Home

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie

TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Een prioriteit voor de Commissie in de context van het meerjarig financieel kader is vereenvoudiging van de regelgeving en facilitering van de beschikbaarheid van EU-bijstand voor partnerlanden en -regio’s, maatschappelijke organisaties en het midden- en kleinbedrijf, enz., voor zover zij bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de verordening.

Met vereenvoudigde en flexibele besluitvormingsprocedures kunnen in het kader van de tenuitvoerlegging van de nieuwe instrumenten sneller uitvoeringsbepalingen worden goedgekeurd, waardoor de verlening van de EU-bijstand wordt bespoedigd, vooral voor landen in een crisis- of postcrisissituatie en zwakke staten.

De herziening van het Financieel Reglement, die met name ingrijpend is wat de specifieke bepalingen inzake het extern optreden betreft, vergemakkelijkt de deelname van het maatschappelijk middenveld en kleine bedrijven aan financieringsprogramma’s, bijvoorbeeld door eenvoudigere regels, lagere deelnamekosten en snellere toekenningsprocedures. De Commissie is voornemens deze verordening uit te voeren volgens de nieuwe flexibele procedures van het nieuwe Financieel Reglement.

De Commissie stelt daarom een reeks vereenvoudigde en geharmoniseerde uitvoeringsbepalingen en ‑procedures vast voor de vier geografische instrumenten, namelijk het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en het partnerschapsinstrument (PI), en de drie thematische instrumenten, namelijk het stabiliteitsinstrument (IfS), het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC). Wat het IPA en het ENI betreft, vereisen de bijzondere kenmerken van de pretoetredingssituatie en grensoverschrijdende samenwerking echter aanvullende specifieke uitvoeringsbepalingen en ‑procedures, die in de vorm van een “lex specialis” een aanvulling vormen op de gemeenschappelijke voorschriften die in deze gemeenschappelijke uitvoeringsverordening zijn opgenomen.

Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en het besluit inzake Groenland blijven buiten het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening, gezien de specifieke aard van de desbetreffende financieringsmechanismen.

2.           RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

Openbare raadpleging

De Commissie heeft van 26 november 2010 tot 31 januari 2011 een openbare raadpleging gehouden over de toekomst van de financiering van het externe optreden van de EU. De raadpleging omvatte een online vragenlijst en een bijhorend achtergronddocument over de financiering van het externe optreden van de EU na 2013. Uit de antwoorden bleek dat er over het algemeen geen behoefte was aan een substantiële wijziging van de uitvoeringsmechanismen, hoewel een aanzienlijke meerderheid van de respondenten zich uitsprak voor meer flexibiliteit en vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De Commissie heeft de verschillende verslagen (evaluaties, audit, studies, tussentijdse toetsingen) intern beoordeeld. Daarbij is gekeken naar wat wel en niet werkte, en op basis van de daaruit getrokken lering zijn de financiële instrumenten opgesteld.

Uit de beoordeling bleek dat de thans bestaande instrumenten bijdragen tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in de ontwikkelingslanden. Dankzij uitvoeringsmodaliteiten zoals begrotingssteun en een sectorbrede aanpak konden een diepere samenwerking met de partnerlanden en een efficiëntere taakverdeling tot stand komen door middel van medefinanciering door de verschillende donoren.

Uit de beoordeling bleek echter ook een aantal tekortkomingen. Het huidige uitvoeringsproces werd als te complex beoordeeld en bleek niet de mogelijkheid te bieden om als dat nodig is snel aanpassingen door te voeren. Die tekortkomingen zijn in deze verordening rechtstreeks aangepakt.

3.           JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

In het vijfde deel, titel III, hoofdstuk 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt voorzien in het juridische kader voor de samenwerking met partnerlanden en ‑regio’s. De voorgestelde gemeenschappelijke uitvoeringsverordening is daarom gebaseerd op artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2, van het Verdrag, en wordt door de Commissie ingediend volgens de procedure van artikel 294. Aangezien de artikelen 310 tot en met 320 VWEU ook van toepassing zijn op Euratom (zie artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag), kan het voorstel tevens de uitvoering van de financiële samenwerking uit hoofde van het INSC dekken.

4.           GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Niet van toepassing.

5.           BELANGRIJKSTE ELEMENTEN

(1)        Titel I: Uitvoering – artikelen 1 tot en met 3

Artikel 1 (Onderwerp en beginselen) vermeldt de doelstellingen van de verordening: de vaststelling van een geharmoniseerde reeks uitvoeringsbepalingen voor de Relex-instrumenten, de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de bevordering van vereenvoudiging en flexibiliteit bij de uitvoering van de instrumenten.

Artikel 2 (Vaststelling van actieprogramma’s, afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen) bepaalt dat de Commissie financieringsbesluiten vaststelt in de vorm van actieprogramma’s op basis van meerjarige programmeringsdocumenten. Bij wijze van uitzondering kunnen buiten het kader van actieprogramma’s afzonderlijke maatregelen worden vastgesteld, die echter wel in overeenstemming dienen te zijn met de meerjarige programmeringsdocumenten. In onvoorziene en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie bijzondere maatregelen vaststellen waarin niet is voorzien in de meerjarige programmeringsdocumenten. Dit artikel bevat tevens de voorschriften inzake de comitéprocedure die voor de vaststelling van de genoemde besluiten dient te worden nageleefd, alsmede de mogelijke uitzonderingen daarop.

