Home

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Brussel, 24.4.2018

COM(2018) 229 final

2018/0109(COD)

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107

TOELICHTING

2018/0109 (COD)

Verordening (EU) 2018/120 van de Raad 15 regelt de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2018 voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en wijzigt Verordening (EU) 2017/127. Als gevolg van punt 4 van ICCAT-aanbeveling 16-05 werd de TAC verlaagd met 3 % in vergelijking met de in 2017 vastgestelde TAC.

c) Gedelegeerde bevoegdheden

In artikel 34 van deze verordening is een exhaustieve lijst opgesteld met gevallen waarvoor om gedelegeerde bevoegdheden wordt verzocht teneinde te reageren op veelvuldige wijzigingen van de door de ICCAT aangenomen aanbevelingen. De belangrijkste factoren die ten grondslag liggen aan de lijst met situaties waarvoor gedelegeerde bevoegdheden worden gevraagd, kunnen als volgt worden samengevat:

a) Dat een plan wordt opgesteld voor een periode van 15 jaar betekent niet dat de verdragsluitende partijen niet trachten de biomassa te herstellen en het bestand zo snel mogelijk terug te brengen binnen de biologisch veilige grenzen, met als doel zo snel mogelijk de biologische doelstellingen van het plan te bereiken. In dit verband leert de ervaring dat de vastgestelde maatregelen, en in het bijzonder de technische en controlemaatregelen, na een aantal jaren moeten worden versterkt, met name wanneer de trends erop wijzen dat de doelstellingen van herstel niet dichterbij komen en dat het bestand zich niet in het verwachte tempo herstelt. Derhalve moeten op korte termijn eventueel specifieke en regelmatige wijzigingen worden uitgevoerd en moet om een versnelde goedkeuringsprocedure worden verzocht;

b) De ervaring die is opgedaan met herstelplannen in de ICCAT en elders, leert dat de tekst behoorlijk vaak wordt gewijzigd en dat de noodzaak voor de volledige inwerkingtreding van de regels behoorlijk urgent is. De tekst van het herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee bijvoorbeeld werd na de aanbeveling door de ICCAT in 2006 zes keer gewijzigd (in 2006, 2008, 2010, 2012, 2014 en 2017).

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107

voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 16 is een exploitatie van de mariene levende biologische rijkdommen te garanderen die voor economische, ecologische en sociale duurzaamheid op lange termijn zorgt.

  2. De Unie is partij bij de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen ("de ICCAT").

  3. Tijdens de jaarvergadering 2016 van de ICCAT in Vilamoura (Portugal) hebben de verdragsluitende partijen bij het ICCAT-verdrag, alsmede samenwerkende niet-verdragsluitende partijen, entiteiten en visserij-entiteiten ("de CPC's") de noodzaak erkend om de alarmerende toestand van mediterrane zwaardvis (Xiphias gladius) aan te pakken. Daartoe heeft de ICCAT een 15-jarig herstelplan goedgekeurd dat loopt van 2017 tot en met 2031, aangezien de huidige biologie, structuur en dynamiek van het zwaardvisbestand in de Middellandse Zee het niet mogelijk maken een biomassaniveau te bereiken dat op korte termijn de maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield – MSY) kan opleveren, zelfs indien drastische en dringende beheersmaatregelen (de volledige sluiting van de visserij) zouden worden goedgekeurd. De ICCAT-aanbeveling voor het herstelplan is goedgekeurd tijdens de twintigste bijzondere bijeenkomst van de ICCAT, na analyse van het wetenschappelijk advies van het Permanent Comité inzake onderzoek en statistiek (SCRS). Die aanbeveling 16-05 17 is op 12 juni 2017 in werking getreden en is bindend voor de Unie.

  4. De Unie heeft het ICCAT-secretariaat bij brief in december 2016 ervan in kennis gesteld dat bepaalde maatregelen in aanbeveling 16-05 in januari 2017 in werking zouden treden, met name betreffende de sluitingsperiode van 1 januari tot en met 31 maart en de quotatoewijzing voor mediterrane zwaardvis. Alle andere maatregelen uit aanbeveling 16-05 moeten in het herstelplan van de Unie worden opgenomen.

  5. Overeenkomstig artikel 29, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, baseert de Unie de standpunten die zij inneemt in regionale organisaties voor visserijbeheer op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, teneinde ervoor te zorgen dat de visbestanden overeenkomstig de doelstellingen van het GVB worden beheerd, met name met het doel van een geleidelijk herstel en behoud van populaties van visbestanden boven een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, te bereiken, ook al loopt de vastgestelde termijn tot 2031, en met het doel de voorwaarden te creëren om de visserijsector en de verwerkende industrie, alsmede visserijgerelateerde activiteiten aan land economisch levensvatbaar en concurrerend te maken in overeenstemming met artikel 28, leden 1 en 2, en de artikelen 29 en 33 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, ter bevordering van gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers uit de Unie.

  6. Het herstelplan houdt rekening met de specifieke kenmerken van de verschillende soorten vistuig en de visserijtechnieken. Bij de uitvoering van het herstelplan dienen de Unie en de lidstaten ernaar te streven de kustvisserij te stimuleren, alsmede het gebruik van vistuigen en visserijtechnieken die selectief en minder milieubelastend zijn, met inbegrip van tuigen en technieken die in de traditionele en de ambachtelijke visserij worden gebruikt, om zo bij te dragen tot een redelijke levensstandaard voor de lokale economie.

  7. In Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het begrip minimuminstandhoudingsreferentiegrootte gedefinieerd. Omwille van de consistentie moet het ICCAT-begrip "minimummaten" in Unierecht worden omgezet als "minimuminstandhoudingsreferentiegrootten".

  8. Mediterrane zwaardvissen die onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte worden gevangen, moeten overeenkomstig punt 17 van ICCAT-aanbeveling 16-05 worden teruggegooid tenzij daarvoor bijvangstbeperkingen gelden die de lidstaten in hun jaarlijkse visserijplannen hebben vastgesteld. Met het oog op de naleving door de Unie van haar internationale verplichtingen uit hoofde van de ICCAT, voorziet Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/191 in afwijkingen van de in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting voor mediterrane zwaardvis. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/191 worden enkele bepalingen omgezet van ICCAT-aanbeveling 16-05, die vaartuigen die hun toegewezen quotum en/of het toegestane maximum aan bijvangsten hebben overschreden, ertoe verplicht om hun zwaardvisvangsten terug te gooien. Onder het toepassingsgebied van die verordening vallen ook vaartuigen die aan recreatievisserij doen.

  9. Omdat met het herstelplan ICCAT-aanbeveling 16-05 ten uitvoer wordt gelegd, moeten de bepalingen betreffende mediterrane zwaardvis in Verordening (EU) 2017/2107 worden geschrapt.

  10. De visserij-inspanning en de ontoereikende selectiviteit van visserijactiviteiten met drijfnetten namen in het verleden snel toe. De ongecontroleerde toename van die activiteiten vormde een ernstig gevaar voor de doelsoort en het gebruik van drijfnetten werd verboden in de visserij op over grote afstanden trekkende vissoorten, waaronder de zwaardvisvisserij, bij Verordening (EG) nr. 1239/98 van de Raad 18 .

  1. Ter waarborging van de naleving van het GVB is Uniewetgeving vastgesteld om een systeem voor controle, inspectie en handhaving op te zetten dat onder meer is gericht tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij. In het bijzonder is bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad 19 een Unieregeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld die een brede, geïntegreerde aanpak biedt en aldus naleving van alle regels van het GVB waarborgt. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie 20 zijn uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad 21 is een communautair systeem opgezet om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. In die verordeningen zijn reeds enkele van de in ICCAT-aanbeveling 16-05 vastgestelde maatregelen opgenomen. Die bepalingen hoeven daarom niet in deze verordening te worden opgenomen.

  2. Bij charterregelingen zijn de verhoudingen tussen de eigenaar, de charteraar en de vlaggenlidstaat vaak onduidelijk en sommige IOO-vissers ontwijken controles door misbruik te maken van de regelingen voor het charteren van vissersvaartuigen. Charteren is verboden uit hoofde van Verordening (EU) 2016/1627 22 tot vaststelling van een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. Daarom is het passend om als een preventieve maatregel ter bescherming van een herstellend bestand en omwille van de consistentie met het Unierecht een soortgelijk verbod in te voeren in het meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis.

  3. De Uniewetgeving dient uitvoering te geven aan de ICCAT-aanbevelingen teneinde gelijke voorwaarden voor vissers uit de Unie en vissers uit derde landen te waarborgen, en ervoor te zorgen dat de regels door iedereen kunnen worden geaccepteerd.

  4. Teneinde de toekomstige wijzigingen van de ICCAT-aanbevelingen snel in Unierecht om te zetten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening, evenals de bepalingen van artikel 34, lid 1, van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden geschikte raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 23 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

  5. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de bepalingen van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het door de lidstaten ingediende jaarverslag over de uitvoering van deze verordening. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 24 .

  6. De gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen waarin deze verordening voorziet, laten de omzetting van toekomstige ICCAT-aanbevelingen in het Unierecht volgens de gewone wetgevingsprocedure onverlet.

