dienen aan de ontwikkelingen van de marktpraktijken te worden aangepast.

(17) De in Richtlijn 2006/49/EG vervatte bepalingen betreffende conservatieve waardering moeten gelden voor alle instrumenten die tegen reële waarde worden gewaardeerd, ongeacht of zij deel uitmaken van de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille van een instelling. Er moet worden verduidelijkt dat, wanneer conservatieve waardering tot een lagere boekwaarde leidt dan die welke feitelijk in de rekeningen is opgevoerd, de absolute waarde van het verschil van het eigen vermogen dient te worden afgetrokken.

(18) Een instelling moet de keuze hebben ofwel een kapitaalvereiste toe te passen op de securitisatieposities die krachtens deze richtlijn een risicogewicht van 1 250% krijgen, ofwel deze posities van haar eigen vermogen af te trekken, ongeacht of ze deel uitmaken van haar handelsportefeuille of haar niet-handelsportefeuille.

(19) De kapitaalvereisten voor afwikkelingsrisico's moeten ook gelden voor vorderingen die van de niet-handelsportefeuille deel uitmaken.

(20) Instellingen die als initiator of sponsor optreden, mogen het verbod op impliciete steun niet kunnen omzeilen door van hun handelsportefeuille gebruik te maken om zulke steun te verstrekken.

(21) Onverminderd de informatieverplichtingen die uitdrukkelijk in deze richtlijn zijn neergelegd, dienen de informatieverplichtingen tot doel te hebben dat marktdeelnemers correcte en volledige informatie ontvangen over het risicoprofiel van individuele instellingen. Instellingen dienen er derhalve toe te worden verplicht niet uitdrukkelijk in deze richtlijn vermelde aanvullende informatie openbaar te maken indien dit nodig is om aan deze doelstelling te voldoen.

(22) Teneinde te garanderen dat Richtlijn 2006/48/EG overal in de Gemeenschap op samenhangende wijze ten uitvoer wordt gelegd, hebben de Commissie en het Comité van Europese bankentoezichthouders in 2006 een werkgroep (Capital Requirements Directive Transposition Group – CRDTG) opgericht, die als taak had problemen met de uitvoering van die richtlijn te bespreken en op te lossen. Volgens de CRDTG behoeven bepaalde technische bepalingen van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG verdere specificatie. Het is derhalve raadzaam die bepalingen aan te passen.

(23) Wanneer in een externe kredietbeoordeling van een securitisatiepositie het effect van de door de beleggende instelling zelf verstrekte kredietprotectie is meegenomen, mag de instelling geen aanspraak kunnen maken op het lagere risicogewicht dat uit die protectie voortvloeit. De securitisatie moet evenwel niet van het vermogen worden afgetrokken als er andere manieren zijn om een risicogewicht te bepalen dat overeenstemt met het werkelijke risico van de positie, waarbij de kredietprotectie buiten beschouwing blijft.

(24) Ten aanzien van securitisaties dienen de informatieverplichtingen van instellingen aanzienlijk te worden aangescherpt. Daarbij dient met name rekening te worden gehouden met de risico's die aan securitisatieposities in de handelsportefeuille verbonden zijn.

(25) De specifieke kapitaalvereisten voor aan securitisatieposities verbonden risico's dienen met de kapitaalvereisten voor de beleggingsportefeuille in overeenstemming te worden gebracht, omdat deze in een meer gedifferentieerde en risicogevoelige behandeling van securitisatieposities voorzien.

(26) Aangezien de werking van de normen voor interne modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten voor marktrisico's recentelijk te wensen heeft overgelaten, is het raadzaam deze te versterken. Met name ten aanzien van de weergave van de kredietrisico's in de handelsportefeuille dienen deze normen te worden vervolledigd. Ter versterking van de kapitaalvereisten bij verslechterende marktvoorwaarden en ter vermindering van het mogelijke optreden van procyclische effecten verdient het voorts aanbeveling de kapitaalvereisten uit te breiden met een component die stressomstandigheden weergeeft. Gezien de specifieke problemen die zich recentelijk bij het gebruik van op interne modellen gebaseerde benaderingen voor de behandeling van securitisatieposities hebben voorgedaan, zouden instellingen nog slechts in beperkte mate over de mogelijkheid mogen beschikken om voor securitisatierisico's in de handelsportefeuille modellen te hanteren en dient ten aanzien van securitisatieposities in de handelsportefeuille automatisch een gestandaardiseerd kapitaalvereiste te gelden.

(27) De Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

1. in artikel 4 worden de volgende punten (40 bis) en (40 ter) ingevoegd:

"(40 bis) "hersecuritisatie": een securitisatie waarbij een of meer van de onderliggende vorderingen aan de definitie van een securitisatiepositie voldoet;

(40 ter) "hersecuritisatiepositie": een vordering in het kader van een hersecuritisatie;";

2. artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

3. lid 1 komt als volgt te luiden:

"1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst eisen dat er in elke kredietinstelling solide governancesystemen bestaan, waaronder een duidelijke organisatorische structuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en verslaglegging van de risico's waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, adequate internecontroleprocedures, zoals een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie, en een beloningsbeleid en een beloningscultuur die in overeenstemming zijn met en bijdragen aan een gezond en doeltreffend risicobeheer.";

4. het volgende lid 3 wordt toegevoegd:

"3. Het Comité van Europese bankentoezichthouders ziet toe op het bestaan van richtsnoeren voor een goed beloningsbeleid dat in overeenstemming is met de in punt 22 van bijlage V neergelegde beginselen. Het Comité van Europese effectenregelgevers werkt nauw met het Comité van Europese bankentoezichthouders samen bij het toezien op het bestaan van richtsnoeren voor het beloningsbeleid van de categorieën van medewerkers die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten.";

5. aan artikel 54 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Voor de toepassing van de eerste alinea zien de lidstaten erop toe dat hun respectieve bevoegde autoriteiten financiële en niet-financiële sancties of maatregelen kunnen opleggen. Deze sancties of maatregelen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.";

6. artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

7. de eerste alinea, onder r), komt als volgt te luiden:

"r) het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities die overeenkomstig bijlage IX, deel 4, een risicogewicht van 1 250% krijgen en het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities in de handelsportefeuille die in de niet-handelsportefeuille van dezelfde kredietinstelling een risicogewicht van 1 250% zouden krijgen.";

8. de volgende alinea wordt toegevoegd:

"Voor de toepassing van punt r) worden de bedragen aan vorderingen berekend op de wijze die in bijlage IX, deel 4, is aangegeven.";

9. aan artikel 64 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

"5. Kredietinstellingen passen de bepalingen van bijlage VII, deel B, van Richtlijn 2006/49/EG toe op al hun tegen reële waarde gewaardeerde activa bij de berekening van het bedrag aan eigen vermogen en nemen in het bedrag aan eigen vermogen geen bedragen op die uit hoofde van deze bepalingen noodzakelijk zijn als aanpassingen.";

10. artikel 66, lid 2, komt als volgt te luiden:

"2. De som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder l) tot en met r), wordt voor de helft in mindering gebracht op de som van de bestanddelen genoemd in de punten a) tot en met c), verminderd met de bestanddelen genoemd in de punten i) tot en met k) van hetzelfde artikel, en voor de helft op de som van de bestanddelen genoemd in de punten d) tot en met h) van hetzelfde artikel, na toepassing van de in lid 1 van dit artikel bepaalde limieten. Ingeval de helft van de som van de bestanddelen genoemd in de punten l) tot en met r) meer bedraagt dan de som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder d) tot en met h), wordt het meerbedrag in mindering gebracht op de som van de bestanddelen genoemd in de punten a) tot en met c), verminderd met de bestanddelen genoemd in de punten i) tot en met k) van hetzelfde artikel.