Artikel 3 (Ondersteunende maatregelen) bepaalt de soorten uitgaven ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van deze verordening die met de EU-financiering kunnen worden gedekt, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, follow-up, toezicht, audit en evaluatie, informatieverstrekking en communicatie. Dergelijke maatregelen kunnen buiten het kader van de programmeringsdocumenten om worden gefinancierd.

(2)        Titel II: Bepalingen inzake financieringsmethoden – artikelen 4 tot en met 6

In de artikelen 4 tot en met 6 worden, op basis van de huidige praktijk en de vastgestelde behoeften de financieringsvormen opgesomd die in het kader van deze verordening kunnen worden gebruikt, zonder volledigheid te beogen. De wijzigingen houden rekening met de bepalingen van het nieuwste Financieel Reglement. In het bijzonder wordt in artikel 4 voorzien in innovatieve instrumenten, zoals leningen, garanties, financiering met eigen vermogen en risicodelingsinstrumenten, en worden mogelijke regelingen inzake belastingen, rechten en heffingen beschreven. Artikel 4 bepaalt dat de maatregelen in het kader van deze verordening ofwel rechtstreeks door de Commissie kunnen worden uitgevoerd, ofwel indirect door taken ter uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan in het Financieel Reglement genoemde entiteiten of personen. Hier wordt ook het type medefinanciering bepaald (parallel of gemeenschappelijk).

Artikel 7 (Bescherming van de financiële belangen van de Unie) bevat maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name maatregelen die haar (meer bepaald de Commissie, de Rekenkamer en OLAF) in staat stellen alle noodzakelijke controles inzake de uitgevoerde maatregelen uit te voeren.

(3)        Titel III: Nationaliteits- en oorsprongsregels voor overheidsopdrachten, subsidies en andere toekenningsprocedures – artikelen 8 tot en met 12

De artikelen 8 tot en met 11 (Nationaliteits- en oorsprongsregels voor overheidsopdrachten, subsidies en andere toekenningsprocedures) bevatten de voorwaarden inzake de toegang tot overheidsopdrachten en subsidies voor de tenuitvoerlegging van de verordening. De voorgestelde bepalingen zijn sterk vereenvoudigd en geven aan dat het doel is te streven naar ontkoppeling van de hulp. Niettemin geeft het artikel een precieze opgave van de deelnamevoorwaarden voor derde landen (wederkerigheidsvereiste, deelname aan het uitgevoerde programma, niet voor deelname in aanmerking komende landen, enz.) en uitzonderingen daarop (niet-beschikbaarheid van verstrekte producten of diensten, uiterste spoed, driehoekssamenwerking, enz.).

Artikel 12 (Evaluatie) schrijft voor dat de Commissie de resultaten van beleid en programma’s, sectoraal beleid en de effectiviteit van de programmering regelmatig evalueert. Alle belanghebbenden worden betrokken bij de evaluatie en het verslag wordt toegezonden aan de Raad en het Europees Parlement.

(4)        Titel IV: Slotbepalingen – artikelen 13 tot en met 17

Artikel 13 (Tweejaarlijks verslag) bepaalt dat de Commissie iedere twee jaar verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de voortgang en de tenuitvoerlegging van de verordening.

Artikel 14 (Uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit) voorziet in een specifiek traceringssysteem op basis van de methode van de OESO (“Rio-markers”).

Artikel 15 (Comités) beschrijft welke comités bij de tenuitvoerlegging van deze verordening zijn betrokken, rekening houdend met de nieuwe verordening inzake de comitéprocedure[1].

Artikel 16 (Toetsing en evaluatie van de instrumenten) bepaalt dat de Commissie uiterlijk medio 2018 een verslag voorlegt aan het Europees Parlement en de Raad, waarin zij de tenuitvoerlegging van deze verordening evalueert en indien nodig wetgeving voorstelt om noodzakelijke wijzigingen vast te stellen. In dat verslag wordt tevens een beoordeling gegeven van het effect van de krachtens deze verordening vastgestelde maatregelen.

Artikel 17 (Inwerkingtreding) bepaalt dat deze verordening op 1 januari 2014 in werking treedt en met ingang van die datum van toepassing is. Er wordt geen einddatum vastgesteld.

2011/0415 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Unie dient een alomvattende reeks instrumenten vast te stellen die een breed beleidsspectrum met betrekking tot haar externe optreden bestrijkt, en voor de uitvoering waarvan specifieke gemeenschappelijke voorschriften en procedures vereist zijn. Deze instrumenten zijn: het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het stabiliteitsinstrument (IfS), het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en het partnerschapsinstrument (PI).

(2) Voor deze instrumenten geldt over het algemeen dat bij de uit hoofde ervan gefinancierde acties wordt uitgegaan van een meerjarige indicatieve programmering, waarin het kader wordt gegeven voor de vaststelling van financieringsbesluiten overeenkomstig het Financieel Reglement[2] en overeenkomstig de procedures van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[3].

(3) De financieringsbesluiten dienen de vorm aan te nemen van jaarlijkse of meerjarige actieprogramma’s en van afzonderlijke maatregelen, wanneer de planning van de meerjarige indicatieve programmering wordt gevolgd, van bijzondere maatregelen indien zulks vereist is als gevolg van onvoorziene, naar behoren gemotiveerde behoeften, of van ondersteunende maatregelen.