  7. Op grond van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad 25 mogen vaartuigen die op zwaardvis vissen een maximaal aantal van 3 500 vishaken aanbrengen of aan boord nemen, terwijl ICCAT-aanbeveling 16-05 voorziet in een maximumaantal van 2 500 vishaken. Om die aanbeveling naar behoren om te zetten in Unierecht moet Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  8. In hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad 26 zijn enkele technische en controlemaatregelen voor mediterrane zwaardvis vastgesteld. De in ICCAT-aanbeveling 16-05 vastgestelde maatregelen, die bij deze verordening worden omgezet, zijn restrictiever of nauwkeuriger om het herstel van het bestand mogelijk te maken. Hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening (EU) 2017/2107 moet bijgevolg worden geschrapt en vervangen door de in deze verordening vastgestelde maatregelen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Onderwerp

Deze verordening stelt de algemene regels vast voor de uitvoering door de Unie van het meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis (Xiphias gladius), dat door de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) is aanbevolen, en dat loopt van 2017 tot en met 2031 (hierna "het herstelplan" genoemd).

Artikel 2
Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

a)    vissersvaartuigen van de Unie en recreatievisserijvaartuigen van de Unie die:

  1. actief zijn in het ICCAT-verdragsgebied en in de Middellandse Zee vissen op zwaardvis;
    of

  2. zwaardvis overladen, ook buiten het ICCAT-verdragsgebied, die in de Middellandse Zee is gevangen; 

b)    vissersvaartuigen van derde landen en recreatievisserijvaartuigen van derde landen die actief zijn in wateren van de Unie en op zwaardvis vissen in de Middellandse Zee;

c)    vaartuigen van derde landen die in havens van lidstaten worden geïnspecteerd en die in de Middellandse Zee gevangen zwaardvis of visserijproducten van in de Middellandse Zee gevangen zwaardvis aan boord hebben die niet eerder in havens zijn aangeland of overgeladen.

Artikel 3
Doel

In afwijking van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het doel van deze verordening om een biomassa van zwaardvis in de Middellandse Zee te bereiken die in 2031 een maximale duurzame opbrengst kan opleveren met een waarschijnlijkheid van ten minste 60 %.

Artikel 4
Verband met andere wetgeving van de Unie

De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing bovenop de bepalingen van de volgende verordeningen, of, in voorkomend geval, in afwijking van die verordeningen:

  1. Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad 27 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen;

  2. Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad 28 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten;

  3. Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad 29 tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen.

Artikel 5
Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. "vissersvaartuig": elk vaartuig dat is uitgerust voor de commerciële exploitatie van mariene levende biologische rijkdommen;

  2. "vissersvaartuig van de Unie": een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

  3. "ICCAT-verdragsgebied": alle wateren van de Atlantische Oceaan en aangrenzende zeeën;

  4. "Middellandse Zee": de maritieme wateren van de Middellandse Zee ten oosten van 5°36′ WL;

  5. "CPC's": verdragsluitende partijen bij het ICCAT-verdrag, alsmede samenwerkende niet-verdragsluitende partijen, entiteiten en visserij-entiteiten;

  6. "vismachtiging": een machtiging die wordt afgegeven voor een vissersvaartuig van de Unie en die dit vaartuig het recht geeft om onder specifieke voorwaarden specifieke visserijactiviteiten te verrichten tijdens een bepaalde periode in een bepaald gebied of voor een bepaalde visserij;

  7. "speciale vismachtiging": een machtiging die wordt afgegeven voor een vissersvaartuig van de Unie en die dit vaartuig het recht geeft om onder specifieke voorwaarden met specifiek vistuig specifieke visserijactiviteiten te verrichten tijdens een bepaalde periode in een bepaald gebied en voor een bepaalde visserij;

  8. "vangstmogelijkheid": een gekwantificeerd legaal recht om te vissen, in termen van vangsten en/of visserijinspanning;

  9. "bestand": in een bepaald beheersgebied voorkomende biologische rijkdom van de zee;

  10. "visserijproducten": aquatische organismen die in het kader van een visserijactiviteit worden verkregen of daarvan afgeleide producten;

  11. "teruggooi": vangsten die terug in de zee worden gezet;

  12. "recreatievisserij": niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de mariene levende biologische rijkdommen worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden;

  1. "gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen": gegevens betreffende identificatie, geografische positie, datum, tijdstip, koers en snelheid van de vissersvaartuigen die met aan boord van de vissersvaartuigen geïnstalleerde satellietvolgapparatuur worden doorgestuurd naar het visserijcontrolecentrum van de vlaggenlidstaat;

  2. "aanlanden": het voor de eerste keer lossen van een hoeveelheid visserijproducten, van een vissersvaartuig naar de wal;

  3. "overlading": het overbrengen van alle aan boord van een vaartuig aanwezige visserijproducten of van een deel daarvan naar een ander vaartuig;

  4. "charteren": een regeling waarbij een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert voor een bepaalde periode een verbintenis met een exploitant in hetzij een andere lidstaat, hetzij een derde land aangaat zonder van vlag te veranderen;

  5. "groot pelagisch beugvisserijvaartuig": een pelagisch beugvisserijvaartuig met een lengte over alles van meer dan 24 meter;

  6. "beuglijn": vistuig bestaande uit een hoofdlijn met van talrijke haken voorziene bijlijnen (sneuen) van variabele lengte die op variabele afstand zijn vastgemaakt, afhankelijk van de doelsoort;

  7. "haak": een gebogen, scherp stuk staaldraad;

  8. "hengel met molen": een door hengelaars gebruikte vislijn die aan een hengel wordt bevestigd en op een draaimechanisme (molen) wordt gespoeld.

TITEL II
BEHEERS-, TECHNISCHE INSTANDHOUDINGS- EN CONTROLEMAATREGELEN

HOOFDSTUK 1
Beheersmaatregelen

Artikel 6
Visserijinspanning

  1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de visserijinspanning van onder zijn vlag varende vissersvaartuigen in verhouding staat tot de vangstmogelijkheden voor mediterrane zwaardvis waarover die lidstaat beschikt.

  2. De overdracht van ongebruikte quota is verboden.

Artikel 7
Toewijzing van de vangstmogelijkheden

  1. Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 maken de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden gebruik van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard, streven zij naar een eerlijke verdeling van de nationale quota over de diverse vlootsegmenten, met aandacht voor de traditionele en de ambachtelijke visserij, en zorgen zij voor stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruikmaken van minder milieubelastende visserijtechnieken.

  2. Elke lidstaat voorziet in de mogelijkheid van bijvangst van zwaardvis binnen zijn zwaardvisquotum en stelt de Commissie hiervan in kennis bij toezending van zijn visserijplan overeenkomstig artikel 9. Deze bepaling waarborgt dat alle dode vis in mindering wordt gebracht op het quotum.

Artikel 8
Capaciteitsbeperkingen

  1. Voor de gehele looptijd van het herstelplan geldt voor vissersvaartuigen een capaciteitsbeperking per vistuigtype. De lidstaten beperken per vistuigtype het aantal vissersvaartuigen die hun vlag voeren en gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen door middel van één van de volgende maatregelen, naargelang van wat het kleinste aantal oplevert:

    1. hun gemiddelde jaarlijkse aantal vaartuigen die in de periode 2013-2016 mediterrane zwaardvis hebben bevist, aan boord gehouden, overgeladen, vervoerd of aangeland;
      of

    2. hun aantal vissersvaartuigen die in 2016 mediterrane zwaardvis hebben bevist, aan boord gehouden, overgeladen, vervoerd of aangeland.

  1. De lidstaten mogen voor de jaren 2018 en 2019 een tolerantie van 5 % toepassen op de in lid 1 bedoelde capaciteitsbeperking.

  2. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 15 februari van elk jaar in kennis van de maatregelen die zijn genomen ter beperking van het aantal vissersvaartuigen die hun vlag voeren en gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen.

Artikel 9
Jaarlijkse visserijplannen

  1. De lidstaten dienen hun visserijplannen elk jaar uiterlijk op 1 maart in bij de Commissie. Dergelijke plannen moeten in overeenstemming zijn met de ICCAT-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie en moeten gedetailleerde informatie bevatten over het per vistuigtype toegewezen quotum voor mediterrane zwaardvis, inclusief in de recreatievisserij en als bijvangst.

  2. De Commissie bundelt de in lid 1 bedoelde plannen en neemt ze op in het visserijplan van de Unie. De Commissie zendt het visserijplan van de Unie uiterlijk op 15 maart van elk jaar door naar het ICCAT-secretariaat.

HOOFDSTUK 2
Technische instandhoudingsmaatregelen

Afdeling 1
Visseizoenen

Artikel 10
Gesloten visseizoenen

1.    Mediterrane zwaardvis wordt niet gevangen (als doelsoort noch als bijvangst), aan boord gehouden, overgeladen of aangeland in de periode van 1 januari tot en met 31 maart van elk jaar.

  1. Om mediterrane zwaardvis te beschermen, is voor beugvisserijvaartuigen die vissen op mediterrane witte tonijn (Thunnus alalunga) een sluitingsperiode van toepassing van 1 oktober tot en met 30 november van elk jaar.