Bestanddelen genoemd in artikel 57, onder r), worden niet in mindering gebracht indien zij voor de toepassing van artikel 75 zijn meegeteld bij de berekening van de risicogewogen posten zoals aangegeven in bijlage IX, deel 4, dan wel bij de berekening van de kapitaalvereisten zoals aangegeven in bijlage I bij Richtlijn 2006/49/EG.";

11. artikel 75, onder c), komt als volgt te luiden:

"c) met betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld bij artikel 18 van 2006/49/EG, voor het valutarisico, voor het afwikkelingsrisico en voor het grondstoffenrisico;";

12. artikel 101, lid 1, komt als volgt te luiden:

"1. Bij het verlenen van steun aan een securitisatie teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van beleggers te beperken, mogen de volgende kredietinstellingen de grenzen van hun contractuele verplichtingen niet overschrijden:

a) een initiërende kredietinstelling die met betrekking tot een securitisatie een van de volgende handelingen heeft verricht:

i) zij heeft gebruikgemaakt van artikel 95 bij de berekening van de risicogewogen posten;

ii) zij heeft instrumenten uit haar handelsportefeuille aan een SSPE verkocht met als gevolg dat zij geen kapitaal meer aanhoudt voor het specifieke risico dat aan deze instrumenten verbonden is;

b) een als sponsor optredende kredietinstelling.";

13. na artikel 122 bis wordt het volgende artikel 122 ter ingevoegd:

" Artikel 122 ter

1. Niettegenstaande de in bijlage IX, deel 4, vastgelegde risicogewichten voor algemene hersecuritisatieposities schrijven de bevoegde autoriteiten voor dat een kredietinstelling een risicogewicht van 1 250% toepast op posities in uiterst complexe hersecuritisaties, tenzij de kredietinstelling voor elk van deze betrokken securitisatieposities ten behoeve van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat zij aan de eisen van artikel 122 bis, leden 4 en 5, heeft voldaan.

2. Lid 1 is van toepassing op posities in nieuwe hersecuritisaties die van na 31 december 2010 dateren. Wat posities in bestaande hersecuritisaties betreft, is lid 1 met ingang van 31 december 2014 van toepassing wanneer na die datum onderliggende vorderingen worden toegevoegd of vervangen.";

aan artikel 136, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Voor de bepaling van het passende niveau van het eigen vermogen in het kader van het overeenkomstig artikel 124 uitgevoerde proces van bedrijfseconomisch toezicht gaan de bevoegde autoriteiten na of strengere specifieke kapitaalvereisten moeten worden opgelegd dan die welke minimaal vereist zijn om risico's te ondervangen waaraan een kredietinstelling kan zijn blootgesteld, waarbij zij met het volgende rekening houden:

a) de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de in artikel 123 bedoelde beoordeling van het interne kapitaal;

b) de in artikel 22 bedoelde systemen en procedures van de kredietinstelling;

c) de uitkomst van het overeenkomstig artikel 124 uitgevoerde proces van bedrijfseconomisch toezicht.";

14. artikel 145, lid 3, komt als volgt te luiden:

"3. De kredietinstellingen leggen formeel vast hoe ze willen voldoen aan de informatieverplichtingen van de leden 1 en 2; ook hebben ze vastgelegd op welke wijze ze de door henzelf openbaar gemaakte informatie evalueren en dus ook op juistheid controleren en hoe vaak dit dient te gebeuren. Kredietinstellingen hebben ook vastgelegd op welke wijze ze nagaan of hun bekendmakingen marktdeelnemers volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaffen.Ingeval deze bekendmakingen marktdeelnemers geen volledig inzicht in het risicoprofiel verschaffen, maken kredietinstellingen naast de overeenkomstig lid 1 te verstrekken informatie de benodigde informatie openbaar. Van kredietinstellingen wordt echter alleen verlangd dat zij informatie openbaar maken die van wezenlijk belang is en volgens de technische criteria van bijlage XII, deel 1, niet als eigendom of vertrouwelijk is aangemerkt.";

15. de bijlagen worden gewijzigd zoals aangegeven in bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 2

Richtlijn 2006/49/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1) aan artikel 3, lid 1, eerste alinea, wordt het volgende punt t) toegevoegd:

t) "securitisatiepositie" en "hersecuritisatiepositie": securitisatiepositie en hersecuritisatiepositie als omschreven in Richtlijn 2006/48/EG.";

(2) in artikel 17, lid 1, komt de aanhef als volgt te luiden:

"Wanneer een instelling risicogewogen posten berekent voor de toepassing van bijlage II bij deze richtlijn overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn 2006/48/EG, geldt voor de berekening volgens bijlage VII, deel 1, punt 36, van Richtlijn 2006/48/EG het volgende:";

(3) artikel 18, lid 1, onder a), komt als volgt te luiden:

"a) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de methoden en werkwijzen als omschreven in de artikelen 28 tot en met 32 en de bijlagen I, II en VI en, in voorkomend geval, bijlage V, met betrekking tot hun handelsportefeuille, en in bijlage II, punten 1 tot en met 4, met betrekking tot hun niet-handelsportefeuille;";

(4) de bijlagen worden gewijzigd zoals aangegeven in bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 3 Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4 Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 5 Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

De bijlagen V, VI, IX en XII bij Richtlijn 2006/48/EG worden als volgt gewijzigd:

(1) in bijlage V wordt de volgende afdeling 11 toegevoegd:

"11. BELONINGSBELEID

22. Bij de vaststelling en toepassing van het beloningsbeleid voor de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden hun risicoprofiel materieel beïnvloeden, nemen kredietinstellingen de volgende beginselen in acht op een wijze die aansluit bij hun omvang en hun interne organisatie en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten:

a) het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij aan een gezond en doeltreffend risicobeheer en moedigt niet aan tot het nemen van meer risico's dan voor de kredietinstelling aanvaardbaar is;

b) het beloningsbeleid strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de kredietinstelling;

c) het leidinggevend orgaan (toezichtfunctie) van de kredietinstelling stelt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en ziet toe op de tenuitvoerlegging ervan;

d) de tenuitvoerlegging van het beloningsbeleid wordt ten minste eenmaal per jaar onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling om deze te toetsen aan het beleid en de procedures voor de beloning die zijn vastgesteld door het leidinggevend orgaan (toezichtfunctie);

e) wanneer de beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, het betrokken bedrijfsonderdeel en de resultaten van de kredietinstelling als geheel;

f) vaste en variabele componenten van de totale beloning zijn evenwichtig verdeeld; het aandeel van de vaste component in het totale beloningspakket is groot genoeg voor het voeren van een volledig flexibel bonusbeleid, dat ook de mogelijkheid biedt geen bonus uit te betalen;

g) ontslagvergoedingen hangen samen met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zijn zodanig vormgegeven dat zij geen beloning voor falen zijn;

h) bij de beoordeling van prestaties, als basis voor bonussen of bonuspools, wordt onder meer een correctie aangebracht voor actuele en toekomstige risico’s en wordt rekening gehouden met de kosten van het gebruikte kapitaal en de vereiste liquiditeit;

i) de betaling van een groot deel van een significante bonus wordt gedurende een passende periode uitgesteld en gekoppeld aan de toekomstige prestatie van de instelling.";