(4) Gezien de aard van de uitvoeringshandelingen, die de beleidsprogrammering of de financiële uitvoering betreffen, met name wat de gevolgen voor de begroting betreft, dient voor de vaststelling ervan over het algemeen de onderzoeksprocedure te worden toegepast, behalve voor maatregelen met geringe financiële gevolgen. In naar behoren gemotiveerde gevallen waarin er dwingende redenen zijn voor een snelle respons van de Unie, dient de Commissie echter uitvoeringshandelingen vast te stellen die onmiddellijk van toepassing zijn.

(5) In financieringsbesluiten dient voorts de beschrijving van elke maatregel, met opgave van doelstellingen, hoofdactiviteiten, verwachte resultaten, voorziene begroting, tijdschema en regelingen voor toezicht op de prestaties, te worden goedgekeurd volgens de procedures van Verordening (EU) nr. 182/2011.

(6) Wanneer, bij de tenuitvoerlegging van de financieringsinstrumenten, met het beheer van een maatregel een financiële tussenpersoon is belast, dient het besluit van de Commissie in het bijzonder bepalingen te bevatten betreffende risicodeling, bezoldiging van de met de uitvoering belaste financiële tussenpersoon, gebruik en hergebruik van de middelen en eventuele winsten.

(7) De gemeenschappelijke regels en procedures dienen in overeenstemming te zijn met de financiële voorschriften die van toepassing zijn op de jaarlijkse begroting van de Unie, die zijn vastgesteld in een verordening van het Europees Parlement en de Raad, hierna het “Financieel Reglement”[4] genoemd, ten aanzien waarvan in alle gevallen wordt verwezen naar de meest recente van kracht zijnde versie van die verordening, met inbegrip van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement die door de Commissie zijn vastgesteld[5].

(8) De financieringsbehoeften voor de externe steun van de Unie nemen toe, maar als gevolg van de economische en budgettaire situatie van de Unie zijn voor die steun beperkte middelen beschikbaar. De Commissie dient derhalve te streven naar een zo efficiënt mogelijke inzet van de beschikbare middelen, met name door financieringsinstrumenten met een hefboomeffect toe te passen. Dit hefboomeffect wordt vergroot door gebruik en hergebruik toe te staan van middelen die door de financieringsinstrumenten zijn geïnvesteerd en gegenereerd.

(9) De financiële belangen van de Unie dienen gedurende de gehele uitgavencyclus te worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het onderzoeken van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, indien nodig, sancties. Deze maatregelen dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke overeenkomsten met internationale organisaties en derde landen.

(10) Nadere bepalingen dienen te worden vastgesteld inzake de financieringsmethoden, de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de voorschriften inzake nationaliteit en oorsprong, en de evaluatie van de instrumenten,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

UITVOERING

Artikel 1

Onderwerp en beginselen

1. Bij deze verordening worden de voorschriften en voorwaarden vastgesteld voor de financiële bijstand van de Unie aan acties, met inbegrip van actieprogramma’s en andere maatregelen, uit hoofde van de volgende instrumenten: het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het stabiliteitsinstrument (IfS), het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en het partnerschapsinstrument (PI), hierna ook gezamenlijk “de instrumenten” of afzonderlijk “het toepasselijke instrument” genoemd.

2. De Commissie ziet erop toe dat acties worden uitgevoerd overeenkomstig de doelstellingen van het toepasselijke instrument en in overeenstemming met een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie. De uit hoofde van de instrumenten verstrekte financiële bijstand voldoet aan de voorschriften en procedures die zijn vastgesteld in het Financieel Reglement, dat het financiële en juridische basiskader voor de uitvoering van de instrumenten vormt.

3. Bij de toepassing van deze verordening geeft de Commissie, waar mogelijk en passend gezien de aard van de actie, de voorkeur aan de meest flexibele procedures, teneinde een doeltreffende en doelmatige uitvoering te waarborgen.

Artikel 2

Vaststelling van actieprogramma’s, afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen

1. De Commissie stelt jaarlijkse en meerjarige actieprogramma’s vast, indien nodig op basis van de indicatieve programmeringsdocumenten waarnaar in het toepasselijke instrument wordt verwezen.

In uitzonderlijke omstandigheden, in het bijzonder als er nog geen jaarlijks actieprogramma is goedgekeurd, kan de Commissie op basis van de indicatieve programmeringsdocumenten afzonderlijke maatregelen goedkeuren volgens dezelfde voorschriften en procedures als die welke voor actieprogramma’s gelden.

Bij onvoorziene, naar behoren gemotiveerde behoeften, omstandigheden of verbintenissen kan de Commissie bijzondere maatregelen vaststellen waarin niet is voorzien in de indicatieve programmeringsdocumenten. Om de overgang van noodhulp naar ontwikkelingsactiviteiten voor de lange termijn te vergemakkelijken, kunnen eveneens bijzondere maatregelen worden toegepast, waaronder maatregelen om de bevolking beter in staat te stellen het hoofd te bieden aan regelmatig terugkerende crises.