  2. De lidstaten monitoren de doeltreffendheid van de in de leden 1 en 2 bedoelde sluitingen en dienen elk jaar uiterlijk twee maanden en 15 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering bij de Commissie alle relevante informatie in inzake de passende controles en inspecties die in het voorgaande jaar zijn verricht om de naleving van die leden te waarborgen. De Commissie zendt deze informatie elk jaar uiterlijk twee maanden vóór de ICCAT-jaarvergadering door aan het ICCAT-secretariaat.

Afdeling 2
Minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, incidentele vangsten en bijvangsten

Artikel 11
Minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor mediterrane zwaardvis

  1. In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het verboden om zwaardvis te bevissen en vangsten en bijvangsten daarvan aan boord te houden, over te laden, aan te landen, te vervoeren, op te slaan, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden, ook in het kader van de recreatievisserij indien: 

    1. de lengte onderkaak-vork minder dan 100 cm bedraagt,
      of

    2. het levend gewicht minder dan 11,4 kg of het ontkieuwd en ontweid gewicht minder dan 10,2 kg bedraagt.

  2. Enkel volledige exemplaren zwaardvis, zonder verwijdering van enig extern deel, of ontkieuwde en ontweide exemplaren mogen aan boord gehouden, aangeland, overgeladen of vervoerd worden in het eerste vervoer na aanlanding.

Artikel 12
Incidentele bijvangsten van zwaardvis onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte

Onverminderd artikel 11, lid 1, mogen vangstvaartuigen die actief op zwaardvis vissen, incidentele vangsten van zwaardvis onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte aan boord houden, overladen, overbrengen, aanlanden, vervoeren, opslaan, verkopen, uitstallen of te koop aanbieden zolang die vangsten niet meer dan 5 % van de zwaardvisvangst van die vaartuigen uitmaken, uitgedrukt in gewicht of in aantal exemplaren.

Artikel 13
Bijvangsten

  1. Na een visserijactiviteit mogen de bijvangsten van zwaardvis op geen enkel moment meer bedragen dan de totale aan boord gehouden vangsten in het kader van de beugvisserij in gewicht of aantal exemplaren.

  2. In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen vangstvaartuigen die niet actief op zwaardvis vissen, geen hoeveelheid zwaardvis aan boord houden die, in gewicht of aantal exemplaren, groter is dan de bijvangstbeperking die de lidstaten in hun nationale jaarlijkse visserijplannen voor de totale vangst aan boord hebben vastgesteld.

  3. In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het in de recreatievisserij verboden om meer dan één zwaardvis per vaartuig per dag te vangen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de vrijlating van zwaardvis die levend is gevangen in het kader van de recreatievisserij, te waarborgen en te vergemakkelijken. 

  4. In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt levend gevangen zwaardvis teruggezet indien het aan de vlaggenlidstaat toegewezen quotum is opgebruikt. 

  5. Wanneer het aan de vlaggenlidstaat toegewezen quotum is opgebruikt, wordt dode zwaardvis in gehele staat en onverwerkt aangeland, in beslag genomen en aan passende follow-upmaatregelen onderworpen. Elke lidstaat verstrekt jaarlijks informatie over die hoeveelheden dode zwaardvis aan de Commissie, die deze informatie overeenkomstig artikel 21 doorzendt aan het ICCAT-secretariaat.

Afdeling 3
Technische kenmerken van het vistuig

Artikel 14
Technische kenmerken van het vistuig

  1. Het maximale aantal haken dat mag worden aangebracht door of aan boord mag worden genomen van vaartuigen die op mediterrane zwaardvis vissen, wordt vastgesteld op 2 500 haken.

  2. In afwijking van lid 1 worden aanvullend 2 500 niet-gebruiksklare reservehaken toegestaan voor reizen van meer dan twee dagen.

  3. De haakgrootte bedraagt minimaal 7 cm.

  4. De lengte van de pelagische beuglijnen bedraagt niet meer dan 30 zeemijl (55,56 km).

HOOFDSTUK 3
Controlemaatregelen

Afdeling 1
Register van vaartuigen

Artikel 15
Vismachtigingen

  1. De lidstaten geven vismachtigingen om op mediterrane zwaardvis te vissen af aan vaartuigen die hun vlag voeren, overeenkomstig de in Verordening (EU) 2017/2403 vastgestelde bepalingen voor:

    1. vissersvaartuigen die vissen op mediterrane zwaardvis;

    2. vissersvaartuigen die mediterrane zwaardvis vangen als bijvangst; en

    3. vaartuigen die recreatievisserij bedrijven.

  2. De lidstaten geven een speciale vismachtiging af aan vissersvaartuigen van de Unie die vissen op mediterrane zwaardvis met harpoenen of pelagische beuglijnen.

  3. Alleen vaartuigen van de Unie die in het ICCAT-register van vaartuigen zijn opgenomen in overeenstemming met de in de artikelen 16 en 17 vastgestelde procedure wordt toegestaan mediterrane zwaardvis te bevissen, aan boord te houden, over te laden, te vervoeren, te verwerken of aan te landen.

  1. Door de lidstaten gemachtigde grote vissersvaartuigen worden opgenomen in het ICCAT-register van vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 20 meter, om door de ICCAT te worden gemachtigd om tonijn en tonijnachtigen te bevissen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

Artikel 16
Informatie over vaartuigen die gemachtigd zijn om zwaardvis en witte tonijn te vangen in het lopende jaar

  1. De lidstaten dienen elk jaar elektronisch en volgens het model in de ICCAT-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie het volgende in bij de Commissie:

    1. uiterlijk op 1 januari de informatie over vangstvaartuigen die hun vlag voeren en gemachtigd zijn om mediterrane zwaardvis te vangen, inclusief als bijvangst en in het kader van de recreatievisserij. De Commissie bezorgt die informatie elk jaar uiterlijk op 15 januari aan het ICCAT-secretariaat;

    2. uiterlijk op 1 maart de informatie over vangstvaartuigen die hun vlag voeren en gemachtigd zijn om op mediterrane witte tonijn te vissen. De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 15 maart door aan het ICCAT-secretariaat.

  2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde informatie bevat de naam van het vaartuig en het nummer in het vlootregister van de Unie (CFR) zoals vastgesteld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie 30 inzake het vissersvlootregister van de Unie.

  3. Naast de in lid 2 bedoelde informatie stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk binnen 30 dagen in kennis van elke toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van de in lid 1 bedoelde informatie over vangstvaartuigen. De Commissie zendt de informatie over die vangstvaartuigen uiterlijk binnen 45 dagen vanaf de datum van de toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van de informatie toe aan het ICCAT-secretariaat.

  4. Overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2017/2403 wijzigt de Commissie indien nodig de in lid 1 bedoelde informatie over vangstvaartuigen door geactualiseerde gegevens te verstrekken aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 17
Wetenschappelijke informatie over vaartuigen die in het voorgaande jaar gemachtigd waren om te vissen op mediterrane zwaardvis met harpoenen en pelagische beuglijnen

  1. De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni bij de Commissie de volgende informatie in over onder hun vlag varende vangstvaartuigen die gemachtigd waren om het voorgaande jaar pelagische beugvisserij of harpoenvisserij op mediterrane zwaardvis te verrichten:

    1. de naam van het vaartuig (indien het geen naam heeft, wordt het registratienummer zonder de landcode vermeld);

    2. het nummer in het vlootregister van de Unie overeenkomstig bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie;

    3. het nummer in het ICCAT-register.

  2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt ingediend volgens het model in de meest recente versie van de ICCAT-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie.

  3. De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 15 juli door aan het ICCAT-secretariaat.

Afdeling 2
Monitoring en bewaking

Artikel 18
Satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen

  1. Vaartuigen van de Unie die in het ICCAT-register van vaartuigen zijn opgenomen en gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen, en vaartuigen van derde landen met een lengte over alles van meer dan twaalf meter die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen in wateren van de Unie, hebben een volledig functionerend toestel aan boord waarmee het vaartuig automatisch door het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS) kan worden gelokaliseerd en geïdentificeerd aan de hand van periodiek doorgestuurde positiegegevens, in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

  2. Voor controledoeleinden wordt de doorgifte van VMS-gegevens van vangstvaartuigen die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen niet onderbroken wanneer de vaartuigen in de haven zijn.

  3. De lidstaten zien erop toe dat hun visserijcontrolecentra de VMS-boodschappen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen, in realtime en in "https data feed"-formaat doorzenden aan de Commissie en aan een door haar aangewezen instantie. De Commissie zendt die boodschappen elektronisch door aan het ICCAT-secretariaat.

  1. De lidstaten zorgen ervoor dat:

    1. de VMS-boodschappen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen ten minste om de twee uur aan de Commissie worden doorgezonden;

    2. bij een technisch mankement van het VMS, alternatieve boodschappen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen die werden ontvangen overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011, binnen 24 uur na ontvangst ervan door hun visserijcontrolecentra worden doorgezonden aan de Commissie;

    3. de aan de Commissie doorgezonden boodschappen een volgnummer (met een unieke identificatiecode) krijgen om overlappingen te voorkomen;

    4. de aan de Commissie doorgezonden boodschappen in overeenstemming zijn met artikel 24, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011.

  2. Elke lidstaat zorgt ervoor dat alle aan zijn inspectievaartuigen ter beschikking gestelde gegevens vertrouwelijk worden behandeld en enkel worden gebruikt voor inspectie op zee.