(2) bijlage VI, deel 1, wordt als volgt gewijzigd:

16. punt 8 komt als volgt te luiden:

"8. Onverminderd de punten 9, 10 en 11 wordt aan vorderingen op regionale en lagere overheden hetzelfde risicogewicht toegekend als aan vorderingen op instellingen, behoudens punt 11 bis. Deze behandeling staat los van de gebruikmaking van de in artikel 80, lid 3, gespecificeerde keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de punten 31, 32 en 37 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet toegepast.";

17. het volgende punt 11 bis wordt ingevoegd:

"11 bis Onverminderd de punten 9, 10 en 11 wordt aan vorderingen op regionale en lagere overheden van de lidstaten luidende en gefinancierd in de nationale munteenheid van de betrokken regionale en lagere overheden een risicogewicht van 20% toegekend.";

(3) bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:

18. in deel 3, punt 1, wordt het volgende punt c) toegevoegd:

"c) de kredietbeoordeling wordt niet geheel of gedeeltelijk gebaseerd op niet-financiële steun die door de kredietinstelling zelf wordt verstrekt.";

19. deel 4 wordt als volgt gewijzigd:

i) in punt 5 wordt de volgende zin toegevoegd:

"Ingeval wegens de in deel 3, punt 1, onder c), gestelde eis voor een positie in door activa gedekt commercial paper geen gebruik kan worden gemaakt van een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI, mag de kredietinstelling voor de berekening van de risicogewogen post van het commercial paper het aan een liquiditeitsfaciliteit toegekende risicogewicht hanteren indien het commercial paper van een ABCP-programma en de liquiditeitsfaciliteit overlappende posities vormen.";

ii) punt 6 komt als volgt te luiden:

"6. Onverminderd punt 8 wordt de risicogewogen post van een securitisatie- of hersecuritisatiepositie met een rating berekend door op de waarde van de post het risicogewicht toe te passen dat overeenkomt met de kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 98 is ondergebracht, zoals in tabel 1 is weergegeven.";

iii) tabel 1 komt als volgt te luiden:

"Tabel 1 |

Krediet-kwaliteits-categorie | 1 | 2 | 3 | 4 (alleen voor andere krediet-beoordelingen dan krediet-beoordelingen voor de korte termijn) | Alle overige kredietkwaliteits-categorieën |

Securitisatie-posities | 20% | 50% | 100% | 350% | 1250% |

Hersecuritisatie-posities | 40% | 100% | 225% | 650% | 1250%" |

iv) tabel 2 wordt geschrapt;

v) punt 46 komt als volgt te luiden:

"46. Conform de ratingbenadering wordt de risicogewogen post van een securitisatie- of hersecuritisatiepositie met een rating berekend door op de waarde van de post het met 1,06 vermenigvuldigde risicogewicht toe te passen dat overeenkomt met de kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 98 is ondergebracht, zoals in tabel 4 is weergegeven.";

vi) tabel 4 komt als volgt te luiden:

"Tabel 4 |

Kredietkwaliteitscategorie | Securitisatieposities | Hersecuritisatie-posities |

Andere krediet-beoor-delingen dan krediet-beoor-delingen voor de korte termijn | Krediet-beoor-delingen voor de korte termijn | A | B | C | D | E |

1 | 1 | 7% | 12% | 20% | 20% | 30% |

2 | 8% | 15% | 25% | 25% | 40% |

3 | 10% | 18% | 35% | 35% | 50% |

4 | 2 | 12% | 20% | 40% | 65% |

5 | 20% | 35% | 60% | 100% |

6 | 35% | 50% | 100% | 150% |

7 | 3 | 60% | 75% | 150% | 225% |

8 | 100% | 200% | 350% |

9 | 250% | 300% | 500% |

10 | 425% | 500% | 650% |

11 | 650% | 750% | 850% |

Alle overige en zonder rating | 1250%" |

vii) punt 47 komt als volgt te luiden:

"47. De risicogewichten van kolom C van tabel 4 worden toegepast wanneer de securitisatiepositie geen hersecuritisatiepositie betreft en wanneer het effectieve aantal gesecuritiseerde vorderingen minder dan zes bedraagt. Op de resterende securitisatieposities die geen hersecuritisatieposities betreffen, worden de risicogewichten van kolom B toegepast, tenzij de positie zich in de tranche van de hoogste rang van een securitisatie bevindt, in welk geval de risicogewichten van kolom A worden toegepast. Op hersecuritisatieposities worden de risicogewichten van kolom E toegepast, tenzij de hersecuritisatiepositie zich in de tranche van de hoogste rang van een hersecuritisatie bevindt en geen van de onderliggende vorderingen zelf hersecuritisatieposities waren, in welk geval de risicogewichten van kolom D worden toegepast. Om vast te stellen of een bepaalde tranche de hoogste rang heeft, behoeft geen rekening te worden gehouden met verschuldigde bedragen in het kader van rente- of valutaderivatencontracten, verschuldigde vergoedingen of andere soortgelijke betalingen.";

viii) punt 48 wordt geschrapt;

ix) punt 49 komt als volgt te luiden:

"49. Om het effectieve aantal gesecuritiseerde vorderingen te berekenen, moeten meerdere vorderingen op één debiteur als één vordering worden beschouwd. Het effectieve aantal vorderingen wordt als volgt berekend:

[pic]

waarbij EADi de som is van de waarde van alle vorderingen op de ide debiteur. Indien het aandeel in de portefeuille van de grootste vordering, C1, beschikbaar is, mag de kredietinstelling N berekenen als 1/C1.";

x) punt 50 wordt geschrapt;

xi) punt 52 komt als volgt te luiden:

"52. Onverminderd de punten 58 en 59 is, in het kader van de benadering met toezichthoudersformule, het risicogewicht van een securitisatiepositie het risicogewicht dat overeenkomstig punt 53 moet worden toegepast. Het risicogewicht mag echter niet lager zijn dan 20% voor hersecuritisatieposities en dan 7% voor alle overige securitisatieposities.";

xii) in punt 53 komt de zesde alinea als volgt te luiden:

"N is het effectieve aantal vorderingen, berekend overeenkomstig punt 49. In geval van hersecuritisaties moet de kredietinstelling het aantal securitisatieposities in de pool in aanmerking nemen en niet het aantal onderliggende vorderingen in de oorspronkelijke pools die aan de onderliggende securitisatieposities ten grondslag liggen.";

(4) bijlage XII, deel 2, wordt als volgt gewijzigd:

a) de punten 9 en 10 komen als volgt te luiden:

"9. De kredietinstellingen die hun kapitaalvereisten berekenen overeenkomstig artikel 75, onder b) en c), maken deze vereisten afzonderlijk openbaar voor elk risico waarnaar in die bepalingen wordt verwezen. Daarnaast wordt het kapitaalvereiste voor specifiek renterisico van securitisatieposities afzonderlijk openbaar gemaakt.

