Home

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG wat betreft het gebruik van essentiële-informatiedocumenten door beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG wat betreft het gebruik van essentiële-informatiedocumenten door beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Brussel, 15.7.2021

COM(2021) 399 final

2021/0219(COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG wat betreft het gebruik van essentiële-informatiedocumenten door beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (Voor de EER relevante tekst)

TOELICHTING

Artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1286/2014 voorziet in een overgangsregeling waarbij beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen en personen die advies geven over rechten van deelneming in icbe’s en niet-icbe’s, of rechten van deelneming in icbe's en niet-icbe’s verkopen, tijdelijk worden vrijgesteld van de verplichting om retailbeleggers een essentiële-informatiedocument te verstrekken. De regeling is van toepassing tot en met 31 december 2021.

Deze richtlijn gaat vergezeld van twee andere maatregelen. Ten eerste stelt de Commissie voor dat de overgangsregeling van Verordening (EU) nr. 1286/2014 wordt verlengd tot en met 30 juni 2022. Dit zal de nodige tijd geven om zich voor te bereiden op het einde van de overgangsregeling en de andere maatregel (die wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 inhoudt) uit te voeren vanaf 1 juli 2022. De drie maatregelen zijn derhalve gesynchroniseerd wat betreft de toepassingsdata.

Dit voorstel wil ervoor zorgen dat essentiële-informatiedocumenten die voldoen aan Verordening (EU) nr. 1286/2014, worden geacht te voldoen aan de vereisten voor essentiële beleggersinformatie voor icbe’s in de artikelen 78 tot en met 82 en artikel 94 van Richtlijn 2009/65/EG.

De topprioriteit van de Commissie is de EU-economie te versterken en investeringen te stimuleren om banen te creëren in alle 27 lidstaten, door een diepere eengemaakte kapitaalmarkt – of kapitaalmarktenunie (KMU) tot stand te brengen. Betere wetgeving voor retailbeleggers zal naar verwachting voordelen opleveren op andere beleidsterreinen waar transacties tussen ondernemingen en consumenten een belangrijke rol spelen.

Met dit voorstel moet worden voorkomen dat aan retailbeleggers twee verschillende precontractuele informatiedocumenten voor een zelfde icbe beschikbaar worden gesteld. Het essentiële-informatiedocument zal retailbeleggers in staat stellen de voornaamste economische en juridische kenmerken van icbe’s te vergelijken met die van andere PRIIP’s. Wat de precontractuele informatieverstrekking betreft, zullen ontwikkelaars en personen die advies geven over icbe’s of deze verkopen, alleen moeten voldoen aan de wettelijke verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1286/2014. Dit voorstel draagt bij tot de ontwikkeling van meer geïntegreerde kapitaalmarkten door het voor retailbeleggers, fondsbeheerders en bijgevolg ook ondernemingen waarin wordt belegd, gemakkelijker te maken te profiteren van de eengemaakte markt.

2021/0219 (COD)

Dit voorstel gaat niet vergezeld van een afzonderlijke effectbeoordeling, aangezien reeds een effectbeoordeling is opgesteld voor Verordening (EU) nr. 1286/2014, die ook betrekking heeft op icbe’s. Het voorstel schept geen nieuwe verplichtingen voor financiëlemarktdeelnemers.

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG wat betreft het gebruik van essentiële-informatiedocumenten door beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (Voor de EER relevante tekst)

tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG wat betreft het gebruik van essentiële-informatiedocumenten door beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)

(Voor de EER relevante tekst)

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 6 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Op grond van artikel 78 van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad 7 moeten beleggingsmaatschappijen en beheermaatschappijen een kort document opstellen met essentiële informatie over de voornaamste kenmerken van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) die worden aangeboden aan beleggers (“document met essentiële beleggersinformatie” of “KID”), zodat die beleggers redelijkerwijs in staat zijn de aard en de risico’s van het aangeboden beleggingsproduct te begrijpen en derhalve met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.