Artikel 19
Charteren van vissersvaartuigen van de Unie

Het charteren van vissersvaartuigen van de Unie voor de mediterrane zwaardvisvisserij is verboden.

Artikel 20
Nationale waarnemersprogramma's in pelagische beugvisserijvaartuigen

  1. Elke vlaggenlidstaat met een quotum voor mediterrane zwaardvis legt een nationaal waarnemersprogramma ten uitvoer voor pelagische beugvisserijvaartuigen die vissen op mediterrane zwaardvis, in overeenstemming met dit artikel. Het nationaal waarnemersprogramma voldoet aan de in bijlage I vastgestelde minimumnormen.

  2. Elke betrokken lidstaat zorgt ervoor dat nationale wetenschappelijke waarnemers ingezet worden op ten minste 20 % van de pelagische beugvisserijvaartuigen die vissen op mediterrane zwaardvis. Het dekkingspercentage wordt gemeten in visdagen, aantal trekken of reizen.

  3. In afwijking van lid 2 mag een lidstaat een alternatieve wetenschappelijke monitoringbenadering voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 meter volgen wanneer er mogelijk sprake is van een buitengewoon veiligheidsrisico op grond waarvan de inzet van waarnemers aan boord is uitgesloten. Die alternatieve benadering waarborgt een dekking die vergelijkbaar is met de in lid 2 gespecificeerde dekking, en een gelijkwaardige verzameling van gegevens. De betrokken lidstaat dient de bijzonderheden van de alternatieve benadering onverwijld in bij de Commissie.

  4. De Commissie dient de bijzonderheden van de in lid 3 bedoelde alternatieve benadering onmiddellijk ter evaluatie in bij het Permanent Comité voor onderzoek en statistiek van de ICCAT. Alternatieve benaderingen worden vóór de toepassing ervan goedgekeurd door de ICCAT-commissie op de ICCAT-jaarvergadering.

  5. De lidstaten verstrekken een officieel identificatiedocument aan de nationale waarnemers.

  6. In aanvulling op de in bijlage I vastgestelde taken van de wetenschappelijke waarnemers verplichten de lidstaten wetenschappelijke waarnemers de volgende gegevens over mediterrane zwaardvis te beoordelen en te rapporteren:

    1. de omvang van de teruggooi van ondermaatse exemplaren;

    2. de regiospecifieke grootte en leeftijd op het moment van de geslachtsrijpheid;

    3. het habitatgebruik, om de beschikbaarheid van zwaardvis te vergelijken met de verschillende visserijen, waaronder vergelijkingen tussen traditionele en mesopelagische beuglijnen;

    4. de impact van de mesopelagische beuglijnvisserij in termen van vangstsamenstelling, vangsten per eenheid van inspanning, groottesamenstelling van de vangsten; en

    5. de maandelijkse raming van het aandeel paaiers en rekruten in de vangsten.

  1. De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni de in het kader van hun nationale wetenschappelijke waarnemersprogramma verzamelde informatie over het voorgaande jaar bij de Commissie in. De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 31 juli door aan het ICCAT-secretariaat.

Afdeling 3
Controle van vangsten

Artikel 21
Vangstregistratie en -aangifte

  1. De kapitein van elk voor de mediterrane zwaardvisvangst gemachtigd vaartuig houdt een visserijlogboek bij overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde vereisten en dient de logboekinformatie in bij de vlaggenlidstaat.

  2. Onverminderd de voor de lidstaten in Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde rapportageverplichtingen zenden de lidstaten de Commissie kwartaalverslagen toe van alle vangsten van mediterrane zwaardvis door gemachtigde vaartuigen die hun vlag voeren. Die kwartaalverslagen worden uiterlijk 15 dagen na het einde van elk kwartaal (15 april, 15 juli en 15 oktober van elk jaar en 15 januari van het volgende jaar) verzonden. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 30 april, 30 juli en 30 oktober van elk jaar en 30 januari van het volgende jaar door aan het ICCAT-secretariaat.

  3. In aanvulling op de in lid 1 bedoelde informatie dienen de lidstaten elk jaar uiterlijk op 30 juni bij de Commissie de volgende informatie in over de vissersvaartuigen van de Unie die gemachtigd waren om het voorgaande jaar pelagische beugvisserij of harpoenvisserij op mediterrane zwaardvis te verrichten:

    1. informatie over visserijactiviteiten, op basis van steekproeftrekking of voor de gehele vloot, waaronder:

i)    visseizoen(en) en totaal aantal visdagen per jaar van het vaartuig, per doelsoort en gebied;

ii)    geografische gebieden, volgens statistische ICCAT-vakken, voor de door het vaartuig verrichte visserijactiviteiten, per doelsoort en gebied;

iii)    vaartuigtype, per doelsoort en gebied;

iv)    aantal door het vaartuig gebruikte haken, per doelsoort en gebied;

v)    aantal door het vaartuig gebruikte beuglijneenheden, per doelsoort en gebied;

vi)    lengte over alles van alle beuglijneneenheden van het vaartuig, per doelsoort en gebied.

  1. gegevens over de vangsten, in de kleinst mogelijke tijdruimtelijke schaal, waaronder:

i)    omvang en, indien mogelijk, leeftijdsverdeling van de vangsten;

ii)    vangsten en vangstsamenstelling per vaartuig;

iii)    visserijinspanning (gemiddelde aantal visdagen per vaartuig, gemiddeld aantal haken per vaartuig, gemiddeld aantal beuglijneenheden per vaartuig, gemiddelde lengte over alles van de beuglijnen per vaartuig).

  1. De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 31 juli door aan het ICCAT-secretariaat.

  2. De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie wordt ingediend volgens het model in de meest recente versie van de ICCAT-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie.

Artikel 22
Informatie over het opgebruiken van het quotum en sluiting van de visserij

  1. Onverminderd artikel 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 deelt elke lidstaat de Commissie onverwijld mee wanneer het quotum dat is toegewezen aan een vistuigtype wordt geacht voor 80 % te zijn opgebruikt.

  2. Wanneer de som van de vangsten van mediterrane zwaardvis de drempel van 80 % van het nationale quotum heeft bereikt, zenden de vlaggenlidstaten de Commissie vangstgegevens toe op weekbasis.

Afdeling 4
Aanlandingen en overladingen

Artikel 23
Aangewezen havens

  1. Vangsten van mediterrane zwaardvis, inclusief als bijvangst en in het kader van de recreatievisserij gevangen mediterrane zwaardvis, zonder aan elk exemplaar bevestigde merktekens zoals bedoeld in artikel 30 worden alleen aangeland in aangewezen havens.

  2. Elke lidstaat wijst havens aan waar de in lid 1 bedoelde aanlandingen zijn toegestaan en specificeert de toegestane tijden en plaatsen van aanlanding en overlading, en de aldaar geldende inspectie- en controleprocedures.

  3. De lidstaten zenden elk jaar uiterlijk op 15 februari een lijst met aangewezen havens toe aan de Commissie. Uiterlijk op 1 maart van elk jaar zendt de Commissie die informatie door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 24
Voorafgaande kennisgeving

  1. Artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt voor kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van minstens twaalf meter die voorkomen op de lijst van vaartuigen als bedoeld in artikel 16 van deze verordening. De kennisgeving vóór aankomst, als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, wordt toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat (en van de vlaggenlidstaat) of de CPC waarvan zij de havens of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken.

  2. De kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van minder dan twaalf meter die zijn opgenomen in de in artikel 16 bedoelde lijst van vaartuigen, stellen ten minste vier uur vóór de verwachte tijd van aankomst in de haven de bevoegde autoriteit van de lidstaat (en van de vlaggenlidstaat) of de CPC waarvan zij de havens of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken, in kennis van de volgende informatie:

    1. de verwachte aankomsttijd;

    2. de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden mediterrane zwaardvis; en

    3. de informatie inzake het geografische gebied waar de vangst is gedaan.

  3. De autoriteiten van de havenlidstaten houden een register bij van alle tijdens het lopende jaar gedane voorafgaande kennisgevingen.

Artikel 25
Overladingen

  1. Het is vissersvaartuigen van de Unie in alle omstandigheden verboden om mediterrane zwaardvis op zee over te laden.

  2. Onverminderd de artikelen 51, 52, 54 en 57 van Verordening (EU) 2017/2107 laden vissersvaartuigen mediterrane zwaardvis alleen over in aangewezen havens.

Afdeling 5
Inspecties

Artikel 26
Jaarlijkse inspectieplannen

  1. De lidstaten zenden uiterlijk op 31 januari van elk jaar hun jaarlijkse inspectieplannen toe aan de Commissie. De inspectieplannen worden opgesteld in overeenstemming met:

  1. de doelstellingen, prioriteiten en procedures alsmede de ijkpunten voor inspectieactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/17 van de Commissie 31 ; en

  2. het uit hoofde van artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde nationale controleactieprogramma voor mediterrane zwaardvis.

    1. De Commissie bundelt de nationale inspectieplannen en neemt ze op in het inspectieplan van de Unie. Het inspectieplan wordt door de Commissie doorgezonden aan het ICCAT-secretariaat ter goedkeuring door de ICCAT, samen met de in artikel 9 bedoelde jaarlijkse visserijplannen.