10. De volgende informatie wordt openbaar gemaakt door elke kredietinstelling die haar kapitaalvereisten berekent overeenkomstig bijlage V bij Richtlijn 2006/49/EG:

a) voor elke subportefeuille waarvoor dekking wordt geboden:

i) de kenmerken van de gebruikte modellen;

ii) voor het kapitaalvereiste voor additioneel risico, de gehanteerde methoden en de met behulp van een intern model gemeten risico's, waarbij een beschrijving wordt gegeven van de benadering die de kredietinstelling heeft gevolgd om liquiditeitshorizons te bepalen, de methoden die zijn gehanteerd voor het verkrijgen van een beoordeling van het kapitaal die aan de vereiste deugdelijkheidsnorm beantwoordt, en de bij de validatie van het model gevolgde benaderingen;

iii) een beschrijving van de op de subportefeuille toegepaste stresstests;

iv) een beschrijving van de benadering die wordt toegepast om de juistheid en consistentie van de interne modellen en modelleringsprocessen achteraf te testen en te valideren;

b) de aanvaardbaarheid van het model voor de bevoegde autoriteit;

c) een uiteenzetting van de mate waarin en de methoden volgens welke de vereisten als uiteengezet in bijlage VII, deel B, van Richtlijn 2006/49/EG worden nageleefd;

d) de hoogste, laagste en gemiddelde stand van de volgende waarden:

i) de dagelijkse VaR-metingen tijdens de verslagperiode en aan het einde van de periode;

ii) de dagelijkse stressed-VaR-metingen tijdens de verslagperiode en aan het einde van de periode;

iii) het kapitaalvereiste voor additioneel risico tijdens de verslagperiode en aan het einde van de periode;

e) het kapitaalbedrag voor additioneel risico, samen met de gewogen gemiddelde liquiditeitshorizon voor elke subportefeuille waarvoor dekking wordt geboden;

f) een vergelijking tussen de dagelijkse VaR-metingen aan het einde van de dag en de eendaagse veranderingen in de waarde van de portefeuille aan het einde van de volgende werkdag, samen met een analyse van elke aanzienlijke overschrijding tijdens de verslagperiode.";

b) punt 14 komt als volgt te luiden:

"14. De kredietinstellingen die risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 94 tot en met 101, dan wel kapitaalvereisten overeenkomstig punt 16 bis van bijlage I bij Richtlijn 2006/49/EG berekenen, maken de volgende informatie openbaar, voor hun handels- en niet-handelsportefeuille afzonderlijk indien zulks relevant is:

a) een uiteenzetting van de doelstellingen van de kredietinstelling met betrekking tot haar securitisatieactiviteiten;

b) de aard van andere risico's, met inbegrip van het aan gesecuritiseerde activa inherente liquiditeitsrisico;

c) het soort risico's in termen van de rangorde van de onderliggende securitisatieposities en in termen van de activa die ten grondslag liggen aan deze securitisatieposities die bij de hersecuritisatieactiviteiten worden ingenomen en behouden;

d) de verschillende taken van de kredietinstelling in het securitisatieproces;

e) een indicatie van de mate van betrokkenheid van de kredietinstelling bij elk van deze taken;

f) een beschrijving van de processen om veranderingen in het krediet- en marktrisico van securitisatieposities in het oog te houden, waarbij onder meer wordt vermeld hoe het gedrag van de onderliggende activa van invloed is op securitisatieposities en hoe deze processen verschillen voor hersecuritisatieposities;

g) een beschrijving van het beleid van de kredietinstelling ten aanzien van het gebruik van afdekkingsinstrumenten en niet-volgestorte protectie voor het limiteren van de risico's van behouden securitisatie- en hersecuritisatieposities, waarbij per betrokken soort risicopositie ook de belangrijke tegenpartijen bij afdekkingstransacties worden vermeld;

h) de benaderingen die de kredietinstelling in het kader van haar securitisatieactiviteiten toepast met het oog op de berekening van risicogewogen posten, met inbegrip van de soorten securitisatieposities waarop elke benadering van toepassing is;

i) de soorten SSPE's waarvan de kredietinstelling als sponsor gebruikmaakt om vorderingen op derden te securitiseren, waarbij tevens wordt vermeld of, en zo ja in welke vorm en tot op welke hoogte, de kredietinstelling vorderingen op deze SSPE's heeft welke wel en niet op de balans staan;

j) een samenvatting van de door de kredietinstelling gehanteerde grondslagen voor de financiële verslaggeving met betrekking tot haar securitisatieactiviteiten, met inbegrip van:

i) de vermelding of de transacties als verkopen dan wel als financieringen worden behandeld;

ii) de inaanmerkingneming van de winsten op de verkopen;

iii) de gevolgde methoden en belangrijkste aannames en inputs voor de waardering van securitisatieposities;

iv) de behandeling van synthetische securitisaties indien hierop geen andere grondslagen voor de financiële verslaglegging van toepassing zijn;

v) hoe nog te securitiseren activa worden gewaardeerd en of zij in de niet-handelsportefeuille dan wel de handelsportefeuille van de kredietinstelling zijn opgenomen;

vi) het beleid voor het opnemen van verplichtingen op de balans met betrekking tot regelingen die de kredietinstelling ertoe kunnen nopen financiële steun voor gesecuritiseerde activa te verstrekken;

k) de namen van de EKBI's die voor securitisaties worden gebruikt en de soorten vorderingen waarvoor elk van deze instellingen wordt gebruikt;

l) in voorkomend geval, een beschrijving van de interne-beoordelingsbenadering overeenkomstig bijlage IX, deel 4, waarbij onder meer melding wordt gemaakt van de structuur van de interne-beoordelingsprocedure en de relatie tussen interne beoordeling en externe ratings, de gebruikmaking van interne beoordeling voor andere doeleinden dan voor de vaststelling van kapitaalvereisten, de controlemechanismen die van toepassing zijn op de interne-beoordelingsprocedure, inclusief de bespreking van de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid daarvan, en de toetsing van de interne-beoordelingsprocedure; de soorten vorderingen waarop de interne-beoordelingsprocedure wordt toegepast en de per soort vordering gehanteerde stressfactoren voor het bepalen van de kredietverbeteringsniveaus;

m) een toelichting van eventuele significante veranderingen die zich sinds de laatste verslagperiode in enigerlei van de kwantitatieve gegevens bedoeld in de punten i) tot en met l) hebben voorgedaan;

n) voor de handels- en de niet-handelsportefeuille afzonderlijk, de volgende informatie uitgesplitst naar soort vordering:

i) het totale uitstaande bedrag van de vorderingen die door de kredietinstelling zijn gesecuritiseerd, onderverdeeld in traditionele en synthetische securitisaties en securitisaties waarvoor de kredietinstelling alleen als sponsor optreedt;

ii) het totaalbedrag van de behouden of gekochte securitisatieposities die op de balans staan, en van de securitisatieposities buiten de balans;

iii) het totaalbedrag van nog te securitiseren activa;

iv) voor gesecuritiseerde faciliteiten die aan de vervroegde-aflossingsbehandeling onderworpen zijn, de totale opgenomen bedragen die aan de deelnemingen van respectievelijk de verkoper en de beleggers zijn toegerekend, de voor de kredietinstelling geldende totale kapitaalvereisten wegens het door haar (de verkoper) behouden aandeel in de opgenomen bedragen en de niet-aangesproken kredietlijnen, en de voor de kredietinstelling geldende totale kapitaalvereisten wegens het aandeel van de beleggers in de opgenomen bedragen en de niet-aangesproken kredietlijnen;

