Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad
TOELICHTING
1. 1. Achtergrond van het voorstel
· Motivering en doel van het voorstel
In de Oostzee wordt op grote schaal op kabeljauw, haring en sprot gevist. Volgens wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES[1]) zijn de huidige exploitatieniveaus voor een aantal van deze bestanden niet in overeenstemming met de doelstelling de maximale duurzame opbrengst te bereiken. Sinds 2007 is een beheersplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee van toepassing[2]. De haring- en sprotbestanden vallen echter nog niet onder een dergelijk plan. Als gevolg hiervan wordt het duurzame beheer van de betrokken visserijen bemoeilijkt en wordt de vissers die in deze visserijen actief zijn, niet de nodige stabiliteit geboden wat de vangstmogelijkheden betreft.
Kabeljauw, haring en sprot vormen de basis voor visserijen, maar zijn tevens belangrijke componenten van het Oostzee-ecosysteem. Bovendien bestaat er tussen deze soorten een sterke biologische interactie. Omdat kabeljauw op sprot en haring jaagt, beïnvloedt de omvang van het kabeljauwbestand de omvang van de haring- en sprotbestanden en omgekeerd. Wetenschappelijke analyses leveren aanwijzingen dat, gezien de biologische interacties binnen en tussen deze soorten in de Oostzee, ook een hogere visserijdruk dan momenteel wordt geadviseerd, duurzaam zou kunnen zijn. Anderzijds heeft het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV)[3] geadviseerd[4] meer wetenschappelijk werk te verrichten om inzicht te krijgen in de risico's die verbonden zijn aan bevissing overeenkomstig dergelijke hogere waarden.
De productiviteit van de visbestanden in de Oostzee, met name kabeljauw en sprot, wordt sterk beïnvloed door de milieuomstandigheden in de Oostzee. In het oostelijke deel van de Oostzee kan de kabeljauw alleen paaien in diepe wateren, waar het zoutgehalte hoog genoeg is om de bevruchting van de eitjes mogelijk te maken en de bevruchte eitjes te laten zweven. Sinds het midden van de jaren 80 heeft de beperkte instroom van oceaanwater uit de Noordzee in deze diepere zoute waterlagen geleid tot zuurstofdepletie. Als gevolg daarvan heeft de kabeljauw zich alleen in de zuidelijk gelegen paaigebieden met succes kunnen voortplanten. Een substantiële instroom van Noordzeewater in het oostelijke deel van de Oostzee zou kunnen leiden tot een veel hoger rekruteringsniveau voor de kabeljauw dan de afgelopen jaren is geconstateerd. Voor sprot bestaat er een verband tussen rekrutering en temperatuur: hoe hoger de temperatuur, hoe meer jonge vis tot het bestand wordt gerekruteerd. Dit verband betekent dat een opeenvolging van twee harde winters, bijvoorbeeld, ernstige gevolgen kan hebben voor het sprotbestand.
Gezien de sterke invloed van biologische interacties en milieueffecten op de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee is het wenselijk dat in de mogelijkheid wordt voorzien om niveau en patroon van de exploitatie van deze bestanden aan te passen in het licht van de toenemende wetenschappelijke kennis van de interacties en veranderende milieuomstandigheden. Een dergelijke aanpak zou tevens in overeenstemming zijn met een ecosysteemgerichte aanpak van het visserijbeheer. De eerste stap naar een dergelijk aanpassingsgericht beheer zou erin bestaan alle relevante bestanden in één meersoortenbeheersplan op te nemen. Een dergelijke aanpak zou streefbandbreedtes voor de visserijsterfte van elk bestand behelzen, die de basis zouden vormen voor de vaststelling van jaarlijkse TAC's voor deze bestanden. De aanpassing zou erin bestaan dat de referentiepunten voor visserijsterfte en bestandsomvang worden geactualiseerd wanneer dat volgens wetenschappelijk advies raadzaam is.
Dit voorstel heeft ten doel een meersoortenbeheersplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee vast te stellen. Dit beheersplan moet borg staan voor een duurzame exploitatie van deze bestanden en voor stabiele vangstmogelijkheden; het moet er tevens voor zorgen dat bij het beheer wordt uitgegaan van de meest recente wetenschappelijke informatie over interacties binnen en tussen de bestanden en met andere elementen van het ecosysteem en het milieu. Het specifieke doel van dit initiatief is te waarborgen dat de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee op duurzame wijze worden geëxploiteerd overeenkomstig de beginselen van maximale duurzame opbrengst en een ecosysteemgerichte aanpak van het visserijbeheer. Daartoe dienen deze bestanden te worden geëxploiteerd op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
Bij de kabeljauwvisserij en de pelagische visserij treedt bijvangst van platvissen op, namelijk van schol, bot, tarbot en griet. De exploitatie van kabeljauw en pelagische soorten mag de duurzaamheid van de platvisbestanden in de Oostzee niet in het gedrang brengen.
Het plan zal van toepassing zijn op alle vissersvaartuigen van de Unie in de Oostzee, ongeacht hun lengte over alles, aangezien zulks in overeenstemming is met de regels van het GVB en met het effect van die vaartuigen op de betrokken visbestanden.
· Algemene context
1. Het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee en dat in het westelijke deel van de Oostzee worden als twee afzonderlijke bestanden beschouwd. In de Oostzee zijn verschillende haringbestanden aanwezig, waarvan het voornaamste dat in het oostelijke deel is. Kleinere bestanden zijn te vinden in de Botnische Zee, de Botnische Baai, de Golf van Riga en het westelijke deel van de Oostzee. Het laatstbedoelde bestand paait in het westelijke deel van de Oostzee en trekt dan naar het Skagerrak en het oostelijke deel van de Noordzee op zoek naar voedsel. In deze gebieden vermengt het zich met het Noordzeeharingbestand en wordt er als deel van het gemengde bestand bevist. De Oostzee telt één sprotbestand.
2. De twee kabeljauwbestanden in de Oostzee vallen onder een beheersplan, met daarin maatregelen voor de visserij op deze bestanden in de vorm van jaarlijkse TAC's, beperkingen van de visserijinspanning en technische maatregelen, waaronder voorschriften inzake minimummaaswijdten, vangstsamenstelling, een minimummaat bij aanlanding en gesloten gebieden/seizoenen. De visserij op haring en sprot wordt momenteel beheerd aan de hand van, onder meer, jaarlijkse TAC's en technische maatregelen, waaronder voorschriften inzake maaswijdte en vangstsamenstelling.
3. Over het kleine haringbestand in de Botnische Baai zijn volgens de ICES zo weinig gegevens beschikbaar dat het momenteel onmogelijk is om op grond daarvan een volledige beoordeling van de toestand van het bestand te geven die als basis voor een vangstadvies kan dienen. Daarom is in het plan geen vangstvoorschrift voor dit bestand opgenomen. Gezien de geringe omvang van dat bestand en van de visserij die het exploiteert, is het buitenproportioneel om een aparte TAC voor dat bestand vast te stellen. In de plaats daarvan worden de vangsten van dit bestand geïntegreerd in een gezamenlijke haring-TAC voor het gebied bestaande uit de Botnische Zee en de Botnische Baai.
4. Met ingang van 1 januari 2014 stelt Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid de regels van het GVB vast, met inbegrip van de bepalingen inzake meerjarenplannen en de invoering van de aanlandingsverplichting voor bestanden waarvoor een TAC geldt. In de artikelen 9 en 10 worden de beginselen, de doelstellingen en de inhoud van de meerjarenplannen omschreven. Krachtens artikel 15 geldt de aanlandingsverplichting in de Oostzee vanaf 2015 voor de pelagische visserij en de visserij op zalm en visserijbepalende soorten, en met ingang van 1 januari 2017 voor de visserij op alle andere soorten waarvoor een TAC is vastgesteld.
5. De met de maximale duurzame opbrengst overeenstemmende streefwaarden worden weergegeven in de vorm van door ICES aanbevolen bandbreedtes. Deze bandbreedtes maken het mogelijk de betrokken bestanden op een op maximale duurzame opbrengst gerichte wijze te beheren; dit lijkt een eventuele bijstelling — in geval van gewijzigd wetenschappelijk advies — niet in de weg te staan, terwijl toch een hoge mate van voorspelbaarheid wordt gehandhaafd. Deze streefwaarden worden aangevuld met vrijwaringsmaatregelen die aan een interventie-instandhoudingsreferentiepunt zijn gekoppeld. Voor de betrokken bestanden worden die referentiepunten uitgedrukt in termen van de biomassa van het paaibestand; de waarden in kwestie worden ontleend aan de recentste benchmarkexercitie van ICES. Bij ontstentenis van advies over het niveau van de paaibiomassa dient het beveiligingsmechanisme te worden geactiveerd wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt.
6. Conform artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt, in het kader van de implementatie van het teruggooiverbod, in het plan de verplichting opgenomen om in de kabeljauw-, haring- en sprotvisserij in de Oostzee alle vangsten van deze soorten en van schol aan te landen, behalve in situaties waarin er aanwijzingen zijn voor een hoge overlevingskans. Overeenkomstig artikel 16, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt van de lidstaten verlangd dat zij bij de verdeling van de TAC's over de vaartuigen die hun vlag voeren, rekening houden met de te verwachten samenstelling van de vangsten en met de aanlandingsverplichting. De lidstaten kunnen daartoe nationale maatregelen vaststellen, bijvoorbeeld een zeker deel van de beschikbare nationale TAC als reserve achter de hand houden of quota uitwisselen met andere lidstaten.
7. Overeenkomstig het WTECV-advies zijn in het plan geen jaarlijkse beperkingen van de visserijinspanning opgenomen.
8. Overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen, bijvoorbeeld met betrekking tot bepaalde te treffen maatregelen, wanneer de Commissie gemachtigd is om uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bereiking van de doelstellingen van een meerjarenplan. Daartoe voorziet het plan in regionale samenwerking bij de vaststelling van technische maatregelen, bepalingen inzake de aanlandingsverplichting en specifieke behoudsmaatregelen voor de bijvangsten in de visserijen op de betrokken bestanden.