Artikel 27
ICCAT-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie

  1. Gezamenlijke internationale inspectiewerkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de in bijlage III bedoelde ICCAT-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie ("de ICCAT-regeling").

  2. De lidstaten waarvan de vissersvaartuigen gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen, wijzen inspecteurs aan en verrichten inspecties op zee in het kader van de ICCAT-regeling. De Commissie of een door haar aangewezen instantie kan inspecteurs van de Unie voor de ICCAT-regeling inzetten.

  3. Wanneer in een bepaalde periode meer dan vijftig onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen bij de zwaardvisvisserij in het verdragsgebied in de Middellandse Zee betrokken zijn, zet die lidstaat een inspectievaartuig in voor het verrichten van inspectie en controle op zee in de Middellandse Zee gedurende de gehele periode waarin die vaartuigen daar aanwezig zijn. Aan die verplichting wordt eveneens geacht te zijn voldaan indien de lidstaten meewerken aan het inzetten van een inspectievaartuig of indien een inspectievaartuig van de Unie wordt ingezet in de Middellandse Zee.

  4. De Commissie of een door haar aangewezen instantie zorgt voor de coördinatie van de bewakings- en inspectiewerkzaamheden voor de Unie. De Commissie kan, in overleg met de betrokken lidstaat, gezamenlijke inspectieprogramma's opstellen waarmee de Unie haar verplichtingen in het kader van de ICCAT-regeling kan nakomen. De lidstaten waarvan de vissersvaartuigen bij de mediterrane zwaardvisvisserij betrokken zijn, nemen de nodige maatregelen om de uitvoering van deze programma's te vergemakkelijken, met name met betrekking tot de vereiste personele en materiële middelen, alsmede de perioden en geografische gebieden waarin die moeten worden ingezet.

  5. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 december van elk jaar in kennis van de namen van de inspecteurs en de inspectievaartuigen die zij in de loop van het volgende jaar voor de ICCAT-regeling willen inzetten. Op basis van die gegevens stelt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een jaarlijkse planning op voor de deelname van de Unie aan de regeling, die zij uiterlijk op 1 januari van elk jaar aan het ICCAT-secretariaat toezendt.

Artikel 28
Inspecties in geval van inbreuken

  1. Elke vlaggenlidstaat neemt de in lid 2 van dit artikel bepaalde maatregelen wanneer een onder zijn vlag varend vaartuig een inbreuk heeft begaan op de bepalingen van deze verordening.

  2. Elke vlaggenlidstaat ziet erop toe dat onder zijn gezag een fysieke inspectie in zijn havens wordt verricht of, wanneer een onder zijn vlag varend vaartuig zich niet in een van zijn havens bevindt, door een door de vlaggenstaat aangewezen persoon wordt verricht.

HOOFDSTUK 4
Recreatievisserij

Artikel 29
Beheersmaatregelen

  1. Elke lidstaat voorziet in een quotum voor de recreatievisserij op zwaardvis binnen zijn nationale quotum en deelt dit aan de Commissie mee bij toezending van zijn visserijplan overeenkomstig artikel 9. Deze bepaling waarborgt dat alle dode vis in mindering wordt gebracht op het quotum.

  2. Het is in de recreatievisserij verboden om meer dan één zwaardvis per vaartuig per dag te vangen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

  3. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om zoveel mogelijk te waarborgen dat zwaardvis die levend is gevangen in het kader van de recreatievisserij, wordt vrijgelaten.

  4. De verkoop en elke andere wijze van in de handel brengen van mediterrane zwaardvis die is gevangen in het kader van de recreatievisserij, is verboden.

Artikel 30
Controlemaatregelen

  1. Alleen vaartuigen die met hengel met molen vissen zijn gemachtigd om mediterrane zwaardvis te vangen in het kader van de recreatievisserij.

  1. De informatie over gemachtigde recreatievaartuigen die aan het ICCAT-secretariaat wordt toegezonden overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder a), omvat het volgende:

    1. de naam van het vaartuig (indien het geen naam heeft, wordt het registratienummer zonder de landcode vermeld);

    2. het nummer in het vlootregister van de Unie overeenkomstig bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie;

    3. de vorige naam van het vaartuig, in voorkomend geval;

    4. de lengte over alles van het vaartuig;

    5. naam en adres van de eigenaar(s) en de exploitant(en) van het vissersvaartuig.

  2. De vangstgegevens, met inbegrip van het levend gewicht en de lengte onderkaak-vork van elke in het kader van de recreatievisserij gevangen mediterrane zwaardvis, worden geregistreerd en aangegeven overeenkomstig artikel 21.

  3. Mediterrane zwaardvis mag alleen worden aangeland in gehele staat of ontdaan van kieuwen en ingewanden, hetzij in een aangewezen haven overeenkomstig artikel 23, hetzij met een aan elk exemplaar bevestigd merkteken. Elk merkteken is voorzien van een uniek landspecifiek nummer en is onvervalsbaar.

  4. De lidstaten stellen een merktekenprogramma in voor de toepassing van deze verordening en nemen de specificaties van dat programma op in de in artikel 9 van deze verordening bedoelde jaarlijkse visserijplannen.

  5. De lidstaten verlenen voor het gebruik van merktekens alleen toestemming wanneer de som van de gevangen hoeveelheden het quotum niet overschrijdt.

  6. De lidstaten zenden de Commissie elk jaar uiterlijk twee maanden en 15 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering een jaarverslag toe over de uitvoering van het merktekenprogramma. De Commissie bundelt de informatie van de lidstaten en zendt die elk jaar uiterlijk twee maanden vóór de ICCAT-jaarvergadering door aan het ICCAT-secretariaat.

TITEL III
SLOTBEPALINGEN

Artikel 31
Jaarverslag

  1. De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 15 september bij de Commissie een jaarverslag in over het voorgaande kalenderjaar, betreffende hun uitvoering van deze verordening en, indien passend, met aanvullende informatie.

  2. Het jaarverslag bevat informatie over de stappen die zijn ondernomen om bijvangsten van ondermaatse mediterrane zwaardvis te beperken en teruggooi te verminderen, en over relevant onderzoek op dat gebied.

  3. De Commissie bundelt de overeenkomstig de leden 1 en 2 ontvangen informatie en zendt deze uiterlijk op 15 oktober van elk jaar door aan het ICCAT-secretariaat.

  4. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere voorschriften voor het formaat van het in dit artikel bedoelde jaarverslag. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 36 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 32
Evaluatie

De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2025 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van het in deze verordening vastgestelde herstelplan voor mediterrane zwaardvis.

Artikel 33
Financiering

Voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad is het meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis een meerjarig plan in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 34
Procedure in geval van wijzigingen

  1. Waar nodig met het oog op de omzetting in Unierecht van voor de Unie bindende wijzigingen van of aanvullingen op de bestaande ICCAT-aanbevelingen en voor zover de wijzigingen in het Unierecht niet verder gaan dan de ICCAT-aanbevelingen, wordt de Commissie gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 35 tot wijziging van:

    1. de termijnen voor het verstrekken van informatie die zijn vastgesteld in artikel 9, leden 1 en 2, artikel 10, lid 3, artikel 16, leden 1 en 3, artikel 17, leden 1 en 3, artikel 21, leden 2 en 3, artikel 22, lid 2, artikel 23, lid 3, artikel 26, lid 1, artikel 27, lid 5, en artikel 31, leden 1 en 3;

    2. de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde sluitingsperioden;

    3. de in artikel 11, lid 1, vastgestelde minimuminstandhoudingsreferentiegrootte;

    4. de in de artikelen 12 en 13 bedoelde tolerantieniveaus;

    5. de in artikel 14, leden 1 tot en met 4, bedoelde technische kenmerken van het vistuig;

    6. het in artikel 22, leden 1 en 2, vastgestelde percentage van het quotum dat is opgebruikt;

    7. de informatie over vangstvaartuigen als bedoeld in artikel 16, lid 2, artikel 17, lid 1, artikel 21, leden 1 tot en met 4, en artikel 23, lid 3; en

    8. de bijlagen I, II en II bij deze verordening.

  2. Wijzigingen die overeenkomstig lid 1 worden vastgesteld, hebben bij uitsluiting betrekking op de omzetting van wijzigingen van en/of op aanvullingen op de desbetreffende ICCAT-aanbevelingen in Unierecht.

Artikel 35
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

  2. De in artikel 34 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

  3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 34 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

  4. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

  5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

  6. Een overeenkomstig artikel 34 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 36
Comitéprocedure

De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 37
Wijziging van Verordening (EU) 2017/2107

In Verordening (EU) 2017/2107 worden de artikelen 20 tot en met 26 geschrapt.

Artikel 38
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1967/2006, wordt punt 6, onder 2, vervangen door:

  • "2. 2 500 vishaken per vaartuig voor vaartuigen die op zwaardvis (Xyphias gladius) vissen, wanneer deze soorten na sortering ten minste 70 % van de vangst in levend gewicht uitmaken;".

Artikel 39

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

BIJLAGE bij Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107 ICCAT-minimumnormen voor wetenschappelijke waarnemersprogramma's op vissersvaartuigen

Brussel,24.4.2018

COM(2018) 229 final

BIJLAGE I

ICCAT-minimumnormen voor wetenschappelijke waarnemersprogramma's op vissersvaartuigen

Algemene bepalingen

1. Dit zijn de in ICCAT-aanbeveling 16-14 vastgestelde minimumnormen voor wetenschappelijke waarnemersprogramma's op vissersvaartuigen.

Kwalificaties van waarnemers

2. Onverminderd de door het Permanent Comité voor onderzoek en statistiek (SCRS) aanbevolen opleidingen en technische kwalificaties, waarborgen de verdragsluitende partijen bij de ICCAT (CPC's) dat hun waarnemers voor de uitvoering van hun taken over de volgende kwalificaties te beschikken:

a) voldoende kennis en ervaring om ICCAT-soorten en vistuigconfiguraties te kunnen identificeren;

b) de capaciteit om de in het kader van het programma te verzamelen informatie accuraat waar te nemen en te registreren;

c) de bekwaamheid om de in punt 7 vermelde taken uit te voeren;

d) de capaciteit om biologische monsters te nemen; en

e) minimale en passende opleiding over veiligheid en overleven op zee.

3. Om de integriteit van hun binnenlands waarnemersprogramma te waarborgen, zien de CPC's erop toe dat de waarnemers:

a) geen bemanningsleden zijn van het aan waarneming onderworpen vaartuig;

b) geen werknemers zijn van de eigenaar of uiteindelijke begunstigde van het aan waarneming onderworpen vissersvaartuig; en

c) geen lopende financiële belangen hebben in, noch voordeel hebben bij de waar te nemen visserij.

Aanwezigheid van waarnemers

4. Elke CPC waarborgt betreffende haar binnenlands waarnemersprogramma het volgende:

a) Een waarnemersdekking van ten minste 5 % van de visserijinspanning in elke soort pelagische beugvisserij en in de visserij met hengels, tonnara's, kieuwnetten en trawls zoals gedefinieerd in het ICCAT-glossarium. Het dekkingspercentage wordt als volgt gemeten:

i. voor de pelagische beugvisserij: in visdagen, aantal trekken of reizen;

ii. voor de visserij met hengel en tonnara: in visdagen;

iii. voor de visserij met kieuwnetten: in visuren of -dagen; en

iv. voor de visserij met trawls: in vistrekken of -dagen.

b) Onverminderd punt a) mag een CPC, wanneer er mogelijk sprake is van een buitengewoon veiligheidsrisico op grond waarvan de inzet van waarnemers aan boord uitgesloten is, voor vaartuigen van minder dan 15 meter een alternatieve wetenschappelijke monitoringbenadering toepassen die een vergelijkbare dekking waarborgt en aan de hand waarvan gegevens worden verzameld die gelijkwaardig zijn aan die welke in deze aanbeveling zijn gespecificeerd. In zulke gevallen moet de CPC die van een alternatieve benadering gebruik wenst te maken de bijzonderheden van de benadering aan het SCRS presenteren voor evaluatie. Het SCRS zal de ICCAT-commissie adviseren over de geschiktheid van de alternatieve benadering voor de uitvoering van de in deze aanbeveling vastgestelde verplichtingen op het gebied van gegevensverzameling. Alternatieve benaderingen uit hoofde van deze bepaling worden vóór de toepassing ervan goedgekeurd door de ICCAT-commissie op de jaarvergadering.

c) Er wordt gezorgd voor een representatieve tijdruimtelijke dekking van de activiteiten van de vloot die waarborgt dat overeenkomstig deze aanbeveling en alle aanvullende vereisten van binnenlandse waarnemersprogramma's van de CPC's adequate en passende gegevens worden verzameld, rekening houdend met de kenmerken van de vloten en visserijen;

d) Er worden gegevens verzameld over alle relevante aspecten van de visserijactiviteiten, met inbegrip van de vangst, zoals beschreven in punt 7.

5. De CPC's kunnen bilaterale regelingen treffen waarbij een CPC haar binnenlandse waarnemers op vaartuigen plaatst die de vlag voeren van een andere CPC, zolang aan alle bepalingen van deze aanbeveling wordt voldaan.

6. De CPC's streven ernaar te garanderen dat waarnemers na een opdracht van vaartuig wisselen.

Taken van de waarnemer

7. De CPC's schrijven onder andere voor dat waarnemers:

a) de visserijactiviteit van het betrokken vaartuig registreren en rapporteren aan de hand van ten minste het volgende:

i. een gegevensverzameling, met metingen van de totale vangst van doelsoorten, teruggooi en bijvangst (met inbegrip van haaien, zeeschildpadden, zeezoogdieren en zeevogels), een raming of meting van de groottesamenstelling indien praktisch mogelijk, verwijderingsstatus (d.w.z. aan boord gehouden, dood teruggegooid, levend teruggezet), en de verzameling van biologische monsters voor levenscyclusstudies (bijvoorbeeld gonaden, otolieten, ruggengraten, schubben);

ii. verzameling en rapportering van alle aangetroffen merktekens;

iii. informatie over de visserijactiviteit, met inbegrip van:

- vangstgebied (lengte- en breedtegraad);

- informatie over de visserijinspanning (bijvoorbeeld aantal trekken, aantal haken enz.);

- datum van elke visserijactiviteit, met inbegrip van begin- en eindtijd van de visserijactiviteit indien van toepassing;

- gebruik van visaantrekkende voorwerpen, met inbegrip van FAD's (visaantrekkende voorzieningen); en

- algemene toestand van teruggegooide dieren met betrekking tot overlevingspercentages (d.w.z. dood/levend, gewond enz.).

b) het gebruik van maatregelen ter beperking van bijvangst en andere relevante informatie waarnemen en registreren;

c) milieuomstandigheden waarnemen en rapporteren (d.w.z. toestand van de zee, klimatologische en hydrologische parameters enz.);

d) FAD's waarnemen en rapporteren in overeenstemming met het ICCAT-waarnemersprogramma dat is goedgekeurd in het kader van het meerjarig programma voor de instandhouding en het beheer van tropische tonijnen; en

e) andere wetenschappelijke taken uitvoeren die door het SCRS zijn aanbevolen en door de ICCAT-commissie zijn goedgekeurd.

Verplichtingen van de waarnemer

8. De CPC's zien erop toe dat de waarnemer:

a) de elektronische apparatuur van het vaartuig niet verstoort;

b) de noodprocedures aan boord van het vaartuig kent, met inbegrip van de locatie van reddingsboten, brandblusapparaten en EHBO-dozen;

c) waar nodig met de kapitein communiceert over relevante kwesties en taken van waarnemers;

d) de visserijactiviteiten en de normale werkzaamheden van het vaartuig niet hindert of verstoort;

e) deelneemt aan een of meer debriefingsessies met de desbetreffende vertegenwoordigers van het wetenschappelijk orgaan of de binnenlandse dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het waarnemersprogramma.

Verplichtingen van de kapitein

9. De CPC's zien erop toe dat de kapitein van het vaartuig waaraan de waarnemer is toegewezen:

a) passende toegang verleent tot het vaartuig en de activiteiten van het vaartuig;

b) de waarnemer in staat stelt zijn/haar verantwoordelijkheden op een efficiënte manier uit te voeren, met name door:

i. passende toegang te verlenen tot het vistuig, de documentatie (waaronder elektronische en papieren logboeken) en de vangsten van het vaartuig;

ii. te allen tijde te communiceren met de desbetreffende vertegenwoordigers van het wetenschappelijk orgaan of de binnenlandse dienst;

iii. passende toegang te verlenen tot elektronische apparatuur en andere visserijgerelateerde uitrusting, met inbegrip van maar niet beperkt tot:

- satellietnavigatieapparatuur;

- elektronische-communicatieapparatuur.

iv. te waarborgen dat niemand aan boord van het betrokken vaartuig knoeit met waarnemersapparatuur of -documentatie of die onklaar maakt; de waarnemer hindert, stoort of handelt op een andere manier die de waarnemer onnodig zou kunnen verhinderen zijn/haar taken uit te oefenen; de waarnemer intimideert, bedreigt of op enigerlei wijze schade berokkent; de waarnemer omkoopt of probeert om te kopen.

c) logies, maaltijden en adequate sanitaire voorzieningen aan de waarnemer verschaft die van dezelfde kwaliteit zijn als die van de officieren;

d) de waarnemer voldoende ruimte op de brug of in het stuurhuis biedt om zijn/haar taken uit te voeren, evenals voldoende ruimte op het dek biedt voor het uitoefenen van waarnemerstaken.

Taken van de CPC's

10. Elke CPC:

a) verplicht haar vaartuigen bij de visserij op ICCAT-soorten een wetenschappelijk waarnemer aan boord te nemen in overeenstemming met de bepalingen van deze aanbeveling;

b) houdt toezicht op de veiligheid van haar waarnemers;

c) moedigt waar mogelijk en passend haar wetenschappelijk orgaan of binnenlandse dienst aan om overeenkomsten te sluiten met wetenschappelijke organen of binnenlandse diensten van andere CPC's om waarnemersverslagen en -gegevens met elkaar uit te wisselen;

d) verstrekt in haar jaarverslag voor de ICCAT-commissie en het SCRS specifieke informatie over de uitvoering van deze aanbeveling, met inbegrip van:

i. bijzonderheden betreffende de structuur en het ontwerp van haar wetenschappelijke waarnemersprogramma's, met onder andere:

- het streefniveau voor de aanwezigheid van waarnemers per visserij en per vistuigtype en de wijze waarop dat niveau wordt gemeten;

- de te verzamelen gegevens;

- de protocollen voor gegevensverzameling en handling;

- informatie over de manier waarop vaartuigen worden geselecteerd voor waarneming om het streefniveau voor de aanwezigheid van waarnemers te bereiken;

- opleidingsvereisten voor waarnemers; en

- kwalificatievereisten voor waarnemers.

ii. het aantal gemonitorde vaartuigen en het dekkingsniveau per visserij en per vistuigtype; en

iii. gegevens over de wijze waarop die dekkingsniveaus werden berekend.

e) rapporteert na de oorspronkelijke indiening van de uit hoofde van punt 10, d), i), vereiste informatie wijzigingen aan de structuur en/of het ontwerp van haar waarnemersprogramma's in haar jaarverslagen, wanneer dergelijke wijzigingen zich voordoen. De CPC's blijven de overeenkomstig punt 10, d), ii), vereiste informatie jaarlijks rapporteren aan de ICCAT-commissie;

f) rapporteert elk jaar de in de binnenlandse waarnemersprogramma's verzamelde informatie aan het SCRS voor gebruik door de ICCAT-commissie in de daartoe bestemde door het SCRS ontwikkelde elektronische formats, met name voor de beoordeling van bestanden en andere wetenschappelijke doeleinden, in lijn met de bestaande procedures voor andere gegevensrapportagevereisten en in overeenstemming met de binnenlandse geheimhoudingsvereisten;

g) zorgt ervoor dat haar waarnemers gebruikmaken van robuuste gegevensverzamelingsprotocollen bij de uitvoering van hun in punt 7 vermelde taken, waar nodig en passend met inbegrip van fotografie.

Taken van de uitvoerend secretaris

11. De uitvoerend secretaris faciliteert voor het SCRS en de ICCAT-commissie de toegang tot relevante gegevens en overeenkomstig deze aanbeveling ingediende informatie.

Taken van het SCRS

12. Het SCRS:

a) ontwerpt waar nodig en passend een handleiding voor waarnemers waar CPC's in hun binnenlands waarnemersprogramma vrijwillig gebruik van kunnen maken, met modelformulieren voor gegevensverzameling en gestandaardiseerde gegevensverzamelingsprocedures, rekening houdend met handleidingen voor waarnemers en daarmee verband houdend materiaal die reeds beschikbaar zijn via andere bronnen, waaronder CPC's, regionale en subregionale instanties, en andere organisaties;

b) ontwikkelt visserijspecifieke richtsnoeren voor elektronische monitoringsystemen;

c) verstrekt aan de ICCAT-commissie een samenvatting van de wetenschappelijke gegevens en informatie die krachtens deze aanbeveling zijn verzameld en gerapporteerd, evenals mogelijke gerelateerde bevindingen;

d) doet waar noodzakelijk en passend aanbevelingen over hoe de effectiviteit van wetenschappelijke waarnemersprogramma's kan worden verbeterd om tegemoet te komen aan de behoeften van de ICCAT-commissie, met inbegrip van mogelijke herzieningen van deze aanbeveling en/of betreffende de implementatie van deze minimumnormen en protocollen door de CPC's.

Elektronische monitoringsystemen

13. Indien het SCRS heeft vastgesteld dat elektronische monitoringsystemen doeltreffend zijn in een bepaalde visserij, kunnen de systemen worden geïnstalleerd aan boord van vaartuigen als aanvulling op of, in afwachting van het advies van het SCRS en een besluit van de ICCAT-commissie, ter vervanging van de menselijke waarnemer aan boord.

14. De CPC's moeten rekening houden met alle toepasselijke door het SCRS onderschreven richtsnoeren betreffende het gebruik van elektronische monitoringsystemen.

15. De CPC's worden aangemoedigd om aan het SCRS te rapporteren over hun ervaringen met het gebruik van elektronische monitoringsystemen in hun ICCAT-visserijen ter aanvulling van menselijke waarnemersprogramma's. CPC's die zulke systemen nog niet hebben ingevoerd, worden aangemoedigd het gebruik ervan te onderzoeken en verslag over hun bevindingen uit te brengen aan het SCRS.

BIJLAGE bij Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107 Logboekvereisten voor vangstvaartuigen

Brussel,24.4.2018

COM(2018) 229 final

BIJLAGE II

Minimumspecificaties voor visserijlogboeken:

1. De bladzijden van het logboek zijn genummerd.

2. Het logboek wordt elke dag ingevuld (middernacht) en in elk geval vóór aankomst in de haven.

3. In geval van inspecties op zee wordt het logboek aangevuld.

4. Eén kopie van de bladzijden blijft aan het logboek gehecht.

5. Logboeken worden aan boord bewaard en bestrijken een jaar.

Minimumstandaardinformatie in visserijlogboeken:

1. Naam en adres van de kapitein.

2. Data en havens van vertrek, data en havens van aankomst.

3. Naam van het vaartuig, registratienummer, ICCAT-nummer, internationale radioroepnaam en IMO-nummer (indien beschikbaar).

4. Vistuig:

  1. soort naar FAO-code;

  2. afmetingen (bv. lengte, maaswijdte, aantal haken).

5. Activiteiten op zee met (ten minste) één regel in het logboek per dag van de visreis:

  1. activiteit (bv. vissen, stomen);

  2. positie: exacte dagelijkse posities (in graden en minuten), voor elke visserijactiviteit of op het middaguur op dagen waarop niet is gevist;

  3. vangstgegevens, waaronder:

    • FAO-code;

  • levend gewicht (RWT) in kg per dag;

  • aantal stuks per dag.

6. Handtekening van de kapitein.

7. Manier van wegen: schatten, wegen aan boord.

8. In het logboek wordt de hoeveelheid in equivalent levend gewicht genoteerd en worden de in de evaluatie gebruikte omrekeningsfactoren vermeld.

Minimuminformatie in visserijlogboeken in geval van aanlanding of overlading:

1. Data en haven van aanlanding/overlading.

2. Producten:

  1. soorten en aanbiedingsvorm naar FAO-code;

  2. aantal vissen of dozen en hoeveelheid in kg.

3. Handtekening van de kapitein of de gemachtigde.

4. In geval van overlading: naam, vlag en ICCAT-nummer van het ontvangende vaartuig.

BIJLAGE bij Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EU) 2017/2107 ICCAT-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie

Brussel,24.4.2018

COM(2018) 229 final

BIJLAGE III

ICCAT-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie

Overeenkomstig lid 3 van artikel IX van het ICCAT-verdrag beveelt de ICCAT-commissie aan de volgende regelingen vast te stellen inzake internationale controle buiten de wateren onder nationale jurisdictie met het oog op de toepassing van het verdrag en de maatregelen in het kader daarvan:

I. Ernstige inbreuken

1. Voor de toepassing van deze procedures gelden de volgende inbreuken op de door de Commissie aangenomen instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT als ernstige inbreuken:

a) het vissen zonder vergunning, document of machtiging van de verdragsluitende partij waarvan de vlag wordt gevoerd;

b) het niet overeenkomstig de rapportagevoorschriften van de ICCAT bijhouden van vangstaangiften en vangstgerelateerde gegevens of het apert verkeerd rapporteren van dergelijke vangst- en/of vangstgerelateerde gegevens;

c) het vissen in een gesloten gebied;

d) het vissen tijdens een gesloten seizoen;

e) het opzettelijk vangen of aan boord houden van soorten in strijd met door de ICCAT aangenomen geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen;

f) het significant overschrijden van op grond van de ICCAT-regels geldende vangstbeperkingen of quota;

g) het gebruiken van verboden vistuig;

h) het vervalsen of verbergen van de kentekens, de identiteit of het inschrijvingsnummer van een vissersvaartuig;

i) het achterhouden, vervalsen of laten verdwijnen van bewijsmateriaal dat van belang is voor het onderzoek naar een inbreuk;

j) het begaan van meerdere inbreuken die samen een ernstige schending van de geldende ICCAT-maatregelen vormen;

k) het belagen, weerstaan, intimideren, seksueel intimideren, beïnvloeden, hinderen of belemmeren van een erkende inspecteur of waarnemer;

l) het knoeien met of onklaar maken van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS);

m) andere eventueel door de ICCAT omschreven inbreuken zodra deze zijn opgenomen in een herziene versie van deze procedures en deze verspreid is;

n) het verstoren van de werking van het VMS en/of het exploiteren van een vaartuig zonder VMS;

o) overlading op zee.

2. Indien de erkende inspecteurs bij een inspectie aan boord van een vissersvaartuig een activiteit of toestand opmerken die een in punt 1 gedefinieerde ernstige inbreuk kan vormen, stellen de autoriteiten van de vlaggenstaat van het inspectievaartuig de vlaggenstaat van het vissersvaartuig daarvan onverwijld in kennis, zowel rechtstreeks als via het ICCAT-secretariaat. In dergelijke situaties moet de inspecteur tevens elk inspectievaartuig van de vlaggenstaat van het vissersvaartuig waarvan bekend is dat het zich in de buurt bevindt, daarvan in kennis stellen.

3. De ICCAT-inspecteurs registreren de verrichte inspecties en alle vastgestelde inbreuken (indien van toepassing) in het logboek van het vissersvaartuig.

4. De vlaggenstaat-CPC zorgt ervoor dat naar aanleiding van de in punt 2 van deze bijlage bedoelde inspectie het betrokken vissersvaartuig elke visserijactiviteit stopzet. De vlaggenstaat-CPC verzoekt het vissersvaartuig zich binnen 72 uur naar een door hem aangewezen haven te begeven, waar een onderzoek wordt ingesteld.

5. In het geval dat tijdens een inspectie een activiteit of toestand wordt opgemerkt die een ernstige inbreuk kan vormen, moet het vaartuig worden onderzocht volgens de procedures die zijn beschreven in de ICCAT-aanbeveling tot verdere wijziging van aanbeveling 09-10 tot vaststelling van een lijst van vaartuigen die vermoedelijk illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten hebben verricht in het ICCAT-Verdragsgebied (aanbeveling 11-18), rekening houdend met respons- en andere follow-upmaatregelen.

II. Uitvoering van inspecties

6. De inspecties worden verricht door inspecteurs die door de verdragsluitende regeringen zijn aangewezen. De namen van de daartoe bevoegde regeringsinstanties en individuele daartoe door hun respectieve regeringen aangewezen inspecteurs worden aan de ICCAT gemeld.

7. Vaartuigen die overeenkomstig deze bijlage internationale inspecties aan boord uitvoeren, voeren een speciale vlag of wimpel die door de ICCAT-commissie is goedgekeurd en door het ICCAT-secretariaat is verstrekt. De namen van de vaartuigen die hiervoor worden gebruikt, worden vóór aanvang van de inspectieactiviteiten zo spoedig als praktisch haalbaar aan het ICCAT-secretariaat gemeld. Het ICCAT-secretariaat stelt informatie betreffende de aangewezen inspectievaartuigen beschikbaar aan alle CPC's, onder meer door deze informatie op zijn met een wachtwoord beveiligde website te publiceren.

8. De inspecteurs moeten in het bezit zijn van een passend, door de autoriteiten van de vlaggenstaat verstrekt identiteitsbewijs volgens het model in punt 21 van deze bijlage.

9. Onverminderd de in punt 16 van deze bijlage bedoelde overeengekomen regelingen moet een vaartuig dat de vlag voert van een verdragsluitende regering en dat in het verdragsgebied buiten de onder nationale jurisdictie vallende wateren op tonijn of tonijnachtigen vist, halt houden wanneer het desbetreffende sein uit het internationale seinboek is gegeven door een vaartuig dat onder de in punt 7 beschreven ICCAT-wimpel vaart en dat een inspecteur aan boord heeft, tenzij het vaartuig op dat ogenblik visserijactiviteiten aan het uitoefenen is, in welk geval het halt moet houden zodra deze activiteiten zijn beëindigd. De kapitein van het vaartuig dient het inspectieteam, zoals gespecificeerd in punt 10 van deze bijlage, toe te staan om aan boord van het vaartuig te komen, en moet voor een loodsladder zorgen. De kapitein stemt in met alle controles van apparatuur, vangst, vistuig en relevante documenten die de inspecteur noodzakelijk acht om de naleving te verifiëren van de geldende aanbevelingen van de ICCAT-commissie ten aanzien van de vlaggenstaat van het vaartuig dat wordt geïnspecteerd. Voorts mogen inspecteurs alle uitleg vragen die zij nodig achten.

10. De grootte van het inspectieteam dient rekening houdend met de betreffende omstandigheden te worden bepaald door de commandant van het inspectievaartuig. Het inspectieteam moet zo klein zijn als mogelijk is om de in deze bijlage bepaalde taken veilig te kunnen uitvoeren.

11. Bij het aan boord komen moeten de inspecteurs het in punt 8 van deze bijlage beschreven identiteitsbewijs overleggen. De inspecteurs houden zich aan de algemeen geaccepteerde internationale regelgeving, procedures en praktijken met betrekking tot de veiligheid van het geïnspecteerde vaartuig en zijn bemanning, verstoren de visserijactiviteiten of het stuwen van producten zo min mogelijk en vermijden, voor zover praktisch mogelijk, handelingen die een negatief effect kunnen hebben op de kwaliteit van de vangst aan boord. Bij hun onderzoek gaan de inspecteurs alleen na of de geldende aanbevelingen van de ICCAT-commissie ten aanzien van de vlaggenstaat van het betrokken vaartuig worden nageleefd. Hierbij kunnen de inspecteurs de kapitein van het vissersvaartuig verzoeken om alle nodige medewerking. De inspecteurs stellen een inspectieverslag op in een door de ICCAT-commissie goedgekeurde vorm. Zij ondertekenen het verslag in aanwezigheid van de kapitein van het vaartuig, die opmerkingen die hij of zij nuttig acht mag toevoegen of laten toevoegen, en deze opmerkingen ondertekent.

12. Een kopie van het verslag wordt verstrekt aan de kapitein van het vaartuig en aan de regering van het inspectieteam, die op haar beurt een kopie bezorgt aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig en aan de ICCAT-commissie. Indien een schending van de aanbevelingen van de ICCAT wordt geconstateerd, moet de inspecteur zo mogelijk ook elk inspectievaartuig van de vlaggenstaat van het vissersvaartuig waarvan bekend is dat het zich in de buurt bevindt, daarvan in kennis stellen.

13. Verzet tegen inspecteurs of niet-uitvoering van hun instructies wordt door de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig op gelijke wijze behandeld als dergelijk gedrag ten opzichte van een nationale inspecteur.

14. Inspecteurs voeren de in het kader van deze regelingen aan hen toevertrouwde taken uit overeenkomstig de voorschriften in deze aanbeveling, doch blijven onder het operationele toezicht van hun nationale autoriteiten staan en zijn hun verantwoording verschuldigd.

15. De verdragsluitende regeringen geven aan inspectieverslagen, waarnemingsinformatiebladen overeenkomstig aanbeveling [94-09] en verklaringen op grond van documentinspecties door inspecteurs van andere verdragsluitende partijen in het kader van deze regelingen, dezelfde waarde en hetzelfde gevolg als zij overeenkomstig hun nationale wetgeving doen ten aanzien van de door hun eigen inspecteurs opgemaakte verslagen. Deze bepaling verplicht de verdragsluitende regering niet om aan een verslag dat is opgesteld door een inspecteur die niet door die verdragsluitende partij is aangewezen, grotere bewijskracht toe te kennen dan het in het eigen land van de inspecteur zou hebben. De verdragsluitende regeringen werken samen teneinde gerechtelijke of andere procedures die voortvloeien uit een in het kader van deze regelingen door een inspecteur ingediend rapport, te vergemakkelijken.

16.    

a) De verdragsluitende regeringen stellen de ICCAT-commissie uiterlijk op 1 januari van elk jaar in kennis van hun voorlopige plannen voor de uitvoering van inspectieactiviteiten uit hoofde van deze aanbeveling in dat kalenderjaar. De commissie kan aan de verdragsluitende regeringen suggesties doen voor de coördinatie van nationale activiteiten op dit gebied, ook ten aanzien van het aantal inspecteurs en het aantal vaartuigen met inspecteurs aan boord;

b) De in deze aanbeveling vastgestelde regelingen en de plannen voor deelname daaraan zijn van toepassing tussen de verdragsluitende regeringen, tenzij zij onderling anders zijn overeengekomen; de ICCAT-commissie wordt hiervan in kennis gesteld. De uitvoering van de regeling tussen twee verdragsluitende regeringen wordt echter geschorst indien één van hen de ICCAT-commissie hiervan in kennis heeft gesteld, in afwachting van de sluiting van een dergelijke overeenkomst.

17.

a) Het vistuig wordt geïnspecteerd overeenkomstig de regelgeving die van toepassing is op de sector waarvoor de inspectie plaatsvindt. De inspecteurs vermelden de sector waarvoor de inspectie heeft plaatsgevonden en geven een beschrijving van eventuele inbreuken die in het inspectieverslag zijn geconstateerd;

b) De inspecteurs hebben de bevoegdheid om alle vistuig dat wordt gebruikt of dat zich aan boord bevindt, te inspecteren.

18. De inspecteurs brengen een door de ICCAT-commissie goedgekeurd identificatiemerk aan op elk geïnspecteerd vistuig dat in strijd met de geldende aanbevelingen van de ICCAT-commissie ten aanzien van de vlaggenstaat van het betrokken vaartuig lijkt te zijn gebruikt en melden dit in hun verslag.

19. De inspecteurs mogen het vistuig, de apparatuur, de documentatie en elk ander element dat zij noodzakelijk achten, zodanig fotograferen dat kenmerken die volgens hen niet in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving, zichtbaar zijn. In dat geval moeten de gefotografeerde elementen worden vermeld in het verslag en kopieën van de foto's aan de kopie van het verslag aan de vlaggenstaat worden gehecht.

20. De inspecteurs inspecteren waar nodig de gehele vangst aan boord om vast te stellen of deze in overeenstemming is met de ICCAT-aanbevelingen.

21. Het model voor de identiteitskaart van inspecteurs is als volgt:

Afmetingen: breedte 10,4 cm, lengte 7 cm.