v) het bedrag van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zijn afgetrokken of waaraan een risicogewicht van 1 250% is toegekend;

vi) een samenvatting van de securitisatieactiviteiten in het lopende jaar, met vermelding van het bedrag van de gesecuritiseerde vorderingen en het in aanmerking genomen verkoopresultaat (winst of verlies);

o) voor de handels- en de niet-handelsportefeuille afzonderlijk, de volgende informatie:

i) het totaalbedrag van de behouden of gekochte securitisatieposities en de daarmee samenhangende kapitaalvereisten, uitgesplitst naar securitisatie- en hersecuritisatieposities en verder onderverdeeld in een zinvol aantal risicogewicht- of kapitaalvereiste-bandbreedtes voor elke benadering die voor het bepalen van kapitaalvereisten is gevolgd;

ii) het totaalbedrag van de behouden of gekochte hersecuritisatieposities, onderverdeeld in de positie vóór en na afdekking/verzekering en de vordering op financiële garantiegevers, onderverdeeld volgens de kredietwaardigheidscategorieën van de garantiegevers of de naam van de garantiegevers;

p) voor de niet-handelsportefeuille en met betrekking tot door de kredietinstelling gesecuritiseerde vorderingen, het bedrag van de dubieuze/achterstallige gesecuritiseerde vorderingen en de door de kredietinstelling gedurende de betrokken periode in aanmerking genomen verliezen, beide onderverdeeld in categorieën;

q) voor de handelsportefeuille, het totale uitstaande bedrag van de vorderingen die door de kredietinstelling zijn gesecuritiseerd en die aan een kapitaalvereiste voor het marktrisico onderworpen zijn, onderverdeeld in traditionele en synthetische securitisatie en per categorie.";

c) het volgende punt 15 wordt toegevoegd:

"15. In verband met het beloningsbeleid en de beloningscultuur van de kredietinstelling ten aanzien van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden haar risicoprofiel materieel beïnvloeden, wordt de volgende informatie openbaar gemaakt:

a) informatie over het besluitvormingsproces voor de vaststelling van het beloningsbeleid, in voorkomend geval met vermelding van informatie over de samenstelling en het mandaat van een remuneratiecommissie, de naam van de externe adviseur op wiens diensten bij de vaststelling van het beloningsbeleid een beroep is gedaan, en de rol van de belanghebbenden;

b) informatie over het verband tussen beloning en prestaties;

c) informatie over de voor prestatiebeoordeling en risicocorrectie gehanteerde criteria;

d) informatie over de prestatiecriteria op basis waarvan het recht op aandelen, opties of variabele beloningscomponenten wordt toegekend;

e) de belangrijkste parameters en de motivering van een eventuele bonusregeling en eventuele andere niet-geldelijke voordelen."

BIJLAGE II

De bijlagen I, II, V en VII bij Richtlijn 2006/49/EG worden als volgt gewijzigd:

(1) bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a) punt 14 wordt als volgt gewijzigd:

i) de eerste alinea komt als volgt te luiden:

"14. De instelling brengt haar overeenkomstig punt 1 berekende nettoposities in de handelsportefeuille in instrumenten die geen securitisatieposities zijn op grond van de emittent/debiteur, de externe of interne kredietbeoordeling en hun resterende looptijden onder in de desbetreffende categorieën van tabel 1, en vermenigvuldigt deze vervolgens met de in tabel 1 aangegeven wegingsfactoren. Zij bepaalt de som van haar uit de toepassing van dit punt en punt 16 bis resulterende gewogen posities (ongeacht of het lange dan wel korte posities betreft) teneinde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te berekenen.";

ii) de vierde alinea wordt geschrapt;

b) het volgende punt 16 bis wordt ingevoegd:

"16 bis De instelling berekent het kapitaalvereiste met betrekking tot haar nettoposities in de handelsportefeuille in instrumenten die securitisatieposities zijn, als volgt:

a) voor securitisatieposities die in de niet-handelsportefeuille van dezelfde instelling aan de standaardbenadering voor het kredietrisico zouden worden onderworpen, 8% van de risicogewogen posten overeenkomstig de in bijlage IX, deel 4, van Richtlijn 2006/48/EG beschreven standaardbenadering;

b) voor securitisatieposities die in de niet-handelsportefeuille van dezelfde instelling aan de interne-ratingbenadering voor het kredietrisico zouden worden onderworpen, 8% van de risicogewogen posten overeenkomstig de in bijlage IX, deel 4, van Richtlijn 2006/48/EG beschreven interne-ratingbenadering. De benadering met toezichthoudersformule mag alleen met toestemming van de toezichthouder worden toegepast door andere instellingen dan een initiërende instelling die deze benadering voor dezelfde securitisatiepositie in haar niet-handelsportefeuille mag toepassen. Indien van toepassing, worden als inputs voor de benadering met toezichthoudersformule fungerende ramingen van PD en LGD bepaald in overeenstemming met de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn 2006/48/EG, dan wel, met aparte toestemming van de toezichthouder, op basis van een benadering zoals uiteengezet in punt 5 bis van bijlage V;

c) onverminderd de punten a) en b), voor hersecuritisatieposities waarop overeenkomstig artikel 122 ter, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG een risicogewicht van 1 250% zou worden toegepast indien zij in de niet-handelsportefeuille van dezelfde instelling zouden zijn opgenomen, 8% van de conform dat artikel berekende risicogewogen post.";

c) punt 34 komt als volgt te luiden:

"34. De instelling bepaalt de som van al haar lange nettoposities en van al haar korte nettoposities overeenkomstig punt 1. Zij vermenigvuldigt haar totale brutopositie met 8% teneinde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te bepalen.";

d) punt 35 wordt geschrapt;

(2) in bijlage II, punt 7, komt de tweede alinea als volgt te luiden:

"In het geval van een kredietverzuimswap is het instellingen waarvoor het aan de swap verbonden risico een lange positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, echter toegestaan om voor het potentiële toekomstige kredietrisico een percentage van 0% toe te passen, tenzij de kredietverzuimswap bezwaard is met closeout in geval van insolventie van de entiteit waarvoor het aan de swap verbonden risico een korte positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, ook al is er voor de onderliggende waarde geen sprake van wanbetaling, in welk geval het percentage voor het potentiële toekomstige kredietrisico van de instelling wordt beperkt tot het bedrag van de premies die nog niet door de entiteit aan de instelling zijn betaald.";

(3) bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a) punt 1 komt als volgt te luiden:

"1. Onder de voorwaarden die in deze bijlage worden bepaald, staan de bevoegde autoriteiten de instellingen toe bij de berekening van hun kapitaalvereisten voor het positierisico, het valutarisico en/of het grondstoffenrisico hun eigen interne modellen te gebruiken, in plaats van of in combinatie met de methoden die in de bijlagen I, III en IV worden beschreven. Voor elk geval moet door de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk erkenning worden verleend voor het gebruik van modellen met het oog op het toezicht op de kapitaalvereisten.";

b) punt 4, tweede alinea, komt als volgt te luiden:

"De bevoegde autoriteiten onderzoeken of de instelling in staat is tot het uitvoeren van tests achteraf op zowel feitelijke als hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille. "Back-testing" op de hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille berust op een vergelijking van de eindedagswaarde van de portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde posities, de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag. De bevoegde autoriteiten verlangen van de instellingen dat zij passende maatregelen treffen om hun "back-testing"-programma te verbeteren wanneer dat ontoereikend wordt geacht. De bevoegde autoriteiten verlangen ten minste van de instellingen dat zij tests achteraf uitvoeren op hypothetische (d.w.z. met gebruikmaking van veranderingen in de waarde van de portefeuille uitgaande van ongewijzigde eindedagsposities) uitkomsten van handelstransacties.";

c) punt 5 komt als volgt te luiden:

"5. Voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen erkennen de bevoegde autoriteiten het gebruik van een intern model van een instelling wanneer dit interne model voldoet aan de voorwaarden in het vervolg van deze bijlage en bovendien:

a) de historische prijsschommeling in de portefeuille verklaart;

b) de concentratie qua omvang en veranderingen in de samenstelling van de portefeuille weergeeft;

c) solide blijkt in een ongunstige omgeving;

d) gevalideerd wordt door back-testing ter beoordeling van de vraag of het specifieke risico accuraat wordt weergegeven. Als de bevoegde autoriteiten toestaan dat deze vorm van back-testing op basis van relevante subportefeuilles geschiedt, moeten deze laatste consequent worden gekozen;

e) het name-related basisrisico weergeeft. Dat wil zeggen dat instellingen aantonen dat het interne model gevoelig is voor wezenlijke individuele verschillen tussen soortgelijke maar niet identieke posities;

f) het "event"-risico weergeeft.

Het interne model van de instelling levert een conservatieve beoordeling op van het risico dat volgens realistische marktscenario’s uit minder liquide posities en posities met beperkte prijstransparantie voortvloeit. Voorts voldoet het interne model aan minimale gegevensnormen. Vervangende gegevens zijn voldoende conservatief en mogen alleen worden gebruikt wanneer de beschikbare gegevens ontoereikend zijn of niet de ware volatiliteit van een positie of portefeuille weerspiegelen.

De instelling kan ervoor opteren om bij de berekening van haar kapitaalvereiste voor het specifieke risico met behulp van een intern model, de posities buiten beschouwing te laten waarvoor zij aan het overeenkomstig punt 16 bis van bijlage I bepaalde kapitaalvereiste voor het positierisico voldoet.

De kredietinstellingen maken gebruik van de vorderingen op het gebied van technieken en optimale werkwijzen naarmate deze vorderingen zich voordoen.";

d) de volgende punten 5 bis tot en met 5 duodecies worden ingevoegd:

"5 bis Een instelling die voor verhandelbare schuldinstrumenten onder punt 5 valt, beschikt bij de berekening van haar kapitaalvereisten over een methode voor de weergave van het aan haar posities in de handelsportefeuille verbonden additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico bij de risico's die zijn verwerkt in de berekening op basis van de VaR-meting, als gespecificeerd in punt 5. De instelling toont aan dat haar methode voldoet aan deugdelijkheidsnormen vergelijkbaar met de methode van de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn 2006/48/EG, uitgaande van een constant risiconiveau, en waar nodig aangepast om het effect van liquiditeit, concentraties, afdekking en optionaliteit weer te geven.

Werkingssfeer

5 ter De methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico bestrijkt alle posities die aan een kapitaalvereiste voor specifiek renterisico onderworpen zijn, maar niet die welke aan de specifieke behandeling van punt 16 bis van bijlage I onderworpen zijn. Met toestemming van de toezichthouder mag de instelling ervoor kiezen stelselmatig alle posities in beursgenoteerde aandelen en op beursgenoteerde aandelen gebaseerde derivatenposities in aanmerking te nemen, mits een dergelijke inaanmerkingneming consistent is met de wijze waarop de bank intern risico meet en beheert. De methode moet het effect weergeven van correlaties tussen gebeurtenissen waardoor wanbetaling ontstaat en gebeurtenissen die tot migratie aanleiding geven. Zij mag echter zeker niet het effect weergeven van de diversificatie tussen gebeurtenissen waardoor wanbetaling ontstaat en gebeurtenissen die tot migratie aanleiding geven enerzijds en andere marktrisicofactoren anderzijds.

Parameters

5 quater De methode voor de weergave van additionele risico's moet de waarde van de aan wanbetaling en aan de migratie van interne of externe ratings toe te schrijven verliezen bepalen met een betrouwbaarheidsinterval van 99,9% over een kapitaalhorizon van één jaar.

Aannames inzake correlatie worden onderbouwd met analyses van objectieve gegevens in een qua concept solide kader. De methode voor de weergave van additionele risico's geeft een adequate afspiegeling van de concentratie van emittenten. Ook concentraties die onder stressomstandigheden binnen en tussen productcategorieën kunnen ontstaan, worden weergegeven.

De methode is gebaseerd op de aanname dat het risico over de kapitaalhorizon van één jaar constant blijft, hetgeen inhoudt dat er voor bepaalde individuele posities in de handelsportefeuille of reeksen posities die tijdens hun liquiditeitshorizon door wanbetaling of migratie werden gekenmerkt, aan het einde van hun liquiditeitshorizon rebalancing heeft plaatsgevonden om het oorspronkelijke risiconiveau te bereiken. Bij wijze van alternatief kan een instelling ervoor opteren stelselmatig aan te nemen dat een positie een jaar lang constant blijft.

5 quinquies De liquiditeitshorizons worden vastgesteld op basis van de tijd die nodig is om de positie te verkopen of onder gespannen marktomstandigheden alle wezenlijke relevante prijsrisico's af te dekken, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de omvang van de positie. Liquiditeitshorizons weerspiegelen de feitelijke praktijk en ervaring tijdens perioden van zowel systematische als occasionele spanningen. De liquiditeitshorizon wordt bepaald op basis van conservatieve aannames en is lang genoeg opdat de handeling van het verkopen of afdekken op zich geen wezenlijk effect heeft op de prijs waartegen het verkopen of afdekken geschiedt.

Bij de vaststelling van de passende liquiditeitshorizon van een positie of reeks posities wordt een termijn van ten minste drie maanden gehanteerd.

Bij de vaststelling van de passende liquiditeitshorizon van een positie of reeks posities wordt rekening gehouden met de interne gedragslijnen van een instelling op het gebied van waarderingsaanpassingen en het beheer van slapende posities. Wanneer een instelling liquiditeitshorizons voor reeksen posities in plaats van voor individuele posities vaststelt, worden de criteria aan de hand waarvan de reeksen posities worden bepaald, gedefinieerd op een wijze die verschillen in liquiditeit op betekenisvolle wijze weerspiegelt. De liquiditeitshorizons voor geconcentreerde posities zijn langer om aan te geven dat het langer duurt om dergelijke posities te liquideren. De liquiditeitshorizon voor een securitisation warehouse weerspiegelt de tijd die nodig is om de activa te construeren, te verkopen en te securitiseren of om onder gespannen marktomstandigheden de wezenlijke risicofactoren af te dekken.