2. Actieprogramma’s en afzonderlijke maatregelen, als bedoeld in lid 1, waarvoor de financiële bijstand van de Unie meer dan 10 miljoen euro bedraagt, alsmede bijzondere maatregelen waarvoor de financiële bijstand van de Unie meer dan 30 miljoen euro bedraagt, worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 15, lid 3.

Die procedure is niet vereist voor actieprogramma’s en maatregelen onder de bovengenoemde drempelwaarden of voor niet-substantiële wijzigingen van dergelijke actieprogramma’s of maatregelen. Niet-substantiële wijzigingen zijn technische aanpassingen zoals verlenging van de uitvoeringstermijn, herschikking van middelen binnen de geraamde begroting of verhoging of verlaging van de omvang van de begroting met minder dan 20% van het oorspronkelijke bedrag, mits deze wijzigingen de doelstellingen van het oorspronkelijke actieprogramma niet substantieel aantasten. In dat geval wordt het actieprogramma of de maatregel en de niet-substantiële wijziging daarvan binnen één maand na de goedkeuring ervan aan het Europees Parlement en de Raad meegedeeld.

3. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals in crisis-, postcrisis- of fragiliteitssituaties of bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 15, lid 4, uitvoeringshandelingen vaststellen die onmiddellijk van toepassing zijn, met inbegrip van wijzigingen van bestaande actieprogramma’s en maatregelen.

4. Onder meer wat betreft het effect op klimaatverandering en biodiversiteit vindt op projectniveau een passend milieuonderzoek plaats, waar nodig met inbegrip van een milieueffectbeoordeling voor milieugevoelige projecten, in het bijzonder voor belangrijke nieuwe infrastructuur. Waar zulks relevant is, wordt bij de uitvoering van sectorale programma’s gebruik gemaakt van strategische milieueffectbeoordelingen. Er wordt op toegezien dat de belanghebbenden bij de milieubeoordelingen worden betrokken en dat het publiek toegang krijgt tot de resultaten.

Artikel 3

Ondersteunende maatregelen

1. De EU-financiering kan dienen ter dekking van uitgaven voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten en voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, waaronder administratieve steun in verband met activiteiten op het gebied van voorbereiding, follow-up, toezicht, audit en evaluatie die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging, alsmede uitgaven op de delegaties van de Unie voor de administratieve ondersteuning die nodig is voor het beheer van uit hoofde van de instrumenten gefinancierde operaties.

2. Op voorwaarde dat de onder a), b) en c) genoemde activiteiten betrekking hebben op de algemene doelstellingen van het toepasselijke instrument dat door middel van de acties wordt uitgevoerd, kan de EU-financiering dienen ter dekking van uitgaven met betrekking tot:

a)      studies, bijeenkomsten, activiteiten op het gebied van informatie, voorlichting, opleiding en publicatie en andere uitgaven voor administratieve of technische bijstand die voor het beheer van de acties vereist zijn;

b)      onderzoeksactiviteiten en studies over relevante vraagstukken en verspreiding van de resultaten daarvan;

c)      informatie- en communicatieactiviteiten, met inbegrip van institutionele voorlichting over de politieke prioriteiten van de Unie.

3. Ondersteunende maatregelen kunnen buiten het kader van de indicatieve programmeringsdocumenten om worden gefinancierd. In voorkomend geval stelt de Commissie ondersteunende maatregelen vast volgens de adviesprocedure van artikel 15, lid 2.

TITEL II

Bepalingen inzake financieringsmethoden

Artikel 4 Algemene bepalingen inzake financiering

1. De financiële bijstand van de Unie kan onder meer worden verstrekt door middel van de volgende financieringsvormen waarin het Financieel Reglement voorziet:

a)      subsidies;

b)      opdrachten voor diensten, leveringen of werken;

c)      begrotingssteun;

d)      bijdragen aan door de Commissie opgezette trustfondsen;

e)      financiële instrumenten zoals leningen, garanties, financiering met eigen vermogen, met eigen vermogen gelijk te stellen financiering, deelneming in het aandelenkapitaal of ander risicodragend instrument, eventueel in combinatie met subsidies;

f)       aandelenbezit in of deelnemingen in het aandelenkapitaal van internationale financiële instellingen, inclusief regionale ontwikkelingsbanken.

Overeenkomstig het Financieel Reglement kan de financiële bijstand van de Unie tevens worden verleend in de vorm van bijdragen aan internationale, regionale of nationale fondsen, zoals die welke zijn ingesteld of worden beheerd door de Europese Investeringsbank, internationale organisaties, lidstaten of partnerlanden en ‑regio’s, teneinde gezamenlijke financiering van een aantal donoren aan te trekken, of bijdragen aan fondsen die door een of meer donoren zijn opgezet voor gezamenlijke uitvoering van projecten.

2. Voor de tenuitvoerlegging van de in lid 1, onder e), bedoelde financiële instrumenten en overeenkomstig artikel 18, lid 4, van het Financieel Reglement worden de ontvangsten en terugbetalingen uit een financieel instrument, voor dat financiële instrument bestemd als interne bestemmingsontvangsten. Ten aanzien van financiële instrumenten die zijn opgezet binnen het meerjarig financieel kader voor 2007–2013 geldt dat deze ontvangsten en terugbetalingen worden bestemd voor het overeenkomstige nieuwe financiële instrument binnen het kader voor 2014–2020.