9. Overeenkomstig de algemene doelstelling van het GVB inzake de instandhouding van visbestanden en specifiek gelet op de artikelen 9 en 10 van Verordening (EG) nr. 1380/2013, op grond waarvan meerjarenplannen moeten worden opgesteld, zijn de belangrijkste elementen van het plan de volgende:
– doelstellingen en streefwaarden (het bereiken van een visserijsterfte die in overeenstemming is met het beginsel van de maximale duurzame opbrengst);
– instandhoudingsreferentiepunten — uitgedrukt als paaibiomassaniveau's — en specifieke instandhoudingsmaatregelen;
– bepalingen in samenhang met de aanlandingsverplichting;
– een kader van technische maatregelen;
– periodieke, op wetenschappelijke adviezen gebaseerde beoordelingen van het plan.
· Bestaande EU-bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied
Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 204/585/EG van de Raad[5] stelt het algemene kader voor het GVB vast en omschrijft de situaties waarin de Raad meerjarenplannen moet vaststellen.
Bij Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97 zijn de regels voor de duurzame exploitatie van de kabeljauwbestanden in de Oostzee vastgesteld.
Verordening (EG) nr. 2187/2005 van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 omschrijft technische instandhoudingsmaatregelen in de Oostzee, namelijk regels voor de samenstelling van de vangsten, minimummaaswijdten, minimummaten bij aanvoer en gesloten gebieden en seizoenen in de zalmvisserij. Bij deze verordening is tevens een verbod op het gebruik van drijfnetten in de Oostzee ingesteld.
Bij de jaarlijkse verordening van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en vangstvoorschriften voor de visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, worden de TAC's voor de betrokken bestanden (kabeljauw, haring en sprot) en voor schol vastgesteld (voor 2014 bijvoorbeeld bij Verordening (EU) nr. 1180/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot vaststelling, voor 2014, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn).
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 stelt de algemene controlevereisten voor visserijen alsook specifieke controlevereisten voor meerjarenplannen vast.
· Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie
Dit voorstel en de doelstellingen ervan zijn in overeenstemming met het beleid van de Unie, met name op het gebied van milieu, sociale aangelegenheden, markt en handel.
2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING
· Raadpleging van belanghebbende partijen
Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten
Aangezien de kabeljauw-, haring-, sprot- en platvisbestanden in de Oostzee met name van belang zijn voor de commerciële vangstsector, is vooral overleg gepleegd met de adviesraad voor de Oostzee (BSAC – Baltic Sea Advisory Council) en de voor visserij bevoegde autoriteiten van de aan de Oostzee gelegen lidstaten. De BSAC bestaat uit vertegenwoordigers van de visserijsector en andere belangengroeperingen die gevolgen ondervinden van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De visserijsector omvat vissersverenigingen, producentenorganisaties, verwerkers en marktorganisaties. Eveneens betrokken zijn milieu-ngo's, vrouwennetwerken en consumentenorganisaties, recreatie- en sportvissers en vissers die voor eigen gebruik vissen.
Het raadplegings- en ontwikkelingsproces voor dit initiatief is verlopen volgens de vaste procedure van DG MARE voor de ontwikkeling en beoordeling van beheersplannen voor de lange termijn. Deze procedure bestaat uit twee fasen. In de eerste fase wordt een ex-post-evaluatie opgesteld waarin wordt nagegaan hoe een bestaand beheersplan heeft gepresteerd. Zo nodig wordt deze fase gevolgd door een ex-ante-evaluatie waarin wordt vooruitgeblikt op mogelijke vervangende meerjarenplannen en de potentiële impact daarvan. In elke fase komen de deskundigengroepen die onder de paraplu van het WTECV zijn opgericht, herhaaldelijk samen. De agenda voor deze vergaderingen wordt bepaald door DG MARE. Op al deze vergaderingen kunnen vertegenwoordigers van adviesraden en lidstaten een bijdrage leveren en onderwerpen aan de orde stellen die zij relevant achten. In het kader van dit dossier is ook na afloop van de WTECV-evaluatie nog overleg met de BSAC en de lidstaten gepleegd over specifieke elementen van het plan.
Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden
Zoals hierboven reeds vermeld, hebben de WTECV-deskundigen gedurende het hele evaluatieproces advies verstrekt, onder meer in de vorm van bijdragen van visserijexperts, maar ook van experts uit andere vakgebieden zoals economie en sociale wetenschappen. Ook de ICES heeft wetenschappelijk advies aangeleverd.
Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden
Na een ex-ante-evaluatie van een beheersplan voor de pelagische bestanden[6] en zowel een ex-post-[7] als een ex-ante-evaluatie[8] van het bestaande Oostzeekabeljauwplan is in juni 2011 het besluit genomen om een meersoortenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee op te stellen. Dit besluit is op het regionale forum BALTFISH genomen in overleg met de lidstaten en de belanghebbende partijen. Naderhand is het besluit formeel bekrachtigd op de vergadering van de Raad (Visserij) van oktober 2011[9]. De context voor dit besluit vormde het bij de hervorming van het GVB reeds aangekondigde streven naar beheersplannen die zo mogelijk meerdere bestanden bestrijken.
