Home

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Cacao-raad

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Cacao-raad

BESLUIT VAN DE RAAD

Brussel, 13.4.2021

COM(2021) 175 final

2021/0094(NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Cacao-raad

TOELICHTING

Dit voorstel heeft betrekking op het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Internationale Cacaoraad (“ICCO-raad”) van de Internationale Cacao-organisatie 1 (“ICCO”) in verband met de voorgenomen goedkeuring van de verlenging van de Internationale Cacao-overeenkomst (ICO, 2010) 2 .

Op grond van artikel 6, lid 1, van de ICO bestaat de Internationale Cacaoraad uit alle leden van de organisatie. Op grond van artikel 7 oefent de ICCO-raad alle bevoegdheden uit en voert hij alle taken uit die nodig zijn voor de uitvoering van de uitdrukkelijke bepalingen van de ICO, of doet deze uitvoeren.

Over het algemeen houdt de ICCO-raad elk half cacaojaar een gewone zitting, maar de mogelijkheid bestaat om een speciale zitting te beleggen (artikel 9, leden 1 en 2). In artikel 12 is bepaald dat alle besluiten van de ICCO-raad in beginsel bij consensus worden genomen. Indien geen consensus wordt bereikt, worden de besluiten bij bijzondere meerderheid van stemmen genomen volgens de procedure van artikel 12, lid 1. Bij artikel 10 en artikel 11 wordt voorzien in een specifieke verdeling van de stemmen en een stemmingsprocedure tussen de importerende en exporterende leden van de organisatie.

Tijdens zijn 103e zitting, die plaatsvindt op 22 en 23 april 2021, zal de ICOO-raad een besluit aannemen inzake de verlenging van de ICO 2010 (hierna “de beoogde handeling” genoemd). Dit besluit kan eventueel worden uitgesteld tot de volgende zittingen van de ICCO-raad.

De beoogde handeling heeft tot doel de verlenging van de ICO 2010 in de ICCO-raad aan te nemen. De verlenging van de ICO 2010 zal de leden van de ICCO de nodige tijd gunnen om te onderhandelen over de herziening van de ICO.

De beoogde handeling wordt bindend voor de partijen overeenkomstig artikel 12, lid 3, ICO, waarin is bepaald dat de leden zich ertoe verbinden alle overeenkomstig deze overeenkomst door de ICCO-raad genomen besluiten als bindend te aanvaarden.

Het doel van dit voorstel is om de Raad te verzoeken de Commissie te machtigen om namens de Unie in de ICCO-raad voor verlenging van de ICO te stemmen.

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van de “standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat ook handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die een “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 4 .

De ICCO-raad is een instantie die is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk de Internationale Cacao-overeenkomst 2010.

De door de ICCO-raad vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig artikel 12, lid 3, en artikel 62, lid 4, van de ICO 2010 uit hoofde van het volkenrecht bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component terwijl de andere doelstelling of andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op de gemeenschappelijke handelspolitiek.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 207, VWEU.

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 207, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

2021/0094 (NLE)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Cacao-raad

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Cacao-raad

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De Internationale Cacao-overeenkomst 2010 (hierna “de overeenkomst” genoemd) is bij Besluit 2012/189/EEG van de Raad 5 door de Unie gesloten en is op 1 oktober 2012 in werking getreden.

  2. Op grond van artikel 62, lid 1, van de overeenkomst blijft de overeenkomst van kracht tot en met 30 september 2022, tenzij zij wordt verlengd.

  3. Op grond van artikel 7, lid 1, van de overeenkomst oefent de Internationale Cacaoraad van de Internationale Cacao-organisatie (hierna de “ICCO-raad” genoemd) alle bevoegdheden uit en voert hij alle taken uit die nodig zijn voor de uitvoering van de uitdrukkelijke bepalingen van de overeenkomst, of doet deze uitvoeren. Op grond van artikel 62, lid 4, van de overeenkomst kan de ICCO-raad een besluit aannemen over de verlenging van de overeenkomst na de huidige einddatum “met twee perioden van elk ten hoogste twee cacaojaren”, d.w.z. tot en met 30 september 2024 voor de eerste periode, en tot en met 30 september 2026 voor de tweede periode.

  4. Tijdens zijn 103e zitting op 22 en 23 april 2021 zal de ICCO-raad een besluit aannemen inzake de verlenging van de overeenkomst. Dit besluit kan worden uitgesteld tot een latere datum.

  5. Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de ICCO-raad, aangezien het besluit van de ICCO-raad tot verlenging van de overeenkomst voor de Unie bindend zal zijn.

  6. Het is in het belang van de Unie om verder deel te nemen aan de ICO, gezien het belang van de cacaosector voor een aantal lidstaten en voor de economie van de Europese Unie.

  7. De verlenging van de overeenkomst met ten hoogste vier jaar moet de leden van de ICCO-raad een redelijke termijn bieden voor een substantiële herziening in de toekomst die gericht zou zijn op de modernisering en vereenvoudiging van de overeenkomst, 

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in de 103e zitting van de Internationale Cacaoraad van de Internationale Cacao-organisatie, of in een of meer latere zittingen, in te nemen standpunt is te stemmen vóór de verlenging van de Internationale Cacao-overeenkomst 2010 met twee perioden van elk ten hoogste twee cacaojaren, d.w.z. tot en met 30 september 2024 voor de eerste periode, en tot en met 30 september 2026 voor de tweede periode.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel,