Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot uitvoering van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot uitvoering van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006
RICHTLIJN VAN DE RAAD
Brussel, 27.7.2017 |
COM(2017) 406 final |
2017/0181(NLE) |
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot uitvoering van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (Voor de EER relevante tekst) |
TOELICHTING
de rechten van zeevarenden beschermt wanneer zij worden achtergelaten (wijziging van Voorschrift 2.5). Deze wijziging verbetert het stelsel van financiële zekerheid dat van toepassing is wanneer de reder de kosten voor repatriëring niet vergoedt, zoals al was erkend in Voorschrift 2.5, lid 2. Ook de volgende twee nieuwe situaties worden erkend: wanneer de reder de zeevarende zonder het noodzakelijke onderhoud en de noodzakelijke ondersteuning heeft achtergelaten; of wanneer de reder op een andere wijze eenzijdig de banden met de zeevarende heeft verbroken, onder meer door gedurende ten minste twee maanden geen loon te betalen. De wijziging bevat ook het vereiste een snel en effectief stelsel van financiële zekerheid op te zetten om zeevarenden op een schip dat de vlag van een lidstaat voert bijstand te bieden in geval van achterlating;
voldoet aan minimumvereisten om compensatie voor contractuele vorderingen te waarborgen in het geval van overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico (wijziging van Voorschrift 4.2).
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel omdat de reikwijdte ervan strikt beperkt is tot het omzetten in EU-recht van de geactualiseerde bindende minimumnormen van de wijzigingen uit 2014 van het MLC 2006.
De lidstaten behouden de keuzemogelijkheid gunstiger normen voor werknemers te behouden of vast te stellen en rekening te houden met de specifieke kenmerken van hun nationale situatie. Het voorstel laat bijgevolg ruimte voor flexibiliteit ten aanzien van de keuze van de concrete uitvoeringsmaatregelen.
Het gekozen instrument is een richtlijn. De term "besluit" van artikel 155, lid 2, VWEU, is algemeen bedoeld, zodat voor één van de wetgevingsinstrumenten van artikel 288 VWEU kan worden gekozen. Het is aan de Commissie het meest geschikte van de drie bindende instrumenten als bedoeld in dat artikel (een verordening, richtlijn of besluit) voor te stellen.
Artikel 296 VWEU bepaalt: "Wanneer de Verdragen niet bepalen welk soort van handeling moet worden vastgesteld, maken de instellingen zelf per afzonderlijk geval een keuze, met inachtneming van de toepasselijke procedures en van het evenredigheidsbeginsel".
Er heeft geen evaluatie van de bestaande Richtlijn 2009/13/EG plaatsgehad aangezien de termijn voor omzetting 20 augustus 2014 was en de beoordeling van de omzetting nog niet is afgerond 23 .
Volgens de MLC-databank 26 heeft tot dusver geen enkele lidstaat die het verdrag heeft bekrachtigd en voor wie de wijzigingen uit 2014 van de IAO al in werking zijn getreden de IAO in kennis gesteld van nationale uitspraken over de wijzigingen uit 2014 van de IAO.
De subjectieve werkingssfeer van de uitzondering is zeer beperkt omdat zij enkel geldt voor schepen met een brutotonnage van minder dan 200 ton die uitsluitend nationale reizen maken.
Tot op vandaag hebben een aantal staten die het verdrag hebben bekrachtigd, gebruikgemaakt van die uitzondering, voornamelijk voor bepaalde bijzonderheden van Titel III van het MLC over huisvesting. Aangezien de wijzigingen van de IAO uit 2014 betrekking hebben op de bescherming van minimale basisrechten (repatriëring, essentiële behoeften van de zeevarende waaronder voeding, huisvesting en betaling van tot 4 maanden achterstallig loon) en compensatie in geval van de ergste incidenten die een zeevarende kunnen overkomen tijdens de uitoefening van zijn beroep (overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid), zal het moeilijk zijn het gebruik van de uitzondering in die gevallen te rechtvaardigen.
De mogelijke nationale uitzonderingen kunnen niet worden toegepast op de verplichting een bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord te hebben in het geval van achterlating aangezien die verplichting enkel geldt voor schepen die een maritieme-arbeidscertificaat aan boord moeten hebben 27 . Er moet ook aan worden herinnerd dat de wijzigingen van de IAO uit 2014 een bestaand beschermingssysteem verbeteren en uitbreiden waarin de lidstaten al verplicht zijn van alle schepen die hun vlag voeren te eisen dat zij voorzien in financiële zekerheid om de kosten van de repatriëring te dekken en compensatie te bieden in het geval van overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of beroepsziekte.
De voorwaarden voor het gebruik van de uitzondering (waaronder het vereiste de sociale partners te raadplegen) zijn vrij strikt.
Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2013/54/EU, beschikken de lidstaten over flexibiliteit voor toezicht op de naleving van de nieuwe vereisten door schepen met een brutotonnage van minder dan 200 ton. Het artikel laat de lidstaten toe ten aanzien van die schepen krachtens artikel II, lid 6, van het MLC de toezichtmechanismen, met inbegrip van inspecties, aan te passen om rekening te houden met de specifieke situatie in verband met die schepen.
Aangezien het voorstel voorts waarschijnlijk geen significante economische of sociale gevolgen of gevolgen voor het milieu heeft ten opzichte van het basisscenario, is voor dit voorstel geen effectbeoordeling uitgevoerd 28 .
Bij het basisscenario wordt ervan uitgegaan dat de lidstaten die het MLC hebben bekrachtigd de wijzigingen van 2014 zullen uitvoeren aangezien deze op 18 januari 2017 in die lidstaten in werking zijn getreden of weldra in werking zullen treden. Daarom zullen, ook zonder goedkeuring van de overeenkomst van de sociale partners, waarschijnlijk alle lidstaten die de overeenkomst hebben bekrachtigd de wijzigingen van 2014 toepassen en instaan voor beschermingsstelsels in geval van achterlating en compensatie bij overlijden of letsel van zeevarenden. Op die uitvoering wordt waarschijnlijk toegezien door het mechanisme voor toezicht van de IAO. Dat systeem is gebaseerd op onderzoek van de nationale verslagen en op waarnemingen van de sociale partners door twee organen van de IAO (het Comité van deskundigen inzake de toepassing van verdragen en aanbevelingen en het tripartiete Comité voor de toepassing van verdragen en aanbevelingen van de IAO-conferentie). Bij het niet uitvoeren van de wijzigingen voorziet dit systeem echter niet in een juridisch mechanisme als dat van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Door de nieuwe vereisten zal worden vermeden dat zeevarenden voor lange tijd in een onwenselijke situatie terechtkomen aan boord of in de haven wanneer reders hun bemanning achterlaten zonder hun loon te betalen of zonder hen te repatriëren. In 2010 waren er naar schatting 254 119 actieve zeevarenden in de maritieme lidstaten van de EU plus Noorwegen 29 . Volgens de IAO-databank over achterlating van zeevarenden zijn sinds 2004 192 koopvaardijschepen achtergelaten; 21 daarvan onder EU-vlag. In 2016 werden 20 koopvaardijschepen achtergelaten, waarvan op 30 mei 2017 slechts acht gevallen waren opgelost. Van de 20 in 2016 achtergelaten schepen voeren er vier onder de EU-vlag, met in totaal 45 achtergelaten zeevarenden. Sommige onopgeloste gevallen van achterlating dateren van 2006. In het verleden waren achtergelaten zeevarenden vaak niet bereid hun schip te verlaten tot het bij gerechtelijke verkoop was verkocht om uitstaande vorderingen, waaronder uitstaande lonen, te betalen. Nu zullen dergelijke vorderingen geregeld worden via het stelsel van financiële zekerheid. Ook de uitstaande vorderingen in het geval van overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval zullen worden betaald aan de zeevarenden of hun gezin. Daardoor kunnen lange wachttijden voor de betaling worden vermeden en de administratieve rompslomp in procedures waar zeevarenden en hun gezin vaak mee te maken krijgen.
Gezien die verwachte ontwikkelingen in het basisscenario zou de Richtlijn van de Raad geen significante gevolgen hebben voor de 22 lidstaten die het verdrag hebben bekrachtigd waarvan de wijzigingen al op 18 januari 2017 in werking zijn getreden of weldra in werking zullen treden, noch voor de drie niet aan zee grenzende lidstaten die het MLC niet hebben bekrachtigd (Oostenrijk, Tsjechië en Slowakije).
De toepassing van de bepalingen van dit voorstel zullen voor de lidstaten die het verdrag hebben bekrachtigd de kosten voor toezicht niet verhogen, aangezien zij die kosten dragen op grond van de bekrachtiging van het MLC en de wijzigingen ervan. Aangezien de lidstaten die het verdrag niet hebben bekrachtigd landen zijn die niet aan zee grenzen en momenteel geen vloot hebben, wordt verwacht dat zij geen uitgaven zullen moeten doen als gevolg van dit voorstel.
Voor schepen met een brutotonnage van minder dan 200 ton die geen internationale reizen maken, laat artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2013/54/EU de lidstaten toe hun toezichtsmechanismen, met inbegrip van inspecties, aan te passen aan die specifieke situatie.
Representativiteit van de Europese sociale partners in de zeevervoersector
Overeenkomstig artikel 1 van Besluit 98/500/EG van de Commissie 30 moeten de sociale partners op Europees niveau:
a) tot specifieke sectoren of categorieën behoren en op Europees niveau georganiseerd zijn;
b) uit organisaties bestaan die op zichzelf een integrerend en erkend deel uitmaken van de structuren van sociale partners van de lidstaten en het vermogen bezitten overeenkomsten te sluiten, en die representatief zijn voor verscheidene lidstaten; en
c) toereikende structuren bezitten om hun doeltreffende deelneming aan het werk van de Comités te waarborgen.
Deze overeenkomst heeft betrekking op de arbeidsvoorwaarden in de zeevervoersector, wat overeenkomt met de opdracht van het Comité voor sociale dialoog in de zeevervoersector. De sociale partners in het Comité zijn de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) die de werkgevers vertegenwoordigt en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) die de werknemers vertegenwoordigt.
De ECSA 32 heeft leden in Noorwegen en in alle EU-lidstaten behalve in de niet aan zee grenzende landen (Oostenrijk, Tsjechië, Hongarije en Slowakije) en Bulgarije, Letland, Roemenië en Polen. 33 34 Hoewel veel zeevarenden afkomstig zijn uit Polen, zijn er in Polen maar weinig rederijen. In Letland zijn er geen sectorgerelateerde werkgeversorganisaties. De enige lidstaten waarmee de ECSA dus zijn ledenaantal zou kunnen uitbreiden zijn Bulgarije en Roemenië.
Aan de kant van de werknemers heeft de ETF 56 leden van 25 lidstaten, goed voor 64 % van alle vakbonden met sectorgerelateerde activiteiten. 52 leden zijn zelf betrokken bij sectorgerelateerde collectieve onderhandelingen. Volgens de studie van Eurofound heeft de ETF sectorgerelateerde leden in alle lidstaten met sectorgerelateerde activiteiten.
Wettigheid van de clausules
Dit voorstel betreft een aangelegenheid die van belang is voor de Europese Economische Ruimte en moet dus op de EER van toepassing zijn.
Artikel 1
Dit artikel maakt de overeenkomst tussen de sociale partners bindend.
Artikel 2
Dit artikel bevat de wijzigingen van Richtlijn 2009/13/EG.
1) In lid 1 wordt een wijziging van de nummering ingevoerd.
2) In lid 2 wordt een nieuwe Norm A2.5.2 over "Financiële zekerheid" ingevoerd, die bestaat uit 14 leden.
In lid 1 wordt het doel van de voorgestelde norm vermeld.
In lid 2 wordt een definitie gegeven van achterlating, waarvoor in ondersteuning door een stelsel van financiële zekerheid wordt voorzien:
a) het niet-dekken van de kosten van de repatriëring van de zeevarende (reeds erkend in Voorschrift 2.5, lid 2, van de bijlage bij Richtlijn 2009/13/EG);
b) het ontbreken van onderhoud en ondersteuning (verduidelijkt in lid 5);
c) elke andere situatie waarin de reder eenzijdig de banden met de zeevarende heeft verbroken, onder meer door niet-betaling van het loon gedurende ten minste twee maanden.
De punten b) en c) vormen een uitbreiding van de verplichting om te voorzien in een stelsel van financiële zekerheid tot twee nieuwe situaties van achterlating.
In lid 3 is de verplichting van de lidstaten, als vlaggenstaten, vastgesteld te voorzien in een stelsel van financiële zekerheid voor schepen die hun vlag voeren. De lidstaten bepalen de vorm van dat stelsel na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. Het stelsel kan verscheidene vormen aannemen.
In lid 4 zijn de criteria vastgesteld waaraan het door de vlaggenstaat gekozen stelsel van financiële zekerheid moet voldoen, waaronder het vereiste dat achtergelaten zeevarenden rechtstreekse toegang, voldoende dekking en onverwijlde financiële bijstand moeten krijgen.
In lid 5 wordt de inhoud gegeven van het in lid 2, onder b), genoemde begrip "noodzakelijk onderhoud en noodzakelijke ondersteuning".
In lid 6 is het vereiste vastgesteld een bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord te hebben voor schepen die volgens nationaal recht of op verzoek van de reder een maritieme-arbeidscertificaat aan boord moeten hebben.
In lid 7 wordt de informatie opgesomd die het bewijsstuk moet bevatten. Het moet in het Engels opgesteld zijn of vergezeld gaan van een vertaling in het Engels.
In lid 8 is het vereiste vastgesteld in verband met het verlenen van financiële bijstand (zie lid 4).
In de leden 9 en 10, over de criteria voor de in lid 4 voorgestelde "voldoende dekking", worden bijzonderheden en het toepassingsgebied gegeven van de bijstand die in het kader van het stelsel van financiële zekerheid moet worden geboden. In lid 9 wordt verwezen naar Voorschrift 2.5 van de bijlage bij Richtlijn 2009/13/EG in verband met repatriëring. De betaling van achterstallig loon en andere bedragen wordt beperkt tot vier maanden. In lid 10 worden bijzonderheden gegeven over de kosten van repatriëring in geval van achterlating.
In lid 11 is de verplichting vastgesteld voor de aanbieder van de financiële zekerheid de vlaggenstaat ten minste 30 dagen op voorhand in kennis te stellen van de beëindiging van de financiële zekerheid.
In lid 12 is voorzien in subrogatie van rechten voor de aanbieder van de verzekering of andere vorm van financiële zekerheid.
In lid 13 wordt aangegeven dat deze norm geen afbreuk doet aan enig verhaalsrecht van de verzekeraar of de aanbieder van financiële zekerheid tegenover derden.
In lid 14 wordt aangegeven dat de bepalingen van de voorgestelde norm geen afbreuk doen aan andere rechten, vorderingen of rechtsmiddelen waarop de zeevarende een beroep kan doen. Er wordt ook toegelaten vast te stellen dat met de in het kader van de Norm te betalen bedragen, bedragen kunnen worden verrekend die uit andere bronnen worden ontvangen op grond van rechten, vorderingen of rechtsmiddelen in het kader van de Norm.
3) In lid 3 wordt een wijziging van de huidige nummering van Norm A4.2 voorgesteld, die Norm A4.2.1 wordt. Aan Norm A4.2.1 worden zeven nieuwe leden (8 tot en met 14) toegevoegd. De Norm bouwt voort op het bestaande vereiste van Norm A4.2, lid 1, onder b). Volgens dat vereiste moeten reders voorzien in financiële zekerheid om compensatie te waarborgen in het geval van overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico.
In lid 8 zijn onder a) tot en met e) minimumeisen vastgesteld die de nationale wet- en regelgeving moet waarborgen in verband met het in de bestaande Norm A4.2, lid 1, onder b), gedefinieerde stelsel voor financiële zekerheid voor contractuele vorderingen (lid 1 van de voorgestelde nieuwe Norm A4.2.2). Zij omvatten de volledige en onmiddellijke betaling, met tussentijdse betalingen wanneer moeilijk te bepalen is op welke compensatie de zeevarende recht heeft.
2017/0181 (NLE) |
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot uitvoering van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (Voor de EER relevante tekst) |
In de leden 9 en 10 zijn de eisen vastgesteld voor het in kennis stellen van de zeevarenden en de vlaggenstaten wanneer de financiële zekerheid wordt geannuleerd of beëindigd.
In lid 11 is vastgesteld dat schepen een bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord moeten hebben dat is afgegeven door de aanbieder van de financiële zekerheid.
In lid 12 is de verplichting vastgesteld voor de aanbieder van de financiële zekerheid de vlaggenstaat ten minste 30 dagen op voorhand in kennis te stellen van de beëindiging van de financiële zekerheid.
In lid 13 is vastgesteld dat de financiële zekerheid moet voorzien in de betaling van alle contractuele vorderingen die onder de financiële zekerheid vallen en ontstaan tijdens de periode waarvoor het document geldig is.
In lid 14 wordt de informatie opgesomd die het bewijsstuk van financiële zekerheid moet bevatten. Hierin is ook vastgesteld dat het document in het Engels moet opgesteld zijn of vergezeld moet gaan van een vertaling in het Engels.
4) In lid 4 wordt een nieuwe Norm A4.2.2 over "Behandeling van contractuele vorderingen" ingevoerd, die bestaat uit 3 leden.
In lid 1 wordt de betekenis van de term "contractuele vorderingen" in lid 8 van de voorgestelde Norm A4.2 (hernummerd als A4.2.1) verklaard.
In lid 2 is vastgesteld dat het stelsel van financiële zekerheid ten behoeve van compensatie bij overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of beroepsziekte verschillende vormen kan aannemen. De lidstaten bepalen de vorm na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden.
In lid 3 is vastgesteld dat de nationale wet- en regelgeving moet voorzien in regelingen om de in Norm A4.2 (hernummerd als A4.2.1) bedoelde contractuele vorderingen met betrekking tot compensatie te ontvangen, te behandelen en onpartijdig te beslechten op basis van snelle en eerlijke procedures.
RICHTLIJN VAN DE RAAD
tot uitvoering van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006
(Voor de EER relevante tekst)
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 155, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
Werkgevers en werknemers ("de sociale partners") mogen, overeenkomstig artikel 155, lid 2, VWEU, gezamenlijk verzoeken dat door hen op het niveau van de Unie gesloten overeenkomsten worden uitgevoerd door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.
Bij Richtlijn 2009/13/EG van de Raad 36 is de overeenkomst uitgevoerd die door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) was gesloten om de bepalingen van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (MLC) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) in het EU-recht op te nemen met het doel de geldende Europese wetgeving in overeenstemming te brengen met de normen van het verdrag, die gunstiger waren voor zeevarenden. De richtlijn had als doel de arbeidsvoorwaarden van zeevarenden te verbeteren, met name op het gebied van arbeidsovereenkomsten, arbeidstijden, repatriëring, loopbaan - en competentieontwikkeling, huisvesting en recreatievoorzieningen, voeding en catering, bescherming van de gezondheid en veiligheid, medische zorg en klachtenprocedures.
Na vergaderingen van internationale deskundigen heeft de IAO een procedure opgestart om het verdrag te wijzigen en op die manier kwesties aan te pakken in verband met de achterlating van zeevarenden en de financiële zekerheid enerzijds, en schadevorderingen in verband met overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden anderzijds. Tijdens zijn vergadering van 7 tot 11 april 2014 keurde het bijzonder tripartiet comité dat is ingesteld in het kader van het MLC twee wijzigingen in verband met die kwesties goed. Gedeelten van de regels van de wijzigingen vielen onder de bevoegdheid van de Unie en betroffen aangelegenheden waarvoor de Unie regels had vastgesteld, met name in het sociaal beleid en het vervoer. Daarom heeft de Raad op 26 mei 2014 Besluit 2014/346/EU 37 vastgesteld betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie op de 103e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie zou worden ingenomen. Dat standpunt bestond erin de wijzigingen van de Code van het MLC goed te keuren.
De wijzigingen werden door de Conferentie goedgekeurd tijdens de 103e zitting in Genève op 11 juni 2014 en zijn op 18 januari 2017 in werking getreden. Zij hebben betrekking op het instellen van een effectief stelsel van financiële zekerheid om (i) de rechten van zeevarenden te beschermen wanneer zij worden achtergelaten, en (ii) compensatie voor contractuele vorderingen te waarborgen in het geval van overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico. Zij verbeteren en optimaliseren het bestaande stelsel voor de bescherming van zeevarenden, onder meer door de verplichting een bewijsstuk van het stelsel voor financiële zekerheid aan boord te hebben en door het stelsel uit te breiden met twee nieuwe situaties van achterlating. (Die situaties hebben betrekking op het achterlaten van zeevarenden zonder het noodzakelijke onderhoud en de noodzakelijke ondersteuning, of wanneer de reder eenzijdig de banden met de zeevarende heeft verbroken, onder meer door niet-betaling van loon gedurende ten minste twee maanden.)
Op 5 december 2016 hebben de sociale partners in de zeevervoersector – de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) – een overeenkomst gesloten tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG overeenkomstig de wijzigingen uit 2014 van het MLC 2006. Op 12 december 2016 hebben zij de Commissie verzocht om uit hoofde van artikel 155, lid 2, VWEU een voorstel in te dienen voor een Richtlijn van de Raad tot uitvoering van hun overeenkomst.
In de overeenkomst van de sociale partners zijn alle bindende bepalingen van de wijzigingen uit 2014 van het MLC opgenomen. De eerste wijziging, in verband met het stelsel van financiële zekerheid bij achterlating van de zeevarende, heeft zowel betrekking op arbeidsvoorwaarden als op de veiligheid en de gezondheid en valt dus onder artikel 153, lid 1, onder a) en b), van het VWEU. De tweede wijziging, in verband met de eisen voor een snel en effectief stelsel van financiële zekerheid om compensatie te waarborgen in het geval van overlijden of langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico valt onder artikel 153, lid 1, onder c), (sociale zekerheid en sociale bescherming van de werknemers). De overeenkomst houdt dus verband met de onderwerpen van artikel 153 VWEU en kunnen overeenkomstig artikel 155, lid 2, worden uitgevoerd door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie. Het meest geschikte instrument voor de uitvoering van de overeenkomst is een richtlijn in de zin van artikel 288 van het Verdrag.
Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 20 mei 1998 38 over de aanpassing en bevordering van de sociale dialoog op communautair niveau, heeft de Commissie de representatieve status van de verdragsluitende partijen en de wettigheid van elke clausule in de overeenkomst beoordeeld.
De overeenkomst van de sociale partners van 5 december 2016 wijzigt de overeenkomst over het MLC van 19 mei 2008 tussen ECSA en ETF als bijlage bij Richtlijn 2009/13/EG en neemt de wijzigingen uit 2014 door de IAO van het MLC op in de richtlijn met als doel de verbetering van de arbeidsvoorwaarden, de veiligheid en gezondheid, en de sociale bescherming van zeevarenden op schepen die onder de vlag van een EU-lidstaat varen.
Door de wijziging van Richtlijn 2009/13/EG brengt de overeenkomst van de sociale partners van 5 december 2016 de bindende bepalingen van de IAO-wijzigingen uit 2014 van het MLC binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/54/EU betreffende verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat en van het controle- en monitoringsysteem van de EU-wetgeving, en met name van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het controlesysteem van het Verdrag betreffende maritieme arbeid. Dat zou moeten leiden tot een betere navolging door de lidstaten en de reders.
De Europese Commissie zal toezien op de uitvoering van deze richtlijn en de overeenkomst zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de overeenkomst in verband met de opvolging en de herziening door de sociale partners op EU-niveau.
De lidstaten kunnen de sociale partners, indien deze daarom gezamenlijk verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn, op voorwaarde dat de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de in het kader van deze richtlijn beoogde resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen.
De Commissie heeft het Europees Parlement overeenkomstig artikel 155, lid 2, VWEU in kennis gesteld van de tekst van haar voorstel voor een richtlijn met daarin de overeenkomst.
In deze richtlijn worden de fundamentele rechten en beginselen geëerbiedigd die worden erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het bijzonder in artikel 31.
Deze richtlijn heeft als doel de arbeidsvoorwaarden, de veiligheid en de gezondheid en de sociale bescherming te verbeteren voor de werknemers in de zeescheepvaartsector, een grensoverschrijdende sector die de vlaggen van verschillende lidstaten voert. Aangezien de doelstellingen van de richtlijn niet voldoende door de lidstaten, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Europese Unie, overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Deze richtlijn voert de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) van 5 december 2016 uit door Richtlijn 2009/13/EG van de Raad te wijzigen overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006.
Artikel 2
Volgens de overeenkomst tussen de ECSA en de ETF van 5 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2009/13/EG van de Raad overeenkomstig de wijzigingen uit 2014 van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006, die door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar
103e zitting van 11 juni 2014 in Genève zijn goedgekeurd, wordt de bijlage bij Richtlijn 2009/13/EG van de Raad als volgt gewijzigd:
1) in de titel "Norm A2.5 – Repatriëring" wordt "A2.5" vervangen door "A2.5.1".
2) de volgende norm A2.5.2 wordt ingevoegd:
"Norm A2.5.2 – Financiële zekerheid
1. Ter uitvoering van het tweede lid van voorschrift 2.5 worden bij deze norm voorschriften vastgesteld om te voorzien in een snel en doeltreffend systeem van financiële zekerheid om zeevarenden bij te staan in het geval zij worden achtergelaten.
2. Voor de toepassing van deze norm wordt een zeevarende geacht te zijn achtergelaten wanneer de reder in strijd met de bepalingen van dit Verdrag of de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden:
a) de kosten van de repatriëring van de zeevarende niet dekt; of
b) de zeevarende zonder het noodzakelijke onderhoud en de noodzakelijke ondersteuning heeft achtergelaten; of
c) op een andere wijze eenzijdig de banden met de zeevarende heeft verbroken, onder meer door niet-betaling van loon gedurende een periode van ten minste twee maanden.
3. Alle lidstaten zien erop toe dat voor schepen die hun vlag voeren een stelsel van financiële zekerheid bestaat dat aan de vereisten van deze norm voldoet. Het stelsel van financiële zekerheid kan een socialezekerheidsstelsel, een verzekering, een nationaal fonds of een soortgelijke regeling zijn. De lidstaten bepalen de vorm ervan na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden.
4. Het stelsel van financiële zekerheid biedt voor achtergelaten zeevarenden op een schip dat de vlag van een lidstaat voert, rechtstreekse toegang, voldoende dekking en onverwijlde financiële bijstand overeenkomstig deze norm.
5. Voor de toepassing van lid 2, onder b), van deze norm wordt onder het noodzakelijke onderhoud en de noodzakelijke ondersteuning verstaan: adequate voeding, huisvesting, drinkwatervoorraad, de nodige brandstof om op het schip te kunnen overleven en de nodige gezondheidszorg.
6. Alle lidstaten eisen dat schepen die hun vlag voeren en volgens nationaal recht een maritieme-arbeidscertificaat aan boord moeten hebben of op verzoek van de reder een dergelijk certificaat aan boord hebben, een certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord hebben dat is afgegeven door de aanbieder van de financiële zekerheid. Een kopie van dit document wordt op een opvallende, voor de zeevarenden toegankelijke plaats aan boord opgehangen. Wanneer er meer dan één aanbieder van financiële zekerheid is, wordt het document van elke aanbieder meegenomen aan boord.
7. Het certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid is in het Engels opgesteld of gaat vergezeld van een vertaling in het Engels en bevat de volgende informatie:
a) naam van het schip;
b) haven van registratie van het schip;
c) roepnaam van het schip;
d) IMO-nummer van het schip;
e) naam en adres van de aanbieder of aanbieders van de financiële zekerheid;
f) contactgegevens van de persoon of entiteit die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om steun van zeevarenden;
g) naam van de reder;
h) geldigheidsduur van de financiële zekerheid; en
i) een verklaring van de aanbieder van de financiële zekerheid dat de financiële zekerheid voldoet aan de voorschriften van norm A2.5.2.
8. De bijstand van het stelsel van financiële zekerheid wordt op verzoek van de zeevarende of de door hem aangewezen vertegenwoordiger die zijn verzoek met de nodige motivering overeenkomstig lid 2 van deze norm ondersteunt, onmiddellijk verleend.
9. Rekening houdend met voorschrift 2.5, is de bijstand van het stelsel van financiële zekerheid toereikend om het volgende te dekken:
a) achterstallig loon en andere bedragen die de reder aan de zeevarende verschuldigd is uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het nationale recht van de vlaggenstaat (beperkt tot vier maanden achterstallig loon en vier maanden uitstaande bedragen);
b) alle redelijke kosten van de zeevarende, met inbegrip van de in lid 10 van deze norm bedoelde repatriëringskosten; en
c) de essentiële behoeften van de zeevarende zoals: adequate voeding, kleding indien nodig, huisvesting, drinkwatervoorraden, essentiële brandstof om op het schip te kunnen overleven, noodzakelijke gezondheidszorg en alle redelijke kosten of lasten vanaf het tijdstip van de handeling of nalatigheid die de achterlating vormde, tot de aankomst thuis van de zeevarende.
10. De kosten van repatriëring omvatten het vervoer met passende en snelle vervoersmiddelen, doorgaans per vliegtuig, maaltijden en onderdak van de zeevarende vanaf het tijdstip van verlating van het schip tot de aankomst thuis van de zeevarende, de noodzakelijke gezondheidszorg, het vervoer van persoonlijke bezittingen en enige andere redelijke kosten of lasten die voortvloeien uit de achterlating.
11. De financiële zekerheid blijft in stand tot aan het eind van de geldigheidsduur, tenzij de aanbieder van de financiële zekerheid de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat ten minste 30 dagen voor de annulering ervan in kennis stelt.
12. Indien de aanbieder van de verzekering of van een andere vorm van financiële zekerheid in overeenstemming met deze norm een betaling aan een zeevarende doet, verkrijgt hij, tot de hoogte van het betaalde bedrag en overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, door subrogatie, overdracht of anderszins de rechten die de zeevarende zou hebben genoten.
13. Niets in deze norm doet afbreuk aan enig verhaalsrecht van de verzekeraar of de aanbieder van financiële zekerheid tegenover derden.
14. De bepalingen van deze norm zijn niet bedoeld als exclusieve bepalingen; andere rechtsmiddelen, vorderingen of rechtsmiddelen die de achtergelaten zeevarenden ter beschikking staan, blijven onverlet. De nationale wet- en regelgeving kan bepalen dat met de in het kader van deze norm te betalen bedragen, bedragen kunnen worden verrekend die uit andere bronnen worden ontvangen op grond van rechten, vorderingen of rechtsmiddelen die aanleiding kunnen geven tot compensatie in het kader van deze norm.".
3) in de titel "Norm A4.2 "Aansprakelijkheid van de reder" wordt "A4.2" vervangen door "A4.2.1" en worden de volgende leden toegevoegd:
"8. De nationale wet- en regelgeving waarborgt dat het in lid 1, onder b), van deze norm bedoelde stelsel van financiële zekerheid ten behoeve van compensatie voor in Norm A4.2.2 gedefinieerde contractuele vorderingen, aan de volgende eisen voldoet:
a) de contractuele vordering wordt — voor zover omschreven in de arbeidsovereenkomst van de zeevarende en onverminderd het bepaalde onder c) — volledig en onverwijld betaald;
b) er wordt geen druk uitgeoefend om een betaling onder het contractuele bedrag te aanvaarden;
c) indien de aard van de langdurige arbeidsongeschiktheid van een zeevarende het moeilijk maakt de hoogte van de volledige vergoeding waarop de zeevarende recht heeft te bepalen, worden een of meer tussentijdse betalingen aan de zeevarende gedaan om onbillijke gevolgen te voorkomen;
d) overeenkomstig lid 2 van Voorschrift 4.2 ontvangt de zeevarende betaling onverminderd andere wettelijke rechten, maar deze betaling kan door de reder worden verrekend met schadevergoedingen uit andere vorderingen van de zeevarende tegen de reder op basis van hetzelfde incident; en
e) de vordering voor contractuele compensatie kan worden ingediend door de betrokken zeevarende zelf, zijn naaste familie, een vertegenwoordiger van de zeevarende of een aangewezen begunstigde.
9. De nationale wet- en regelgeving waarborgt dat zeevarenden vooraf worden geïnformeerd indien de financiële zekerheid van een reder wordt geannuleerd of beëindigd.
10. De nationale wet- en regelgeving waarborgt dat de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat vooraf door de aanbieder van de financiële zekerheid wordt geïnformeerd indien de financiële zekerheid van een reder wordt geannuleerd of beëindigd.
11. Alle lidstaten eisen dat schepen die hun vlag voeren een certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord hebben dat is afgegeven door de aanbieder van de financiële zekerheid. Een kopie van dit document wordt op een opvallende, voor de zeevarenden toegankelijke plaats aan boord opgehangen. Wanneer er meer dan één aanbieder van financiële zekerheid is, wordt het document van elke aanbieder meegenomen aan boord.
12. De financiële zekerheid blijft in stand tot aan het eind van de geldigheidsduur, tenzij de aanbieder van de financiële zekerheid de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat ten minste 30 dagen voor de annulering ervan in kennis stelt.
13. De financiële zekerheid voorziet in de betaling van alle contractuele vorderingen die ontstaan tijdens de periode waarvoor het document geldig is.
14. Het certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid is in het Engels opgesteld of gaat vergezeld van een vertaling in het Engels en bevat de volgende informatie:
a) naam van het schip;
b) haven van registratie van het schip;
c) roepnaam van het schip;
d) IMO-nummer van het schip;
e) naam en adres van de aanbieder of aanbieders van de financiële zekerheid;
f) contactgegevens van de persoon of entiteit die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om steun van zeevarenden;
g) naam van de reder;
h) geldigheidsduur van de financiële zekerheid; en
i) een verklaring van de aanbieder van de financiële zekerheid dat de financiële zekerheid voldoet aan de vereisten van norm A4.2.1.".
4) de volgende norm A4.2.2 wordt ingevoegd:
"Norm A4.2.2 — Behandeling van contractuele vorderingen
1. Voor de toepassing van lid 8 van norm A4.2.1, en de onderhavige norm wordt onder de term "contractuele vordering" verstaan: alle schadevorderingen in verband met het overlijden of een langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico, als vervat in de nationale wetgeving, de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden of de collectieve arbeidsovereenkomst.
2. Het in lid 1, onder b), van norm A4.2.1 bedoelde stelsel van financiële zekerheid kan een socialezekerheidsstelsel, een verzekering, een fonds of een soortgelijke regeling zijn. De lidstaten bepalen de vorm ervan na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden.
3. De nationale wet- en regelgeving voorziet in doeltreffende regelingen voor snelle en eerlijke procedures, die onpartijdigheid garanderen bij het ontvangen, behandelen en afwikkelen van de in lid 8 van norm A4.2.1 bedoelde contractuele vorderingen met betrekking tot compensatie.".
Artikel 3
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,