Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
Brussel, 2.7.2018 |
COM(2018) 509 final |
2018/0270(NLE) |
Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde |
TOELICHTING
Op grond van artikel 199 bis, lid 1, van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten bepalen dat de btw ter zake van de in dit artikel genoemde goederenleveringen en diensten moet worden voldaan door de belastingplichtige aan wie de prestatie wordt geleverd (verleggingsregeling). Deze regeling houdt in dat de belastingplichtige aan wie de prestaties worden geleverd, tot voldoening van de verschuldigde btw wordt gehouden. Deze belastingplichtige neemt, mits hij een volledig recht op aftrek heeft, de btw op de prestatie in zijn aangifte op en brengt deze tegelijkertijd in mindering, waardoor er in de praktijk geen btw aan de schatkist wordt betaald. Leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen zijn opgenomen in artikel 199 bis, lid 1, onder j).
Overeenkomstig artikel 199 bis, lid 1, van de btw-richtlijn kan de verleggingsregeling worden toegepast tot en met 31 december 2018 voor een minimumperiode van twee jaar. Aangezien niet is voldaan aan de minimumeis van twee jaar, kan Letland de verleggingsregeling niet toepassen op basis van dit artikel.
Daarom vraagt Letland op basis van artikel 395 van de btw-richtlijn om van artikel 193 van de btw-richtlijn te mogen afwijken en de verleggingsregeling op leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen te mogen toepassen.
Letland wijst erop dat tijdens belastingcontroles btw-fraudeconstructies in de sector van de metaalproducten zijn vastgesteld. Bij het analyseren van de belastingcontroles waarbij belastingontduiking ten aanzien van transacties met metaalproducten was ontdekt, heeft Letland vastgesteld dat er systematisch aanzienlijke naheffingen moesten worden opgelegd. Het bedrag van deze naheffingen was tot twee keer zo hoog als de gemiddelde naheffing na controles. Volgens Letland wijst dit op het hoge risico op fraude bij transacties met metaalproducten.
Volgens de door Letland verstrekte informatie wordt er in het land een reeks maatregelen genomen om de btw-fraude aan banden te leggen en te bestrijden. Er gelden bijvoorbeeld nieuwe eisen voor kasregisters, die het frauduleus verwijderen van geregistreerde transacties volledig onmogelijk moeten maken; in de btw-aangifte moet een gedetailleerd overzicht van transacties worden opgenomen en er wordt bijzondere aandacht besteed aan het verbeteren van standaardcontroles en administratieve maatregelen. Ondanks al deze maatregelen acht Letland het toch nodig om de verleggingsregeling in te voeren voor leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen, teneinde te vermijden dat de overheid btw-inkomsten derft.
Leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen worden fraudegevoelig geacht en zijn daarom opgenomen in artikel 199 bis, lid 1, onder j), van de btw-richtlijn. Als aan de voorwaarde van de minimale toepassingsperiode was voldaan, had Letland zijn verzoek voor de verleggingsregeling op dit artikel kunnen baseren.
Er wordt daarom voorgesteld de derogatie te verlenen voor de periode waarin artikel 199 bis van de btw-richtlijn nog geldig is. Dit betekent dat de derogatie zou worden toegestaan tot en met 31 december 2018, dat wil zeggen de datum waarop artikel 199 bis van de btw-richtlijn vervalt.
Artikel 395 van de btw-richtlijn.
Gelet op de bepaling in de btw-richtlijn die de grondslag voor het voorstel vormt, is het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing.
Dit besluit betreft een machtiging die wordt verleend aan een lidstaat op diens eigen verzoek, en houdt geen enkele verplichting in.
Gezien de beperkte werkingssfeer van de derogatie staat de bijzondere maatregel in verhouding tot het beoogde doel, namelijk bepaalde vormen van belastingontduiking of ontwijking in een specifieke sector te voorkomen.
Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kan slechts van de normale btw-regels worden afgeweken als de Raad een lidstaat daartoe op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen machtigt. Een besluit van de Raad is het aangewezen instrument, omdat het tot individuele lidstaten kan worden gericht.
Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.
Het voorstel voor een uitvoeringsbesluit strekt ertoe bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking in de sector van de levering van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen te voorkomen. De verleggingsregeling moet Letland helpen een verdere verspreiding van de btw-fraude bij de levering van metaalproducten tegen te houden. De derogatiemaatregel zal dus een potentieel positief effect sorteren.
Gelet op de beperkte werkingssfeer en toepassingsduur van de derogatie zal het effect in ieder geval beperkt zijn.
Het voorstel heeft geen negatieve gevolgen voor de begroting van de EU.
Het voorstel bevat een vervalbepaling en verstrijkt op 31 december 2018.
2018/0270 (NLE) |
Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde |
waarbij Letland wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde 2 , en met name artikel 395, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
Krachtens artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG is de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of dienst verricht, in de regel ook de persoon die tot voldoening van de btw is gehouden.
Op grond van artikel 199 bis, lid 1, onder j), van Richtlijn 2006/112/EG kunnen de lidstaten bepalen dat de btw ter zake van leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen moet worden voldaan door de belastingplichtige aan wie de levering wordt verricht ("verleggingsregeling"). Letland heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Letland heeft recent een hoog risico op btw-fraude ontdekt in de sector van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen en zou daarom graag de verleggingsregeling invoeren voor binnenlandse leveringen van deze producten.
Op grond van artikel 199 bis, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG kan de verleggingsregeling worden toegepast tot en met 31 december 2018 voor een minimumperiode van twee jaar. Aangezien niet langer kan worden voldaan aan de minimumeis van twee jaar, kan Letland de verleggingsregeling niet toepassen op basis van artikel 199 bis, lid 1, punt j), van Richtlijn 2006/112/EG.
Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 9 april 2018, heeft Letland overeenkomstig artikel 395, lid 2, van Richtlijn 2006/112/EG verzocht om machtiging tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 193 van die richtlijn, teneinde de ontvanger van leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen tot voldoening van de btw te kunnen houden.
Bij brief van 4 mei 2018 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 395, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG het verzoek aan de andere lidstaten toegezonden en bij brief van 7 mei 2018 heeft de Commissie meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.
Volgens de door Letland verstrekte informatie zijn er fraudeconstructies in de sector van de metaalproducten vastgesteld. Hoewel Letland een reeks klassieke maatregelen heeft genomen om de btw-fraude te bestrijden, acht het land het nodig om de verleggingsregeling in te voeren voor leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen, teneinde te vermijden dat de overheid btw-inkomsten derft.
Letland moet daarom worden gemachtigd om de verleggingsregeling gedurende een beperkte tijd toe te passen op leveringen van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen.
De derogatie heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Unie uit de btw,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In afwijking van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG wordt Letland ter zake van de levering van halfafgewerkte ferro- en non-ferrometalen gemachtigd de ontvanger aan te wijzen als de tot voldoening van de btw gehouden persoon.
Artikel 2
Dit besluit verstrijkt op 31 december 2018.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de Republiek Letland.
Gedaan te Brussel,