Het besluit om te opteren voor een meersoortenplan voor de Oostzeebestanden heeft het noodzakelijk gemaakt een nieuwe ronde van WTECV-vergaderingen in te leiden. Om de grondslag voor een ex-ante-beoordeling te leggen, heeft DG MARE een aantal deskundigenvergaderingen georganiseerd, meestal in de vorm van gezamenlijke vergaderingen van het WTECV en ICES. Al die vergaderingen stonden open voor belanghebbende partijen, en in alle gevallen hebben vertegenwoordigers van de BSAC eraan deelgenomen. Het programma van deze vergaderingen zag eruit als volgt:
"Scoping"-vergadering van de WTECV-werkgroep van deskundigen inzake meerjarenbeheersplannen in Edinburgh, UK, van 28 november tot en met 2 december 2011[10].
ICES-workshop "Integrated/Multispecies Advice for Baltic Fisheries", gehouden in Charlottenlund, Denemarken, van 6 tot en met 8 maart 2012[11].
Vergadering van de WTECV-werkgroep van deskundigen inzake meerjarenbeheersplannen in Rostock, Duitsland, van 26 tot en met 30 maart 2012[12].
Na deze reeks vergaderingen heeft het WTECV in een advies te kennen gegeven dat een op de huidige MSY-streefcijfers voor afzonderlijke soorten gebaseerd beheersplan zou voldoen aan de criteria van hoge opbrengst op de lange termijn en minimaal risico voor de bestanden. Kortom, een dergelijk plan zou sporen met de beginselen van maximale duurzame opbrengst (MSY). Het WTECV merkte ook op dat een benadering die op meerdere soorten tegelijk is gericht, voor sommige bestanden wellicht een hogere streefwaarde voor de visserijsterfte zou opleveren, maar dat meer wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is om de risico´s van een dergelijke aanpak in te schatten. In het licht van dit advies is een discussiestuk opgesteld waarin de twee opties en de implicaties daarvan werden uiteengezet. Daarover is medio juni 2012 van gedachten gewisseld met zowel de lidstaten (op een BATFISH-vergadering) als de BSAC.
Na de vaststelling van de verordening over de herziening van het gemeenschappelijk visserijbeleid in 2013 en de publicatie van het eindverslag van de door het Europees Parlement en de Raad ingestelde Taskforce meerjarenplannen in april 2014[13] heeft nader overleg plaatsgevonden met de belanghebbenden in de BSAC en met de instanties van de lidstaten in BALTFISH. Dit geschiedde in maart-juni 2014.
Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek
De verslagen van alle relevante deskundigenvergaderingen van het WTECV zijn beschikbaar op de WTECV-website: https://stecf.jrc.ec.europa.eu/.
Bovendien waren de belanghebbenden gedurende de hele loop van het raadplegingsproces actief betrokken bij elke nieuwe ontwikkelingsfase van het initiatief.
· Effectbeoordeling
· Aan de opstelling van het meerjarenplan is een uitvoerige effectbeoordeling voorafgegaan. Bij die beoordeling zijn drie opties vanuit biologisch, ecologisch en sociaaleconomisch perspectief geanalyseerd. De optie met de gunstigste effecten is vervolgens uitgewerkt tot het onderhavige meerjarenplan. Tegen 2015 voor de betrokken bestanden een duurzame visserij op MSY-niveau tot stand brengen, levert biologische en milieuvoordelen op. De totale visserij-intensiteit zal wellicht afnemen, waardoor zich ook een daling van de uitstoot van scheepsmotoren zal voordoen.
· Wat het sociaaleconomische effect betreft, biedt de toepassing van een beheersplan voor de haring- en sprotbestanden een reguliere basis voor de vaststelling van jaarlijkse TAC's. De voorspelbaarheid van de vangsten in de pelagische sector zal erdoor toenemen, wat de bedrijfsplanning vergemakkelijkt en de stabiliteit van de aanvoer ten goede zal komen. Het levert ook toegevoegde waarde op, aangezien de toepassing van een beheersplan meestal een voorwaarde vormt voor certificatie door, bijvoorbeeld, de Marine Stewardship Council (MSC). Vis van oorsprong uit dergelijke gecertificeerde visserijen haalt hogere prijzen op de markt.
· Een vermindering van de vangstmogelijkheden kan resulteren in een lichte afname van de baten voor de vissers en de verwerkende industrie en kan op korte termijn misschien negatieve gevolgen hebben voor de consument, maar het ecologisch herstel van de bestanden garandeert op de lange termijn een grotere opbrengst en een duurzame visserij. Bovendien leidt een tijdelijke verlaging van de quota gewoonlijk tot een prijsstijging voor het betrokken bestand.
· De afschaffing van de visserijinspanningsregeling en van de eis tot visserij in één enkel gebied zal het rechtskader vereenvoudigen en de administratieve lasten voor de lidstaten en het bedrijfsleven verlichten.
3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL
· Rechtsgrondslag
Artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
· Subsidiariteitsbeginsel
Het voorstel heeft betrekking op de instandhouding van mariene biologische hulpbronnen en dergelijke maatregelen vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.
· Evenredigheidsbeginsel
De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel aangezien zij passend en noodzakelijk zijn en de nagestreefde beleidsdoelstellingen niet kunnen worden bereikt met andere maatregelen die minder restrictief zijn.
· Keuze van instrumenten
Voorgesteld instrument: een verordening van het Europees Parlement en de Raad.
4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Geen gevolgen voor de begroting.
2014/0285 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[14],
Gezien het advies van het Comité van de Regio's[15],
Na toezending van het voorstel aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee[16] van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van beviste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
(2) Tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling die in 2002 in Johannesburg heeft plaatsgevonden, hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden om actie te ondernemen tegen de aanhoudende achteruitgang van tal van visbestanden. Het is daarom noodzakelijk het exploitatieniveau van kabeljauw, haring en sprot in de Oostzee aan te passen om te garanderen dat die bestanden zodanig worden geëxploiteerd dat zij worden hersteld en gehandhaafd op een peil dat hoger is dan datgene wat de maximale duurzame opbrengst oplevert.
(3) Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand, als vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad[17].
(4) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad stelt de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid ("GVB") vast in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.
(5) Uit recent wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) blijkt dat de kabeljauw- en sprotbestanden alsook sommige haringbestanden worden geëxploiteerd op een niveau dat het voor de maximale duurzame opbrengst vereiste niveau overschrijdt.
(6) Sinds 2007 is een beheersplan voor de kabeljauwbestanden van toepassing[18]; de haring- en sprotbestanden vallen echter nog niet onder een dergelijk plan. Gezien de sterke biologische interacties tussen de kabeljauwbestanden en de pelagische bestanden kan de omvang van het kabeljauwbestand de omvang van de haring- en sprotbestanden beïnvloeden, en omgekeerd. Bovendien hebben lidstaten en belanghebbende partijen zich uitgesproken voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beheersplannen voor de voornaamste in de Oostzee aanwezige bestanden.
(7) Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dient het bij deze verordening vastgestelde meerjarenplan gebaseerd te zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moet het doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten en vrijwaringsmaatregelen bevatten.
(8) Het is passend een meersoortenvisserijplan vast te stellen dat rekening houdt met de dynamische relaties tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht heeft voor de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in de Oostzee. Doel van dit plan moet zijn, voor de betrokken bestanden de maximale duurzame opbrengst te bereiken en te handhaven.
(9) De exploitatie van de kabeljauwbestanden en de pelagische bestanden mag de duurzaamheid van de bij die visserijen als bijvangst optredende bestanden, namelijk de Oostzeebestanden van schol, griet, bot en tarbot, niet in het gedrang brengen. Het plan dient er daarom ook op gericht te zijn de instandhouding van deze bijvangstbestanden op een biomassaniveau dat hoger is dan het met het voorzorgsbeginsel overeenstemmende niveau, te waarborgen.
(10) Aangezien bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een aanlandingsverplichting is ingevoerd die met name geldt voor alle soorten waarvoor een TAC is vastgesteld, moet het plan er bovendien ook op gericht zijn de implementatie van de aanlandingsverplichting voor kabeljauw, haring, sprot en schol te bevorderen.
(11) Artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalt dat de visserijmogelijkheden worden vastgesteld in overeenstemming met de in de meerjarenplannen opgenomen streefwaarden.
(12) Die streefwaarden dienen derhalve te worden vastgesteld en uitgedrukt als visserijsterftecoëfficiënten, zulks op basis van wetenschappelijk advies[19].
(13) Er moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld zodat extra voorzorgen kunnen worden genomen wanneer de omvang van een bestand een bepaald kritiek niveau bereikt dat een ernstig risico inhoudt. Die instandhoudingsreferentiepunten moeten worden vastgesteld op het niveau van de minimale paaibiomassa die de reproductiecapaciteit van het bestand onaangetast laat. Wanneer de bestandsomvang tot onder de minimale paaibiomassa daalt, moeten herstelmaatregelen worden overwogen.
(14) In het geval van de als bijvangst gevangen bestanden dienen, bij ontstentenis van wetenschappelijk advies over het minimale paaibiomassaniveau, specifieke instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld wanneer een bestand luidens wetenschappelijk advies gevaar loopt.
(15) Vissen die worden gevangen bij de visserij met kommen, korven en kubben hebben, dankzij de kenmerken van dergelijk vistuig, dat de vis geen schade toebrengt, een hoge overlevingskans, zoals bij experimentele viscampagnes is gebleken. Het is derhalve passend om, naast de in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde gevallen, de uit die visserijen afkomstige kabeljauw, haring, schol en sprot vrij te stellen van de aanlandingsverplichting.
(16) Teneinde de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting na te leven, dient het plan te voorzien in andere beheersmaatregelen zoals beschreven in artikel 15, lid 4, onder a) tot en met c), van die verordening. Dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld middels een gedelegeerde handeling.
(17) Het plan dient voorts te voorzien in de aanneming, middels gedelegeerde handelingen, van bepaalde begeleidende technische maatregelen die moeten bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van het plan, met name inzake de bescherming van jonge of paaiende vis. In afwachting van de herziening van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad[20] moet ook de mogelijkheid worden opengelaten dat dergelijke maatregelen, indien zulks nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van het plan, afwijken van sommige niet-essentiële elementen van die verordening.
(18) Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen op het stuk van herstelmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet, de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en technische maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
(19) Wanneer de Commissie gemachtigd is om gedelegeerde handelingen met betrekking tot bepaalde in het plan vervatte instandhoudingsmaatregelen vast te stellen, dienen de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Oostzee overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de mogelijkheid te hebben om gemeenschappelijke aanbevelingen met betrekking tot deze maatregelen in te dienen, zodat deze goed op de specifieke kenmerken van de Oostzee en haar visserijen worden afgestemd. Voor de indiening van die aanbevelingen moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij artikel 18, lid 1, van genoemde verordening.
(20) Met het oog op de handhaving van de in deze verordening vervatte maatregelen dienen specifieke controlemaatregelen te worden aangenomen naast die waarin Verordening (EG) nr. 1224/2009[21] voorziet.
(21) Omdat de Oostzee een tamelijk klein visserijgebied is waar voornamelijk kleine vaartuigen korte visreizen maken, moet het krachtens artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van de voorafgaande kennisgeving worden uitgebreid, namelijk tot alle vaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer, en moet de voorafgaande kennisgeving ten minste één uur vóór het geraamde tijdstip van aankomst in de haven worden gedaan. Echter, rekening houdend met het effect op de betrokken bestanden van visreizen waarmee zeer kleine hoeveelheden vis zijn gemoeid en de administratieve last die de desbetreffende voorafgaande kennisgevingen met zich brengen, is het passend een drempelwaarde voor dergelijke voorafgaande kennisgevingen vast te stellen, namelijk dat vaartuigen ten minste 300 kg kabeljauw of twee ton vis uit de pelagische bestanden aan boord hebben.
(22) Vastgesteld moet worden boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten uit kabeljauw-, haring- en sprotbestanden overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dichtbij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle op de onder deze verordening vallende bestanden gewaarborgd is.
(23) Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bepalingen worden vastgesteld met het oog op de periodieke evaluatie door de Commissie van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Dergelijke evaluaties dienen te worden uitgevoerd na en gebaseerd te worden op een benchmarking-evaluatie van de betrokken bestanden door de ICES.
(24) Overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten vóór het opstellen van het plan de verwachte economische en sociale effecten ervan naar behoren zijn geëvalueerd[22].
(25) Wat de tijdhorizon betreft: de maximale duurzame opbrengst zal voor de betrokken bestanden naar verwachting tegen 2015 worden bereikt en moet van dan af worden gehandhaafd.
(26) Bij ontstentenis van een visserijinspanningsregeling moeten de specifieke regels inzake het speciale visdocument en de vervanging van vaartuigen of motoren die in de Golf van Riga van toepassing zijn, worden geschrapt. Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(27) Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad[23] moet worden ingetrokken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan") vastgesteld voor de volgende, in de Uniewateren van de Oostzee aanwezige bestanden (hierna "de betrokken bestanden") en de visserijen die deze bestanden exploiteren:
a) kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-deelgebieden 22-24 (kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee);
b) kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-deelgebieden 25-32 (kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee);
c) haring (Clupea harengus) in de ICES deelgebieden 25, 26, 27, 28.2, 29 en 32 (haring in het centrale deel van de Oostzee);
d) haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebied 28.1 (haring in de Golf van Riga);
e) haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebied 30 (haring in de Botnische Zee);
f) haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebied 31 (haring in de Botnische Baai);
g) haring (Clupea harengus) in ICES-gebied IIIa en de ICES-deelgebieden 22-24 (haring in het westelijke deel van de Oostzee);
h) sprot (Sprattus sprattus) in de ICES-deelgebieden 22-32.
2. Het plan is ook van toepassing op schol, bot, tarbot en griet in de ICES-deelgebieden 22-32 die bij de visserij op de betrokken bestanden wordt gevangen.
Artikel 2
Definities
Met het oog op de toepassing van deze verordening gelden naast de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad, de volgende definities:
a) "pelagische bestand": een in artikel 1, onder c) tot en met h), bedoeld bestand of een combinatie van daar bedoelde bestanden;
b) "kom": een groot, verankerd, aan staken vastgemaakt of soms drijvend net dat open is aan het oppervlak en is uitgerust met verschillende soorten voorzieningen om vis te verzamelen en vast te houden, en dat doorgaans is verdeeld in kamers die onderaan met netwerk zijn afgesloten;
c) "korven en kubben": voor de vangst van schaaldieren of vissen bestemde kleine, afzonderlijk of in rijen op de zeebodem geplaatste vallen in de vorm van uit verschillende materialen vervaardigde kooien of manden; zij zijn middels touwen (boeirepen) verbonden met op het zeeoppervlak drijvende boeien die de positie aangeven, en zijn voorzien van één of meer openingen of gaten waarlangs de dieren binnenkomen;
d) "betrokken lidstaten": Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Letland, Litouwen, Polen en Zweden.
HOOFDSTUK II DOELSTELLINGEN EN STREEFWAARDEN
Artikel 3
Doelstellingen
1. Het plan beoogt een bijdrage te leveren aan de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name:
(a) het bereiken en handhaven van de maximale duurzame opbrengst voor de betrokken bestanden, en
(b) het waarborgen van de instandhouding van de schol-, griet-, bot- en tarbotbestanden in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel.
2. Het plan beoogt een bijdrage te leveren aan de implementatie van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol.