3. De financiële bijstand van de Unie wordt door de Commissie overeenkomstig het Financieel Reglement uitgevoerd, ofwel rechtstreeks via de diensten van de Commissie, de delegaties van de Unie of uitvoerende agentschappen, ofwel op indirecte wijze door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan de in het Financieel Reglement genoemde entiteiten, of onder gedeeld beheer met de lidstaten.

4. De in lid 1 en in artikel 6, lid 1, bedoelde financieringsvormen en de in lid 3 bedoelde uitvoeringswijzen worden gekozen op basis van hun vermogen om de specifieke doeleinden van de acties te verwezenlijken, onder meer rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve belasting en het verwachte risico van niet-naleving. Wat subsidies betreft, houdt dit mede in dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten wordt overwogen.

5. Uit hoofde van de instrumenten gefinancierde acties kunnen worden uitgevoerd door middel van parallelle of gemeenschappelijke medefinanciering.

Bij parallelle medefinanciering wordt een actie in meerdere, duidelijk te onderscheiden componenten opgedeeld, die elk worden gefinancierd door de verschillende partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de eindbestemming van de financiering altijd traceerbaar is.

Bij gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van het project of programma verdeeld tussen de partners die de medefinanciering verstrekken en worden de geldmiddelen gemeenschappelijk ingebracht, en wel zo dat het niet mogelijk is de financieringsbron van een specifieke activiteit in het kader van de actie na te gaan.

6. Bij gebruik van een financieringsvorm als bedoeld in lid 1 of in artikel 6, lid 1, kan de samenwerking tussen de Unie en haar partners onder andere de volgende vormen aannemen:

a)      driehoeksregelingen waarbij de Unie haar bijstand aan een partnerland of ‑regio coördineert met derde landen;

b)      maatregelen voor administratieve samenwerking zoals twinningregelingen tussen overheidsinstellingen, plaatselijke overheden, nationale overheidsorganen en privaatrechtelijke entiteiten met een openbaredienstverleningstaak van de lidstaten en van de partnerlanden en ‑regio’s, alsmede samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen van de openbare sector worden betrokken;

c)      bijdragen aan de kosten die noodzakelijk zijn voor het opzetten en beheren van een publiek-privaat partnerschap;

d)      steunprogramma’s voor het sectoraal beleid, waarmee de Unie steun verleent aan het sectorale programma van een partnerland; en

e)      wat het IPA en het ENI betreft, bijdragen ten behoeve van de deelname van de begunstigde landen aan programma’s en agentschappen van de Unie.

Artikel 5

Belastingen, rechten en heffingen

De bijstand van de Unie heeft niet de instelling van specifieke belastingen, rechten of heffingen tot gevolg en leidt niet tot de inning van specifieke belastingen, rechten of heffingen.

In voorkomend geval worden met de partnerlanden door middel van onderhandelingen passende bepalingen overeengekomen teneinde de acties tot uitvoering van de financiële bijstand van de Unie vrij te stellen van belastingen, douanerechten en andere heffingen. In andere gevallen zijn dergelijke belastingen, rechten en heffingen onderworpen aan de voorwaarden van het Financieel Reglement.

Artikel 6

Bijzondere financiële bepalingen

1. Naast de in artikel 4, lid 1, bedoelde financieringsvormen kan de financiële bijstand van de Unie uit hoofde van de volgende instrumenten overeenkomstig het Financieel Reglement tevens worden verleend via de hierna vermelde financieringsvormen:

a)      in het kader van het DCI en het ENI: schuldverlichting op grond van internationaal overeengekomen programma’s voor schuldverlichting;

b)      in het kader van het DCI en het IfS: in uitzonderlijke gevallen, sectorale en algemene programma’s ter ondersteuning van de invoer, in de vorm van:

i)        sectorale invoerprogramma’s in natura;

ii)       sectorale invoerprogramma’s in de vorm van deviezensteun ter financiering van sectorale invoer; of

iii)      algemene invoerprogramma’s in de vorm van deviezensteun ter financiering van de algemene invoer van een grote verscheidenheid aan producten;

c)      in het kader van het EIDHR: rechtstreekse toekenning van:

i)        geringe subsidies aan mensenrechtenactivisten ter financiering van dringende beschermende maatregelen;

ii)       subsidies ter financiering van acties in de moeilijkste omstandigheden of situaties bedoeld in artikel 2, lid 4, van het EIDHR, indien de publicatie van een oproep tot het indienen van voorstellen niet passend is. Dergelijke subsidies bedragen ten hoogste 2 miljoen euro en hebben een looptijd van ten hoogste achttien maanden, die met zes maanden mag worden verlengd in geval van objectief vast te stellen, onvoorziene belemmeringen voor de uitvoering ervan;

iii)      subsidies aan:

– het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten;

– het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering, dat een Europese masteropleiding in mensenrechten en democratisering aanbiedt en een EU-UN Fellowship Programme, en het geassocieerde netwerk van universiteiten die postacademische diploma’s op het gebied van mensenrechten uitreiken, die volledig toegankelijk zijn voor ingezetenen van derde landen.

2. De financiële bijstand van de Unie uit hoofde van het IPA en het ENI kan worden uitgevoerd onder gedeeld beheer met de lidstaten, en onder indirect beheer in het geval van grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het ENI, mits de door het Financieel Reglement voorgeschreven sectorspecifieke en aanvullende voorschriften zijn opgenomen in een gedelegeerde handeling die krachtens het toepasselijke instrument is vastgesteld.

3. Vastleggingen voor acties in het kader van het IPA en het ENI waarvan de uitvoering zich over meer dan een begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

Artikel 7

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1. De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties, de financiële belangen van de Europese Unie door toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten worden beschermd, door middel van doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door middel van terugvordering of, in voorkomend geval wanneer de begunstigde de staat of een overheidsinstelling van een derde land is, terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen. Waar nodig worden tevens doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toegepast.

2. De Commissie en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om audits, op basis van documenten of ter plaatse, uit te voeren bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten en andere derden die middelen van de Unie hebben ontvangen.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan volgens de procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96[6] controles en verificaties ter plaatse uitvoeren bij de direct of indirect bij de financiering betrokken economische subjecten, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of ‑besluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

Onverminderd de eerste en de tweede alinea wordt in samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, subsidieovereenkomsten, subsidiebesluiten en contracten die uit de uitvoering van deze verordening voortvloeien, uitdrukkelijk voorzien in de bevoegdheid van de Commissie, de Rekenkamer en OLAF om dergelijke audits, controles en verificaties ter plaatse uit te voeren.

TITEL III

Nationaliteits- en oorsprongsregels voor overheidsopdrachten, subsidies en andere toekenningsprocedures

Artikel 8

Gemeenschappelijke voorschriften

1. De deelname aan procedures voor overheidsopdrachten en subsidieovereenkomsten en andere toekenningsprocedures voor acties die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd ten bate van derden, staat open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van en alle rechtspersonen die feitelijk gevestigd zijn in een overeenkomstig de volgende artikelen voor het toepasselijke instrument in aanmerking komend land, en voor internationale organisaties.

2. Bij acties die het onderwerp zijn van gemeenschappelijke medefinanciering met een partner, onder indirect beheer worden uitgevoerd door een daarmee belaste organisatie, of worden uitgevoerd door een door de Commissie overeenkomstig het Financieel Reglement opgezet trustfonds, komen landen die volgens de regels van de betrokken organisatie voor deelname in aanmerking komen, zoals vastgesteld in de met de medefinancierende of uitvoerende organisatie gesloten overeenkomst, dan wel bepaald in het oprichtingsbesluit van het trustfonds, voor het toepasselijke instrument in aanmerking onverminderd de specifieke voorschriften in de volgende artikelen. De medefinancierende of uitvoerende organisatie stemt daarenboven in met de toepassing van de criteria van deze verordening op de eveneens in die overeenkomst vastgestelde wijze.

3. Bij acties die uit hoofde van een van de instrumenten worden gefinancierd en die tevens financiering ontvangen uit een ander instrument voor extern optreden, met inbegrip van het Europees Ontwikkelingsfonds, of bij acties met een mondiale, regionale of grensoverschrijdende dimensie waarbij ook begunstigde landen betrokken zijn die op grond van die andere instrumenten voor deelname in aanmerking komen, kunnen de landen waarop een van de onderhavige instrumenten van toepassing is, eveneens voor deelname in aanmerking komen.

4. Alle leveringen en goederen die zijn aangeschaft in het kader van een overheidsopdracht of een subsidieovereenkomst die overeenkomstig deze verordening wordt gefinancierd, moeten van oorsprong zijn uit een voor deelname in aanmerking komend land. Wanneer het gebruik van de concurrentiële onderhandelingsprocedure is toegestaan, mogen de leveringen en goederen echter van oorsprong zijn uit elk land. De in deze verordening gebezigde term “van oorsprong” wordt gedefinieerd in de desbetreffende Uniewetgeving over de oorsprongsregels voor douanedoeleinden.

5. De voorschriften van deze titel zijn niet van toepassing op en leiden niet tot nationaliteitsbeperkingen inzake natuurlijke personen die bij een voor deelname in aanmerking komende contractant of, in voorkomend geval, subcontractant in dienst zijn of anderszins door deze wettig zijn aangeworven.

6. Indien het Financieel Reglement een discretionaire bevoegdheid bij de keuze van de contractant toestaat, wordt, waar dat gepast is, voorrang gegeven aan plaatselijke en regionale contractanten.

7. In afwijking van alle andere voorschriften kunnen aan aanvragers beperkende eisen worden gesteld op het gebied van de nationaliteit, de vestigingsplaats of de aard van de aanvrager, indien dat vereist is op grond van de aard en de doelstellingen van de actie en voor zover dat noodzakelijk is voor een doeltreffende uitvoering. Dergelijke beperkingen kunnen met name van toepassing zijn op de deelname aan toekenningsprocedures voor acties met betrekking tot grensoverschrijdende samenwerking.

8. Inschrijvers, aanvragers en gegadigden aan wie een opdracht is gegund, zien toe op de naleving van de toepasselijke milieuwetgeving, met inbegrip van multilaterale milieuovereenkomsten, en de internationaal overeengekomen arbeidsnormen[7].

Artikel 9

Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), Europees nabuurschapsinstrument (ENI), Partnerschapsinstrument (PI) en Instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid (INSC)

1. Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit de volgende landen komen voor financiering uit hoofde van het DCI, het ENI, het PI of het INSC in aanmerking:

a)      lidstaten, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, als zodanig erkend door de Unie, en leden van de Europese Economische Ruimte;

b)      wat het ENI betreft: partnerlanden die onder het ENI vallen en de Russische Federatie, indien de betrokken procedure plaatsvindt in het kader van meerlandenprogramma’s of programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking waaraan het betrokken land deelneemt;

c)      ontwikkelingslanden en ontwikkelingsgebieden, zoals gedefinieerd door de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/DAC), die geen lid zijn van de G20, alsmede landen en gebieden overzee waarop Besluit [2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001[8]] van toepassing is;

d)      ontwikkelingslanden, zoals gedefinieerd door de OESO/DAC, die lid zijn van de G20, en andere landen en gebieden, indien zij begunstigden zijn van acties die door de Unie worden gefinancierd uit hoofde van de instrumenten waarop dit artikel betrekking heeft;

e)      landen ten aanzien waarvan de Europese Commissie heeft vastgesteld dat er sprake is van wederkerigheid bij de toegang tot externe steun. Dat er van wederkerigheid sprake is, kan voor een beperkte periode van ten minste één jaar worden vastgesteld indien een land entiteiten van de Unie en entiteiten uit landen die voor deelname aan de onder dit artikel vallen instrumenten in aanmerking komen, op gelijke voorwaarden tot deelname toelaat. De Commissie beslist over de wederkerigheid van de toegang en de duur daarvan volgens de adviesprocedure van artikel 15, lid 2, na raadpleging van het betrokken begunstigde land of de betrokken begunstigde landen; en

f)       lidstaten van de OESO/DAC, ten aanzien van opdrachten die worden uitgevoerd in een van de minst ontwikkelde landen, zoals gedefinieerd door de OESO/DAC.

2. Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, alsook goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, kunnen door de Commissie worden toegelaten indien het gaat om:

a)      landen met traditionele economische, commerciële of geografische banden met buurlanden die een begunstigd land zijn; of

b)      regelingen voor driehoekssamenwerking met derde landen; of

c)      urgentie of niet-beschikbaarheid van goederen of diensten op de markt van de betrokken landen, of naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de toepassing van de voorschriften voor het in aanmerking komen voor deelname de uitvoering van een project, programma of actie onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

3. Ten aanzien van acties in gedeeld beheer mogen inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen overeenkomstig lid 2, en goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen overeenkomstig artikel 8, lid 4, door een lidstaat waaraan de Commissie uitvoeringstaken heeft gedelegeerd, namens de Commissie worden aanvaard.

Artikel 10

Instrument voor pretoetredingssteun (IPA)

1. Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit de volgende landen komen voor financiering uit hoofde van het IPA in aanmerking:

a)      lidstaten, begunstigde landen van het IPA, leden van de Europese Economische Ruimte en partnerlanden van het ENI; en

b)      donorlanden ten aanzien waarvan de Europese Commissie heeft vastgesteld dat er sprake is van wederkerigheid bij de toegang tot externe steun, volgens de voorwaarden van artikel 9, lid 1, onder e).

2. Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, alsook goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, kunnen door de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen worden toegelaten,

a)      indien de toepassing van de voorschriften voor het in aanmerking komen voor deelname de uitvoering van een actie onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken doordat de goederen of de diensten op de markt van de betrokken landen niet beschikbaar zijn, of in extreme noodgevallen; of

b)      voor de uitvoering van regelingen voor driehoekssamenwerking met derde landen.

3. Ten aanzien van acties in gedeeld beheer mogen inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen overeenkomstig lid 2, en goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen overeenkomstig artikel 8, lid 4, door een lidstaat waaraan de Commissie uitvoeringstaken heeft gedelegeerd, namens de Commissie worden aanvaard.

Artikel 11

Stabiliteitsinstrument (IfS) en Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR)

1. Met uitzondering van beperkingen die inherent zijn aan de aard en de doelstellingen van een actie, zoals bedoeld in artikel 8, lid 7, staat de deelname aan procedures voor de gunning van opdrachten, de toekenning van subsidies of de aanwerving van deskundigen zonder beperkingen open in het kader van het IfS en het EIDHR.

2. De volgende entiteiten en actoren komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van het EIDHR overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, onder c):

a)      organisaties van het maatschappelijke middenveld, zoals niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk en onafhankelijke politieke stichtingen, in gemeenschappen gewortelde organisaties en privaatrechtelijke organen, instituten en organisaties zonder winstoogmerk en netwerken daarvan op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau;

b)      publiekrechtelijke agentschappen, instellingen en organisaties zonder winstoogmerk en netwerken daarvan op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau;

c)      nationale, regionale en internationale parlementaire organen, indien dit nodig is om de doelstellingen van het instrument te bereiken en de voorgestelde maatregel niet kan worden gefinancierd uit hoofde van een ander instrument voor externe steunverlening van de Unie;

d)      internationale en regionale intergouvernementele organisaties;

e)      natuurlijke personen, entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, niet in dit lid genoemde andere entiteiten en actoren, indien dit voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het instrument noodzakelijk is.

Artikel 12

Evaluatie van acties

1. De Commissie onderwerpt haar acties geregeld aan toezicht en evaluatie, en evalueert regelmatig de resultaten van de toepassing van sectoraal beleid en sectorale acties en de doeltreffendheid van de programmering, eventueel door middel van onafhankelijke externe evaluaties, om na te gaan of de doelstellingen zijn verwezenlijkt en om aanbevelingen te kunnen doen voor verbeteringen in toekomstige maatregelen.

2. De Commissie zendt haar evaluatieverslagen ter informatie toe aan het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten kunnen verzoeken dat specifieke evaluaties in de in artikel 15 bedoelde comités worden besproken. De resultaten daarvan worden gebruikt bij de opzet van programma’s en de toewijzing van middelen.

3. De Commissie betrekt alle relevante belanghebbenden op passende wijze bij de evaluatie van de bijstand van de Unie waarin deze verordening voorziet.

TITEL IV

ANDERE GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 13

Tweejaarlijks verslag

1. De Commissie onderzoekt de voortgang van de uitvoering van de maatregelen op het gebied van financiële bijstand in het kader van haar externe optreden en legt het Europees Parlement en de Raad iedere twee jaar, om te beginnen in 2016, een verslag voor over de uitvoering en de resultaten en, voor zover mogelijk, de voornaamste uitkomsten en effecten van de hulp. Dit verslag wordt tevens voorgelegd aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

2. Het tweejaarlijkse verslag bevat gegevens met betrekking tot de voorafgaande twee jaar inzake de gefinancierde maatregelen, de resultaten van het toezicht en de evaluatie, de inschakeling van de relevante partners en de uitvoering van de vastleggings- en de betalingskredieten. Het verslag bevat een beoordeling van de bijstand van de Unie, voor zover mogelijk aan de hand van specifieke en meetbare indicatoren betreffende de rol die de bijstand heeft gespeeld bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de instrumenten.

Artikel 14

Uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit

De financiering die in het kader van de instrumenten wordt toegewezen, wordt onderworpen aan een jaarlijks traceringssysteem op basis van de methode van de OESO (“Rio-markers”), dat geïntegreerd wordt in de bestaande methode voor het prestatiebeheer van de EU-programma’s; met behulp van het traceringssysteem worden de uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit gekwantificeerd op het niveau van de in artikel 2, lid 1, bedoelde actieprogramma’s, afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen en opgenomen in de evaluaties en tweejaarlijkse verslagen. Op basis van de goedgekeurde indicatieve programmeringsdocumenten wordt een jaarlijkse raming opgesteld van de totale uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 15

Comités

1. De Commissie wordt bijgestaan door de comités die uit hoofde van de instrumenten zijn ingesteld.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Wanneer het advies van het comité volgens een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd als de voorzitter van het comité binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Wanneer het advies van het comité volgens een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd als de voorzitter van het comité binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 juncto artikel 5 van die verordening van toepassing.

Het vastgestelde besluit blijft van toepassing gedurende de geldigheidsduur van het vastgestelde document, het vastgestelde actieprogramma of de vastgestelde maatregel.

Artikel 16

Toetsing en evaluatie van de instrumenten

1. Uiterlijk op 31 december 2017 stelt de Commissie een verslag op over de verwezenlijking van de doelstellingen van elk van de instrumenten, aan de hand van resultaat- en impactindicatoren waarmee de doelmatigheid van het gebruik van de middelen en de Europese meerwaarde van de instrumenten wordt gemeten, zulks met het oog op een besluit tot verlenging, wijziging of opschorting van uit hoofde van de instrumenten uitgevoerde acties. Het verslag beoordeelt bovendien de mogelijkheden voor vereenvoudiging, de interne en externe samenhang, de verdere relevantie van alle doelstellingen en de bijdrage die de maatregelen hebben geleverd tot de prioriteiten van de Unie op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei. Ook wordt in het verslag rekening gehouden met bevindingen en conclusies inzake de impact van de instrumenten op de lange termijn.

2. Het verslag wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad en gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de noodzakelijke wijzigingen in de instrumenten aan te brengen.

3. Aan de hand van de waarden van de indicatoren op 1 januari 2014 wordt beoordeeld in welke mate de doelstellingen zijn bereikt.

4. De Commissie verplicht de partnerlanden om alle noodzakelijke gegevens te verstrekken aan de hand waarvan, overeenkomstig de internationale verbintenissen inzake de doeltreffendheid van hulp, het toezicht en de evaluatie van de betrokken maatregelen kan worden uitgevoerd.

5. De impact op de langere termijn en de duurzaamheid van het effect van de instrumenten worden beoordeeld volgens de geldende voorschriften en procedures.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement                       Voor de Raad

De voorzitter                                                  De voorzitter

[1]               Verordening (EU) nr. 182/2011. Een waarnemer van de Europese Investeringsbank mag deelnemen aan de werkzaamheden van het comité ten aanzien van aangelegenheden die de Bank aangaan, overeenkomstig het reglement van orde van het comité (zie het standaardreglement van orde voor comités, PB C 206 van 12.7.2011, blz. 11).

[2]               Zoals bedoeld in overweging 7.

[3]               PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

[4]               Thans Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1).

[5]               Thans Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1).

[6]               PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

[7]               De fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie, de overeenkomsten inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, uitbanning van gedwongen en verplichte arbeid, uitbanning van discriminatie bij arbeid en beroep en afschaffing van kinderarbeid.

[8]               PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1.