5 sexies In de door een instelling gehanteerde methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico mogen afdekkingsinstrumenten worden verwerkt. Posities mogen worden verrekend wanneer lange en korte posities op hetzelfde financiële instrument betrekking hebben. Afdekkings- of diversificatie-effecten die zowel met lange en korte posities in verschillende instrumenten of effecten van dezelfde debiteur, als met lange en korte posities jegens verschillende emittenten samenhangen, mogen alleen worden erkend door uitdrukkelijk lange en korte brutoposities in de verschillende instrumenten te modelleren. Het effect van wezenlijke risico's die zich tussen de vervaldag van het afdekkingsinstrument en het einde van de liquiditeitshorizon kunnen voordoen, alsook de kans op significante basisrisico's in de afdekkingsstrategieën per product, de rangorde in de kapitaalstructuur, de interne of externe rating, de looptijd, de emissiedatum en andere verschillen in de instrumenten worden door de instelling weergegeven. Een instelling geeft een afdekkingsinstrument alleen weer voor zover het ook verder kan worden aangehouden als een met de debiteur verband houdende krediet- of andere gebeurtenis nadert.

Voor posities in de handelsportefeuille die met behulp van dynamische afdekkingsstrategieën worden afgedekt, mag rebalancing van het afdekkingsinstrument binnen de liquiditeitshorizon van de afgedekte positie worden erkend, mits de instelling i) ervoor kiest de rebalancing van het afdekkingsinstrument consequent over de betrokken reeks posities in de handelsportefeuille te modelleren; ii) aantoont dat de inaanmerkingneming van rebalancing in een betere risicometing resulteert; en iii) aantoont dat de markten voor de instrumenten die als afdekkingsinstrumenten fungeren, liquide genoeg zijn om zelfs in perioden van spanningen rebalancing mogelijk te maken. Uit dynamische afdekkingsstrategieën voortvloeiende restrisico's moeten in het kapitaalvereiste tot uiting komen.

5 septies De methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico moet het niet-lineaire effect van opties, gestructureerde kredietderivaten en andere posities met wezenlijk niet-lineair gedrag inzake prijswijzigingen weerspiegelen. De instelling houdt ook naar behoren rekening met het modelrisico dat inherent is aan de waardering en raming van de prijsrisico's die aan dergelijke producten verbonden zijn.

5 octies De methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico is op objectieve gegevens gebaseerd.

Validatie

5 nonies Als onderdeel van de krachtens deze bijlage vereiste onafhankelijke evaluatie van haar risicometingssysteem en validatie van haar interne modellen moet een instelling met betrekking tot de methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico met name:

i) valideren dat haar modelleringsbenadering voor correlaties en prijswijzigingen, met inbegrip van de keuze en gewichten van haar systemische risicofactoren, geschikt is voor haar portefeuille;

ii) diverse stresstests, met inbegrip van een gevoeligheidsanalyse en een scenarioanalyse, uitvoeren om de kwalitatieve en kwantitatieve redelijkheid van de methode te beoordelen, met name wat de behandeling van concentraties betreft. Deze tests mogen niet beperkt blijven tot in het verleden ervaren gebeurtenissen;

iii) passende kwantitatieve validatie-instrumenten, met inbegrip van relevante benchmarks voor interne modellering, toepassen.

De methode voor de weergave van additionele risico's moet consistent zijn met de interne risicobeheermethoden die door de instelling worden gevolgd voor het detecteren, meten en beheren van handelsrisico's.

Documentatie

5 decies Een instelling documenteert haar methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico zodanig dat de correlatie ervan en andere modelleringsaannames transparant zijn voor de bevoegde autoriteiten.

Op andere parameters gebaseerde interne methoden

5 undecies Indien de instelling een methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico hanteert die niet aan alle in dit punt gestelde eisen voldoet maar die consistent is met de interne methoden die door de instelling worden gevolgd voor het detecteren, meten en beheren van risico's, dan moet zij kunnen aantonen dat deze methode resulteert in een kapitaalvereiste dat ten minste even hoog is als datgene dat zou worden verkregen op basis van een methode die volledig aan de in dit punt gestelde eisen beantwoordt. De bevoegde autoriteiten gaan ten minste eenmaal per jaar na of aan het bepaalde in de vorige volzin is voldaan. Het Comité van Europese bankentoezichthouders gaat na welke werkwijzen op dit gebied worden gevolgd en stelt richtsnoeren op om gelijke concurrentieverhoudingen te waarborgen.

Berekeningsfrequentie

5 duodecies De methode voor de weergave van de additionele risico's wordt ten minste eenmaal per week door de instelling berekend.;

e) punt 7 komt als volgt te luiden:

"7. Voor de toepassing van punt 10 ter, onder a) en b), worden de uitkomsten van de door de instelling zelf uitgevoerde berekening vermenigvuldigd met ten minste een factor 3 (m+).";

f) punt 8, eerste alinea, komt als volgt te luiden:

"Voor de toepassing van punt 10 ter, onder a) en b), wordt de vermenigvuldigingsfactor (m+) verhoogd met een plus-factor tussen 0 en 1, overeenkomstig tabel 1, afhankelijk van het aantal overschrijdingen ("overshootings") dat de instelling gedurende de laatste 250 werkdagen bij het uitvoeren van de tests achteraf van de overeenkomstig punt 10 bepaalde VaR-meting heeft geconstateerd. De bevoegde autoriteiten verlangen dat de instelling overschrijdingen consistent berekent door middel van tests achteraf op hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille. Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de portefeuille welke meer bedraagt dan de gerelateerde, uit het model van de instelling resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies. Ter bepaling van de plus-factor wordt het aantal overschrijdingen minstens per kwartaal geëvalueerd.";

g) punt 9 wordt geschrapt;

h) punt 10 wordt als volgt gewijzigd:

i) punt c) komt als volgt te luiden:

"c) een aanhoudingsperiode van 10 dagen;";

ii) punt e) komt als volgt te luiden:

"e) maandelijkse bijwerking van het gegevensbestand.";

i) de volgende punten 10 bis en 10 ter worden ingevoegd:

"10 bis Daarnaast berekent elke instelling een stresswaarde van het potentiële verlies ("stressed value-at-risk" – stressed-VaR) op basis van de VaR-meting met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99% voor een aanhoudingsperiode van tien dagen van de actuele portefeuille, waarbij de VaR-modelinputs zijn geijkt aan de hand van historische gegevens uit perioden van aanzienlijke financiële spanningen die relevant waren voor de portefeuille van de instelling. De keuze van deze historische gegevens wordt jaarlijks getoetst en goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten. Het Comité van Europese bankentoezichthouders gaat na welke werkwijzen op dit gebied worden gevolgd en stelt richtsnoeren op om de convergentie ervan te waarborgen. De stressed-VaR wordt ten minste eenmaal per week door de instellingen berekend.

10 ter Elke instelling moet dagelijks voldoen aan een kapitaalvereiste dat is uitgedrukt als de som van de volgende waarden:

a) de hoogste waarde van 1) haar overeenkomstig punt 10 bepaalde VaR-meting van de dag voordien (VaRt-1); en 2) een gemiddelde van de overeenkomstig punt 10 bepaalde dagelijkse VaR-metingen op elk van de voorgaande zestig werkdagen (VaRgem), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (m+);

vermeerderd met

b) de hoogste waarde van 1) haar laatste overeenkomstig punt 10 bis bepaalde beschikbare stressed-VaR (sVaRt-1); en 2) een gemiddelde van de stressed-VaR's berekend volgens de wijze en frequentie gespecificeerd in punt 10 bis op elk van de voorgaande zestig werkdagen (sVaRgem), vermenigvuldigd met de vermenigvuldigingsfactor (m+);

vermeerderd met

c) de som van haar gewogen posities (ongeacht of het om lange of korte posities gaat) die uit de toepassing van punt 16 bis van bijlage I voortvloeien;

vermeerderd met

d) de hoogste waarde van de meest recente meting van de instelling en het gemiddelde over 12 weken van de meting van de instelling van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico, berekend volgens punt 5 bis.";

j) punt 12, eerste alinea, komt als volgt te luiden:

"Afhankelijk van de mate waarin de instelling op de betrokken markten actief is, wordt in het risicometingsmodel een voldoende aantal risicofactoren bestreken. Indien de instelling in haar prijsmodel maar niet in haar risicometingsmodel een risicofactor heeft verwerkt, moet zij deze weglating ten genoegen van de bevoegde autoriteit kunnen rechtvaardigen Bovendien geeft het risicometingsmodel zowel de niet-lineariteit van opties en andere producten als het correlatierisico en het basisrisico weer. Ingeval vervangende maatstaven voor risicofactoren worden gehanteerd, hebben deze in het verleden bewezen adequaat te zijn voor de aangehouden feitelijke positie. Daarnaast geldt het volgende voor individuele soorten risico's:";

(4) bijlage VII, deel B, wordt als volgt gewijzigd:

a) punt 2, onder a), komt als volgt te luiden:

"a) gedocumenteerde gedragslijnen en procedures voor het waarderingsproces. Dit omvat de volgende aspecten: duidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende terreinen die bij de waardering betrokken zijn, marktinformatiebronnen en beoordeling van de deugdelijkheid ervan, richtsnoeren voor de gebruikmaking van niet-waarneembare inputs die de aannames van de instelling weerspiegelen met betrekking tot de vraag wat marktdeelnemers voor de prijsbepaling van de positie zouden gebruiken, frequentie van onafhankelijke waardering, timing van slotkoersen, procedures voor het aanpassen van waarderingen, verificatieprocedures (einde maand en ad hoc);";

b) punt 3 komt als volgt te luiden:

"3. Instellingen waarderen hun posities zoveel mogelijk tegen marktwaarde. Waarderen tegen marktwaarde ("mark to market") is het minstens dagelijks bepalen van de waarde van posities op basis van direct beschikbare slotkoersen, afkomstig van onafhankelijke bronnen. Daarbij kan worden gedacht aan beurskoersen, prijzen in de schermenhandel of noteringen van een aantal onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars.";

c) punt 5 komt als volgt te luiden:

"5. Wanneer waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, dienen instellingen hun posities/portefeuilles op voorzichtige wijze te waarderen op basis van een modellenbenadering alvorens zij de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille toepassen. Waardering op basis van een modellenbenadering ("mark to model") is het door middel van benchmarking, extrapolatie of een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een input uit de markt.";

d) punt 6, onder a), komt als volgt te luiden:

"a) de hoogste directie draagt kennis van de bestanddelen van de handelsportefeuille of van andere tegen reële waarde gewaardeerde posities waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering wordt toegepast en is bekend met de belangrijkheid van de onzekerheid die zulks met zich meebrengt voor de rapportage over de bedrijfsrisico’s en de bedrijfsresultaten;";

e) de punten 8 en 9 komen als volgt te luiden:

"Waarderingsaanpassingen

8. De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van procedures ter beoordeling van de noodzaak van waarderingsaanpassingen.

Algemene voorschriften

9. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat de noodzaak van waarderingsaanpassingen voor de volgende elementen formeel wordt beoordeeld: niet benutte kredietspreidingswinsten, liquidatiekosten, operationele risico’s, vervroegde beëindiging, beleggings- en financieringskosten, toekomstige administratiekosten en, indien van toepassing, aan het model verbonden risico.";

f) de punten 11 tot en met 15 komen als volgt te luiden:

"11. De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van procedures voor de berekening van een aanpassing van de actuele waardering van minder liquide posities. Dergelijke aanpassingen komen waar nodig bovenop eventuele voor financiële verslaggevingsdoeleinden vereiste wijzigingen in de waarde van de positie en zijn bedoeld om de illiquiditeit van de positie weer te geven. In het kader van deze procedures houden de instellingen bij de beoordeling of een waarderingsaanpassing voor minder liquide posities noodzakelijk is, rekening met een aantal verschillende factoren. Deze omvatten de termijn die nodig is om de positie/risicobestanddelen binnen de positie af te dekken, de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen, de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit) en de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes met inbegrip van handelsvolumes in perioden van marktspanningen, marktconcentraties, de veroudering van posities, de mate waarin de waardering berust op een modellenbenadering en het effect van andere modelrisico’s.

12. Wanneer de instellingen gebruik maken van externe waarderingen of waardering op basis van een modellenbenadering, beoordelen zij of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten. Tevens beoordelen zij op continue basis of aanpassingen voor minder liquide posities noodzakelijk zijn.

13. Wanneer waarderingsaanpassingen aanleiding geven tot wezenlijke verliezen voor het lopende boekjaar, worden deze overeenkomstig artikel 57, onder k), van Richtlijn 2006/48/EG in mindering gebracht op het oorspronkelijke eigen vermogen van de instelling.

14. Andere winsten/verliezen voortvloeiend uit waarderingsaanpassingen worden opgenomen in de berekening van de nettowinst uit de handelsportefeuille als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder b), en opgeteld bij/in mindering gebracht op het aanvullend eigen vermogen waarmee op grond van de betrokken bepalingen aan de eisen met betrekking tot marktrisico's kan worden voldaan.

15. Waarderingsaanpassingen die de waarderingsaanpassingen in het kader van het verslaggevingsraamwerk waaraan de kredietinstelling is onderworpen overtreffen, worden conform punt 13 behandeld indien zij tot wezenlijke verliezen aanleiding geven, of anders conform punt 14."

[1] http://ec.europa.eu/internal_market/finances/docs/de_larosiere_report_en.pdf.

[2] Aanbeveling 11.

[3] http://ec.europa.eu/commission_barroso/president/pdf/press_20090304_en.pdf.

[4] http://www.g20.org/Documents/Fin_Deps_Fin_Reg_Annex_020409_-_1615_final.pdf.

[5] De Europese staatshoofden en regeringsleiders hebben hun steun aan deze maatregelen betuigd op de Europese Raad van 19 en 20 maart 2009.

[6] http://www.fsforum.org/publications/r_0904a.pdf.

[7] Aanbeveling van de Commissie ter aanvulling van Aanbeveling 2004/913/EG en Aanbeveling 2005/162/EG wat betreft de regeling voor de beloning van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen (C(2009) 3177/2).

[8] Aanbeveling van de Commissie over het beloningsbeleid in de financiële sector (C(2009) 3159/2).

[9] PB C […] van […], blz. […].

[10] PB C […] van […], blz. […].

[11] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.

[12] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.

[13] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

[14] C(2009) 3159.

[15] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

[16] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.