Artikel 4
Streefwaarden
1. De visserijsterfte voor de betrokken bestanden bereikt tegen 2015 de streefwaarde en wordt van dan af gehandhaafd binnen de volgende bandbreedtes:
Bestand || Streefwaarde (bandbreedte) voor de visserijsterfte
Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee || 0,23-0,29
Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee || 0,41-0,51
Haring in het centrale deel van de Oostzee || 0,23-0,29
Haring in de Golf van Riga || 0,32-0,39
Haring in de Botnische Zee || 0,13-0,17
Haring in de Botnische Baai || Niet gedefinieerd
Haring in het westelijke deel van de Oostzee || 0,25-0,31
Sprot in de Oostzee || 0,26-0,32
2. Conform artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden de visserijmogelijkheden vastgesteld in overeenstemming met de in lid 1 genoemde streefwaarden.
HOOFDSTUK III INSTANDHOUDINGSREFERENTIEPUNTEN
Artikel 5
Minimale paaibiomassa
1. De instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt als minimumniveau van de paaibiomassa waarbij de reproductiecapaciteit onaangetast blijft, bedraagt voor de betrokken bestanden:
Bestand || Minimumniveau van de paaibiomassa (in ton)
Kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee || 36 400
Kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee || 88 200
Haring in het centrale deel van de Oostzee || 600 000
Haring in de Golf van Riga || Niet gedefinieerd
Haring in de Botnische Zee || Niet gedefinieerd
Haring in de Botnische Baai || Niet gedefinieerd
Haring in het westelijke deel van de Oostzee || 110 000
Sprot in de Oostzee || 570 000
2. Wanneer de paaibiomassa van enig betrokken bestand in een bepaald jaar lager is dan het in lid 1 vastgestelde minimumniveau voor die paaibiomassa, worden passende herstelmaatregelen vastgesteld om een snelle terugkeer van het betrokken bestand naar het voorzorgsniveau te waarborgen. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, van deze verordening en in overeenstemming met artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de visserijmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat lager is dan datgene wat resulteert in de in artikel 4, lid 1, genoemde streefbandbreedtes voor de visserijsterfte. Deze herstelmaatregelen kunnen, indien passend, ook de indiening van wetsvoorstellen door de Commissie alsook overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 door de Commissie vastgestelde noodmaatregelen omvatten.
HOOFDSTUK IV
Specifieke instandhoudingsmaatregelen voor schol, bot, tarbot en griet
Artikel 6
Maatregelen bij bedreigingen voor schol, bot, tarbot en griet
1. Wanneer luidens wetenschappelijk advies de instandhouding van enig schol-, bot-, tarbot- of grietbestand in de Oostzee wordt bedreigd, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake specifieke instandhoudingsmaatregelen voor het bedreigde bestand, en zulks met betrekking tot:
(c) a) aanpassing van de visserijcapaciteit en de visserijinspanning;
(d) b) technische maatregelen, met inbegrip van
(1) de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig;
(2) het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet;
(3) een verbod op of beperking van de visserij in specifieke gebieden;
(4) een verbod op of beperking van de visserij gedurende specifieke perioden;
(5) de minimale instandhoudingsreferentiegrootte.
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde doelstelling te bereiken en worden gebaseerd op wetenschappelijk advies.
3. De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot specifieke instandhoudingsmaatregelen als bedoeld in lid 1.
HOOFDSTUK V
AANLANDINGSVERPLICHTING
Artikel 7
Afwijking voor kommen, korven en kubben
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting voor de betrokken bestanden en voor schol niet wanneer de visserij daarop plaatsvindt met het volgende vistuig: kommen, korven en kubben.
Artikel 8
Implementatie van de aanlandingsverplichting
1. De Commissie wordt gemachtigd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende maatregelen:
a) de lijst van soorten waarop niet mag worden gevist, in het kader van de vrijstelling van de aanlandingsverplichting waarin artikel 15, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet;
b) vrijstellingen van de aanlandingsverplichting, overeenkomstig artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor soorten waarvan wetenschappelijk vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, de visserijpraktijken en het ecosysteem; en
c) de in artikel 15, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde de-minimisvrijstellingen.
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3, lid 2, genoemde doelstelling te bereiken en worden in voorkomend geval gebaseerd op wetenschappelijk advies. De de-minimisvrijstellingen voldoen aan het bepaalde in artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
3. De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen.
HOOFDSTUK VI TECHNISCHE MAATREGELEN
Artikel 9
Kader van technische maatregelen
1. De Commissie wordt gemachtigd overeenkomstig artikel 15 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende technische maatregelen:
a) de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan;
b) de specificatie van modificaties van of extra voorzieningen voor vistuig;
c) de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaalde types vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of periodes;
d) minimale instandhoudingsreferentiegroottes voor de onder deze verordening vallende bestanden.
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn erop gericht de in artikel 3 genoemde doelstellingen, en met name de bescherming van jonge of paaiende vis, te bereiken.