  2. Op grond van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad 8 moeten ontwikkelaars van verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP’s), voordat dergelijke producten aan retailbeleggers ter beschikking worden gesteld, een essentiële-informatiedocument voor dat product opstellen teneinde retailbeleggers in staat te stellen de voornaamste kenmerken en risico's van het betrokken PRIIP te begrijpen en te vergelijken (“essentiële-informatiedocument” of “KID”).

  3. Icbe’s worden ook beschouwd als PRIIP’s waarvoor overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1286/2014 een “KID” is vereist. Op grond van artikel 32, lid 1, van die verordening zijn beheermaatschappijen als omschreven in artikel 2, lid 1, punt b), van Richtlijn 2009/65/EG, beleggingsmaatschappijen als bedoeld in artikel 27 daarvan en personen die advies geven over rechten van deelneming in icbe’s, of rechten van deelneming in icbe's verkopen, tot en met 31 december 2021 van de verplichtingen van die verordening vrijgesteld (“overgangsregeling”).

  4. Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653 van de Commissie 9 vult Verordening (EU) nr. 1286/2014 aan door de vaststelling van technische reguleringsnormen met betrekking tot de presentatie, de inhoud en het standaardformat van het KID, de methodologie voor de presentatie van risico’s en rendement en de kostenberekening, evenals de voorwaarden en de minimumfrequentie voor de evaluatie van de informatie in het KID en de voorwaarden voor het verstrekken van het KID aan retailbeleggers.

  5. Op [PB gelieve de datum in te voegen] heeft de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) .../2021 van de Commissie 10 vastgesteld tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/653, onder meer om het gebruik van het KID (presentatie, inhoud en standaardformaat) eenvoudiger te maken voor beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen en personen die advies geven over rechten van deelneming in icbe’s of deze verkopen. De datum van toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) .../2021 is echter vastgesteld op 1 juli 2022, teneinde deze beheermaatschappijen, beleggingsmaatschappijen en personen die advies geven over rechten van deelneming in icbe’s of deze verkopen, voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden op het einde van de overgangsregeling en bijgevolg ook op de verplichting om een KID op te stellen. Aangezien de datum van toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) .../2021 is vastgesteld op 1 juli 2022 en het einde van de overgangsregeling moet samenvallen met de datum van toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) .../2021, is Verordening (EU) nr. 1286/2014 gewijzigd bij Verordening (EU) .../2021 van het Europees Parlement en de Raad 11 om de overgangsregeling te verlengen tot en met 30 juni 2022.

  6. De op grond van artikel 78 van Richtlijn 2009/65/EG vereiste “essentiële beleggersinformatie” en de op grond van Verordening (EU) nr. 1286/2014 vereiste “essentiële-informatiedocumenten” houden grotendeels dezelfde informatievereisten in. Daarom moet worden voorkomen dat retailbeleggers in PRIIP’s die geïnteresseerd zijn in het verwerven van rechten van deelneming in icbe’s, vanaf 1 juli 2022 beide documenten ontvangen voor een zelfde financieel product. Derhalve moet worden vastgesteld dat het KID moet worden geacht te voldoen aan de vereisten voor het document met essentiële beleggersinformatie als vereist bij Richtlijn 2009/65/EG.

  7. Richtlijn 2009/65/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In Richtlijn 2009/65/EG wordt het volgende artikel 82 bis ingevoegd:

“Artikel 82 bis

Via het essentiële-informatiedocument verstrekte essentiële beleggersinformatie

De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een beleggingsmaatschappij of een beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds een essentiële-informatiedocument opstelt, verstrekt, herziet en vertaalt dat voldoet aan de vereisten die voor essentiële-informatiedocumenten zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad*, dit essentiële-informatiedocument door de bevoegde autoriteiten wordt geacht te voldoen aan de in de artikelen 78 tot en met 82 en artikel 94 van deze richtlijn vastgestelde vereisten voor essentiële beleggersinformatie.

_____________________

*    Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP’s) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).”.

Artikel 2

  1. De lidstaten stellen uiterlijk op 30 juni 2022 de bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 juli 2022.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  1. Na de inwerkingtreding van deze richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat ieder ontwerp van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij overwegen in te voeren op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, tijdig ter kennis van de Commissie wordt gebracht, teneinde de Commissie de gelegenheid te bieden opmerkingen te maken.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,