3. De in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen kunnen, waar zulks nodig is voor het bereiken van de in lid 2 bedoelde doelstellingen, afwijken van de volgende bepalingen van Verordening (EG) nr. 2187/2005:
a) de in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 bedoelde en in de bijlagen II en III van die verordening vervatte bepalingen inzake doelsoorten en maaswijdten;
b) de in artikel 5, leden 2, 3 en 4, en artikel 6 van die verordening vastgestelde structuur, kenmerken en regels voor het gebruik van actief vistuig;
c) de in artikel 8 vastgestelde structuur, kenmerken en regels voor het gebruik van passief vistuig;
d) de in artikel 16 vastgestelde coördinaten van de verboden gebieden en de desbetreffende toepassingsperioden;
e) de soorten, geografische gebieden en toepassingsperioden waarvoor de in artikel 18 bis, lid 1, van die verordening vastgestelde beperkingen van de visserij op bepaalde bestanden gelden, alsook de technische bijzonderheden van de in artikel 18 bis, lid 2, van die verordening vervatte afwijking;
f) het verbod op de trawlvisserij in de Golf van Riga overeenkomstig artikel 22 van die verordening.
4. De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen.
HOOFDSTUK VII REGIONALISERING
Artikel 10
Regionale samenwerking
1. Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in het kader van dit hoofdstuk genomen maatregelen.
2. De betrokken lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gemeenschappelijke aanbevelingen indienen binnen de volgende termijnen:
a) voor de in artikel 6, lid 1, vervatte maatregelen en met betrekking tot een gegeven kalenderjaar, uiterlijk op 1 september van het vorige jaar;
b) voor de in artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, vervatte maatregelen, de eerste keer niet later dan zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens zes maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 14.
HOOFDSTUK VIII CONTROLE EN HANDHAVING
Artikel 11
Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad
Behalve de in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn die van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van toepassing, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.
Artikel 12
Voorafgaande kennisgevingen
1. In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt de in dat artikel vervatte verplichting tot voorafgaande kennisgeving voor kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste 300 kg kabeljauw of twee ton vis uit pelagische bestanden aan boord hebben.
2. In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedraagt de in dat artikel vermelde termijn voor voorafgaande kennisgeving ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven.
Artikel 13
Aangewezen havens
De in levend gewicht uitgedrukte drempel voor de onder het meerjarenplan vallende soorten, bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dichtbij de kust moet aanlanden, bedraagt:
a) 750 kg kabeljauw;
b) 5 ton vis uit pelagische bestanden.
HOOFDSTUK IX FOLLOW-UP
Artikel 14
Evaluatie van het plan
De Commissie zorgt ervoor dat de effecten van dit plan op de onder deze verordening vallende bestanden en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, zes jaar na de inwerkingtreding van het plan en vervolgens om de zes jaar worden geëvalueerd, met name om rekening te houden met veranderingen in de wetenschappelijke adviezen. De Commissie deelt de resultaten van deze evaluaties mee aan het Europees Parlement en de Raad.
HOOFDSTUK X PROCEDURELE BEPALINGEN
Artikel 15
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 6, 8 en 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5. Overeenkomstig de artikelen 6, 8 en 9 vastgestelde gedelegeerde handelingen treden alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
HOOFDSTUK XI WIJZIGINGEN
Artikel 16
Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad
De artikelen 20 en 21 van Verordening (EG) nr. 2187/2005 worden geschrapt.
HOOFDSTUK XII INTREKKING
Artikel 17
Intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad
Verordening (EG) nr. 1098/2007 wordt ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.
HOOFDSTUK XIII Slotbepalingen
Artikel 18
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
[1] http://www.ices.dk/aboutus/aboutus.asp
[2] Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97 (PB L 248 van 22.9.2007).
[3] Besluit 2005/629/EG van de Commissie van 26 augustus 2005 tot instelling van een Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij.
[4] Verslag van de vergadering van de WTECV-deskundigengroep inzake meersoortenbeheersplannen voor de Oostzee (STECF-12-06).
[5] PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
[6] MRAG, september 2009: Economic and social impacts of the proposed scenarios for a multi-annual management plan for Baltic pelagic fisheries, FISH/2006/09 — Lot 4.
[7] Rapport van de Subgroep beheersdoelstellingen en -strategieën (STECF SGMOS 10-06). Deel e) Beoordeling van het meerjarenplan voor de kabeljauw in de Oostzee.
[8] Verslag van de vergadering van de WTECV-deskundigengroep inzake de effectbeoordeling van meerjarenplannen voor de kabeljauw in de Oostzee (STECF 11-05).
[9] Raad van de Europese Unie, document 16684/11 ADD 1, http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/11/st16/st16684-ad01.nl11.pdf
[10] Verslag van de vergadering van de WTECV-deskundigengroep inzake scoping voor de effectbeoordelingen van meerjarenplannen voor meerdere soorten in de Oostzee en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee (STECF-12-05).
[11] Verslag van de workshop "Integrated/Multispecies Advice for Baltic Fisheries" (WKMULTBAL) 6 - 8 maart 2012, Charlottenlund, Denemarken. ICES CM 2012/ACOM:43.
[12] Verslag van de vergadering van de WTECV-deskundigengroep inzake meersoortenbeheersplannen voor de Oostzee (STECF 12-06).
[13] http://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2009_2014/documents/pech/dv/taskfor/taskforce.pdf
[14] PB C , , blz. .
[15] PB C , , blz. .
[16] PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3.
[17] Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
[18] Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97 (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1).
[19] Technische diensten van ICES, september 2014
http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2014/Special%20Requests/EU_Fmsy_range_for_Baltic_cod_and_pelagic_stocks.pdf
[20] Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
[21] Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
[22] Effectbeoordeling gepubliceerd … (aanvullen).
[23] Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97 (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1).